Browse Category: Klinische psychologie

Aandacht voor hoesten.

“Dus jij doet onderzoek over hoesten…”

Ik ben geïnteresseerd in de waarneming van lichamelijke klachten, en hoe deze een rol spelen bij de verdediging van het lichaam tegen dreiging van buitenaf. En dan is hoesten een interessant onderzoeksonderwerp.

Iedereen hoest wel eens, bijvoorbeeld als je je verslikt, of als je verkouden bent. In die gevallen is hoesten zelfs nuttig: dingen die niet in de luchtwegen thuishoren zoals voedsel en overtollige slijmen worden door het hoesten verwijderd. Toch kan hoesten knap lastig zijn, zeker als het hoesten een langere tijd aanhoudt. Omdat hoesten zo vaak voorkomt en vervelend is, is het zelf een van de meest voorkomende lichamelijke klachten die besproken worden bij de huisarts.

Onderzoek naar hoesten heeft ook een praktisch voordeel: hoesten zijn relatief eenvoudig te meten. Je kan ze gewoon observeren en tellen, wat bij andere lichamelijke klachten zoals pijn, benauwdheid of verstikking natuurlijk niet mogelijk is.

Hoesten gaat automatisch

Hoesten is vaak een automatische reflex: als reactie op een prikkel in de keel of luchtwegen wordt in de hersenstam het signaal gegeven om de gewone ademhaling te onderbreken en te hoesten. Tegelijkertijd wordt deze prikkel waargenomen als een aandrang om te hoesten. Dit is een onaangename ervaring (kikker in de keel). Als de aandrang om te hoesten  hoog genoeg is, volgt een hoest. Maar je kan ook beslissen om de hoestreflex te onderdrukken, wat bijvoorbeeld gebeurt op plaatsen waar het niet gepast zou zijn om te hoesten.

Aandacht of afleiding

Ook de hoestreflex zelf kan versterkt of afgezwakt worden. In een experiment lieten we deelnemers verschillende korte geluiden horen, en ondertussen verschillende dosissen citroenzuur inademen. De meeste deelnemers moesten hiervan hoesten, maar niet iedereen hoestte even sterk bij dezelfde dosis. Bovendien merkten we dat als we de deelnemers vroegen om het aantal hoesten te tellen het totaal aantal hoesten hoger was dan wanneer we vroegen om de verschillende geluiden te tellen. We concludeerden dat het richten van de aandacht op het hoesten de hoestreflex versterkt, terwijl het afleiden van de aandacht de hoestreflex verzwakt.

Gevaarlijke chemische stoffen

Net zoals bij andere lichamelijke prikkels (zoals bijvoorbeeld pijn) is ook de aandrang om te hoesten gevoelig voor de betekenis de we aan deze prikkels geven. In een ander experiment lieten we deelnemers opnieuw verschillende dosissen citroenzuur inademen. De helft van de deelnemers kreeg hierbij de informatie dat het citroenzuur afkomstig was van biologische citroenen, terwijl de andere helft de informatie kreeg dat het zuur een afvalproduct was van de agrochemische industrie. Zoals verwacht was in deze laatste groep de aandrang om te hoesten sterker dan in de groep die de minder bedreigende informatie had gekregen.

Willen we meer of minder hoesten?

Met de resultaten van deze experimenten kunnen we speculeren over betere manieren om hoesten te behandelen. de resultaten suggereren dat het afleiden van aandacht of het verminderen van de dreiging die van hoesten uitgaat bruikbare strategieën zijn om de aandrang om te hoesten te verminderen en er dus voor te zorgen dat mensen minder last hebben van hoesten. Resultaten van een mindfulnessinterventie laten zien dat dit mogelijk is, maar verder onderzoek is nodig om uit te zoeken waarom deze interventie enkel lijkt te werken bij gezonde patiënten die occasioneel hoesten, en niet bij patiënten met een chronisch hoest.

Het verhogen van de dreiging die van hoestprikkels uitgaat zou dan weer kunnen helpen om ervoor te zorgen dat patiënten met parkinson vaker en beter hoesten als ze zich verslikken, wat tot een vermindering van het aantal longontstekingen zou kunnen leiden bij deze patiëntengroep.

Referenties

  • Janssens, T., Brepoels, S., Dupont, L., & Van den Bergh, O. (2015). The impact of harmfulness information on citric acid induced cough and urge-to-cough. Pulmonary Pharmacology and Therapeutics, 31(0), 9-14. doi: 10.1016/j.pupt.2015.01.002
  • Janssens, T., Silva, M., Davenport, P. W., Van Diest, I., Dupont, L. J., & Van den Bergh, O. (2014). Attentional modulation of reflex cough. CHEST Journal, 146(1), 135-141. doi: 10.1378/chest.13-2536
  • Young, E. C., Brammer, C., Owen, E., Brown, N., Lowe, J., Johnson, C., . . . Smith, J. A. (2009). The effect of mindfulness meditation on cough reflex sensitivity. Thorax, 64(11), 993-998. doi: 10.1136/thx.2009.116723

Auteur

Thomas Janssens @ThomasEJanssens is onderzoeker verbonden aan de onderzoekseenheid Gedrag, Gezondheid en Psychopathologie van de KU Leuven. Met zijn zijn onderzoek naar de rol van psychologische factoren bij de perceptie van ademhalingsklachten probeert hij de klachten van personen met ademhalingsklachten beter te begrijpen en hoopt hij een bijdrage te leveren aan de behandeling van respiratoire aandoeningen. Daarnaast probeert hij (toekomstige) zorgverleners en het grote publiek te overtuigen van het belang van een biopsychosociale visie op ziekte en gezondheid.

 

Therapie met een keurmerk: psychoanalytische therapie krijgt het stempel van effectiviteit.

Therapie met een keurmerk: psychoanalytische therapie krijgt het stempel van effectiviteit

Psychologische problemen: zeker een kwart van de mensen daar in zijn of haar leven mee te maken (WHO, 2001). De markt wordt overspoeld met behandelvormen en oplossingen – van zelfhulp en kruidenpillen tot gesprekken, gedragstherapie en zelfs virtual reality. Maar wat werkt nu echt, en voor wie? Waar wend jij je toe als je kampt met psychologische klachten?

Keurmerk voor psychotherapie

Sinds de jaren ’90 wordt steeds meer gestreefd naar Evidence-Based Treatment: behandelingen waarvan de werkzaamheid wetenschappelijk is bewezen (Leichsenring et al., 2015).

Alleen als therapieën voldoen aan een aantal strenge criteria, krijgen ze het stempel ‘effectieve behandeling’. Dat kwaliteitskeurmerk is handig voor de patiënt om te vertrouwen op de werkzaamheid van een therapie, maar zorgt er bijvoorbeeld ook voor dat behandelingen door de ziekteverzekering worden terugbetaald.

Wanneer krijgt een therapie nu een keurmerk? Logischerwijs moeten patiënten beter af zijn ná de therapie dan ervoor. Sterker nog: patiënten zouden méér moeten herstellen als zij de therapie hebben gevolgd dan als alleen de tijd zijn werk had gedaan. Die werkzaamheid moet bovendien blijken uit minimaal twee onafhankelijke wetenschappelijke studies, die zelf ook aan strenge eisen gebonden zijn (zie Chambless & Hollon, 1998). Bijna twintig jaar na het opstellen van deze kwaliteitseisen, is bewezen dat psychotherapie effectief is om een breed scala aan psychologische klachten te verhelpen, zoals depressie, angstklachten, trauma, eetproblemen, interpersoonlijke problemen, enzovoort.

Psychoanalytische therapie krijgt het stempel

Psychoanalytische en psychodynamische therapieën worden al anderhalve eeuw naar voren gebracht als effectieve behandelvorm voor allerlei psychologische problemen, zoals de klassieke hysterie en de melancholie in de Victoriaanse tijd, en depressie, angst en stressproblemen die we tegenwoordig veel tegen komen. Over die lange periode is de psychoanalyse met haar tijd meegegaan: de sofa is in veel gevallen uit de praktijk verdwenen, maar de onmisbare aandacht voor de interactie tussen de therapeut en de patiënt is nog altijd cruciaal in de spreekkamer. Psychoanalyse kijkt naar de relaties die mensen aangaan met hun omgeving, en de rol die ze daarin zelf nemen.

Dit jaar vergeleken Leichsenring en collega’s (2015) alle wetenschappelijke studies waarin de werkzaamheid van psychoanalytische therapieën werd onderzocht. Alleen als de onderzoeken voldeden aan de strenge eisen voor Evidence-Based Treatment, werden ze bestudeerd. Die eisen scherpten de auteurs zelfs nog aan, door striktere regels in te voeren voor de cijfers waaruit effectiviteit moet blijken. In totaal 39 onafhankelijke studies onderzochten samen bijna 2.100 patiënten, en toonden daarin de werkzaamheid aan. Meer bepaald wordt psychoanalytische therapie als effectief bestempeld voor depressie, sociale angst, borderline, diverse persoonlijkheidsstoornissen, pijnstoornissen, en anorexia nervosa. Ook voor rouwproblemen, paniekaanvallen en verslaving zijn er aanwijzingen voor effectiviteit, hoewel voor een keurmerk nog meer onderzoek nodig is.

En wat levert dat nu op?

Met zo’n grote groep mensen die met psychologische problemen te maken krijgt, wordt het steeds belangrijker gevonden dat psychotherapie kosteneffectief is. Dat wil zeggen: het moet meer opleveren dan het kost. Kort geleden onderzochten Abbass en collega’s (2015) hoe dat zit voor psychoanalytische therapie. Zij bekeken in Canada de zorgkosten van 890 patiënten, die een kortdurende psychoanalytische therapie hadden gevolgd voor verschillende psychologische klachten. Per patiënt bleek dat een behandeling gemiddeld $700 kost, maar dat in de drie jaar na het einde van de behandeling gemiddeld $12.000 aan zorgkosten is bespaard (alle kosten zouden in België iets lager liggen). Die zorgkosten zouden anders besteed zijn aan bezoeken aan huisartsen, specialisten en kinesisten, maar bijvoorbeeld ook aan het thuisblijven van de job (American Psychological Association, 2013). Opvallend was dat ook mensen met fysieke klachten, zoals fybromyalgie en prikkelbare darm syndroom, lagere zorgkosten hebben na het volgen van kortdurende psychoanalytische therapie.

Psychotherapie is dus werkzaam voor verschillende psychologische problemen, en op lange termijn scheelt dat bovendien zorgkosten. Daarmee kunnen we concluderen dat psychoanalytische therapie voor een hele reeks psychische problematieken – net als een aantal andere vormen van evidence-based therapie – terecht het keurstempel krijgt. Met (be)spaarzegels erbij.

Referenties

  • Abbass, A., Kisely, S., Rasic, D., Town, J. M., & Johansson, R. (2015). Long-term healthcare cost reduction with Intensive Short-term Dynamic Psychotherapy in a tertiary psychiatric service. Journal of Psychiatric Research, http://dx.doi.org/10.1016/j.jpsychires.2015.03.001.
  • American Psychological Association (2013). Recognition of psychotherapy effectiveness. Psychotherapy, 50, 102-109.
  • Chambless, D. L., & Hollon, S. D. (1998). Defining empirically supported therapies. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 66, 7–18.
  • Leichsenring, F., Leweke, F., Klein, S., & Steinert, C. (2015). The empirical status of psychodynamic therapy – an update: Bambi’s alive and kicking. Psychotherapy and psychosomatics, 84, 129-148.
  • World Health Organization (2001). The world health report 2001. Mental health: New understanding, new hope. Geneva: World Health Organization.

Auteur: Femke Truijens

Femke Truijens is doctoranda in klinische psychologie en wetenschapsfilosofie, onder supervisie van prof. dr. Mattias Desmet. Zij is verbonden aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de Universiteit Gent. Deze vakgroep is een onderdeel van PSYNC, het consortium klinische psychologie.

 

Vastzitten in depressieve gedachten.

Stel je voor, tijdens een sollicitatiegesprek voor een felbegeerde baan merk je dat een commissielid de wenkbrauwen fronst en een ander commissielid knikkend met jouw verhaal instemt. Deze dubbelzinnige situatie kan je op een verschillende manieren interpreteren, gaande van “ik maak een slechte indruk” tot “ze vinden me een degelijke kandidaat”. Terwijl niet-depressieve personen eerder positieve gedachten hebben, flitsen er bij depressieve personen negatieve gedachten door hun hoofd. Aan de basis negatieve gedachten ligt er een vicieuze cirkel waarbij depressieve individuen in toenemende mate negatieve prikkels verwerken, zo blijkt uit onderzoek door drs. Jonas Everaert en prof. dr. Ernst Koster (Universiteit Gent).

De vicieuze cirkel

Depressieve personen merken meer negatieve en minder positieve signalen op uit hun dagelijkse leven. Zo zullen zij bijvoorbeeld meer kijken naar het fronsende dan naar het instemmende commissielid. Depressieve personen zullen deze negatieve signalen vervolgens veel vaker op een negatieve manier interpreteren. In plaats van de interpretatie “het norse commissielid heeft een slechte dag”, zullen depressieve personen eerder denken “ik maak geen goede indruk, laat staan een kans op de baan”. Op deze manier worden er negatieve herinneringen gevormd: “mijn vorig sollicitatiegesprek liep helemaal mis”. Zulke negatieve herinneringen kunnen op hun beurt er weer voor zorgen dat er negatieve signalen nog sneller en vaker worden opgemerkt, ook in andere situaties (vb.: de geeuwende persoon in het publiek tijdens jouw presentatie), waardoor de cirkel rond is.Deze processen verlopen nagenoeg onbewust en het is niet eenvoudig om deze negatieve spiraal te doorbreken, die in de ogen van de depressieve persoon continu bevestigd wordt: “zie je wel…ik kan het niet”. Vastzitten in depressieve gedachten, dus.

De zwakste schakel

Toekomstige depressiesymptomen kunnen worden voorspeld op basis van hoe iemand de aandacht richt, dubbelzinnige situaties interpreteert, en herinneringen ophaalt. Hoe meer gericht op het negatieve, hoe groter de kans dat iemand depressieve gevoelens zal ervaren. De beste voorspeller van depressie verschilt wel van persoon tot persoon. Een persoon zijn of haar ‘zwakste schakel’, of het meest negatief vertekende proces kan depressiesymptomen voorspellen over een periode van een jaar en soms zelfs langer.

Toekomstmuziek

Deze nieuwe inzichten openen de weg voor behandelingen gericht op het doorbreken van deze vicieuze cirkel. Door intensieve training beogen deze nieuwe methoden de negatieve focus in de snelle denkprocessen te verminderen, waardoor iemand meer positieve prikkels opmerkt (bv. het instemmende jurylid), vaker positieve interpretaties overweegt (bv. “die fronsende persoon voelt zich niet lekker”), en ook positieve herinneringen kan ophalen (bv. “het was zo slecht nog niet”). Het verfijnen van deze methodieken vormt een boeiende uitdaging voor de klinische wetenschap. Het moet ons in de toekomst ook in staat stellen om een betere preventie en behandelmodellen te ontwikkelen.

Auteur

Jonas Everaert is als doctorandus, onder supervisie van prof. dr. Ernst Koster, verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Deze vakgroep is een onderdeel van PSYNC, het consortium klinische psychologie.

 

Wanneer je de fysieke pijn van een ander voelt.

Stel je voor dat je samen met je partner het eten klaarmaakt. Plots zie je dat je partner zich per ongeluk snijdt met het keukenmes. Een oncomfortabel gevoel steekt de kop op als je zijn/haar bebloede hand ziet.

Bij sommige mensen gaat deze korte emotionele ‘stressreactie’ ook gepaard met het effectief voelen van de fysieke pijn van de ander. Huh, kan dit? Ja…, in de literatuur wordt dit ‘plaatsvervangende pijn’ genoemd.

Plaatsvervangende pijn meten: een pijnlijke opdracht

Om plaatsvervangende pijn wetenschappelijk te meten heb je natuurlijk meer nodig dan enkel de vraag of mensen fysieke pijn voelen bij het zien van een ander met pijn. Een eerste doel werd daarom het ontwikkelen van een gepast experimenteel paradigma, dat ons toelaat dit effectief te gaan meten in de plaats van bevragen. Proefpersonen kregen een scherm te zien waarbij korte filmpjes van een linker- en rechterhand werden getoond. In elk filmpje werd één van deze twee handen geprikt of aangeraakt. Tegelijkertijd kon de proefpersoon een pijnlijke prikkel of niet-pijnlijke prikkel toegediend krijgen op de eigen linker- of rechterhand of op beide handen. De proefpersoon werd gevraagd zo snel mogelijk de locatie van de toegediende prikkels op de eigen handen te detecteren (luidop aangeven door “links”, “rechts” of “beide handen” te zeggen). In dit experimenteel opzet gaan we er vanuit dat mensen die een plaatsvervangende sensatie ervaren, moeilijk het onderscheid kunnen maken tussen een plaatsvervangende sensatie en een toegediende prikkel op de eigen hand. Wanneer ze foutief aangeven iets te hebben gevoeld aan de kant van de visuele prikkel – dus wanneer ze “links” zeggen omdat de linkerhand in het filmpje werd getoond, maar ze infeite zelf rechts een sensatie zouden moeten ervaren hebben – dan werd dit gezien als een plaatsvervangende fout. Een illusionaire ervaring dus. Wat bleek? Het opzet leek te werken, plaatsvervangende fouten kwamen geregeld voor!

Plaatsvervangende sensaties in het dagelijkse leven

Doorheen verschillende studies met variaties op bovenstaand experimenteel opzet bleek dat diegene die plaatsvervangende pijn in het dagelijkse leven rapporteren, meer illusionaire gewaarwordingen ervaren tijdens dergelijke opzet in vergelijking met controle personen. Wanneer je je dus regelmatig de pijn van iemand anders “voelt” (bijvoorbeeld, als iemand zich prikt aan een cactus, zelf je hand wegtrekken), zal je in dit experiment ook vaker ten prooi vallen aan de illusie dan iemand die dit niet ervaart. Belangrijke kanttekening hierbij is dat de algemene frequentie van plaatsvervangende sensaties eerder laag is (minder dan 10% van de trials). Daarnaast werden meer plaatsvervangende fouten gerapporteerd bij het zien van pijn-gerelateerde filmpjes in vergelijking met controle filmpjes waarbij dezelfde bewegingen te zien waren maar zonder pijn. Dus bijvoorbeeld wanneer iemand geprikt wordt met een speld, lokt dit meer illusies uit dan wanneer exact dezelfde beweging wordt gedaan maar bijvoorbeeld met een pluim. De literatuur suggereert dat mensen met chronische pijn of trauma (bv. amputatie) vatbaarder zijn voor het fenomeen.

Worden we gevoeliger bij het zien van pijn?

Ook bleken mensen in het algemeen accurater in het detecteren van subtiele tactiele prikkels bij het zien van pijn in vergelijking met het zien van een aanraking of een controle filmpje. Dit toont dat waarneming afhankelijk is van de context waarin deze voorkomt en niet zomaar op zichzelf staat. Pijn zien, maakt je gevoeliger voor aanraking.

Conclusie

Sommige mensen voelen fysieke pijn of andere vage sensaties wanneer ze een ander met pijn observeren. Wanneer we pijn en aanrakingen observeren bij een ander worden we ook beter in het detecteren van tactiele prikkels op het eigen lichaam. Deze studies tonen opnieuw aan dat somatosensatie vanuit een biopsychosociaal standpunt moet bekeken worden en niet louter vanuit een biomedische hoek waarbij geen rekening wordt gehouden met sociale en psychologische factoren.

Referenties

  • Vandenbroucke, S., Crombez, G., Loeys, T., & Goubert, L. (in press).  Vicarious experiences and detection accuracy while observing pain and touch: the effect of perspective taking. Attention, perception & Psychophysics.
  • Vandenbroucke, S., Crombez, G., Harrar, V., Devulder, J., Spence, C., & Goubert, L. (2014). Fibromyalgia patients and controls are equally accurate in detecting tactile stimuli while observing another in pain: an experimental study in fibromyalgia patients and controls. Attention, Perception & Psychology, 76, 2548-2559. doi:10.3758/s13414-014-0729-9
  • Vandenbroucke, S., Crombez, G., Van Ryckeghem, D.M.L, Brass, M, Van Damme, S., & Goubert, L. (2013). Vicarious pain while observing another in pain: an experimental approach. Frontiers in Human Neuroscience, 7, 265. doi:10.3389/fnhum.2013.00265
  • Vandenbroucke, S., Loeys, T., Crombez, G., & Goubert, L. (2014) Observing another in pain facilitates vicarious experiences and modulates somatosensory experiences. Frontiers in Human Neuroscience, 8, 631. doi:10.3389/fnhum.2014.00631

Auteur

Sophie Vandenbroucke verdedigt haar doctoraat in mei 2015 aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust vooral op de interpersoonlijke processen bij pijn. Naast haar wetenschappelijke interesse is Sophie zeer klinisch georiënteerd. Ze volgt momenteel een postgraduaatopleiding ‘Cognitieve gedragstherapie’ en is werkzaam als klinisch psycholoog in haar eigen groepspraktijk (www.praktijkdesleutelbloem.be). Daar begeleidt ze enerzijds kinderen, jongeren en hun ouders met internaliserende en externaliserende moeilijkheden en anderzijds mensen met chronische pijn.

 

Seksuele minderheden en stigma: masters of impression management?

Onszelf beter voordoen dan we zijn, we doen het allemaal. Er is geen beter bewaard publiek geheim dat tegelijkertijd zo natuurlijk is aan onszelf. Ettelijke liters inkt vloeiden reeds over de mogelijke nefaste invloeden van gepolijste facebookprofielen die ons een werkelijkheid voorspiegelen die eigenlijk niet bestaat: perfecte levens waar we altijd knap zijn, uitbundig lachen, fancy restaurants bezoeken en de mooiste vakantiekiekjes presenteren.

In de wetenschappelijke literatuur heeft men het over “Impression management” waarvan we de origine reeds in 1959 terugvinden bij de Canadese socioloog Erving Goffman (1959). In zijn boek “The Presentation of Self in Everyday Life” benadrukt hij de rol van zelfpresentatie als een manier van het individu om zichzelf te plaatsen binnen de sociale orde en sociale interacties te faciliteren. In een gesprek met een ander, passen we ons uiterlijk en manieren aan aan de context. De samenleving is immers niet homogeen. We moeten ons adapteren aan verschillende sociale contexten.

Impression management kan in het bijzonder voor gestigmatiseerde groepen een aantal voordelen opleveren. Wanneer je je minderheidskenmerk kan verbergen, levert dat misschien voordelen op in specifieke situaties zoals op een sollicitatiegesprek. Dat is natuurlijk nogal moeilijk als je een Marokkaanse jongen bent of als je een fysieke en zichtbare handicap hebt. Voor holebi’s behoort het verbergen van hun seksuele oriëntatie wel tot de mogelijkheden. Dat heeft zo zijn voor- en nadelen.

Coming out en zichtbaarheidsmanagement

We zijn ondertussen allemaal wel vertrouwd met het concept “coming out”: het kenbaar maken van een homo- of biseksuele oriëntatie aan de buitenwereld.  Het concept heeft echter zijn beperkingen. Ten eerste lijkt het alsof een coming out een éénmalig gegeven is: na de publieke bekentenis is iedereen voor eeuwig en altijd ingelicht over je seksuele oriëntatie. Dat is natuurlijk niet het geval. Telkens wanneer je nieuwe mensen ontmoet of toetreedt tot nieuwe sociale kringen (een nieuwe job, opleiding, op reis,…) moeten holebi’s opnieuw voor zichzelf de keuze maken om al dan niet zichzelf te outen. Daarnaast wordt coming out vaak begrepen als een doelbewuste actie: in een gesprek maakt men duidelijk dat men holebi is. Ook dat is niet altijd het geval. Er zijn immers heel wat impliciete, onbewuste of symbolische manieren om jezelf als holebi kenbaar te maken. Denk maar aan het dragen van het (destijds in Antwerpen veel besproken) regenboog T-shirt achter het loket. Ook het stellen van gender-nonconform gedrag (zich als jongen “verwijfd” of als meisje erg mannelijk gedragen) kan een manier zijn om zichzelf kenbaar te maken. Het wordt in ieder geval ook door anderen zo herkend: verwijfde jongens worden vaak gepercipieerd als homo, mannelijke vrouwen als lesbienne. Een homotiener getuigt in een diepte-interview: “Bij mij valt dat nogal hard op hé (lacht). Bijvoorbeeld hier, mijn handtas. Die is wel voor mannen, maar toch. (lacht). Dat is wel gemakkelijk dat ’t opvalt. Dan moet ik het niet zeggen hé, dan weten ze ’t ineens.”  Het cliché is hier dan ook geen verwijt maar net een dankbaar instrument.

Om aan de beperkingen van het concept “coming out” tegemoet te komen, gebruiken we vandaag eerder het concept zichtbaarheidsmanagement: het continue proces waarbij holebi’s zorgvuldige beslissingen maken over het al dan niet zichtbaar maken van hun seksuele oriëntatie in een verscheidenheid van sociale situaties. Omgaan met deze openheid kan dan samengaan met het (minder) ervaren van mentale stress voortvloeiend uit het ervaren van stigma. Holebi’s doen het immers niet zo goed op vlak van mentaal welbevinden en dat geldt in het bijzonder voor holebi-jongeren: ze scoren hoog op het ervaren van depressieve gevoelens en worstelen vaker dan heterojongeren met zelfmoordgedachten. Daarbij zijn ze ook vaak geneigd om zelf negatief te denken over homo- en biseksualiteit (i.e. geïnternaliseerde homonegativiteit): ze schamen zich erover of zien vooral de negatieve kanten ervan in. Sinds de start van de moderne holebi-emancipatiebeweging aan het eind van vorige eeuw, is coming out altijd gedefinieerd als een belangrijke mijlpaal in het leven van holebi’s. Hoe meer open, hoe meer met zichzelf in het reine en hoe gelukkiger. Maar is dat ook zo? Meer open zijn kan immers ook leiden tot meer ervaringen van discriminatie en vooroordelen. Wat zijn de voor- en nadelen die samengaan met openheid? Dat hebben we onderzocht.

Meer discriminatie, minder openheid, meer stress

2378 holebi’s vulden een uitgebreide vragenlijst in. We gingen daarbij in het bijzonder na of er een verband was tussen zichtbaarheidsmanagement (al dan niet open zijn in een diversiteit aan situaties) en het ervaren van mentale stress. Dit bleek in sterke mate het geval: minder openheid ging samen met meer geïnternaliseerde homonegativiteit. Meer discriminatie ervaren ging samen met minder openheid. Dat laatste ging dan weer samen met meer mentale stress. Deze relaties vonden we zowel bij homo- en biseksuele mannen als bij lesbische en biseksuele vrouwen terug. Lesbische en biseksuele vrouwen rapporteerden wel meer dan mannen reacties op gender-nonconform gedrag (i.e. dat ze zich te mannelijk gedragen) en hadden ook meer mentale stress.

De manier waarop holebi’s zichzelf presenteren aan de buitenwereld doet er dus wel degelijk toe. Het kan zelfs een manier zijn om met minderheidsstress om te gaan: discriminatie vermijden door jezelf onzichtbaar te maken maar daarvoor wel een hoge tol betalen: het ervaren van meer mentale spanningen. Het toont ook de veerkracht aan van individuen om op een actieve manier met hun sociale wereld om te gaan. Bepaalde gedragingen, symbolen, kledingsstijl,… kunnen actief ingezet word om een duidelijk signaal te geven aan de buitenwereld en om interne spanningen te kanaliseren. Het is dus niet altijd een “doen alsof” maar eerder het spelen van een bepaalde rol en daarmee zelf actief vorm geven aan sociale interacties. Holebi’s zijn dus niet uitsluitend slachtoffers van de heersende stereotiepen, soms zetten ze die ook gewoon naar hun hand.

Referenties

  • Dewaele, A., Van Houtte, M., Cox, N., & Vincke, J. (2013). From Coming Out to Visibility Management—A New Perspective on Coping With Minority Stressors in LGB Youth in Flanders. Journal of homosexuality, 60(5), 685-710.
  • Dewaele, A., Van Houtte, M., & Vincke, J. (2014). Visibility and Coping with Minority Stress: A Gender-Specific Analysis Among Lesbians, Gay Men, and Bisexuals in Flanders. Archives of sexual behavior, 43(8), 1601-1614.
  • Erving, G. (1959). The presentation of self in everyday life. Garden City, NY: Anchor.

Auteur: Alexis Dewaele

Alexis Dewaele behaalde een master in de psychologie en een doctoraat in de sociologie. Gedurende acht jaar werkte hij voor het Steunpunt Gelijkekansenbeleid (Universiteit Antwerpen – Universiteit Hasselt) waar hij onderzoek deed naar de maatschappelijke context van seksuele minderheden in Vlaanderen. Momenteel werkt hij als coördinator van PSYNC, het consortium klinische psychologie van de Universiteit Gent. Zijn meest centrale onderzoeksthema’s zijn (seksuele) identiteit, sociale netwerken, minderheidsstress, mentaal welbevinden en seksuele gezondheid.

 

Tegen een stereotype kijk op partnergeweld.

Intiem terrorisme vs. algemeen koppelgeweld

Sinds het begin van onderzoek naar partnergeweld in de jaren 70’ in de Verenigde Staten werd het domein gedomineerd door twee tegenstrijdige stromingen (Johnson & Ferraro, 2000).  De “feministische stroming” (e.g., Dobash & Dobash, 1979) ziet de oorzaak van partnergeweld in de overheersende, patriarchale drang naar macht en controle van mannen over vrouwen. De “familie psychologie” stroming (e.g., Strauss & Gelles, 1990) daarentegen stelt dat partnergeweld het resultaat is van geëscaleerd conflict in intieme relaties. Johnson (1995) en Johnson en Ferraro (2000) probeerden de visies van beide stromingen met mekaar te verzoenen door te stellen dat er niet één uniforme vorm van partnergeweld bestaat. Deze twee stromingen verwijzen naar 2 types van partnergeweld namelijk “intiem terrorisme” en “algemeen koppelgeweld”.

Wanneer men denkt aan partnergeweld, dan denken meeste mensen spontaan aan intiem terrorisme. In het algemeen staat dit type van geweld bekend als de heteroseksuele man die ernstig fysiek en psychologisch geweld gebruikt ten opzichte van zijn vrouwelijke partner. Dit type van geweld verwijst naar het systematisch gebruik van ernstig geweld om de partner te domineren, intimideren, controleren en onderwerpen. Dikwijls escaleert dit type van geweld ook over de tijd heen. Intiem terrorisme wordt het meest opgemerkt in klinische populaties en in forensisch onderzoek.

Echter, de meest voorkomende vorm van partnergeweld is algemeen koppelgeweld. Een of beide partners stellen licht tot ernstig agressief gedrag maar geen van beiden gebruikt geweld in functie van een voortdurende nood aan macht en controle in de relatie. In tegendeel, algemeen koppelgeweld is situatie gebonden en wordt daarom ook soms “situationeel koppelgeweld” genoemd. Dit type van partnergeweld komt voornamelijk voor in de context van onenigheid en gespannen conflictsituaties in de relatie. Ondanks het feit dat ruzie en onenigheid onvermijdelijk zijn in elke relatie, escaleren deze situaties bij sommige koppels tot geweld. Dit type van geweld weerspiegelt andere relatiedynamieken dan  intiem terrorisme en wordt daarom veeleer opgemerkt in bevolkingsonderzoeken dan in klinisch of forensisch onderzoek.

Hoe vaak komt partnergeweld algemeen voor?

In dit doctoraatsonderzoek wilden we meer inzicht krijgen in het voorkomen van algemeen koppelgeweld in verschillende populaties: Vlaamse heteroseksuele mannen en vrouwen, Vlaamse mannen en vrouwen van Turkse origine en holebi’s. Onze resultaten toonden duidelijk aan dat algemeen koppelgeweld niet enkel heteroseksuele vrouwen treft. Het doet zich in beide richtingen voor en in alle relaties, ongeacht de etnische achtergrond of seksuele voorkeur. We vonden dat 10% van de Vlaamse hetero’s ooit fysiek geweld meemaakte en dat 56.7% van hen ooit geconfronteerd werd met psychologisch algemeen koppelgeweld. Kijken we naar het voorkomen van algemeen koppelgeweld bij Vlaamse personen van Turkse origine (2de generatie), dan zien we dat 14.3% van hen ooit fysiek geweld meemaakte en 66% van hen ooit psychologisch geweld ervoor door een intieme partner. Tenslotte toonden onze resultaten aan dat 14.5% van de holebi’s ervaring had met fysiek geweld en 57.9% van hen had ooit psychologisch geweld meegemaakt. Zoals we verwacht hadden ging het over onze verschillende studies heen voornamelijk om lichte tot milde vormen van partnergeweld.

Geslachtsverschillen?

Zoals verwacht vonden we geen verschil tussen heteroseksuele mannen en vrouwen in het ervaren van algemeen koppelgeweld. Vlaamse vrouwen van Turkse origine werden vaker het slachtoffer van fysiek geweld dan Vlaamse mannen van Turkse origine maar voor psychologisch geweld vonden we geen verschil tussen beide groepen. Tenslotte suggereren onze resultaten dat lesbische vrouwen en homomannen even vaak het slachtoffer worden van fysiek en psychologisch geweld. Echter, onder de slachtoffers rapporteerden de lesbische vrouwen meer psychologisch geweld dan homomannen.

Mentaal, relationeel en seksueel welzijn van slachtoffers?

We weten dat slachtoffers van ernstig fysiek en psychologisch geweld op tal van vlakken een verminderd welzijn rapporteren. Dit doctoraatsonderzoek laat zien dat partnergeweld geen extreme proporties dient aan te nemen om een negatief effect te hebben op het welzijn van slachtoffers. Bovendien hoeft dit geweld niet van fysieke aard te zijn om het welzijn van slachtoffers te beïnvloeden. Slachtoffers van fysiek en psychologisch partnergeweld ervaren een minder goed mentaal welzijn, minder relatietevredenheid, minder seksuele tevredenheid en meer seksuele disfuncties.

Beleids- en klinische implicaties

Onenigheid en conflict zijn inherent aan intieme relaties. Jammer genoeg zoeken heel wat koppels hun toevlucht tot geweld wanneer ze geconfronteerd worden met situaties die niet stroken met hun persoonlijke belangen en interesses. Met onze resultaten hopen we bij te dragen aan de empirische grondslag die nodig is om deze problematiek aan te pakken op beleidsniveau. Zoals verwacht is algemeen koppelgeweld een globaal fenomeen dat geen grenzen kent naar geslacht, seksuele voorkeur of etnische achtergrond. Het meest recente Nationaal Actieplan tegen Partnergeweld (NAP 2010-2014) bespreekt het belang van aandacht voor partnergeweld bij etnische minderheidsgroepen in België. Met onze cijfers hopen we het belang hiervan verder te onderstrepen opdat deze slachtoffers ook voldoende geïnformeerd worden over de problematiek alsook op ondersteuning kunnen rekenen. Vervolgens hopen we ook dat er op maatschappelijk niveau meer expliciet zal gemeld worden dat partnergeweld ook voorkomt in holebirelaties. Onderzoek naar partnergeweld in holebirelaties is uitermate relevant om aan te tonen dat geweld ook voorkomt buiten de traditionele man – vrouw relaties, zoals voorgeschreven door feministische aanhangers.

Relatieproblemen zijn een belangrijke reden waarom mensen de stap zetten naar psychotherapie. Echter, personen of koppels in therapie melden dikwijls niet spontaan dat er sprake is/was van geweld in hun huidige of vorige partnerrelatie. Gegeven het feit dat in een intieme relatie zelf lichte vormen van geweld gerelateerd zijn aan een verminderd relationeel en seksueel welzijn in een intieme relatie hopen we dat dit doctoraatsonderzoek (a) bijdraagt tot meer onderzoek naar de relationele dynamieken van partnergeweld in klinische en niet-klinische steekproeven en (b) het belang benadrukt van te peilen naar mogelijkse geweldervaringen en aandacht te hebben voor de conflictstrategieën van koppels in psychotherapie.

Auteur: Sabine Hellemans

Sabine Hellemans  is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent, vakgroep Experimenteel, Klinische en Gezondheidspsychologie. Ze maakt deel uit van het UGent FamilyLab en  haar onderzoek focust zich op geweld in intieme relaties. Haar doctoraatsthesis (2014) spitste zich toe op het nagaan in welke mate Vlaamse heteroseksuele mannen en vrouwen, Vlaamse mannen en vrouwen van Turkse origine en holebi’s te maken krijgen met verschillende vormen van partnergeweld. Ze deed dit aan de hand van enkele grootschalige bevolkingssteekproeven. Ze onderzocht eveneens hoe het ervaren van partnergeweld gerelateerd is aan slachtoffers’ mentaal welzijn en hun relationeel en seksueel welzijn in een intieme relatie.

 

Waarom hebben mensen seks?

Is het nu echt nodig om daar een onderzoeksproject aan te wijten? Het lijkt toch evident. Om zich voort te planten, om  seksuele spanning te ontladen of omdat het leuk is toch? De variëteit aan seksueel gedrag doet echter vermoeden dat seksuele motivatie meer divers en complex is. Om zicht te krijgen op de redenen waarom wij Vlamingen seks hebben en dit in verband te brengen met  seksueel gedrag en seksuele beleving, hebben de studenten seksuologie van de Universiteit Gent een grootschalig online onderzoek opgezet. Iedereen die seksueel actief is en 30 minuten tijd wil uittrekken, kan de vragenlijst invullen op www.waaromseks.be. Deelnemen kan t/m 31 maart 2014.

Seksuele beleving

Bevolkingsonderzoek naar seksualiteit richt zich doorgaans op gedragsvariabelen met als voornaamste focus cijfers mbt seksuele frequentie, seksuele praktijken en prevalentie van seksuele problemen. Hoeveel keer we ‘het’ moeten doen om normaal te zijn is veelvuldig onderzocht. De studie van seksueel gedrag biedt echter weinig inzicht in de seksuele beleving van mensen en het is die beleving die het seksueel welzijn en uiteindelijk de kwaliteit van leven determineert.  Wat zegt het ons dat een koppel gemiddeld tweemaal per week seks heeft?  Als deze frequentie primair gedreven wordt vanuit onzekerheid of andere negatieve motieven kan dit meer nefast zijn voor de seksualiteitsbeleving dan een koppel dat eenmaal per maand seks heeft vanuit gevarieerde, positieve motieven. Om seksueel gedrag en diens verhouding tot seksuele beleving beter te begrijpen, is het dus belangrijk om de proximale determinanten van gedrag te bestuderen, namelijk seksuele motieven.

Ondanks het wezenlijke belang, is onderzoek naar seksuele motivatie lange tijd onderbelicht geweest. Om deze lacune in de literatuur op te vangen, hebben Amerikaanse onderzoekers in 2007 aan 444 psychologie-studenten gevraagd om alle mogelijke motieven op te lijsten waarmee zij of anderen seks hebben (Meston & Buss, 2007). Uit deze rondvraag kwamen 237 motieven naar voren die de onderzoekers onderverdeeld hebben in 4 hoofdcategorieën, namelijk (1) fysieke redenen (stress reductie, plezier, fysieke begeerte, ervaringen opzoeken), (2) doelgericht (middelen bekomen, sociale status, wraak, utilitarisme), (3) emotionele redenen (liefde, commitment en expressie), en (4) onzekerheid (ego-boost, plicht/druk, partner niet verliezen). Na exclusie van overlappende en weinig voorkomende motieven, kwamen zij tot een vragenlijst van 139 motieven die gevalideerd werd in later onderzoek. Hoewel mannen doorgaans meer gericht zijn op fysieke motieven en vrouwen meer vrijen vanuit emotionele en relatie-motieven, bleek uit dit Amerikaans onderzoek dat niet minder dan 8 motieven uit de top 10 van de mannen ook in die van de vrouwen staan. Dit is een opvallend resultaat dat ons aanmoedigt om niet alleen te focussen op gender-verschillen, maar ook meer aandacht te hebben voor de overlap tussen mannen en vrouwen.

Een belangrijke meerwaarde van de YSEX vragenlijst is dat dit instrument toelaat om de variëteit aan motieven alsook de frequentie waarmee mensen vrijen vanuit een bepaald motief te inventariseren. Beide parameters zijn belangrijk om seksueel gedrag en seksuele beleving te begrijpen. We kunnen immers stellen dat de variëteit aan motieven en de flexibiliteit waarmee mensen de betekenis van seks kunnen onderhandelen en mee laten variëren met leeftijd of levensgebeurtenissen, belangrijke voorspellers zijn van seksuele tevredenheid.

Seksuele beleving in verschillende doelgroepen

Flexibiliteit mbt seksualiteit en seksuele motivatie blijken een belangrijk thema te zijn wanneer mensen geconfronteerd worden met een ingrijpende ziekte zoals Multiple Sclerose (MS) en kanker. Verschillende lichaamsfuncties, waaronder de seksuele functies, vallen uit en ook de behandeling kan interfereren met het seksueel functioneren. Hoewel we weten dat seks een belangrijke rol kan blijven vervullen in het omgaan met en het verder-leven na de ziekte, is er weinig onderzoek naar de seksualiteitsbeleving, en zeker niet naar de seksuele motieven, van mensen met kanker en MS. Naast een algemene bevraging van de gemiddelde Vlaming, willen we ons ook specifiek richten op een aantal doelgroepen die tot op heden weinig bevraagd zijn in seksualiteitsonderzoek: mensen met MS en kanker, en ook mensen met obesitas, mensen met een (subklinisch) seksueel probleem, transgenders, jongeren en senioren. Op basis van de resultaten van dit onderzoek hopen wij tot een beter begrip te komen van de link tussen seksueel gedrag en seksuele beleving in de algemene populatie, alsook concrete aangrijpingspunten om seksualiteit bespreekbaar te maken bij deze specifieke doelgroepen.

Referentie

  • Meston, C.M., & Buss, D.M. (2007). Why humans have sex. Archives of Sexual Behavior, 36, 477-507

Auteur: Marieke DeWitte

Marieke Dewitte is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent, vakgroep Experimenteel, Klinische en Gezondheidspsychologie en Assistant Professor aan de Universiteit Maastricht, vakgroep Clinical Psychological Science. Na het afronden van haar opleiding seksuologie in Amsterdam (2010) werkt ze als seksuoloog in het Centrum voor Seksuologie en Genderproblemen in het Universitair Ziekenhuis Gent en sinds 2012 coördineert ze de PEV opleiding seksuologie aan de universiteit Gent.

 

Komieken hebben psychotische persoonlijkheidstrekken.

Het eeuwenoude geloof dat waanzin en creativiteit nauw aan elkaar verbonden zijn blijft de publieke verbeelding in zijn greep houden. In recente jaren is het idee echter ook het onderwerp geworden van wetenschappelijk onderzoek waar, naast de traditionele associaties tussen “psychose en kunst” of “psychose en wetenschap”, nu ook het verband tussen “psychose en humor” de aandacht krijgt. Zo kunnen we lezen in een recent onderzoeksartikel dat “een ongewone persoonlijkheidsstructuur de sleutel zou kunnen zijn om anderen te doen lachen”.

Humor en psychose

Dit beweren wetenschappers nadat uit onderzoek was gebleken dat komieken significant hoger scoren op “psychotische persoonlijkheidstrekken” dan hun minder grappige medemensen. Deze onderzoeksbevinding staat centraal in een studie die recent werd gepubliceerd in The British Journal of Psychiatry waarbij onderzoekers 523 komieken rekruteerden en hen een vragenlijst voorlegden die de aanwezigheid van dergelijke “psychotische trekken” diende na te gaan in een gezonde populatie. De persoonlijkheidstrekken waarvan sprake betreffen ondermeer “ongewone ervaringen”, zoals het geloof in telepathie en paranormale gebeurtenissen, “cognitieve desorganisatie”, zoals moeilijkheden in het focussen van gedachten, “introverte anhedonie”, ofwel een verminderende mogelijkheid tot het beleven van sociaal of lichamelijk genot, en tenslotte de neiging tot het stellen van “impulsief en antisociaal gedrag”. De onderzoekers vonden dat komieken significant hoger scoren op al deze 4 persoonlijkheidstrekken wanneer vergeleken met de algemene populatie. Meest opvallend volgens de onderzoekers waren de hoge scores op “impulsieve non-conformiteit” en “introverte persoonlijkheidstrekken”.

Humor als vorm van zelfmedicatie

“De creatieve elementen die nodig lijken voor het produceren van humor zijn opvallend gelijkaardig aan de cognitieve stijl die kenmerkend is voor mensen met een psychose – zowel schizofrenie als bipolaire stoornis” stelt Gordon Claridge van het departement van experimentele psychologie van de Universiteit van Oxford die de studie leidde. “Hoewel een schizofrene psychotische stoornis zelf nadelig kan zijn voor humor, is een beperkte aanwezigheid van psychotische trekken mogelijk bevorderend om ongewone of verrassende zaken met elkaar in verband te brengen of om “out of the box” te denken” laat Claridge voorts weten. Komieken zouden aldus een ietwat teruggetrokken, introverte persoonlijkheid hebben wat ervoor zorgt dat ze niet meteen gericht zijn op het bevestigen van sociale verwachtingen. Zo beschouwd is komedie dan ook de perfecte uitlaatklep om dit non-conformisme te ventileren – “humor als een vorm van zelfmedicatie” aldus Claridge. Paul Jenkins, het hoofd van de stichting “Rethinking Mental Illness” – een organisatie die zich inzet voor het doorbreken van de stereotypieën en stigma’s die met psychiatrische stoornissen zijn verbonden – reageerde echter reeds met enig voorbehoud op deze resultaten in The Guardian: “dit zijn op zich interessante bevindingen, maar we moeten niettemin opletten voor het “waanzinnig creatief genie – stereotype”. Mentale stoornissen zoals schizofrenie kunnen iedereen overkomen, of men nu creatief is of niet” waarschuwt Jenkins. Of deze laatste controverse ook wetenschappelijk onderzoek zal doen ontstaan naar het verband tussen “komische wetenschap en politieke correctheid” zal nog moeten blijken.

Referentie

  • Ando, V., Claridge, G., & Clark, K. (2014). Psychotic Traits in Comedians. The British Journal of Psychiatry, 204(20).

Auteur: Jasper Feyaerts

Jasper Feyaerts is als doctoraatsassistent verbonden aan de Vakgroep Psychoanalyse & Raadplegingspsychologie. Zijn voornaamste interessegebied is het thema van subjectiviteit en hoe dit verschijnt in zowel psychoanalytisch, fenomenologisch als neuro-cognitief onderzoek. Daarnaast doet hij ook empirisch onderzoek naar de subjectieve ervaring van psychose in samenwerking met psychiatrische centra en patiënten.

 

Wat heeft Kristien Hemmerechts te vertellen over Michelle Martin?

Toen ik las dat Kristien Hemmerechts een boek klaar had over Michelle Martin was mijn interesse meteen gewekt. De schrijfster is meter van Te Gek, het project dat zich inzet om psychiatrische problemen uit de taboesfeer te halen en, zo scheen het me toe, ideaal geplaatst om in de geest te kruipen van een vrouw waar niemand zich mee identificeert. Vroeger werden mensen met een psychiatrische problematiek beschouwd als bezetenen: wezens wiens ziel door de duivel is aangetast. Vandaag is dit gelukkig anders, maar zijn misdadigers de duivels waar onze maatschappij op neerkijkt. Liefst van al verbannen we hen naar een plek waar ze, ver weg van ons, mogen branden in het vuur van onze verontwaardiging.

Te Gek is een goed initiatief omdat het stereotiepen in vraag stelt en toont dat personen met psychiatrische problemen even menselijk zijn dan elk van ons. Op sommige momenten is hun psychisch lijden verpletterend en raken ze er op hun eentje niet meer uit, maar voor de rest worstelen ze met dezelfde demonen als ieder van ons. Sigmund Freud was degene die dit voor het eerst onderkende: door zijn eigen dromen te bestuderen kwam hij tot de conclusie dat zijn zielenroerselen niet fundamenteel anders waren die van zijn patiënten. Zelfs de psychopathologische mechanismen die hij in de kliniek observeerde herkende hij in een lichtere vorm ook bij zichzelf. Vandaar zijn besluit dat de grens tussen normaliteit en abnormaliteit bijzonder vaag is.

Ten aanzien misdadigers ligt het psychologisch veel moeilijker om niet in stereotiepen te denken. Bij snelheidsduivels lukt dat – ondanks de vele slachtoffers – misschien nog wel, maar met de daden van Dutroux en diens kompanen belanden we in een ander verhaal. De gruwel en de systematiek van hun acties stoten ons tegen de borst. Ze verwerkelijken datgene dat we normaliter zelfs onder de vorm van fictie nauwelijks verdragen. Allemaal boeiende materie voor een roman die subtiel de grenzen van onze neiging tot stereotypering verkent. Ware het niet dat ik bij het lezen van De vrouw die de honden eten gaf vooral werd overvallen door een gevoel van slaap.

Kristien Hemmerechts start het boek nochtans veel belovend met een citaat van de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt. Arendt verdiepte zich in de motieven en redeneringen van misdadigers als Adolf Eichmann. Eichmann was in de tweede wereldoorlog een van hoofdverantwoordelijken voor de uitroeiingen binnen concentratiekampen. Ontelbare joden en andere gehate bevolkingsgroepen die niet pasten binnen het derde rijk joeg hij de dood in. Arendt stelde vast dat Eichmann verrassend banaal was. Waar ze verwachtte een gestoord onmens aan te treffen, ontmoette Hannah Arendt een technocraat die een goed inzicht had in menselijke verhoudingen; een man die stelde dat hij zijn plicht deed en er naar streefde om gestelde doelstellingen zo efficiënt als mogelijk te realiseren. Met wat fantasie zou men inderdaad een link kunnen zien tussen Eichmann en Michelle Martin: twee volgelingen die zich op het moment van hun daden opvallend weinig lieten leiden door ethische overwegingen.

Inderdaad, de psychologische grens tussen misdadigheid en normaliteit is minder strikt dan menigeen zou wensen. Zo toonden psychologen als Stanley Milgram met een reeks sociaal-psychologische experimenten in de jaren zestig reeds aan dat uitzinnige gehoorzaamheid geen uitzonderlijke fenomeen is. Onder het mom dat hij het effect van straf op leerprocessen bestudeerde, liet Milgram proefpersonen een elektroshock toedienen aan een onwillige leerling. In werkelijkheid was de leerling een acteur die niet echt stroomstoten toegediend kreeg. Wel reageerde hij net alsof de elektroshocks echt waren. Milgram stelde vast dat de meerderheid van de proefpersonen zich opvallend inschikkelijk opstelde wanneer de proefleider instructies gaf om de leerling extreem hoge stroomstoten toe te dienen. Ondanks het gejammer van de acteur gaven de meeste deelnemers dodelijke schokken tot 450 volt. Over de psychologie van extreme volgzaamheid is het laatste woord nog niet gezegd. Blijkbaar zijn we meer vatbaar voor misdadige suggestie dan we graag toegeven. Echter, wie graag inzicht zou krijgen in subjectieve effecten van misdadige gehoorzaamheid en zou willen weten hoe iemand die zich liet meeslepen nadien terugkijkt op de eigen daden, kan zich dit boek beter naast zich neer leggen.

Desalniettemin wil ik het nog even even over de inhoud hebben. De vrouw die de honden eten gaf is een monoloog die ons binnenleidt in de gedachten van Odette, alias Michelle Martin. Het hoofdpersonage blikt er terug op haar relatie met Dutroux, familieverhoudingen, moederschap en de misdaden van haarzelf en van anderen. De schrijfster slaagt er evenwel niet in om van haar hoofdpersonage – ‘de meest gehate vrouw van België’, zo leren we – een mens te maken. Het boek biedt geen overtuigend portret maar leest daarentegen als een aaneenschakeling van platitudes. Hemmerechts maakt van Martin een zwakke vrouw die slechts aan het juk van haar depressieve moeder kon ontsnappen door de ‘gratis pute’ van Dutroux te worden. De schrijfster serveert daarbij een aantal gortige details, maar overtuigen doet ze nooit. Geen mens maar een onmens, zo lijkt de boodschap te zijn. Toen Dutroux in de gevangenis zat gaf Odette de honden wel te eten, maar de jonge meisjes in de kelder liet ze doodgaan. Meer nog, om vervroegd vrij te komen papt ze aan met de nonnen, heeft ze gesprekken met een psychotherapeute en vervoegde ze het katholieke geloof: allemaal oppervlakkige vleugjes mensachtig gedrag die de vermeende beestachtigheid van Michelle Martin verhullen.

Tijdens het lezen van het vroeg ik me meermaals af waar Hemmerechts eigenlijk naar toe wil met deze oppervlakkige karakterschets, die stylistisch trouwens niet al te best in elkaar steekt: Nog meer morele verontwaardiging creëren over Michelle Martin? Bewijzen dat iemand als Martin alle haat verdient die ze over zich heen krijgt? Suggereren dat misdadigers toch echt wel een ander soort mensen vormen? Allemaal vragen die me vrij snel tot de conclusie brachten dat de schrijfster haar kostbare tijd beter anders had besteed. Hemmerechts maakt van de misdaad een taboe. Door Michelle Martin te verbeestelijken speelt ze in op de aversie van de lezer, maar sluit ze de deur voor meer diepgaande vragen over hoe een mens zich kan verhouden tot zijn misdaden. Gelukkig kunnen we binnen dit genre teruggrijpen naar betere werken, zoals als De maagd Marino van Yves Petry, die tonen dat het inderdaad anders kan.

Referentie

  • Milgram, S. (1963). Behavioral Study of Obedience. The Journal of Abnormal and Social Psychology, 67(4), 371-378.

Auteur

Stijn Vanheule is klinisch psycholoog en psychoanalyticus (persoonlijke blog). Hij is als hoofddocent verbonden aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van Universiteit Gent. Recent publiceerde hij het boek ‘Psychose anders bekeken ­ Over het werk van Jacques Lacan’.  Hij heeft bijzondere interesse in methoden en fundamenten voor klinische psychodiagnostiek.

 

Depressie en emotionele herinneringen: Het is maar hoe je het bekijkt.

Aandacht, interpretatie en geheugen vormen bouwstenen van de menselijke denk- en gevoelswereld. Afhankelijk van welke aspecten we uit de omgeving opmerken, welke betekenissen we hieraan geven en wat we ons vervolgens herinneren, ervaren we verschillende gedachten en andere emoties. Stel je voor, je bevindt je in een sollicitatiegesprek voor een felbegeerde baan. Terwijl je op vragen van de jury antwoordt, merk je dat het ene jurylid glimlacht en knikkend luistert en een ander jurylid fronsend naar achteren leunt met gekruiste armen. Afhankelijk van waar je aandacht naartoe wordt getrokken zal je andere betekenissen of interpretaties als aannemelijk beschouwen. Indien aandacht zich selectief richt op het glimlachende jurylid zullen interpretaties als “ik maak een goede indruk en heb kans op de baan” waarschijnlijk zijn, terwijl interpretaties als “ik maak er helemaal niets van en kan het wel vergeten” eerder geloofwaardig zullen zijn wanneer aandacht zich selectief richt op het fronsende jurylid. De ervaren emoties zullen in beide gevallen zeer verschillend zijn. Alsook hoe de ervaring van het sollicitatiegesprek in het geheugen zal worden opgeslagen en later herinnerd zal worden als een positieve dan wel een negatieve gebeurtenis. Dit eenvoudig voorbeeld illustreert dat aandacht, interpretatie en geheugen nauw gerelateerd zijn aan allerlei emoties. Hoe deze denkprocessen gerelateerd zijn aan het emotionele welbevinden, zoals depressieve gevoelens, werd ook uitvoerig wetenschappelijk onderzocht.

Negatieve vertekeningen

Onderzoek heeft aangetoond dat aandacht, interpretatie en geheugenprocessen van groot belang zijn bij het begrijpen van het ontstaan, voortbestaan en heroptreden van depressiesymptomen. Studies hebben uitgewezen dat bij personen in een depressieve gemoedstoestand er zich negatieve vertekeningen voordoen in deze denkprocessen. Concreet wil dit zeggen dat personen die kampen met depressieve gevoelens moeilijkheden ervaren bij het loskoppelen van hun aandacht voor negatieve aspecten uit de omgeving (vb.: het fronsende jurylid uit het voorbeeld zal meer aandacht trekken, eerder dan het instemmende jurylid), ambigue of dubbelzinnige situaties op een negatieve wijze interpreteren (vb. door de houding van het fronsende en niet het instemmende jurylid te betrekken op de eigen prestatie), en zich meer negatieve dan positieve gebeurtenissen herinneren (vb.: tijdens het sollicitatiegesprek kan men zich een vorige faalervaring en geen succeservaring herinneren waardoor men de moed nog meer verliest). Dergelijke negatief vertekende denkprocessen verlopen doorgaans betrekkelijk automatisch en kunnen toekomstige depressieve episodes voorspellen.

Ondanks een sleutelrol voor deze processen bij het begrijpen van depressie, bevinden de wetenschappelijke inzichten over interacties tussen deze denkprocessen zich nog in een vroeg stadium. Vandaar dat we zijn nagegaan hoe aandachtsprocessen interpretatie beïnvloeden en hoe deze vervolgens een impact hebben op wat personen met verhoogde depressiesymptomen zich herinneren.

Ik ben een geboren…

Deelnemers voerden een computertaak uit waarbij ze vervormde zinnen (vb.: ben verliezer ik geboren winnaar een) hervormen naar goed lopende zinnen door het positieve of negatieve woord weg te laten. Deze hervormde oplossing kan telkens leiden tot een positieve (vb.: ik ben een geboren winnaar) of een negatieve (vb.: ik ben een geboren verliezer) betekenis. Telkens rapporteren deelnemers de eerste oplossing die in gedachten opkomt wat een maat voor interpretatie oplevert. Om emotionele vertekeningen in de aandacht te meten werden oogbewegingen geregistreerd tijdens het uitvoeren van de interpretatietaak. Na de taak werden de deelnemers gevraagd om zich zoveel mogelijk betekenissen te herinneren die men gevormd heeft. Dit geeft zicht op geheugenvertekeningen.

Analyse toonde aan dat de manier waarop iemand aandacht naar emotionele woorden richt, de aard van de interpretaties voorspelde. Personen die vaker hun aandacht richtten naar negatieve woorden (vb.: verliezer) rapporteerden meer negatieve interpretaties (vb.: ik ben een geboren verliezer). Meer negatieve herinneringen werden gerapporteerd naarmate iemand langer keek naar negatieve woorden en men eerder meer negatieve betekenissen verkoos. Omgekeerd, positieve vertekeningen in aandacht en interpretatie voorspelden meer positieve herinneringen.

Vicieuze cirkel

In lijn met voorgaand onderzoek, werd gevonden dat dergelijke negatieve vertekeningen in aandacht, interpretatie en geheugenprocessen gerelateerd zijn aan een verhoogde mate van depressiesymptomen. Hoe ernstiger de depressiesymptomen, hoe meer de denkprocessen op een negatieve manier vertekend zijn. Dit zorgt er dus voor dat positieve signalen in het dagelijkse leven minder worden opgepikt – wat aan depressieve personen de indruk kan geven dat ze er niet zijn – en dat dubbelzinnige signalen veelal negatief worden geïnterpreteerd en zo ook worden herinnerd. Dit kan depressieve gevoelens in stand houden, waardoor de cirkel rond is. Zoals gezegd gebeurt dit vrijwel automatisch en is het niet eenvoudig om deze negatieve ingesteldheid te doorbreken, die daarbovenop in de ogen van de depressieve persoon continu bevestigd wordt (“zie je wel…”).

Op heden werden veelbelovende methoden – de cognitieve bias modificatie methoden – ontwikkeld om de negatieve vertekeningen in deze denkprocessen bij te sturen. Het verfijnen deze methodieken vormt een boeiende uitdaging voor de hedendaagse klinische wetenschap.

Referenties

  • Everaert, J., Duyck, W., & Koster, E. H. W. (2013). Attention, interpretation, and memory biases in subclinical depression: A proof-of-principle test of the combined cognitive biases hypothesis. Emotion.
  • Everaert, J., Koster, E. H. W., & Derakshan, N. (2012). The combined cognitive bias hypothesis in depression. Clinical Psychology Review, 32(5), 413-424. doi: 10.1016/j.cpr.2012.04.003
  • Koster, E. H. W., Everaert, J., Bruyneel, L., & Onraedt, T. (2013). Cognitieve training bij depressie: Een stand van zaken. Directieve Therapie, 33, 136-150.

Auteur: Jonas Everaert

Jonas Everaert is als assisterend academisch personeel verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van Universiteit Gent en doet doctoraatsonderzoek naar interacties tussen aandacht, interpretatie en geheugenprocessen in depressie (promotor: prof. dr. Ernst Koster).