Browse Category: Klinische psychologie

Je depressie de baas? Cognitieve training vermindert hervalrisico

Robuust herstellen van depressie is een belangrijke uitdaging. Recente bevindingen tonen aan dat cognitieve training een interessante strategie is om het risico op het heroptreden van een depressie te reduceren. Maar wat weten we juist over dergelijke vorm van training en waarom zou zoiets interessant kunnen zijn als je in het verleden een depressie hebt meegemaakt?

Kwetsbaarheid voor (heroptredende) depressie: De rol van verstoorde cognitieve processen
Bij ‘depressie’ denkt men typisch aan de aanwezigheid van een aanhoudende negatieve stemming en/of het verlies van interesse in zaken die eerder als positief ervaren werden. Een relatief onderbelicht – maar daarvoor niet minder belangrijk – aspect van depressie is dat dit vaak gepaard gaat met heel wat cognitieve moeilijkheden. Zo wijzen overzichtsartikelen op de aanwezigheid van significante verstoringen in executieve functies bij depressie, waaronder verstoorde aandacht- en werkgeheugenprocessen (1). Deze staan het nastreven van dagelijkse doelen en activiteiten in de weg. Dit uit zich mogelijks in ervaren moeilijkheden om de aandacht bij gesprekken of andere taken te houden. Je bent bijvoorbeeld niet langer in staat om een gesprek of tv-programma te volgen, of een boek te lezen. Je hoofd voelt daarbovenop ‘vol’ negatieve gedachten, waarbij je er niet in slaagt om je aandacht hiervan los te koppelen. Het spreekt voor zich dat dit alles in sterke mate bijdraagt tot een negatieve stemming.

Ondanks de beschikbaarheid van effectieve psychologische en medicamenteuze behandelingen voor depressie, blijven heel wat mensen na het opklaren van een depressieve episode kampen met gelijkaardige klachten (2). Bovendien vormen deze bij uitstek een bron van hinder in het dagelijkse leven (3). Cognitieve klachten staan namelijk het (her)opnemen van activiteiten op verschillende levensdomeinen in de weg (bijv. op de werkvloer), of maken deze bijzonder uitdagend. Daarnaast verhogen ze de kans op het vastlopen in gepieker. Zo vormen cognitieve klachten een belangrijke voorspeller voor het heroptreden van depressie (4). Daarbovenop nemen deze klachten vaak toe naarmate men meer depressieve episoden heeft meegemaakt (5), wat een toenemende kwetsbaarheid voor depressie inhoudt. Een belangrijke vraag is dus wat je zelf kunt ondernemen om bij (gedeeltelijk) herstel van een depressie die cognitieve kwetsbaarheid aan te pakken? Een recent ontwikkelde en uiterst beloftevolle optie is ‘mentale fitness’ (werkgeheugentraining).


Train je brein en voorkom herval in depressie
Recent onderzoek toont namelijk aan dat aandacht- en werkgeheugenprocessen getraind kunnen worden aan de hand van gerichte computertaken. Het herhaaldelijk uitvoeren van dergelijke taken heeft bijvoorbeeld een gunstig effect op cognitief functioneren, depressief gepieker en depressieve klachten (6). Een belangrijke vraag is echter of dergelijke training tevens de kans op het heroptreden van een depressie kan verkleinen?

Om deze vraag te beantwoorden, hebben we in een recente klinische studie (7) 92 individuen die in het verleden een depressie meegemaakt hebben, toegewezen tot twee weken werkgeheugentraining of een alternatieve minder intensieve trainingstaak (controlegroep). Vervolgens werd het functioneren van deze individuen over een periode van één jaar online gemonitord. Op het einde van dat jaar evalueerden we of er tijdens die periode een nieuwe depressieve episode was opgetreden. Individuen die de werkgeheugentraining uitvoerden, vertoonden één jaar na de training gemiddeld een hoger niveau van cognitief functioneren (zoals gemeten a.d.h.v. een cognitieve taak) dan individuen uit de controlegroep. Daarbovenop was de kans op het optreden van een depressieve episode doorheen dat jaar significant lager. Zo observeerden we slechts 25.58% herval na voltooiing van de werkgeheugentraining, terwijl 47.50% van de individuen die tot de controlegroep behoorden een nieuwe depressieve episode meemaakten. De effectgrootte van deze interventie was bovendien gelijkaardig aan deze van andere gangbare preventieve interventies (waaronder voortgezet gebruik van antidepressiva).

Bovenstaande bevindingen wijzen op het potentieel van werkgeheugentraining als preventieve interventie voor depressie (6-7), waarbij dit type interventie omwille van de lage onderhoudskost en grote inzetbaarheid, mede door de online toegankelijkheid, relatief eenvoudig ingeschakeld zou kunnen worden binnen het bestaande behandelaanbod. Tegelijkertijd dienen verschillende vragen nog beantwoord te worden vooraleer werkgeheugentraining geïmplementeerd kan worden in de klinische praktijk. Hiertoe zijn we steeds op zoek naar kandidaten die in het verleden een depressie hebben meegemaakt en graag de werkgeheugentraining zouden uitvoeren.


Voor meer informatie omtrent lopende studies, kan je contact opnemen via volgend adres: cogtraining2@UGent.be. Zo kan jij binnenkort mogelijks ook gebruik maken van de werkgeheugentraining en help je meteen ook de wetenschap vooruit zodat we samen kunnen komen tot een betere preventie van depressie!


Auteur
Kristof Hoorelbeke werkt als docent aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van UGent en is daarnaast tevens klinisch werkzaam als gedragstherapeut.

Contactgegevens
Prof. dr. Kristof Hoorelbeke
Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie
Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, UGent
Henri-Dunantlaan 2, 9000 Gent
Kristof.Hoorelbeke@UGent.be

Ben jij geïnteresseerd in eventuele deelname aan lopend onderzoek? Aarzel niet en contacteer ons vrijblijvend voor meer informatie via: cogtraining2@UGent.be


Referenties

  1. Rock, P.L., Roiser, J.P., Riedel, W.J. & Blackwell, A.D. (2014). Cognitive impairment in depression: A systematic review and meta-analysis. Psychological Medicine, 44, 2029-2040. doi: 10.1017/S0033291713002535
  2. Semkovska, M., Quinlivan, L., O’Grady, T., Johnson, R., Collins, A., O’Connor, J., Knittle, H., Ahern, E., & Gload, T. (2019). Cognitive function following a major depressive episode: A systematic review and meta-analysis. The Lancet Psychiatry, 6, 851-861. doi: 10.1016/S2215-0366(19)30291-3
  3. Knight, M.J., Air, T., & Baune, B.T. (2018). The role of cognitive impairment in psychosocial functioning in remitted depression. Journal of Affective Disorders, 235, 129-134. doi: 10.1016/j.jad.2018.04.051
  4. Demeyer, I., De Lissnyder, E., Koster, E. H. W., & De Raedt, R. (2012). Rumination mediates the relationship between impaired cognitive control for emotional information and depressive symptoms: A prospective study in remitted depressed adults. Behaviour Research and Therapy, 50, 292-297. doi: 10.1016/j.brat.2012.02.012
  5. Vanderhasselt, M-A., & De Raedt, R. (2009). Impairments in cognitive control persist during remission from depression and are related to the number of past episodes: An event related potentials study. Biological Psychology, 81, 169-176. doi: 10.1016/j.biopsycho.2009.03.009
  6. Hoorelbeke, K., & Koster, E. H. (2017). Internet-delivered cognitive control training as a preventive intervention for remitted depressed patients: Evidence from a double-blind randomized controlled trial study. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 85, 135-146. doi: 10.1037/ccp0000128
  7. Hoorelbeke, K., Van den Bergh, N., De Raedt, R., Wichers, M., & Koster, E. H. W. (2021). Preventing recurrence of depression: Long-term effects of a randomized controlled trial on cognitive control training for remitted depressed patients. Clinical Psychological Science, 9, 615-633. doi: 10.1177/2167702620979775
 

De kracht van een crisis

Heb je het gevoel dat je niet echt uitgerust maar eerder uitgeblust gestart bent aan dit nieuwe jaar? Of voelt je borstkas regelmatig gevuld met angst, alsof er onderhuids een trein vol emoties blijft razen die amper te stoppen valt? Crises zijn katalysators. Ze leggen ons bloot. We weten dan meestal niet goed wat we met deze kwetsbaarheid moeten doen en zoeken naar controle. Over onszelf en over anderen. Maar die krijgen we niet. In de plaats daarvan zijn we verkrampt bezig met overleven, heftig heen en weer schommelend, van een hyper- naar een zombietoestand, en terug. En hoe meer we van hetzelfde doen, hoe meer we van hetzelfde krijgen, met nog meer onrust als gevolg.


Er wordt ons zelden geleerd hoe we met onrust kunnen omgaan. Alsof het Leven ons niet te veel mag raken. De meesten van ons hebben ook niet geleerd om ongemak gewoon uit te zitten of erover te spreken. Eerder hoe ervan af te komen of te doen alsof het niet gebeurd is. Emoties ontsnappen aan onze controle, ze komen gewoon zomaar op. We vinden dat meestal onprettig en weten niet goed wat we moeten met het ongemak dat ze met zich meebrengen. We zoeken opnieuw controle, zetten anderen snel in hokjes maar hebben er zelf een hekel aan als wij diegenen zijn die in zo’n hokje worden weggezet. Wat als we vol vuur van mening mogen verschillen en tegelijk ook zoeken naar wat ons innig verbindt? Want we delen meer overeenkomsten dan verschillen.


Alles in het universum bestaat uit tegenpolen: warm en koud, pijn en plezier, licht en donker. Tegenpolen hebben elkaar nodig, ze houden elkaar in stand als twee uitersten op hetzelfde continuüm. Hoe zouden we weten of het goed met ons gaat als het nooit slecht met ons gaat? Hoe weten we wat we belangrijk vinden als we nooit meer ergens bang voor zouden zijn? De tegenpool van controle is dus niet loslaten maar nieuwsgierigheid, naar binnen en naar buiten. Het is de bereidheid om open te staan voor wat er is. Met een open, onderzoekende geest die met interesse reageert op onrust. Wat als we onszelf wat vaker het voordeel van de twijfel gunnen en niet meteen alles geloven wat we denken?

Met gemengde gevoelens leren omgaan
En als het gaat over het omgaan met pijn stuiten we opnieuw op een schijnbare tegenstelling: hoe beter we ons slecht durven voelen, hoe eerder we ons beter kunnen voelen. Pijn die je niet mag voelen, blijft namelijk langer hangen dan pijn die er wel mag zijn. Het gaat erom dit te kunnen ervaren zonder er volledig in op te gaan, om met gepaste aandacht niet te blijven vechten, vluchten of bevriezen, maar voelen. De oplossing is dat er vaak op dat moment geen oplossing is maar dat die vanzelf groeit, doordat we onszelf toestaan over tegenstrijdige dingen na te denken. Met gemengde gevoelens. Wat als we meer durven voelen wat er te voelen valt, ook als dat verwarrend of oncomfortabel is? Negatieve emoties houden niet op met bestaan als we ze onderdrukken. Ze vinden gewoon een andere manier om zich te uiten. En littekens zijn gevoelig maar ook sterker dan gewone huid.

Wat we accepteren, transformeert. Dat geldt voor een crisis, voor onrust, en voor onszelf. Veerkracht verwijst naar het tijdelijk verliezen van onze vorm én het herstel daarna. Naar het zo flexibel mogelijk omgaan met vaak verpletterende omstandigheden. In dat proces zit eveneens de enorme kracht van een metamorfose verborgen: wie zullen we zijn als we uit deze pijn tevoorschijn komen? Wat ons eerst achtervolgt, kan later kracht geven. Als acceptatie daarvan moeilijk is, is dat vaak omdat ons hoofd vertelt dat we de situatie niet aankunnen. Of het niet durven loslaten. De situatie kan ons echter pas loslaten als we zeggen: ‘Het is zoals het is, het raakt me enorm, maar ik kan daar nu niets aan veranderen.’ Dan pas komt er ruimte voor iets anders. Als een reservetank die we kunnen aanboren. Vooral als we denken dat we aan het einde van onze krachten zijn. En we krijgen niet wat we aankunnen maar we kunnen aan wat we krijgen. Beloofd.

Vertel jouw verhaal
En eigenlijk weten we diep vanbinnen best wel dat we goed genoeg zijn. Meer nog, we zijn de som van al onze schijnbare tegenstrijdigheden. We zijn aarzelend, rommelig, onvoorspelbaar, bang, gewoontjes, nonchalant, chaotisch, egoïstisch, twijfelend en kwetsbaar. Maar ook magisch. Moedig. Vernieuwend. Uniek. Met ruimte om te ontwikkelen. En sowieso genoeg.
Schommel dus liever even uit.
Ontspan je kaken.
Ontspan je geest.
Haal diep adem.
Wees stil.
Ga naar je binnenste binnen.
Zoek zin om je te verdiepen in je eigen verhaal.
Vanaf het begin.
Luister naar wat je jezelf te vertellen hebt.
Wat wil je?
Geef jezelf nu wat je vroeger gemist hebt.
Wees nu wie jij toen nodig had.
Deel deze ervaring met mensen die het gewicht van je verhaal kunnen dragen. Niet de critici die aan de zijlijn met de vinger wijzen als je struikelt. En elk verhaal doet ertoe. Ook dat van jou. En alles wat we tegen elkaar vertellen, drijft op een nog veel grotere stroom van woordeloze verbondenheid. Vanuit intimiteit. En een gedeelde menselijkheid. Want gedeelde verhalen tellen dubbel.

Auteursinfo
Dr. Els Heene is klinisch psycholoog en psychotherapeut, en auteur van het pas uitgebrachte boek “Binnenin beginnen: waar gebeurde verhalen over wat therapie met je doet”. Ze werkt in een klinische praktijk (Mentaal Beter) in Zeeland, en is sinds 1996 als docent en coördinator verbonden aan de Universiteit Gent.

“Binnenin beginnen: waar gebeurde verhalen over wat therapie met je doet.” Uitgeverij Manteau / Standaard Uitgeverij nv, vanaf 8 februari verkrijgbaar.

Referenties
Grant, A. (2021). Weten wat je niet weet. A.W. Bruna Uitgevers B.V, Amsterdam
Hayes, S.C., & Smith, S. (2005). Get out of your mind & into your life: the New Acceptance & Commitment Therapy. New Harbinger, Oakland.
Tallis, F. (2020). Leven. Wat de grootste psychologen ons vertellen over geluk, onbehagen en zingeving. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen.

 

Waarom valt roodkapje voor de wolf? De valkuilen van narcistische relaties

Hoe is dit kunnen gebeuren? Hoe kan iemand zo blind en goedgelovig zijn? Hoe kan iemand plots zoveel macht hebben? Voor je het weet zit je vast in een relatie met een narcist. Een verborgen narcist nog wel, die zich voordoet als een kwetsbare, charmante, tedere en ontwapenende man. Sommige criteria kunnen je extra gevoelig maken om in de narcistische ban verstrikt te geraken. Om er als een schim van jezelf uit tevoorschijn te komen.

De wolf zonder schaapskleren: achter de façade van de narcist

Narcisten kunnen enkel bewondering en geen echte authentieke liefde voelen. Hierdoor ervaren ze een grote leegte. Achter de charmante liefdevolle façade zit vaak een heel onzekere persoon, die handelt vanuit de behoefte alles te controleren. Diep van binnen voelen ze zich onbemind, vernederd en hebben ze een afschuw van zichzelf. Als overcompensatie zullen ze buitensporig naar erkenning en waardering van anderen streven.

Ze zijn enorm gevoelig voor kritiek van anderen. Elk klein meningsverschil of opmerking zal de narcist als een enorme vernedering en afwijzing ervaren. Ze voelen zich continu te kort schieten en zullen bijgevolg compenseren door de ander naar beneden te halen of de ander weg te duwen i.p.v. open te communiceren. Dit zal hun minderwaardigheidsgevoelens en gevoelens van tekortkoming en eenzaamheid uiteindelijk enkel nog versterken

Heel vaak zullen deze gevoelens ook aanleiding geven tot symptomen van depressie en angst. Om deze pijnlijke gevoelens te vermijden zullen veel narcisten zich apathisch afsluiten door solitaire verslavingsvormen (alcohol, drugs, tv, gamen), dwangmatig compulsief gedrag of het najagen van prikkels (zoals seksuele uitspattingen). Een belangrijk misverstand is dat mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis wel degelijk empathisch kunnen zijn, maar dit vermogen verliezen als ze in hun overcompenserende of vermijdende modus zitten. Het is dus belangrijk dat om het dieperliggende probleem dat achter het destructieve gedrag schuilgaat, te herkennen.

Heel vaak kiezen narcisten daarenboven een partner die zelf emotioneel afstandelijk is, waardoor het gevoel emotioneel tekort te komen nog versterkt wordt. Indien ze echter wel een partner kiezen die emotioneel toegankelijk is, dan zullen ze de neiging hebben om te blijven nemen zonder iets terug te geven. Hierdoor zal een toxische dynamiek ontstaan, waardoor de partner die onvoorwaardelijke liefde wil geven uiteindelijk leeggezogen wordt. In therapie is het dus cruciaal dat er op de houding van de narcist in intieme relaties gefocust wordt, zodanig dat gezondere gelijkwaardige relaties kunnen ontstaan.

De valkuilen

Een relatie met een narcist is dus niet aan te raden. Toch kan iedereen kan in een relatie met een narcist belanden. Sommige mensen zijn hier echter vatbaarder voor. Verschillende valkuilen verklaren hoe een relatie met een narcist kan ontstaan en blijven duren.

De valkuil van passionele romantiek
De passionele hartstochtelijke liefde wordt door de maatschappij geïdealiseerd en geromantiseerd. Het verlangen naar passionele liefde wordt ons via sprookjes, liedjes en romantische films al met de paplepel meegegeven, waardoor het romantisch charmeoffensief van narcisten heel geloofwaardig kan overkomen.

De valkuil van loyaliteit.
Hij vertelt geheimen die hij nog nooit met iemand heeft gedeeld om jou loyaal te houden en jou aan hem te binden. Je voelt je vereerd omdat jij de enige bent die zijn geheimen kent. Je zou dan ook nooit zijn vertrouwen willen schenden.

De valkuil van empathie.
Jij wil geven, zijn pijn proberen verzachten, de liefde geven die hij nooit heeft gekregen. Je wil zijn leegte opvullen omdat hij dat verdient, maar deze leegte zal een bodemloze put blijken te zijn, waarin je enkel jouw energie, vrolijkheid en uiteindelijk ook je eigen identiteit zal verliezen.

De valkuil van naïviteit en onbezonnenheid.
Je ziet altijd het goede en het groeipotentieel in anderen, waardoor je je niet bewust bent van mogelijk gevaar. Omdat je zelf het goede voor anderen wil, kan je je niet inbeelden dat anderen vanuit andere motieven handelen.

De valkuil van gewenning door een onveilige jeugd.
Als je zelf een narcistische vader hebt kan je extra gevoelig worden voor dit soort mannen. Als je onveiligheid en stemmingswisselingen van kleins af aan hebt gekend voelt dit vertrouwd aan. Het voelt vertrouwd om jezelf weg te cijferen en de ander te behagen om te overleven. Als je gewend bent om continu op eieren te lopen, dan ben je gewend om continu een verhoogde aanmaak van het stresshormoon te hebben. Zo zal er ook meer kans zijn dat je in het latere leven, die kick van spanning gaat opzoeken in destructieve relaties als een verslavende gewenning die nog doorspeelt vanuit jouw onveilige jeugd.

De valkuil van de sterke onafhankelijke vrouw – die verlangt naar het eindelijk eens mogen loslaten van controle en verzorgd te worden.
Als je altijd sterk en zelfstandig bent geweest kan je de behoefte hebben om eindelijk eens alle controle te mogen loslaten. Het voelt als een last die van je schouders valt om de verantwoordelijkheid en kracht te mogen loslaten en eens klein en afhankelijk te mogen zijn. Zo hebben sterke vrouwen die een dominante controlerende functie hebben op professioneel gebied vaak het verlangen om zich te onderwerpen in de relatie als overcompensatie.

Narcist van generatie op generatie

Heel veel narcisten zijn als kind zelf misbruikt of gemanipuleerd door een narcistische ouder. Deze ouder idealiseerde het ‘wonder’ kind, maar had terzelfdertijd ook enorm hoge verwachtingen. De behoeftes van het kind zijn telkens verwaarloosd omdat ze zich moesten onderwerpen aan de behoeftes van de ouder die hen manipuleerde en controleerde. Heel vaak zal de narcist vanuit zijn eigen opvoedingstrauma een angstig-vermijdende hechtingstijl hebben ontwikkeld die de bipolaire liefde met hoge toppen van intense liefde en diepe dalen van haat activeert. Gevoelens van eenzaamheid en leegte motiveren hen om dichter bij de ander te komen, maar het continue gevoel tekort te schieten zorgt er terzelfdertijd ook voor dat ze de ander gaan wegduwen. Narcisten zullen ze de partner bijgevolg continu gaan aantrekken en afstoten. Ze kunnen niet met, maar ook niet zonder de ander. Hechtingsstijlen zijn intergenerationeel overdraagbaar. Dit toont aan dat het zo van belang is om dit patroon te herkennen en te doorbreken om kinderen te beschermen en te voorkomen dat persoonlijkheidsstoornissen van generatie op generatie worden overgedragen.

Referenties

Stern, R. (2018). Het gaslighteffect: Verborgen narcisme. AnkhHermes, Uitgeverij.
Kotyanaya, M. (2020). Bridging the evidence-based gap: From pathological narcissism to narcissism survivors. The Science of Psychotherapy.
Young, J., Klosko, J., & Weishaar, M. (2004). Schemagerichte therapie: handboek voor therapeuten.[Scheme based therapy: Manual for therapists]. Houten, the Netherlands: Bohn Stafleu van Loghum.

Auteurs

Eowyn Van de Putte (1990) werkt als postdoctoraal onderzoeker aan de faculteit psychologie van de UGent. Daarnaast werkt zo ook als klinisch psychologe in de huisartsenpraktijk Bijloke. Ze behaalde een doctoraat in de cognitieve neurowetenschappen.
Elif Stepman (1992) is projectleider bij de consumentenorganisatie foodwatch. Ze studeerde Moraalwetenschappen.

 

Hoe ga je om met online posts over zelfverwonding? Vier cruciale tips voor sociale mediagebruikers

Wist je dat
… meer dan 10% van de Vlamingen aangeeft zichzelf ooit te hebben verwond (met de intentie zichzelf pijn te doen)? Vooral jongeren lopen een risico om hiermee te starten, maar het komt voor in alle leeftijdsgroepen. Sociale media kunnen een rol spelen bij zelfverwondend gedrag. Wat doe je wanneer je online in aanraking komt met berichten hierover? We delen graag wat achtergrond over wat zelfverwondend gedrag inhoudt en de rol van die sociale media. Daarna krijg je concrete tips voor gepaste acties en reacties.

Wat je verder moet weten
Over zelfverwondend gedrag
Wie zichzelf verwondt ziet dat vaak als een manier om met moeilijke emoties om te gaan. Iemand brengt het eigen lichaam opzettelijk fysieke schade aan, met de bedoeling zichzelf pijn te doen, en zonder de intentie zichzelf van het leven te benemen (zoals bij een zelfmoordpoging). Zelfverwondend gedrag wijst vaak op emotionele moeilijkheden en moet altijd ernstig genomen worden. Het kan immers ook samengaan met of evolueren naar zelfmoordgedachten of –pogingen.
Over de rol van sociale media
Motivatie om online te posten
Vaak doen jongeren al aan zelfverwonding vooraleer ze daar ook online actief rond worden. Jongeren gebruiken sociale media om twee redenen, namelijk om inzicht te krijgen in hun zelfverwonding en om ervaringen te delen met elkaar. Op die manier willen ze de isolatie en het stigma in de offline wereld doorbreken.
Negatieve effecten
Jongeren die berichten te zien krijgen rond zelfverwonding ervaren vaak angst of ongemak. Bij kwetsbare jongeren bestaat verder ook het risico dat zulke verhalen hen aanzetten om dat gedrag te kopiëren. De uitwisseling onder jongeren brengt dus risico’s met zich mee, maar heeft gelukkig ook voordelen.
Positieve effecten
Online contact met jongeren in een gelijkaardige situatie zorgt namelijk voor emotionele steun en sociale verbondenheid. Een online community kan ook ervaringen delen die de nadruk leggen op herstel. Dat gaat dan bijvoorbeeld over het vermogen om momenten van crisis en zelfverwondend gedrag te boven te komen. Zulke berichten kunnen een positieve invloed hebben op kwetsbare jongeren en beschermend werken.
Hoe reageer je best op online berichten over zelfverwondend gedrag?
Over de rol van sociale media op zelfverwondend gedrag is weinig geweten. Toch kunnen we een aantal aanbevelingen meegeven. Daarmee kan ook jij helpen om te bouwen aan een online omgeving die aandacht heeft voor dit risicogedrag.

  1. Onderschat of minimaliseer zelfverwondend gedrag niet, ook niet online.
  2. Zie je posts rond zelfverwondend gedrag of deelt een jongere zo’n bericht met je? Probeer dan in gesprek te gaan en doe dat steeds op een steunende en constructieve manier. Verwijs door naar betrouwbare kanalen zoals awel.be, jac.be, clbchat.be of zelfmoord1813.be (wanneer er ook sprake is van zelfmoordgedachten of –gedrag).
  3. Reageert iemand niet en maak je je zorgen? Op verschillende sociale netwerken kan je verontrustende inhoud melden.
  4. Verspreid zelf geen berichten van anderen over zelfverwondend gedrag, zelfs niet met een waarschuwing. Ook met zo’n ‘trigger warning’ kan een post schadelijk zijn.

Dit interesseert je misschien ook
Ook rond zelfmoord en sociale media zijn er belangrijke aandachtspunten. In ‘Hoe post je veilig over zelfmoord?’ geeft het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie concrete tips.

Auteurs
Julie Van Gestel (stagiaire) en Tom Van Daele (onderzoeksleider) zijn verbonden aan de Expertisecel Psychologie, Technologie & Samenleving van de Thomas More-hogeschool. Eva Dumon is als wetenschappelijk medewerkster verbonden aan het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie van de Universiteit Gent.

Referenties

  • Lavis, A., & Winter, R. (2020). #Online harms or benefits? An ethnographic analysis of the positives and negatives of peer-support around self-harm on social media. The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 61(8), 842–854. https://doi.org/10.1111/jcpp.13245
  • Biernessera, C., Sewall, C. J. R., Brent, D., Bear, T., Mair, C., & Trauth, J. (2020). Social media use and deliberate self-harm among youth: A systematized narrative review. Children and Youth Services Review, 116, 1-15. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2020.105054
  • Zelfmoord1813. (2019, Februari 10). Zelfverwonding factsheet. Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie. https://www.zelfmoord1813.be/sites/default/files/Zelfverwonding.pdf
  • Zelfmoord1813. (2016, Oktober 13). Omgaan met zelfbeschadiging: Een gids voor ouders en hulpverleners. Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie. https://www.zelfmoord1813.be/publicaties/producten/omgaan-met-zelfbeschadiging-een-gids-voor-ouders-en-hulpverleners
  • Candice, L., Odgers, & Jensen, M.R. (2020). Annual Research Review: Adolescent mental health in the digital age: facts, fears, and future directions. The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 61(3), 336–348. https://doi.org/10.1111/jcpp.13190
  • Picardo, J., McKenzie, S.K., Collings, S., & Jenkin, G. (2020). Suicide and self-harm content on Instagram: A systematic scoping review. PLOS ONE, 15(9): e0238603. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0238603
  • Williams, J. (2020, Oktober 15). Social media and self-harm in young people: help or hindrance? The Mental Elf. https://www.nationalelfservice.net/mental-health/self-harm/social-media-self-harm/
  • Jones, P.J., Bellet, B.W., & McNally, R.J. (2020). Helping or Harming? The Effect of Trigger Warnings on Individuals With Trauma Histories. SAGE jounals, 8(5), 905-917. https://doi.org/10.1177%2F2167702620921341
 

Het welzijn van de studenten versus de werkende mens: elkaar beter begrijpen

Er zijn de afgelopen tijd schrijnende noodkreten verschenen vanuit studenten die aangeven dat de coronacrisis enorm zwaar weegt op psychisch vlak. Dit vernemen we ook dagelijks binnen de praktijk van de klinische psychologie en als studentenpsychologen. De motivatie tot studeren is weg, men is uitgeput van de vele e-mails en het gebrek aan perspectief. Het is duidelijk dat de studentenpopulatie het enorm zwaar heeft. Dit blijkt onder meer uit de noodkreten in de brieven en de toenemende vraag voor zorg vanuit de studentenpsychologen en de reguliere geestelijke gezondheid.

Vaak zien we dan dat oudere generaties dit gemakkelijk relativeren: “vergelijk dat eens met de ouderen die de oorlog hebben meegemaakt”; “de jeugd van tegenwoordig kan precies niets meer af”; “vergelijk je situatie eens met iemand wiens zaak failliet gaat of de ouderen in de woonzorgcentra”. Het is blijkbaar moeilijk om elkaars moeilijkheden te begrijpen in de huidige stressvolle omstandigheden. Toch zou wat wederzijds begrip nochtans wel helpend zijn om elkaar tot steun te zijn in deze lastige tijden.

Vanwaar deze moeilijkheden om elkaars perspectief te begrijpen? We denken dat de sleutel ligt bij de verschillende leefwerelden en doelstellingen die hierbij centraal staan. Dit zetten we hieronder kort uiteen.

Individuele doelen zijn cruciaal bij ons functioneren. Het geeft ons bestaan betekenis, een reden om ’s ochtends op te staan en positieve emoties en motivatie ontstaan vaak bij het toewerken naar relevante doelen. Hoe zit dit bij de huidige studentenpopulatie? Hun doelen hebben vaak te maken met hun studie, vaak gecombineerd met allerhande leeftijdsspecifieke ontwikkelingstaken zoals uitgaan, vrienden maken, experimenteren met romantische relaties en in brede zin op eigen benen staan. De afgelopen maanden zijn velen platgebombardeerd met nieuwe online lesvormen en goedbedoelde e-mails waarbij de bijna volledige online interacties en e-mail stroom hebben geleid tot een enorme e-moeheid waardoor studenten wat zijn gaan afhaken bij het volgen van lessen en studies. Ze geven dan aan dat de studie teveel is en ervaren een sterk gevoel van incompetentie. Het gevolg: het studiedoel is sterk gereduceerd of verwatert tot “operatie kansloos”. Combineer dit met het gegeven dat het geheel van de andere persoonlijke doelen op vlak van psychosociale ontwikkeling veel beperkter of onmogelijk geworden zijn. Dan wordt het duidelijk dat studenten gemakkelijk kunnen afglijden in een patroon van passiviteit, kortstondige afleiding zoeken en de moed verliezen.

Vergelijk dit nu met het merendeel van de werkende, oudere populatie. Dit is de generatie die vaak al veel heeft opgebouwd en die door de crisis heel wat bedreigingen op zich af ziet komen op financieel en familiaal vlak. Ook voor deze populatie is de coronacrisis moeilijk waarbij men vaak moet omgaan met plotse verandering op werk, thuisonderwijs van kinderen, andere vormen van ouders ondersteunen, etc. Het essentiële verschil ligt erin dat deze populatie vaak allerlei mogelijkheden heeft om stevig aan de slag te gaan om de zaak te redden, de kinderen te blijven motiveren om te studeren en de impact van de crisis te minimaliseren. Het grote verschil bestaat erin dat de oudere populatie meer mogelijkheden hebben om actief aan de slag te gaan waardoor zij niet of minder terecht komen in het doe- en doel vacuüm van de studenten. Bij de studentenpopulatie kan de beperkte aanwezigheid van doelen en mogelijkheden een scherp gevoel van falen, piekeren, mislukking, apathie en hopeloosheid teweegbrengen, wat heel wat ingrediënten bevat voor depressieve klachten. De oudere populatie zal zich ook uitgeput voelen door de inzet om de crisis het hoofd te bieden en zal ook het gemis van sociale contacten voelen in de crisis maar ervaart minder het pijnlijk gevoel van persoonlijk falen en leegte.

Hoe zijn deze inzichten helpend? We hopen hiermee een beeld te geven waarom de crisis voor de verschillende generaties erg verschillend kan aanvoelen. Hierbij dienen we voorzichtig om te springen met het beoordelen van andere generaties: zou het niet zijn dat het nu al lastig genoeg is? Deze periode vraagt van elk van ons veel en juist nu dienen we elkaars schouder te zijn en elkaar vooruit te helpen. De verbinding opzoeken en elkaar oprapen wanneer de ander gevallen is, lijkt ons alleszins geen onverstandige doelstelling in de komende periode.

Verder dienen we goed na te denken over hoe we meer perspectief kunnen bieden aan de studenten. Na een moeilijk eerste semester en een lastige examenperiode is de noodzaak aan meer perspectief voor het tweede semester cruciaal.

Auteurs

Ernst Koster (hoogleraar klinische psychologie) en
Sarah Vermeersch (studentenpsycholoog) van de Universiteit Gent.

 

Het premenstrueel syndroom: een ongekende problematiek

Zegt de afkorting PMS je helemaal niets? Wel dan ben je niet alleen. PMS, dat staat voor premenstrueel syndroom, is wereldwijd een zeer ongekende problematiek.

Het Ghep lab van de Universiteit Gent voert daarom een grootschalig onderzoek uit naar hoe stress en emoties beïnvloed worden door de menstruatiecyclus, zowel bij mensen met als zonder PMS.

Het premenstrueel syndroom (PMS)

PMS is een combinatie van zowel fysieke als psychische en gedragsmatige symptomen die één tot twee weken voor de menstruatie beginnen, vervolgens dalen in intensiteit en miniem tot niet meer aanwezig zijn na de menstruatie. De meest voorkomende klachten bij PMS zijn pijnlijke borsten, een opgeblazen gevoel, wisselende stemmingen, gespannen zijn en depressieve gevoelens. De gevolgen hiervan voor het dagelijkse leven kunnen ernstig zijn. Zo zijn vrouwen met PMS vaker afwezig op het werk en hebben ze gemiddeld hogere medische kosten. Ook zou hun levenskwaliteit met betrekking tot gezondheid significant lager zijn. Omtrent prevalentiecijfers van deze aandoening is er weinig consistentie.

Sommige studies vinden een vrij lage prevalentie, terwijl andere studies percentages boven de 50% vermelden. De inconsistente prevalentiecijfers voor PMS zijn te wijten aan de afwezigheid van een eenduidige definitie. De meest ernstige vorm van PMS, ook wel premenstrueel dysfore stoornis of PMDD genoemd, werd wel reeds opgenomen in het officiële diagnostische handboek voor de psychiatrie. Zo’n 3 tot 8% van de vrouwen heeft te kampen met PMDD.

Oorzaak en diagnose

Over de etiologie van deze premenstruele problematieken, weten we nog niet veel. Hoogstwaarschijnlijk liggen veranderingen in hormonen aan de basis. Hoe dit echter exact gebeurt en op welke tijdstippen in de cyclus dit zich vertaalt naar welbepaalde klachten, is onduidelijk. Wat vooral belangrijk is bij de diagnose van PMS, is de timing van de symptomen. Zoals hierboven reeds werd aangegeven, is het cruciaal dat de symptomen miniem tot niet meer aanwezig zijn na de menstruatie. Vaak wordt aan vrouwen gevraagd om gedurende enkele maanden een dagboek bij te houden van hun klachten. Op basis van hoe deze klachten samenhangen met de menstruatiecyclus, kijkt men dan of er sprake is van PMS of niet. De diagnose gebeurt dus niet op basis van hormoononderzoek.

Behandeling

Er bestaan verschillende manieren om PMS te behandelen. Voorbeelden hiervan zijn het nemen van vitamines, supplementen of anticonceptie. Het probleem is dat er weinig onderzoek is naar de effectiviteit van deze behandelingen. Zoals een recente review van de verschillende behandelingen aanhaalde, is er nood aan grotere, placebo-gecontroleerde en gestandaardiseerde studies omtrent PMS. Aan de hand hiervan kunnen dan weer nieuwe geneesmiddelen en behandelingen ontwikkeld worden om de klachten van vrouwen die aan premenstruele problematieken lijden te verhelpen.

Nieuwe studie aan de UGent

Het Ghep lab van de Universiteit Gent vond het tijd voor een nieuwe studie om de hiaten in de literatuur op te vullen. De onderzoekers willen bestuderen hoe emoties en stress beïnvloed worden door de menstruatiecyclus, en dit bij zowel mensen met als zonder PMS. Dit doen ze op grote schaal en met behulp van de nieuwste technieken. Participanten krijgen foto’s te zien van serieuze, enge of leuke zaken. Op hetzelfde moment wordt er een gezichtsopname gemaakt via de webcam van hun computer. Daarna bekijken niet de onderzoekers, maar specifieke algoritmes de beelden. Deze algoritmes zijn erop getraind om emotioneel relevante informatie uit de gezichtsspieren te halen, zelfs al is die informatie onzichtbaar voor het blote oog. Al meer dan 300 vrouwen hebben deelgenomen aan deze studie. Helaas is dat nog niet genoeg om
sluitende conclusies te trekken en de impact van PMS goed te begrijpen. Ben je benieuwd of wil je graag meehelpen met dit wetenschappelijk onderzoek? Check dan snel de website!

Referenties

  • Acikgoz, A., Dayi, A., & Binbay, T. (2017). Prevalence of premenstrual syndrome and its relationship to depressive symptoms in first-year university students. Saudi Medical Journal, 38(11), 1125–1131.
  • DOI: 10.15537/smj.2017.11.20526
  • Freeman, E. W. (2003). Premenstrual syndrome and premenstrual dysphoric disorder: definitions and diagnosis. Psychoneuroendocrinology, 28 Suppl 3, 25–37. DOI: 10.1016/s0306-4530(03)00099-4
  • Hofmeister, S., & Bodden, S. (2016). Premenstrual Syndrome and Premenstrual Dysphoric Disorder. American Family Physician, 94(3), 236–240. PMID: 27479626.
  • Maharaj, S., & Trevino, K. (2015). A Comprehensive Review of Treatment Options for Premenstrual Syndrome and Premenstrual Dysphoric Disorder. Journal of psychiatric practice, 21(5), 334–350. DOI: 10.1097/PRA.0000000000000099
  • Mishell D. R., Jr (2005). Premenstrual disorders: epidemiology and disease burden. The American journal of managed care, 11(16 Suppl), S473–S479. PMID: 16336056.
  • Tenkir, A., Fisseha, N., & Ayele, B. (2003). Premenstrual syndrom: Prevalence and effect on academic and social performances of students in Jimma University, Ethiopia. Ethiopian Journal of Health Development, 17(3), 181–188. DOI: 10.4314/ejhd.v17i3.9838
  • Zondag-Coulier, S., Eekhof, J. & Knuistingh Neven, A. (2002). Premenstrueel syndroomanticonceptie depressie pms . HUWE 45, 184–186. DOI: 10.1007/BF03082829

 

De impact van de COVID-19 pandemie op volwassenen met autisme

De COVID-19-pandemie en de bijbehorende maatregelen beïnvloeden ons allemaal. Onze dagelijkse routines en sociaal leven zoals we die kenden werden ons plots afgenomen. Daar kregen we een heleboel onzekerheid (“wat mag nog wel en wat niet meer?” “hoe lang gaat dit nog duren?”) en zorgen (bijvoorbeeld over de gezondheid van onszelf en anderen) voor terug. Een stressvolle situatie waarin men vaak juist structuur en sociale steun het hardst nodig heeft. Mocht je het moeilijker hebben gevonden om door dit alles je mentale gezondheid op peil te houden, dan ben je niet alleen. Verschillende onderzoeken hebben de negatieve impact van de pandemie op de mentale gezondheid in de algemene bevolking al aangetoond. Maar hoe zit het met mensen met autisme, die van nature al meer behoefte hebben aan structuur?


Mensen met autisme: een kwetsbare groep?
Er waren drie redenen waarom wij, onderzoekers van de onderzoeksgroep EXPLORA, verwachtten dat mensen met autisme de pandemie wellicht op een unieke manier ervaren. (1) Mensen met autisme hebben meer moeite met het omgaan met stressvolle gebeurtenissen dan mensen zonder autisme. (2) Daar bovenop heeft de pandemie een invloed op de twee kerndomeinen van symptomen van autisme. Enerzijds ervaren mensen met autisme moeilijkheden met sociale interactie en communicatie, zo hebben ze bijvoorbeeld moeite om sociale interacties te initiëren of beantwoorden en met het behouden van vriendschappen. Anderzijds tonen mensen met autisme beperkte, repetitieve patronen van gedrag, interesses of activiteiten, zoals het inflexibel vasthouden aan routines en extreme onrust bij kleine veranderingen. (3) Ten slotte hebben mensen met autisme normaal gezien al een verhoogde kans op mentale gezondheidsproblemen zoals een angststoornis of depressie. Om deze redenen hebben wij in de eerste weken van de pandemie een vragenlijststudie opgezet om het effect van de pandemie op het dagelijks leven en het psychisch welzijn van volwassenen met autisme te onderzoeken. In totaal hebben 1044 volwassenen (613 met autisme) uit verschillende landen (België, Nederland, Verenigd Koninkrijk) de vragenlijst ingevuld.

Mentale gezondheid en veranderde routines
Ongeveer driekwart van de deelnemers met én zonder autisme rapporteerde een stijging in angst en depressie gerelateerde symptomen als gevolg van de pandemie. De stijging in angst- en depressiesymptomen en de impact daarvan op het dagelijks leven was echter groter bij volwassenen met autisme. Deze grotere stijging is zorgwekkend te noemen, aangezien mensen met autisme gewoonlijk al meer angst- en depressiesymptomen rapporteren, en zij normaal gezien al moeite hebben om toegang te krijgen tot zorg. Daarnaast is een aanzienlijk deel van de volwassenen met autisme (gedeeltelijk of helemaal) de begeleiding die zij normaal ontvingen (tijdelijk) kwijtgeraakt vanwege overbelasting van het zorgsysteem. Verder kwam naar voren dat volwassenen met autisme in vergelijking met volwassenen zonder autisme zich tijdens de pandemie meer zorgen maken over hun eigen veiligheid, hun huisdieren, hun werk, en het verkrijgen van medicatie en eten. De zorg rond het verkrijgen van eten lijkt gelinkt te zijn aan het verreweg meest genoemde stress-gerelateerde onderwerp onder volwassenen met autisme: boodschappen doen. Boodschappen doen werd beschreven als stressvol door met name de verstoring in routines. Denk bijvoorbeeld aan de rij waarin men moest staan om naar binnen te mogen, en de social distancing-regel die bijvoorbeeld frustratie oproept wanneer niet iedereen zich eraan houdt.

Verlies van sociaal contact ook moeilijk voor volwassenen met autisme
De pandemie had gemiddeld genomen een grotere invloed op het sociale leven van volwassenen zonder autisme en bijgevolg voelden zij zich door de pandemie meer sociaal geïsoleerd dan voorheen dan volwassenen met autisme. Deze resultaten kunnen wellicht worden verklaard door eerder onderzoek dat aantoont dat volwassenen met autisme gewoonlijk al meer te maken hebben met eenzaamheid en sociaal isolement dan volwassenen zonder autisme, waardoor de verandering in hun sociale leven als gevolg van de pandemie minder uitgesproken is. Want ook voor volwassenen met autisme bleek het kwijtraken van de toegang tot hun (kleinere) sociale vangnet in deze stressvolle tijd een grote last. Eén van de meest genoemde moeilijkheden was namelijk voor zowel volwassenen zonder als met autisme het verlies van sociaal contact.

Verlies van dagelijkse routines veroorzaakt stress
Gemiddeld genomen ervaren volwassenen met autisme meer stress door het veranderen van hun dagelijkse routines als gevolg van de pandemie dan volwassenen zonder autisme. In een open vraag die naging welke pandemie-gerelateerde veranderingen het moeilijkst waren, werd duidelijk dat het hierbij ook gaat om angst voor de veranderingen die in de toekomst zullen plaatsvinden zodra we langzaam weer de overgang naar het ‘normale leven’ maken. Momenteel bevinden we ons, zeven maanden na het onderzoek, in die ‘toekomst’, en nu de maatregelen na een versoepeling weer verscherpt zijn, kunnen we niet anders dan ons met een ongerust hart afvragen hoe het nu gaat met de mensen die onze vragenlijst destijds hebben ingevuld. De overgang naar het ‘normale leven’, dat al zoveel angst opriep, blijkt immers niet rechtlijnig te zijn.

Buddies en solidariteit
De impact van de pandemie op onze routines en ons sociale leven, en dus ook op die van volwassenen met autisme, is onvermijdelijk. Gewaarborgde toegang tot zorg die zich onder meer focust op bijvoorbeeld het onderhouden van een sociaal netwerk en het creëren van alternatieve routines, zou de klap echter mogelijk kunnen verzachten. Bij het aanbieden van ondersteuning op afstand dient men bij voorkeur verschillende communicatiemedia aan te bieden, aangezien sommige volwassenen met autisme angst ervaren bij (video)bellen en liever via chat of e-mail zouden communiceren. De stress die volwassenen met autisme ervaren bij het boodschappen doen zou verlicht kunnen worden door bijvoorbeeld een buddy-systeem te introduceren, waarbij een ander boodschappen doet voor de volwassene met autisme, of door autisme-vriendelijke winkeltijden te introduceren. Tot slot is het ook belangrijk om stil te staan bij de pandemie-gerelateerde veranderingen die als positief zijn ervaren. Van deze positieve ervaringen zouden we namelijk kunnen leren om zo de wereld een beetje autismevriendelijker te maken, ook na de pandemie. Zo bleek dat mensen met autisme de verminderde sensorische en sociale overbelasting tijdens de pandemie waarderen. Buiten is het op het moment bijvoorbeeld een stuk rustiger, en mensen staan niet meer onverwachts voor je deur. Ook benoemden ze dat mensen zonder autisme nu ook eens hebben kunnen ervaren hoe het is om jezelf voor je eigen welzijn sociaal te moeten afsluiten – iets wat veel mensen met autisme vóór de pandemie soms ook noodgedwongen moesten doen om tot rust te komen en niet overprikkeld te raken. Deze ervaring zou kunnen zorgen voor meer begrip en sociale solidariteit, en laten we dit nu net hard nodig hebben in deze tijd.

Auteurs
Danna Oomen, dr. Annabel Nijhof en prof. dr. Roeljan Wiersema zijn als onderzoekers verbonden aan de onderzoeksgroep EXPLORA (Experimenteel Psychologisch Onderzoek Rond Autisme), Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschapen, Universiteit Gent.

Pre-print
Deze blogpost is gebaseerd op een pre-print manuscript. Dat is een eerste versie van een manuscript dat nog geen ‘peer-review’ heeft ondergaan. De volledige pre-print vind je hier

Referenties

  1. Cao W, Fang Z, Hou G, Han M, Xu X, Dong J, et al. The psychological impact of the COVID-19 epidemic on college students in China. Psychiatry Res. 2020 May 1;287.
  2. Cooke JE, Eirich R, Racine N, Madigan S. Prevalence of posttraumatic and general psychological stress during COVID-19: A rapid review and meta-analysis. Vol. 292, Psychiatry Research. Elsevier Ireland Ltd; 2020. p. 113347.
  3. Gonçalves AP, Zuanazzi AC, Salvador AP, Jaloto A, Pianowski G, Carvalho L de F. Preliminary findings on the associations between mental health indicators and social isolation during the COVID-19 pandemic. Arch Psychiatry Psychother. 2020 Jun 1;22(2):10–9.
  4. Smith L, Jacob L, Yakkundi A, McDermott D, Armstrong NC, Barnett Y, et al. Correlates of symptoms of anxiety and depression and mental wellbeing associated with COVID-19: a cross-sectional study of UK-based respondents. Psychiatry Res. 2020 Sep 1;291:113138.
  5. Tull MT, Edmonds KA, Scamaldo KM, Richmond JR, Rose JP, Gratz KL. Psychological Outcomes Associated with Stay-at-Home Orders and the Perceived Impact of COVID-19 on Daily Life. Psychiatry Res. 2020 Jul 1;289.
  6. Wang C, Pan R, Wan X, Tan Y, Xu L, Ho CS, et al. Immediate psychological responses and associated factors during the initial stage of the 2019 coronavirus disease (COVID-19) epidemic among the general population in China. Int J Environ Res Public Health. 2020 Mar 1;17(5).
  7. Zhang SX, Wang Y, Rauch A, Wei F. Unprecedented disruption of lives and work: Health, distress and life satisfaction of working adults in China one month into the COVID-19 outbreak. Psychiatry Res. 2020 Jun 1;288:112958.
  8. Gillott A, Standen PJ. Levels of anxiety and sources of stress in adults with autism. J Intellect Disabil. 2007 Dec;11(4):359–70.
  9. Robertson AE, Stanfield AC, Watt J, Barry F, Day M, Cormack M, et al. The experience and impact of anxiety in autistic adults: A thematic analysis. Res Autism Spectr Disord. 2018 Feb 1;46:8–18.
  10. Kirsch AC, Huebner ARS, Mehta SQ, Howie FR, Weaver AL, Myers SM, et al. Association of Comorbid Mood and Anxiety Disorders with Autism Spectrum Disorder. JAMA Pediatr. 2020 Jan 1;174(1):63–70.
  11. Lever AG, Geurts HM. Psychiatric Co-occurring Symptoms and Disorders in Young, Middle-Aged, and Older Adults with Autism Spectrum Disorder. J Autism Dev Disord. 2016 Jun 1;46(6):1916–30.
  12. Camm-Crosbie L, Bradley L, Shaw R, Baron-Cohen S, Cassidy S. ‘People like me don’t get support’: Autistic adults’ experiences of support and treatment for mental health difficulties, self-injury and suicidality. Autism. 2019 Aug 1;23(6):1431–41.
  13. Maddox BB, Gaus VL. Community Mental Health Services for Autistic Adults: Good News and Bad News. Autism in Adulthood. 2019 Mar 11;1(1):15–9.
  14. Orsmond GI, Shattuck PT, Cooper BP, Sterzing PR, Anderson KA. Social participation among young adults with an autism spectrum disorder. J Autism Dev Disord. 2013 Nov;43(11):2710–9.
  15. van Asselt-Goverts AE, Embregts PJCM, Hendriks AHC, Wegman KM, Teunisse JP. Do Social Networks Differ? Comparison of the Social Networks of People with Intellectual Disabilities, People with Autism Spectrum Disorders and Other People Living in the Community. J Autism Dev Disord. 2015 May 1;45(5):1191–203.
 

Binnenkort positief geformuleerde anti-rookboodschappen?

Recent onderzoek schuift een nieuw soort anti-rookboodschappen naar voor. In plaats van waarschuwingen die de negatieve gevolgen van roken benadrukken worden boodschappen die de positieve gevolgen van stoppen met roken voorgesteld. Wat houden deze positieve boodschappen in en wat is hun meerwaarde?

31 mei was het Wereld Anti-Tabaksdag. Roken blijft tot op vandaag een van de grootste te voorkomen ziekte- en doodsoorzaken ter wereld. Daarom is de aanpak en preventie van rookgedrag constant in ontwikkeling. Zo werden begin dit jaar alle sigarettenverpakkingen in België neutraal. De pakjes zien er allemaal ongeveer hetzelfde uit; grijs met in het klein de merknaam genoteerd. Dit maakt het moeilijk om een specifiek merk op eerste zicht te herkennen. Waarom werden alle sigarettenpakjes neutraal?

De invoer van de ‘plain packaging’ regel verbiedt het gebruik van logos, kleuren of promotionele informatie om zo de aandacht niet weg te nemen van de gezondheidswaarschuwingen op het pakje. Deze gezondheidswaarschuwingen kennen we ondertussen al, sinds 2014 staan in België afgunstwekkende foto’s met een boodschap rond de negatieve gevolgen van roken op de pakjes. Door de neutrale verpakking is het eerste wat je nu ziet foto’s van onder andere beschadigde longen, een keeltumor of een comateuze baby. De discussie blijft tot op vandaag of deze angstwekkende waarschuwingen effectief werken.

De waarschuwingen geven informatie over de negatieve gevolgen van roken. Deze informatie wordt op een angstaanjagende wijze gebracht. Onderzoek zoekt steeds naar manieren om mensen aan te zetten tot het stoppen met roken. Dit onderzoek toont dat de huidige waarschuwingen niet altijd effectief zijn. De waarschuwingen lijken vooral een invloed te hebben op jonge rokers terwijl mensen die reeds langere tijd roken kennen de negatieve gevolgen echter al. De onaantrekkelijke tot schokkende waarschuwingen lijken vaak weerstand op te roepen bij rokers. Zo stoppen ze de sigaretten in een andere verpakking of overtuigen ze zichzelf ervan dat de drastische gevolgen niet voor hen van toepassing zijn. De huidige anti-rookboodschappen lijken dus niet alle groepen van rokers te overtuigen om te stoppen.

Nu wordt gezocht naar een nieuw soort anti-rookboodschappen. In plaats van kennis- en angstinducerende waarschuwingen werden positief geformuleerde boodschappen opgesteld. Deze boodschappen zijn effectieve getuigenissen van ex-rokers. De ex-rokers hebben informatie gedeeld waarvan zij denken dat deze quotes huidige rokers succesvol zal kunnen doen stoppen met roken. Eerder dan mensen dus te wijzen op de negatieve gevolgen van roken worden nu de positieve gevolgen van stoppen met roken benadrukt. Het eerste onderzoek naar deze nieuwe boodschappen in de vorm van getuigenissen is belovend. Er werden gelijkaardige effecten teruggevonden voor de getuigenissen, in vergelijking met de huidige waarschuwingen. Dit betekent dat de positief geformuleerde boodschappen evenwaardig effectief zijn als de angst-inducerende boodschappen. Wat is dan de meerwaarde van deze positief geformuleerde boodschappen?

De huidige foto’s en boodschappen zetten vooral in op het verhogen van kennis rond de negatieve gevolgen van roken. Meeste rokers beschikken echter al over deze kennis en de huidige waarschuwingen leiden vaak tot weerstand. De nieuwe boodschappen, in de vorm van getuigenissen, gaan ook inzetten op kennis maar zetten daarnaast ook in op zelf-effectiviteit. Na het lezen van de positieve boodschappen hebben rokers meer vertrouwen in hun eigen kunnen. Een hogere zelf-effectiviteit betekent dat rokers meer de verwachting hebben van zichzelf dat ze effectief in staat zijn om te stoppen met roken.

Het onderzoek naar deze positief geformuleerde anti-rookboodschappen staat nog in zijn kinderschoenen. Het is nog onduidelijk welke mechanismen achter de boodschappen werkzaam zijn. Ook lijken verschillende soorten anti-rookboodschappen andere effecten te hebben naargelang de doelgroep. Zo is er de mogelijkheid dat de waarschuwingen beter werken op jonge rokers terwijl de getuigenissen beter werken op oudere rokers. Verder onderzoek is dus noodzakelijk. Wel geeft eerste onderzoek aan dat positief geformuleerde boodschappen een meerwaarde kunnen zijn in het helpen van mensen met stoppen met roken. Dus misschien staan er binnenkort positief geformuleerde boodschappen op de sigarettenverpakkingen.

Referenties

  • Brehm, S. S., & Brehm, J. W. (2013). Psychological Reactance: A Theory of Freedom and Control. Academic Press.
  • Brennan, E., Maloney, E. K., Ophir, Y., & Cappella, J. N. (2016). Potential Effectiveness of Pictorial Warning Labels that feature the Images and personal details of real people. Nicotine & Tobacco Research, 19(10), 1138-1148, doi: 10.1093/ntr/ntw319.
  • Brewer, N. T., Parada Jr, H., Hall, M. G., Boynton, M. H., Noar, S. M., & Ribisl, K. M. (2019). Understanding why pictorial cigarette pack warnings increase quit attempts. Annals of Behavioral Medicine, 53(3), 232-243, doi: 10.1093/abm/kay032.
  • De Hertogh, I. (2018). De zin en onzin van Antirookboodschappen: De effecten van Zelfeffectiviteit in Antirookboodschappen. Masterproef Klinische Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen, Universiteit Gent, Gent.
  • De Houwer, J., Custers, R., & De Clercq, A. (2006). Do smokers have a negative implicit attitude toward smoking?. Cognition and Emotion, 20(8), 1274-1284, doi: 10.1080/02699930500484506.
  • Fernandez, E., Joossens, L. & Ariadna F. (2020). The Tobacco Control Scale 2019 In Europe. A report of the Association of European Cancer Leagues, Brussels, Belgium.
  • LaVoie, N. R., Quick, B. L., Riles, J. M., & Lambert, N. J. (2017). Are graphic cigarette warning labels an effective message strategy? A test of psychological reactance theory and source appraisal. Communication Research, 44(3), 416-436, doi: 10.1177/0093650215609669.
  • Müller, B. C., Haverkamp, R., Kanters, S., Yaldiz, H., & Li, S. (2019). Corrigendum: Social tobacco warnings can influence implicit associations and explicit cognitions. Frontiers in psychology, 10, 1408, doi: 10.3389/fpsyg.2019.00324.
  • Naghavi, M., Wang, H., Lozano, R., Davis, A., Liang, X., Zhou, M., … & Aziz, M. I. A. (2015). Global, regional, and national age-sex specific all-cause and cause-specific mortality for 240 causes of death, 1990-2013: a systematic analysis for the Global Burden of Disease Study 2013. Lancet, doi: 10.1016/S0140-6736(14)61682-2.
  • Van Dessel, P., Smith, C. T., & De Houwer, J. (2018). Graphic cigarette pack warnings do not produce more negative implicit evaluations of smoking compared to text-only warnings. PloS one, 13(3), e0194627, doi: 10.1371/journal.pone.0194627.
  • Vangrysperre, A. (2020). De effectiviteit van een nieuw soort anti-rookboodschappen. Rekening houdend met kennis, zelf-effectiviteit en positieve uitkomstverwachtingen. Masterproef Klinische Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen, Universiteit Gent, Gent.

 

HELP! IK BEN OP ALS OUDER! – De rol van ouderlijke identiteit en motivatie in het ouderschap.

Voel je je ook soms uitgeput als ouder? Is het ouderschap je soms allemaal wat teveel? Je bent niet alleen.

In een recente studie naar gevoelens van ouderlijke burn-out bij Vlaamse ouders (1) kwam naar voor dat 1 op de 3 ouders wel eens worstelt met deze gevoelens. 1 op de 20 ervaart ze wekelijks en 1 op de 25 zelfs dagelijks.

Ouderlijke burn-out bestaat uit drie kenmerken. Ten eerste is er een overweldigend gevoel van uitputting in de ouderrol. Ten tweede nemen deze ouders emotioneel afstand van hun kinderen. En ten derde ervaren ze een verlies aan bekwaamheidsgevoel als ouder (2). Een langdurige blootstelling aan ouderlijke stress en een chronisch onevenwicht tussen risico- en beschermende factoren zijn hiervoor de aanleiding (3). Om te begrijpen welke ouders meest kwetsbaar zijn voor ouderlijke burn-out focuste onderzoek zich hoofdzakelijk op eerder vaststaande factoren zoals geslacht en persoonlijkheid. In dit onderzoek werden meer dynamische factoren, zoals ouderlijke identiteit en motivatie voor het ouderschap, bekeken. Daarnaast werd het verband tussen parentificatie en ouderlijke burn-out onderzocht. Aan het onderzoek namen 472 Vlaamse ouders deel (waarvan 53,6% moeders) aan de hand van een online vragenlijst.

Parentificatie

Parentificatie doet zich voor wanneer kinderen één of meerdere volwassen rollen invullen waar ze eigenlijk nog niet klaar voor zijn (4). Het kind vervult taken die de ouder toebehoren, zoals het zorgen voor de ouder of het creëren van goede levensomstandigheden (5,6). Een kind kan uiteraard voldoening vinden in het helpen of ondersteunen van de ouders, maar wanneer dit verandert in een langdurige en structurele ondersteuning kan de ontwikkeling, op korte én lange termijn, ernstig verstoord worden (7).

Geparentificeerde kinderen verliezen het vertrouwen in zichzelf en ervaren een overweldigende stress die gepaard gaat met onzekerheid en angst. Later kan het leiden tot emotionele en/of fysieke uitputting in het ouderschap (4). Bij alle deelnemende ouders werden ervaringen van parentificatie in de kindertijd bevraagd. Ouders die meer ervaringen van parentificatie rapporteerden, ervoeren ook meer gevoelens van ouderlijke burn-out. Parentificatie kan dus als een risicofactor gezien worden. Het is belangrijk om toekomstige ouders met een verleden van parentificatie op te volgen in hun overgang naar het ouderschap.

Niet elke ouder met een verleden van parentificatie ervaart gevoelens van ouderlijke burn-out. In dit onderzoek werd daarom onderzocht of ouderlijke identiteit en motivatie voor het ouderschap hierin een rol speelden.

Ouderlijke identiteit

Een identiteit is een beeld dat we van onszelf hebben (8). Tijdens ons leven nemen we verschillende identiteiten aan, zoals de identiteit als partner, als werknemer of als ouder. Er zijn twee belangrijke aspecten aan een identiteit (9). Er moet een bepaalde binding gevormd worden met de identiteit en dit wordt het best voorafgegaan door een fase van exploratie (10).

Soms komen mensen vast te zitten in dit exploratieproces en ontstaat een blijvend gepieker. Dan wordt er gesproken van piekerende of ruminatieve exploratie. In het huidige onderzoek bleek deze ruminatieve exploratie een risicofactor voor ouderlijke burn-out. Ouders die aangaven meer te twijfelen over hun ouderlijke rol, rapporteerden ook meer gevoelens van
ouderlijke burn-out.

Eerder onderzoek heeft aangetoond dat de onzekerheden en angsten die geparentificeerde ouders in hun kinderjaren ervoeren zich kunnen doorzetten in de rol die ze als ouder opnemen (4). Dit werd in het huidige onderzoek bevestigd. Ouders met een voorgeschiedenis van parentificatie exploreren wel, maar komen vast te zitten in dit exploratieproces. Hoewel er sprake is van binding blijven ze twijfelen over hun ouderschap. Deze tweestrijd hangt op zijn beurt samen met een grotere kans op burn-out.

Motivatie voor het ouderschap

Waarom kies je ervoor om moeder of vader te worden? De verschillende motieven die mensen hiervoor hebben, kunnen opgedeeld worden in autonome en gecontroleerde motieven (11). Autonome motivatie ontstaat wanneer je kiest om moeder of vader te worden omdat je dit leuk en waardevol vindt in je leven. Wanneer de verwachtingen van anderen een belangrijke rol spelen in de keuze om moeder of vader te worden, is er sprake van eerder gecontroleerde motivatie. In het huidige onderzoek bleek autonome motivatie een beschermende factor voor ouderlijke burn-out terwijl gecontroleerde motivatie een risicofactor was.

Hoe zit het met ouders die in hun kindertijd parentificatie ervoeren? Deze ouders nemen de ouderrol voor een deel op omwille van vrijwillige redenen, maar ook voor een deel omdat het moet. Ze lijken opnieuw dubbel te staan tegenover het ouderschap en heen en weer geslingerd te zijn tussen positieve en negatieve gevoelens. Ook deze ambivalentie kan voor een deel verklaren waarom parentificatie onrechtstreeks samenhangt met meer ouderlijke burn-out.

Het belang van meer veranderbare factoren

Ouders met een verleden van parentificatie zijn dus gevoeliger voor burn-out omdat ze meer twijfelen over hun rol als ouder en meer druk ervaren om deze rol op te nemen. In hun gezin van oorsprong ervoeren deze ouders wellicht onduidelijkheid over hun rol in het gezin en druk om taken op zich te nemen waarvoor ze niet klaar waren. Nu, in hun eigen gezin, ervaren ze
opnieuw rolverwarring en een gevoel van verplichting om hun eigen kind(eren) te helpen.

In dit onderzoek werden meer veranderbare factoren, namelijk ouderlijke identiteitsontwikkeling en motivatie voor het ouderschap, bekeken in relatie met ouderlijke burn-out. De resultaten van dit onderzoek bieden handvatten voor preventie en interventie. Zo is het belangrijk om ouders met twijfels over hun ouderrol te begeleiden. Het is in de huidige samenleving vaak niet makkelijk om twijfels over het ouderschap te uiten. Hieraan meer aandacht besteden en openheid rond creëren is een eerste stap richting preventie. Daarnaast is het als ouder ook belangrijk om stil te staan bij de redenen die men heeft om voor het ouderschap te kiezen. Is het een vrijwillige keuze omdat je het zelf belangrijk en waardevol vindt in je leven? Of omdat je je meer onder druk gezet voelt door je omgeving of de
maatschappij?

Het ouderschap kan voldoening geven, maar kan ook uitputtend zijn. Ouders bij wie de balans te veel en te lang uit evenwicht is, verdienen de nodige aandacht. Niet alleen de mentale gezondheid van je kinderen is belangrijk. Ook die van jou als ouder telt!

Referenties

  • (1) Schrooyen, C., Beyers, W., & Soenens, B. (2019). How to avoid that parenting burns you out: on the importance of having a clear identity as a parent. Papers 59 – Parenting, Parental Acceptance/Rejection and Psychological Distress. Oral paper presentation conducted at the 19th European Conference on Developmental Psychology (ECDP), Athens, Greece.
  • (2) Roskam, I., Raes, M. E., & Mikolajczak, M. (2017). Exhausted parents: Development and preliminary validation of the parental burnout inventory. Frontiers in Psychology, 8(FEB), 1–12. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2017.00163
  • (3) Mikolajczak, M., & Roskam, I. (2018). A theoretical and clinical framework for parental burnout: The balance between risks and resources (BR2). Frontiers in Psychology, 9(JUN). https://doi.org/10.3389/fpsyg.2018.00886
  • (4) Jurkovic, G. J. (1997). Lost childhoods: The Plight of the Parentified Child. Brunner/Mazel.
  • (5) Hooper, L. M., Marotta, S. A., & Lanthier, R. P. (2008). Predictors of growth and distress following childhood parentification: A retrospective exploratory study. Journal of Child and Family Studies, 17(5), 693–705. https://doi.org/10.1007/s10826-007-9184-8
  • (6) Schier, K. (2010). “When a child becomes a parent” – reversed care as a phenomenon of parentification in the family. In B. Tryjarska (Ed.), The cohesion of the family. Bonds in childhood and disorders in adulthood. (pp. 63–80). Wydawnictwo Naukowe Scholar.
  • (7) Boszormenyi-Nagy, I., & Spark, G. M. (1973). Invisible loyalities. Harper and Row.
  • (8) Kroger, J., & Marcia, J. E. (2011). The identity statuses: Origins, meanings and interpretations. In S. J. Schwartz, K. Luyckx, & V. L. Vignoles (Eds.), Handbook of identity theory and research (pp. 31–54). Springer.
  • (9) Marcia, J. E. (1966). Development and validation of ego-identity status. Journal of Personality and Social Psychology, 3(5), 551–558. https://doi.org/10.1037/h0023281
  • (10) Luyckx, K., Goossens, L., Soenens, B., Beyers, W., & Vansteenkiste, M. (2005). Identity statuses based on 4 rather than 2 identity dimensions: Extending and refining Marcia’s paradigm. Journal of Youth and Adolescence, 34(6), 605–618. https://doi.org/10.1007/s10964-005-8949-x
  • (11) Jungert, T., Landry, R., Joussemet, M., Mageau, G., Gingras, I., & Koestner, R. (2015). Autonomous and Controlled Motivation for Parenting: Associations with Parent and Child Outcomes. Journal of Child and Family Studies, 24(7), 1932–1942. https://doi.org/10.1007/s10826-014-9993-5

Deze blogpost is gebaseerd op de Masterproef ‘Donkere wolken tijdens het ouderschap: over de rol van parentificatie, motivatie en ouderlijke identiteit bij ouderlijke burn-out’, onder begeleiding van Bart Soenens (promotor), Wim Beyers (co-promotor) en Charlotte Schrooyen (begeleidster).

 

De verborgen gezichten van neutraliteit: Een uiteenzetting van schizotypische emotieperceptie

Je herkent misschien de situatie waarin je kort gelooft dat een stapel kleren op een stoel een persoon is. Of dat je gemakkelijk in de war geraakt wanneer er te veel tegelijkertijd gebeurt, of niet begrijpt hoe sommige mensen genieten van het proeven van onbekend eten. Misschien heb je wel vaker een drang om iets te breken.

Deze kenmerken kunnen onder de noemer ‘schizotypie’ vallen. Dit woord doet je niet voor niets denken aan schizofrenie, maar toch is het niet hetzelfde. Schizotypie wordt beschreven als een verzameling kenmerken die qua inhoud vergelijkbaar zijn met psychotische stoornissen, maar waarvan de aanwezigheid minder uitgesproken is.

Een belangrijke mededeling: geen paniek indien je positief antwoordde op de voorbeelden hierboven. Studies tonen dat deze ‘psychotisch-achtige’ ervaringen, zoals illusies of hallucinaties, maar ook ongeorganiseerde gedachten, gebrek aan plezier of een gebrek aan zelfcontrole zich voordoen in gradaties. Bij sommige mensen zijn dergelijke zaken niet problematisch terwijl dezelfde zaken bij andere mensen zeer ingrijpend zijn. Het is dus zeker niet zo dat deze ervaringen enkel voorkomen bij mensen met een psychiatrische diagnose. Integendeel, sommige studies suggereren dat ongeveer een vijfde van de populatie ooit al eens iets gelijkaardigs meemaakte. Ook ik kan mijzelf hierbij tellen.

Schizotypische emotieperceptie

Eerder onderzoek suggereert personen met schizotypische kenmerken een verschillende emotieverwerking hebben, in de zin dat emotionele uitingen doorgaans negatiever geëvalueerd worden. Zo zouden ze bijvoorbeeld vaker negatieve emoties herkennen in gezichten die een positieve gezichtsuitdrukking vertonen en gezichten met neutrale gezichtsuitdrukkingen vaker interpreteren als walging.

Beeld je het volgende in. Je zit op de trein. De persoon die voor je zit is aan het wegdromen, denkend aan alles en niets, en toont hierbij geen emotie. Indien je neutrale gezichten als negatief zou ervaren, wordt de wereld plots een meer bedreigende plaats. Medepassagiers op de trein, onbekenden die passeren in de winkelstraat, de mensen die bij je in de rij staan te wachten… allemaal lijken ze je af te wijzen.

De gevolgen hiervan op sociaal vlak kun je je waarschijnlijk voorstellen, en worden ook teruggevonden in wetenschappelijke studies. Mensen met meer schizotypische kenmerken zouden meer sociale angst ervaren en moeilijker banden scheppen met anderen – ook hun huwelijkscijfers zijn verlaagd. Bovendien zouden deze moeilijkheden in de herkenning van gezichtsuitdrukkingen misverstanden rond de intenties van anderen kunnen veroorzaken. Sociale situaties worden moelijker te begrijpen en het gedrag van anderen moeilijker te voorspellen.

Waarom verschilt de emotieperceptie?

We kunnen tot op de dag van vandaag nog niet met zekerheid zeggen waarom deze ‘psychotischachtige’ ervaringen zich voordoen. Eén hypothese is dat dit samenhangt met een bepaalde chemische stof in de hersenen, namelijk noradrenaline. Een teveel aan deze stof in bepaalde hersendelen zou mogelijks deel van de oorzaak zijn voor deze ervaringen. Bovendien zou noradrenaline ook een rol spelen in het verwerken van emoties. We besloten dus om niet enkel te kijken naar hoe mensen met meer schizotypische kenmerken emotionele gezichten evalueren, maar ook of dit samenhangt met de hoeveelheid noradrenaline in de hersenen. Dit werd nog nooit eerder onderzocht.

Hoe deden we dit?

Op basis van een vragenlijst (sO-LIFE) konden we de hoeveelheid schizotypische kenmerken bepalen. Tijdens het experiment toonden we telkens een emotioneel gezicht op een computerscherm, waarna we vroegen om op een schaal aan te duiden hoe negatief of positief de deelnemers het gezicht vonden. De gezichten werden opgebouwd uit een samenstelling van een neutraal en een emotioneel gezicht. Door deze op verschillende manieren te combineren kregen we een brede waaier aan gezichtsuitdrukkingen met diverse emotionele intensiteiten. Tegelijkertijd bekeken we de reacties van hun oogpupillen. Dit omdat de grootte van de oogpupillen, en de veranderingen hierin, geassocieerd zijn met de hoeveelheid noradrenaline in de hersenen. Op deze manier konden we recente technologieën en gekende methodes uit de experimentele psychologie combineren om een klinisch relevant thema te onderzoeken.

De verborgen gezichten van neutraliteit

We konden onze verwachtingen deels bevestigen. Vooral hoogscoorders op een specifieke dimensie van schizotypie, ‘impulsieve nonconformiteit’, neigden naar een meer negatieve beoordeling van gezichtsuitdrukkingen. Dit voornamelijk wanneer ze gezichten te zien kregen die negatieve emoties vertoonden. Deze dimensie van schizotypie belicht de meer asociale en bizarre kenmerken, die vaak te maken hebben met een gebrek aan zelfcontrole. Ook andere subdimensies, die de illusies en gebrek aan plezier beschrijven, toonden een gelijkaardig patroon maar leverden minder eenduidige resultaten. Globaal gezien zou dit kunnen betekenen dat schizotypische emotieperceptie inderdaad een negatievere blik inhoudt.

Dat dit effect groter zou zijn voor de zuiver neutrale gezichtsuitdrukkingen vonden we niet terug, wél dat gezichten van lagere intensiteiten moeilijker waren voor deze groep. De toegenomen moeilijkheidsgraad bij meer dubbelzinnige emotionele gezichten zagen we ook terug in de reacties op gezichten die verrassing vertonen, aangezien verrassing zowel positief als negatief geïnterpreteerd kan worden. Deze resultaten wijzen ons erop dat we niet enkel behoedzaam moeten zijn voor de effecten van hevige emotionele situaties maar evenzeer voor de minder opvallende, meer subtiele emotionele signalen die dagdagelijks een negatieve invloed kunnen hebben.

Over het algemeen konden onze bevindingen de noradrenaline-hypothese van schizotypie niet onderbouwen, ondanks dat we wel de betrokkenheid van noradrenaline in de verwerking van emoties konden ondersteunen. De pupilreacties verschilden niet op basis van de hoeveelheid schizotypische kenmerken, maar verschilden wel tussen meer en minder emotionele gezichtsuitdrukkingen. Dit verdient een kanttekening, want het meten van de oogpupillen was niet altijd even evident – als je je bedenkt dat er op alle momenten waarop er geknipperd wordt data verloren gaat, kan je je wel voorstellen dat het analyseren van deze gegevens ingewikkeld wordt.

Stappen voor de toekomst

Voor toekomstige studies zou een grotere groep met meer variatie in schizotypische kenmerken meer duidelijke en betrouwbare resultaten kunnen leveren. Toch kunnen deze bevindingen een eerste indicatie zijn van mogelijke relaties tussen schizotypie, noradrenaline en emotieverwerking, die in verder onderzoek uitgewerkt kunnen worden. Belangrijk blijft om stil te staan bij de sociale ervaringen van deze groep. Zonder begrip is het onmogelijk om te proberen vermijden dat dromende medepassagiers inspiratie bieden voor nachtmerries bij anderen. Wetenschappelijk begrip is al een eerste stap.

Referenties:

  • Abbott, G. R., & Green, M. J. (2013). Facial affect recognition and schizotypal personality characteristics. Early Intervention in Psychiatry, 7, 58-63. doi: 10.1111/j.1751-7893.2012.00346.x
  • Aguirre, F., Sergi, M. J., & Levy, C. A. (2008). Emotional intelligence and social functioning in persons with schizotypy. Schizophrenia Research, 104, 255-264.doi: 10.1016/j.schres.2008.05.007
  • Aston-Jones, G., & Cohen, J. D. (2005). An Integrative Theory of Locus Coeruleus-Norepinephrine Function: Adaptive Gain and Optimal Performance. Annual Review of Neuroscience, 28, 403-450. doi: 10.1146/annurev.neuro.28.061604.135709
  • Brown, L. A., & Cohen, A. S. (2010). Facial emotion recognition in schizotypy: The role of accuracy and social cognitive bias. Journal of the International Neuropsychological Society, 16, 474-483. doi: 10.1017/S135561771000007X
  • Claridge, G. (1996). Origins of Mental Illness: Temperament, Deviance and Disorder. European Journal of Personality, 2(2), 169-170.
  • Eack, S., Mermon, D. E., Montrose, D. M., Miewald, J., Gur, R. E., Gur, R. C., Sweeney, J. A., & Keshavan, M. S. (2010). Social Cognition Deficits Among Individuals at Familial High Risk for Schizophrenia. Schizophrenia Bulletin, 36(6), 1081-1088. doi: 10.1093/schbul/sbp026
  • Gabay, S., Pertzov, Y., & Henik, A. (2011). Orienting of attention, pupil size, and the norepinephrine system. Attention, Perception, & Psychophysics, 73(1), 123-129. doi: 10.3758/s13414-010-0015-4
  • Germine, L. T., & Hooker, C. I. (2011). Face emotion recognition is related to individual differences in psychosis-proneness. Psychological Medicine, 41, 937-947. doi: 10.1017/S00332917100001571
  • Hartman, E. (1976). Schizophrenia: A Theory. Psychopharmacology, 49, 1-15. doi: 10.1007/BF0042746
  • Hornykiewicz, O. (1982). Brain catecholamines in schizophrenia – a good case for noradrenaline. Nature, 299, 484-486. doi: 10.1038/299484a0
  • Hornykiewicz, O. (1986). Brain Noradrenaline and Schizophrenia. Progress in Brain Research, 65, 29039. doi: 10.1016/S0079-6123(08)60639-1
  • Koss, M. C. (1986). Pupillary dilation as an index of central nervous system a2- adrenoceptor activation. Journal of Pharmacological Methods, 15(1), 1-19. doi: 10.1016/0160-5402(86)90002-1
  • Lenzenweger, M. F. (2018). Schizotypy, schizotypic psychopathology and schizophrenia. World Psychiatry, 17(1), 25-26. doi:10.1002/wps.20479
  • Morrison, S. C., Brown, L. A., & Cohen, A. S. (2013). A multidimensional assessment of social cognition in psychometrically defined schizotypy. Psychiatry Research, 210, 1014-1019. doi: 10.1016/j.psych.res.2013.08.020
  • Rado, S. (1953). Dynamics and classification of disordered behaviour. American Journal of Psychiatry, 110, 406-416. doi: 10.1037/0021-843X.101.3.567
  • Rosell, D. R., Futterman, S. E., McMaster, A., & Siever, L. J. (2014). Schizotypal Personality Disorder: A Current Review. Current Psychiatry Reports, 16(7), 452. doi: 10.1007/s11920-014-0452-1.
  • Statucka, M., & Walder, D. J. (2017). Facial affect recognition and social functioning among individuals with varying degrees of schizotypy. Psychiatry Research, 256, 180-187. doi: 10.1016/j.psychres.2017.06.040
  • Van Os, J., Hanssen, M., Bijl, R. V., & Ravelli, A. (2000). Strauss (1969) revisited: a psychosis continuum in the general population? Schizophrenia Research, 45, 11-20. doi: 10.1016/S0920-9964(99)00224-8
  • Williams, B. T., Henry, J. D., & Green, M. J. (2007). Facial affect recognition and schizotypy. Early Intervention in Psychiatry, 1, 177-182. doi: 10.1111/j.1751-7893.2007.00023.x
  • Yamamoto, K., & Hornykiewicz, O. (2004). Proposal for a noradrenaline hypothesis of schizophrenia. Progress in Neuro-Psychopharmacology & Biological Psychiatry, 28, 913-922. doi: 10.1016/j.pnpbp2004.05.033
  • Yamamoto, K., Shinba, T., & Mitsunobu, Y. (2014). Psychiatric symptoms of noradrenergic dysfunction: A pathophysiological view. Psychiatry and Clinical Neurosciences, 68, 1-20. doi: 10.1111/pcn.12126