Browse Category: Klinische psychologie

Een ouder verliezen als adolescent: hoe jongeren rouw verwoorden

In elke klasgroep van twintig leerlingen zit er gemiddeld één wiens moeder of vader niet meer leeft. Het verlies van een ouder is een van de meest ingrijpende ervaringen die een jongere kan meemaken, en toch blijft het in onze samenleving vaak onuitgesproken. Juist in de adolescentiefase, een periode die al gekenmerkt wordt door zoeken naar identiteit, toenemende zelfstandigheid en vragen rond relaties en seksualiteit, kan zo’n verlies extra hard aankomen. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat het overlijden van een ouder verstrekkende gevolgen heeft voor de identiteitsontwikkeling, sociale relaties en het mentale welzijn van adolescenten (Guzzo & Gobbi, 2023).

Welke thema’s keren terug wanneer jongeren over dat verlies praten? En hoe gaan ze ermee om? Om deze vragen te beantwoorden analyseerde ik in het kader van mijn masterproef 37 chatconversaties tussen adolescenten (10-19 jaar) en chatbeantwoorders van Awel, een Vlaamse hulplijn voor kinderen en jongeren van zes tot en met vijfentwintig jaar, allemaal rond het thema van het verlies van een ouder. In die anonieme gesprekken verwoorden jongeren hun rouw op een spontane, ongefilterde manier.

Innerlijke beleving: wie ben ik nog zonder jou?

Een terugkerend thema in de gesprekken is de manier waarop adolescenten het verlies innerlijk beleven. Het merendeel beschrijft een duidelijk breukmoment: een leven voor en een leven na het overlijden van de ouder, met voelbare gevolgen voor identiteitsbeleving en toekomstperspectief. Een adolescent wiens vader twee jaar eerder plots overleed, verwoordt het als volgt: “Sinds mijn vader is overleden, weet ik niet meer wie ik ben.” Veel adolescenten geven ook aan dat ze regelmatig, en vaak tegen hun wil, denken aan of dromen over de overleden ouder. Die gedachten en dromen installeren tijdelijk de hoop dat de ouder nog bestaat, maar confronteren hen des te harder met de realiteit van de afwezigheid zodra ze ophouden. Dat besef maakt jongeren verdrietig, kwaad en angstig voor een toekomst zonder die ouder.

Omgeving: aanwezig, maar niet altijd begripvol

Naast die innerlijke beleving uiten adolescenten ook het gevoel niet begrepen te worden door mensen in hun omgeving. In een aanzienlijk deel van de gesprekken is sprake van een gespannen thuissituatie: ruzies met de nabestaande ouder, het gevoel dat hun inspanningen onvoldoende worden erkend of schrik dat een nieuwe partner de plaats van de overledene inneemt. Een jongere verwoordt dit als volgt: “Er werd bijna niets gezegd als het alleen mijn vader en ik waren. Totdat zijn vriendin kwam. Toen veranderde alles, en ik moet daar nu mee omgaan en het accepteren.” Ook buiten de thuisomgeving loopt het soms mis: vrienden kunnen een luisterend oor bieden, maar schieten tekort als het gaat om praktische of emotionele ondersteuning. Welbedoelde adviezen en schroom om over het verlies te praten versterken dat gevoel van onbegrip.

Omgaan met verlies: tussen toenadering en terugtrekking

Hoe gaan adolescenten dan om met dat verlies? Opvallend is dat ze spontaan lijken te alterneren tussen toenadering zoeken en afstand nemen, een ambivalentie die ze zelf ook herkennen. Een adolescent beschrijft het als volgt: “Soms begrijp ik mezelf niet. Aan de ene kant wil ik alleen zijn, maar aan de andere kant voel ik me dan zo ontzettend eenzaam.” Daarnaast zoeken jongeren actief naar manieren om innerlijke spanning draaglijker te maken: via spanningsontlading (wenen, bewegen, soms ook zelfverwonding), via afleiding (muziek, televisie, schoolwerk) of via creatieve expressie (tekenen, schrijven). Op langere termijn werken ze gradueel aan heroriëntatie, het zoeken naar nieuwe betekenis en het integreren van het verlies in hun eigen levensverhaal.

Wat helpt: rust, autonomie en oprecht contact

Wat kan adolescenten helpen bij het verwerken van zo’n verlies? Doorheen de gesprekken klinkt één nood bijzonder luid: rust en autonomie. Jongeren willen zelf kunnen kiezen óf, wanneer en met wie ze over het verlies praten. Ze voelen zich het meest op hun gemak bij kanalen waar communicatie anoniem verloopt en vertrouwelijk wordt behandeld. Het is dan ook niet verrassend dat steeds meer jongeren de weg vinden naar online chatkanalen: in 2025 vonden via de JAC Chat 5.090 dialogen plaats, en via de chat van Awel 4.016 gesprekken. Bij lange wachtlijsten en hoge kosten in de traditionele zorg bieden die kanalen een laagdrempelig alternatief dat nauw aansluit bij de leefwereld van adolescenten. Wanneer jongeren wél de stap zetten om te praten, is oprecht menselijk contact cruciaal, samen met ondersteuning die is afgestemd op hun specifieke behoeften, of die nu praktisch of emotioneel van aard zijn.

Dat brengt ons terug bij de leerling die stil aan zijn of haar bank zit, in die klasgroep van twintig. Niet elk verlies is zichtbaar. Maar wie de ruimte krijgt om het te benoemen, draagt het net iets lichter.

Referentie

Guzzo, M., & Gobbi, G. (2023). Parental death during adolescence: A review of the literature. Omega, 87(4), 1207–1237. https://doi.org/10.1177/00302228211033661

Over de auteur

Thibault Souffree is masterstudent klinische psychologie aan de Universiteit Gent.

 

Kun je je brein trainen om een depressie op afstand te houden?

Je hebt een depressie doorgemaakt. Na een moeilijke periode gaat het eindelijk beter. De sombere gedachten zijn naar de achtergrond verdwenen en het dagelijks leven krijgt opnieuw wat kleur. Maar helemaal gerust ben je misschien niet. Want wat als de depressie terugkomt? Herval is helaas geen zeldzaamheid bij depressie. Vandaar wordt er niet alleen gezocht naar manieren om een depressie te behandelen, maar ook naar manieren om een nieuwe episode te voorkomen. Een opvallende mogelijkheid is om niet alleen de klachten zelf aan te pakken, maar ook het brein te trainen. Een van de processen die daarbij een rol kunnen spelen, is cognitieve controle. Meer specifiek is dit het vermogen om je aandacht en gedachten te sturen, bijvoorbeeld wanneer negatieve gedachten zich opdringen. Bij depressie kan het moeilijker zijn om los te komen van negatieve informatie of gedachten. Misschien kunnen we die controle dus versterken door ze gericht te oefenen.

Maar werkt dat ook?

Een training voor het brein

Om die vraag te onderzoeken, keek ik in mijn masterproef naar een vorm van cognitieve controletraining: de adaptive Paced Auditory Serial Addition Task, kortweg aPASAT. Tijdens deze computertaak krijgen deelnemers voortdurend cijfers te horen en moeten ze die op een bepaalde manier bij elkaar optellen. De moeilijkheidsgraad wordt aangepast aan hun prestaties, waardoor ze voortdurend worden uitgedaagd. De bedoeling is niet om mensen beter te leren rekenen. De taak is een manier om cognitieve controle te oefenen: aandacht vasthouden, informatie verwerken en blijven reageren terwijl de taak steeds veeleisender wordt.

Voor mijn onderzoek volgde ik zes mensen die een depressieve episode hadden doorgemaakt en op dat moment in remissie waren. Zij kregen gedurende twee weken de cognitieve training. Hun depressieve symptomen werden niet alleen voor en na de training gemeten, maar dagelijks opgevolgd. Zo konden we grondig bekijken wat er gebeurde vóór, tijdens én nadat de training was afgelopen. En precies daar werd het interessant.

Niet iedereen reageert hetzelfde

Als de training werkt zoals gehoopt, zou je verwachten dat depressieve symptomen tijdens de interventie geleidelijk afnemen. Dat gebeurde niet op dezelfde manier bij iedereen. Bij twee deelnemers daalden de depressieve symptomen al significant tijdens de trainingsfase zelf. Bij anderen zagen we iets opvallends: hun symptomen bleven tijdens de training vrij stabiel, maar daalden pas duidelijk nadat de training was afgelopen, tijdens de daaropvolgende opvolgperiode.

Bij de overige deelnemers zagen we geen duidelijk positief effect, of was er tijdelijk zelfs een toename van depressieve symptomen. De resultaten vertellen dus geen eenvoudig verhaal van training = minder depressieve klachten. Ze wijzen eerder op iets ingewikkelders, namelijk dat het mogelijke effect van cognitieve controletraining sterk lijkt te verschillen van persoon tot persoon, en dat dit zich pas later bij sommige mensen zou kunnen tonen.

Dat laatste is interessant, want het betekent dat het misschien niet altijd voldoende is om alleen te kijken naar wat er tijdens een behandeling gebeurt. Een behandeling die op het eerste gezicht weinig lijkt te doen, hoeft daarom niet noodzakelijk volledig ineffectief te zijn. Tegelijk kunnen we op basis van deze studie niet besluiten dat de training daadwerkelijk een vertraagd effect veroorzaakt. Daarvoor was de groep deelnemers te klein en was de opvolgperiode te kort.

Waarom werkt het bij de ene persoon wel en bij de andere niet?

Een volgende vraag is dan natuurlijk: voor wie werkt zo’n training eigenlijk? In mijn onderzoek leken deelnemers die bij de start meer depressieve symptomen rapporteerden vaker een merkbaar effect te vertonen. Dat sluit aan bij eerder onderzoek waaruit blijkt dat cognitieve controletraining mogelijk vooral nuttig kan zijn voor mensen bij wie cognitieve problemen sterker aanwezig zijn, wat overigens typerend is voor hoogrisicogroepen. Misschien ligt de toekomst van dit soort behandelingen dan ook niet in één training die voor iedereen hetzelfde werkt. Misschien moeten we juist beter leren voorspellen wie baat heeft bij cognitieve training, wanneer die het best wordt aangeboden en hoe lang het effect aanhoudt. Dat is des te belangrijker wanneer het doel niet alleen is om een depressie te behandelen, maar om een volgende depressieve episode te voorkomen.

Het brein trainen: veelbelovend, maar geen wondermiddel

Mijn onderzoek levert dus geen bewijs dat je met twee weken cognitieve training een depressie op afstand kunt houden. Daarvoor waren de resultaten te wisselend. Wel laat de studie zien waarom het interessant is om verder te kijken naar cognitieve training als mogelijke aanvulling in de hervalpreventie. De training is relatief laagdrempelig, digitaal en zo ook rendabel. Eerder onderzoek naar cognitieve controletraining wijst bovendien op mogelijke klinische meerwaarde. Toch blijft er nog veel onduidelijk: waarom reageert de ene persoon wel en de andere niet? Waarom toont een effect zich soms pas later? En wat gebeurt er wanneer de training stopt? Misschien is de belangrijkste les daarom niet dat we ons brein simpelweg kunnen trainen tegen depressie. Het is dat psychologische behandelingen niet noodzakelijk voor iedereen op dezelfde manier of op hetzelfde moment werken. De volgende stap is dan ook niet alleen onderzoeken óf we ons brein kunnen trainen om een depressie op afstand te houden, maar vooral voor wie, wanneer en hoe we dat het best kunnen doen.

Auteur

Caro Bruynen is masterstudente Klinische (Neuro)psychologie aan de Universiteit Gent (academiejaar 2025-2026). Dit artikel is gebaseerd op haar masterproef, begeleid door prof. dr. Ernst Koster en David Demeester. Met dit artikel won ze de Mensenkennis-trofee, een prijs ter bevordering van wetenschapspopularisering in de opleiding psychologie aan de UGent.

Referenties

Demeester, D., Zwalmen, Y. V., Baeken, C., Verhaeghe, N., Hoorelbeke, K., & Koster, E. H. (2025). Towards Targeted Prevention of Depression: A Phase II Trial on just-in-time Application of Cognitive Control Training with Booster Sessions. Journal Of Cognitive Enhancement, 9(4), 423–438. https://doi.org/10.1007/s41465-025-00339-z

Hoorelbeke, K., & Koster, E. H. W. (2017). Internet-delivered cognitive control training as a preventive intervention for remitted depressed patients: Evidence from a double-blind randomized controlled trial study. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 85(2), 135–146. https://doi.org/10.1037/ccp0000128

Hoorelbeke, K., Van den Bergh, N., De Raedt, R., Wichers, M., Albers, C. J., & Koster, E. H. W. (2023). Regaining control of your emotions? Investigating the mechanisms underlying effects of cognitive control training for remitted depressed patients. Emotion, 23(1), 194–213. https://doi.org/10.1037/emo0001067

Tsapekos, D., Kalfas, M., Schandorff, J. M., del Mar Bonnin, C., Bowie, C. R., Balanzá Martínez, V., Burdick, K. E., Carvalho, A. F., Dols, A., Douglas, K., Gallagher, P., Hasler, G., Kessing, L. V., Kjærstad, H. L., Lafer, B., Lewandowski, K. E., López Jaramillo, C., Martinez‐Aran, A., McIntyre, R. S., . . . Miskowiak, K. W. (2026). Predicting response to pro‐cognitive interventions in mood disorders: A systematic review by the International Society for Bipolar Disorders Targeting Cognition Task Force. Acta Psychiatrica Scandinavica, 153(5), 374-401. https://doi.org/10.1111/acps.70038

Vandaele, E. (2025). De invloed van boostersessies op de effectiviteit van een cognitieve controletraining bij voorheen depressieve personen: Training aangeboden op kritieke momenten (Masterproef). Universiteit Gent.

Vander Zwalmen, Y. V., Demeester, D., Hoorelbeke, K., Verhaeghe, N., Baeken, C., & Koster, E. H. W. (2025). The more, the merrier? Establishing a dose–response relationship for the effects of cognitive control training on depressive symptomatology. Journal Of Consulting And Clinical Psychology, 93(3), 161–175. https://doi.org/10.1037/ccp0000945

Vander Zwalmen, Y. V., Hoorelbeke, K., Liebaert, E., De Mévergnies, C. N., & Koster, E. H. W. (2022). Cognitive remediation for depression vulnerability: Current challenges and new directions. Frontiers in Psychology, 13, 903446. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2022.903446

Vander Zwalmen, Y. V., Koster, E. H., Demeester, D., Baeken, C., Verhaeghe, N., & Hoorelbeke, K. (2025). Predicting preventative effects of cognitive control training in remitted depressed individuals: A machine learning approach. Journal Of Affective Disorders Reports, 20, 100894. https://doi.org/10.1016/j.jadr.2025.100894

Vander Zwalmen, Y. V., Liebaert, E., Hoorelbeke, K., De Mévergnies, C. N., Baeken, C., Verhaeghe, N., & Koster, E. H. W. (2023). Treatment response following adaptive PASAT training for depression vulnerability: A systematic review and meta-analysis. Neuropsychology Review, 34(1), 232–249. https://doi.org/10.1007/s11065-023-09581-8

 

AI in therapie: tussen belofte en menselijke grens

Wie vandaag met jongeren praat, merkt het snel: chatbots en AI-tools zijn deel van hun dagelijkse leven. Ze ondersteunen hun schoolwerk, zoekopdrachten en worden steeds vaker ingezet als gesprekspartner in vragen over stress, eenzaamheid of sombere gedachten. Volgens de IMEC Digimeter gebruikt al 68% van de Vlaamse jongeren generatieve AI [2] en internationaal zien we dat jongeren chatbots actief inzetten om over hun mentaal welzijn te praten [4]. Zonder dat we het goed beseffen, nemen we deel aan een grootschalig sociaal experiment. Maar wat gebeurt er als technologie een plaats krijgt in onze meest kwetsbare, menselijke momenten?


Wat leren we uit onderzoek naar AI in therapie?

In Zweden wordt met projecten zoals Steps-AI en CHAI (Cognitive–Human AI Interventions) onderzocht of AI-therapeuten principes uit de cognitieve gedragstherapie kunnen toepassen bij sociale angststoornissen. AI blijkt goed in het structureren van oefeningen en het consequent toepassen van protocollen, maar schiet tekort op empathie en moreel inzicht [5, 8]. De meest indrukwekkende resultaten komen voorlopig van een gerandomiseerde studie waarbij de inzet van “Therabot” leidde tot een daling van symptomen bij depressie, angst en eetstoornissen [3]. Veelbelovend maar met kanttekeningen: cliënten met ernstige problematiek werden uitgesloten en alle AI-berichten werden achteraf nagekeken door klinische experten.

Ook de samenwerking tussen mens en AI werd onderzocht [7]. Die combinatie leidde tot bijna 20% meer empathische gesprekken dan tussen mensen alleen. De onderzoekers pleiten er daarom voor om AI te gebruiken als ondersteunend hulpmiddel, niet als vervanging van menselijke zorg.

Wat AI wel en niet is

Om te weten wat wenselijk is in therapie, moeten we goed begrijpen wat AI eigenlijk is en vooral wat het niet is. AI herkent patronen in gegevens en voorspelt taal of beslissingen op basis daarvan. Maar het begrijpt niet wat het zegt, voelt niets en heeft geen bewustzijn. Het simuleert betekenis maar ervaart die niet. Deze beperking heeft belangrijke implicaties. AI kan stigma en stereotypes reproduceren die aanwezig zijn in haar trainingsdata. Onderzoekers toonden aan dat AI-modellen stigmatiserende houdingen kunnen vertonen tegenover mensen met depressie, schizofrenie en alcoholafhankelijkheid [6]. Dit staat haaks op de kern van therapie: een veilige, niet-oordelende ruimte.

Bovendien worden AI-systemen zo ontworpen dat ze beleefd, behulpzaam en positief communiceren. Dat zorgt voor een vriendelijke, veilige toon, maar leidt ook tot sycophancy: het systematisch bevestigen van de gebruiker zelfs wanneer diens ideeën problematisch zijn. In crisissituaties kan dit gevaarlijk worden. Zo groeit de lijst van incidenten waarbij een AI-model suïcidale ideaties net versterkt, met zelfdoding als gevolg.


Van mogelijkheid naar wenselijkheid

Daarmee komen we bij de vraag: welke plaats willen we AI geven in therapie? Techno-optimisten zien technologie als een bron van kansen. Ze geloven dat vooruitgang soms verder moet gaan dan wat mensen zich kunnen voorstellen. Anderen, de utilitaristen, vinden dat we technologie moeten beoordelen op haar gevolgen voor menselijk welzijn en rechtvaardigheid. Niet alles wat technisch mogelijk is, is daarom wenselijk.

Dus, stel dat AI een empathische reactie kan naspelen — willen we dat dan? Zelfs als AI in de toekomst nog beter wordt in het imiteren van empathie, blijft het een simulatie zonder echte betrokkenheid. De recente PANO-reportage, waarin een AI-versie van Dirk De Wachter werd nagebootst, riep veel discussie op [10]. KU Leuven-onderzoekers pleitten er zelfs voor om menselijk contact als een basisrecht te erkennen [1, 11]. Zorg van mens tot mens is volgens hen een fundamentele menselijke behoefte die we moeten beschermen tegen te veel robotisering.

Technologie op mensenmaat

De vraag is dus niet of technologie een plaats heeft in therapie, maar welke plaats wenselijk is. AI kan bijvoorbeeld helpen bij de training van hulpverleners, bij het oefenen van gespreksvaardigheden of therapeuten ondersteunen bij reflectie. Zo verbeteren we de zorg zonder het menselijke aspect te verliezen.

Sommige onderzoekers benadrukken dan ook dat de invoering van AI in de geestelijke gezondheidszorg transparant dient te gebeuren: met duidelijke uitleg over hoe algoritmes werken, wie verantwoordelijk is, en met evaluaties van de effecten op lange termijn [9].

AI in therapie blijft een hulpmiddel zonder begrip, empathie of moreel besef. De echte waarde van AI ligt daarom niet in het vervangen van zorgverleners, maar in het verbeteren van de omstandigheden waarin zorg kan plaatsvinden. Alleen dan kunnen we spreken van technologie op mensenmaat.

Auteurs
Elia Wyverkens is onderzoekscoördinator van de onderzoeksgroep Mensenmaat aan Howest, en behaalde haar doctoraat aan de afdeling Experimentele-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Ze coördineert projecten op drie brede onderzoekslijnen: welzijnsbevordering, inclusie en organisatie-ontwikkeling. Ze was reeds betrokken in projecten rond het inzetten van (digitale) tools in de hulpverlening en het ontwikkelen van AI-ondersteunde gespreksvaardigheidstraining.


Ruben Decoster behaalde zijn master in organisatiepsychologie en werkt als onderzoeker bij Mensenmaat Howest. Zijn onderzoek focust op sociaal-emotionele vaardigheden, blended leren en digitale technologieën zoals generatieve AI.


Kelly Geryl behaalde haar Master in de Pedagogische wetenschappen en is als docente en onderzoeker verbonden aan Howest. Binnen Mensenmaat droeg zij als projectmedewerker reeds bij aan projecten rond sociaal-emotionele vaardigheden, AI-ondersteunde gespreksvaardigheidstraining, alsook projecten rond beroepsgeheim en deontologisch werken.

Referenties

  1. Denier, Y., De Schutter, J., De Wachter, D., Gastmans, C., Geenens, R., Lauwaert, L., Royer, S., Vandemeulebroucke, T., & Vereycken, Y. (2025, 30 oktober). Robotisering en het recht op echt menselijk contact (Positiepaper Ethics@KU Leuven). KU Leuven. Geraadpleegd op 5 november 2025, via https://www.kuleuven.be/ethics-kuleuven/nl/bestanden-positiepapers/positiepaper-robotisering.pdf
  2. De Marez, L., Georges, A., Sevenhant, R. & Devos, E. (2025). Imec.digimeter.2024. Digitale trends in Vlaanderen. Imec.
  3. Heinz, M. V., Mackin, D. M., Trudeau, B. M., Bhattacharya, S., Wang, Y., Banta, H. A., Jewett, A. D., Salzhauer, A. J., Griffin, T. Z., & Jacobson, N. C. (2025). Randomized trial of a generative AI chatbot for mental health treatment. NEJM AI, 2(4), AIoa2400802. https://doi.org/10.1056/AIoa2400802
  4. Internet Matters. (2025, juli 1). Me, Myself & AI: Understanding and safeguarding children’s use of AI chatbots [Onderzoeksrapport]. Geraadpleegd op 5 november 2025, via: https://www.internetmatters.org/hub/research/me-myself-and-ai-chatbot-research
  5. Johansson, M., & Andersson, G. (2024). Steps-AI: Evaluating AI-supported psychotherapy for social anxiety. Karolinska Digital Mental Health Reports, 1(2), 33–45.
  6. Moore, J., Grabb, D., Agnew, W., Klyman, K., Chancellor, S., Ong, D. C., & Haber, N. (2025). Expressing stigma and inappropriate responses prevents LLMs from safely replacing mental health providers (arXiv:2504.18412). arXiv. https://arxiv.org/abs/2504.18412
  7. Sharma, A., et al. (2023). Human-AI collaboration enables more empathic conversations in text-based peer-to-peer mental health support. Nature Machine Intelligence, 5(6), 534–545.
  8. Stockholm University. (2024). The CHAI Study: Human and AI feedback in the treatment of social anxiety. Stockholm University Research Projects.
  9. Svensson, E., Osika, W., & Carlbring, P. (2025). Commentary: Trustworthy and ethical AI in digital mental healthcare – wishful thinking or tangible goal? Internet Interventions, advance online publication. https://doi.org/10.1016/j.invent.2025.100844
  10. VRT NWS. (2025, 28 oktober). Dirk De Wachter: Als AI-therapeut — zin en onzin AI-therapie. VRT.NWS. Geraadpleegd op 5 november 2025, via https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/10/28/dirk-de-wachter-als-ai-therapeut-zin-en-onzin-ai-therapie/
  11. VRT NWS. (2025, 30 oktober). Maak van menselijk contact een grondrecht: wetenschappers doen … VRT.NWS. Geraadpleegd op 5 november 2025, via https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/10/30/maak-van-menselijk-contact-een-grondrecht-wetenschappers-doen/
 

Sociale media en smartphones bannen of niet? Wat zegt onderzoek?

De invloed van sociale media en smartphones op ons welzijn is vandaag de dag een hot topic. Er wordt volop over gediscussieerd in talkshows, er worden artikels over geschreven in kranten en magazines en er wordt hevig over gedebatteerd in zowel het binnen- als buitenland. Hoewel er tot nu toe weinig overtuigend wetenschappelijk bewijs is voor de schadelijke impact ervan op ons welzijn, gaan er toch steeds meer stemmen op voor een verbod op deze technologieën. Maar is het verbieden van sociale media en smartphones echt haalbaar in een samenleving die steeds meer afhankelijk wordt van digitale media? Of is er vooral nood aan een meer genuanceerde aanpak, waarbij we jongeren op een verstandige manier leren omgaan met deze technologieën?


Ondanks dat sociale media en smartphones heel wat voordelen te bieden hebben, gaat het gebruik van deze technologieën ook vaak gepaard met nadelen. Vooral van dat laatste worden we ons als samenleving steeds meer bewust. In Australië werd er recent een wetsvoorstel goedgekeurd dat sociale media verbiedt voor kinderen en jongeren onder de 16 jaar (1). Ook dichter bij huis gaan er stemmen op om de minimumleeftijd voor sociale media op te trekken (2). Heel wat wetenschappers lijken zich toch wel wat vragen te stellen bij deze keuze. Er is geen consensus binnen het onderzoek over een negatief noch positief effect van sociale media op welzijn, en al zeker niet over een effect dat stabiel is voor alle jongeren. Het volledig verbieden van sociale media voor kinderen en jongeren in een maatschappij die sterk afhankelijk is van technologie kan bovendien onbedoelde negatieve gevolgen hebben. Zo sluit het kinderen en jongeren niet alleen uit van de voordelen van deze platformen te genieten, maar ontneemt het hen ook de kans om op een verantwoorde manier om te leren gaan met sociale media (3,4).
Los van een verbod op sociale media zijn er mensen die vrijwillig kiezen om tijdelijk geen sociale media te gebruiken om zo hun welzijn te verbeteren. We hebben onlangs onderzoek gedaan naar wat een korte pauze van sociale media met je doet. We verzamelden alle beschikbare studies over zogenaamde “social media detoxes” en analyseerden ze samen. Wat bleek? Zo’n tijdelijke pauze – meestal van ongeveer een week – had geen merkbaar effect op hoe goed mensen zich voelden, hoeveel negatieve emoties ze ervoeren en hoe tevreden ze waren met hun leven (5). Het (tijdelijk) verbieden van sociale media, of het nu gedwongen of vrijwillig is, lijkt dus geen effectieve manier te zijn om ons te wapenen tegen de schadelijke gevolgen ervan.


Wat met het smartphoneverbod op scholen?
In Vlaanderen kondigde kersvers Minister van Onderwijs Zuhal Demir onlangs een totaalverbod op smartphones aan (d.w.z., zowel tijdens als buiten de lessen) voor leerlingen uit het lager onderwijs en de eerste en tweede graad van het secundair onderwijs als middel om de “concentratie, schoolresultaten en welbevinden van de leerlingen te verbeteren” (6). Als het om concentratie gaat, zijn zowel wetenschappers als leerlingen het eens dat het gebruik van smartphones tijdens de lessen het concentratievermogen van leerlingen kan verstoren (7,8). Of een totaalverbod ook daadwerkelijk het welzijn van leerlingen verbetert, blijft echter een andere vraag. Een recente studie uit The Lancet bestudeerde dit en vond geen relatie tussen een totaal smartphoneverbod op scholen en leerlingen hun welzijn (9). Dit roept de vraag op of een totaalverbod wel de oplossing is die we nodig hebben en of een gedeeltelijk verbod op smartphones geen beter alternatief is? Bovendien blijkt dat de meeste leerlingen zelf niet achter een dergelijk totaalverbod staan, maar liever ondersteund willen worden in het leren omgaan met hun smartphone (7). Dit verzoek lijkt in onze huidige digitale samenleving dan ook steeds relevanter te worden.


Van verbod naar regulering en educatie
Dat er tot nu toe geen sterk bewijs is voor de negatieve invloed van smartphones en sociale media op mensen hun welzijn, betekent niet dat gebruikers geen problemen kunnen ervaren. Zo weten we uit onderzoek dat digitale media ervoor kunnen zorgen dat mensen moeite hebben om zich te concentreren, de tijd uit het oog verliezen, blootgesteld worden aan schadelijke inhouden en dat digitale media de grenzen tussen sociale contexten (zoals werk en privé) kunnen doen vervagen (10). Als we kinderen en jongeren – en bij uitbreiding mensen van alle leeftijden – willen helpen een gezonde relatie met deze technologieën te leren ontwikkelen, is een meer doordachte en genuanceerde aanpak nodig dan het simpelweg verbannen van smartphones en sociale media uit onze samenleving. Vooral overheden en instanties zoals de Europese Unie kunnen hierin een cruciale rol spelen.


Ten eerste klinkt er vanuit het maatschappelijk en wetenschappelijk veld een duidelijke oproep om technologiebedrijven strenger te gaan reguleren. Zo pleiten zowel onderzoekers als experts op het gebied van digitaal welzijn voor een strengere regelgeving die gebruikers van sociale media beter beschermt tegen schadelijke inhouden zoals onrealistische schoonheidsidealen, haatberichten en cyberbullying. Ook wordt vanuit deze kringen gepleit voor het aan banden leggen van het zogenaamde addictive design (i.e. designaspecten en algoritmes die er specifiek op gericht zijn om gebruikers zo lang mogelijk op een platform te houden). Een design dat geschikt is voor alle leeftijden en dat gebruikers meer controle biedt, zou een waardevol alternatief kunnen zijn (3,4,8,11).


Ten tweede is er ook een belangrijke ondersteunende en meer educatieve rol weggelegd voor overheden en organisaties zoals de Europese Unie. Zij kunnen individuen en sociale omgevingen – zoals gezinnen, scholen en bedrijven – helpen om de nodige kennis en vaardigheden te verwerven waarmee ze zichzelf, hun kinderen, leerlingen en werknemers beter kunnen leren navigeren in de digitale wereld (4,8).
Kortom, de huidige wetenschappelijke stand van zaken geeft weinig aanleiding om sociale media en smartphones aan te wijzen als dé reden voor een verminderd welzijn bij jongeren. Het verbieden van deze technologieën is dan ook een oplossing die noch duurzaam, noch wenselijk is. De problemen die kinderen en jongeren vandaag de dag ervaren wanneer ze smartphones en sociale media gebruiken, vereisen een meer genuanceerde en doordachte aanpak die gericht is op het veranderen van addictive designaspecten en het bevorderen van kennis en digitale vaardigheden. Aangezien digitaliseren eerder zal toenemen dan afnemen, is het dan ook essentieel om de komende generaties hierop doordacht voor te bereiden.

Auteurs

Laura Lemahieu is doctoraatsonderzoeker bij de onderzoeksgroep MIOS van de Universiteit Antwerpen. Ze werkt mee aan het Disconnect to Connect-project en onderzoekt in het kader van haar doctoraat hoe de smartphonegewoontes van mensen het hen moeilijk kunnen maken om zich los te koppelen van deze apparaten en welke impact dit heeft op hun welzijn.

dr. Marijn Martens is een postdoctoraal onderzoeker bij de imec-onderzoeksgroep voor Media, Innovatie en Communicatietechnologieën (imec-mict-UGent). Hij behaalde een bachelor in Secundair Onderwijs: Natuurkunde – Wiskunde (Artevelde Hogeschool, 2015), een master in Communicatiewetenschappen met een specialisatie in Nieuwe Media en Samenleving (Universiteit Gent, 2017), en een doctoraat in Communicatiewetenschappen (Universiteit Gent, 2023) over de perceptie en evaluatie van algoritmische systemen die helpen bij beslissingen vanuit het standpunt van leken.

Prof. dr. Ernst Koster is hoogleraar aan de afdeling Experimentele-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Hij is medeoprichter van het PANlab, een expertisecentrum voor cognitieve (neuro)wetenschap van affectieve stoornissen zoals depressie en angst, en onderzoekt cognitieve kwetsbaarheidsfactoren voor depressie en angst. Daarnaast heeft hij in dit verband de afgelopen jaren ook de effecten van het gebruik van sociale media en problematisch gamen als risicofactoren bestudeerd.

Referenties

  1. De Morgen. (28 november, 2024). Wereldprimeur in Australië: eerste verbod op sociale media voor kinderen onder 16 jaar goedgekeurd. Geraadpleegd op 10 april 2025, van https://www.demorgen.be/snelnieuws/wereldprimeur-in-australie-eerste-verbod-op-sociale-media-voor-kinderen-onder-16-jaar-goedgekeurd~b6c6e9ea/
  2. Nederlands Jeugdinstituut. (5 maart, 2025). Kamer wil minimumleeftijd voor sociale media. Geraadpleegd op 15 april 2025, van https://www.nji.nl/nieuws/kamer-wil-minimumleeftijd-sociale-media.
  3. Vandenbosch, L., Schreurs, L., Vanherle, R., Vanhoffelen, G., Beullens, K., Willems, T., Vandenabeele, J., & Michiels, R. (6 december, 2024). De zin en de onzin van het verbod op sociale media voor Australische adolescenten. Geraadpleegd op 10 april 2025, van https://www.kuleuven.be/child-youth/nl/blog/posts/socialemediaverbod
  4. Goodyear, V. A., James, C., Orben, A., Quennerstedt, M., Schwartz, G., & Pallan, M. (2025). Approaches to children’s smartphone and social media use must go beyond bans. BMJ, e082569. https://doi.org/10.1136/bmj-2024-082569
  5. Lemahieu, L., Vander Zwalmen, Y., Mennes, M., Koster, E. H. W., Vanden Abeele, M. M. P., & Poels, K. (2025). The effects of social media abstinence on affective well-being and life satisfaction: a systematic review and meta-analysis. Scientific Reports, 15, 1-14. https://doi.org/10.1038/s41598-025-90984-3
  6. Zuhal Demir. (20 december, 2024). Demir verbiedt smartphones in lager en middelbaar onderwijs: “Kwestie van gezond verstand”. Geraadpleegd op 10 april 2025, van https://www.zuhaldemir.be/nieuws/demir-verbiedt-smartphones-in-lager-en-middelbaar-onderwijs-kwestie-van-gezond-verstand
  7. Martens, M. (2 december, 2024). Waarom een algemeen smartphoneverbod op school geen goed idee is. De Morgen. Geraadpleegd op 10 april 2025, van https://www.demorgen.be/meningen/waarom-een-algemeen-smartphoneverbod-op-school-geen-goed-idee-is~b8d1c91b/
  8. Weiss, H. A., & Bonell, C. (2025). Smartphone use and mental health: Going beyond school restriction policies. The Lancet Regional Health – Europe, 51, 101237. https://doi.org/10.1016/j.lanepe.2025.101237
  9. Goodyear, V. A., Randhawa, A., Adab, P., Al-Janabi, H., Fenton, S., Jones, K., Michail, M., Morrison, B., Patterson, P., Quinlan, J., Sitch, A., Twardochleb, R., Wade, M., & Pallan, M. (2025). School phone policies and their association with mental wellbeing, phone use, and social media use (SMART Schools): A cross-sectional observational study. The Lancet Regional Health – Europe, 51. https://doi.org/10.1016/j.lanepe.2025.101211
  10. Vanden Abeele, M. M. P., Vandebosch, H., Koster, E. H. W., De Leyn, T., Van Gaeveren, K., de Segovia Vicente, D., Van Bruyssel, S., van Timmeren, T., De Marez, L., Poels, K., DeSmet, A., De Wever, B., Verbruggen, M., & Baillien, E. (2024). Why, how, when, and for whom does digital disconnection work? A process-based framework of digital disconnection. Communication Theory, 34(1), 3-17, https://doi.org/10.1093/ct/qtad016
  11. De Leyn, T., Verlinden, A., Lemahieu, L., Geldof, L., Mennes, M., Cocchi, A., Martens, M., & Abeele, M. V. (2024). Unburdening the (Dis)Connected Individual? A Digital Disconnection Policy Paradox in Flanders (Belgium). Media and Communication, 12. https://doi.org/10.17645/mac.8588
 

Samen Sterker: Familie als Sleutel in Geestelijke Gezondheidszorg

De Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) evolueert en zo ook de rol van familie en naasten (verder genoemd “familie”) binnen deze sector. De focus verschuift met mondjesmaat van het op afstand houden naar het meer betrekken van familie bij de zorgverlening. Maar waarom? Omdat het werkt én nodig is.

Cijfers leren ons dat familie driekwart van alle zorg voor naasten met een psychische kwetsbaarheid aanreikt. Zij spelen ook een onmisbare rol in het signaleren van de psychische problemen, sporen aan tot het zetten van stappen naar de professionele hulpverlening en ondersteunen bij de behandeling en herstel. Logischerwijs heeft dit ook zijn impact op de familie zelf: vaak geraken zij overbelast en uitgeput. Niet enkel de patiënt, maar ook de familieleden hebben nood aan een luisterend oor en de nodige ondersteuning.

Familie, een extra uitdaging of een belangrijke partner in zorg?

Familie kan niet meer enkel bekeken worden als een verre sociale context, maar eerder als een volwaardige partner binnen de zorg of de behandeling. Dit idee is het kernprincipe van de trialoog (zie Fig 1) en staat centraal in de recente multidisciplinaire richtlijn rond het betrekken van naasten binnen de GGZ.

Toch is dit in de dagdagelijkse praktijk vaak (nog) niet het geval. Wanneer een patiënt in begeleiding of behandeling is, is de focus vaak uitsluitend op dit individu gericht. Familie deel maken van de behandeling voelt voor zorgverleners nog te vaak aan als een extra taak waar geen tijd, ruimte of kennis voor is; het lijkt een weinig “lonende” investering want de meerwaarde van familie in het herstelproces van de patiënt wordt vaak onderschat. Verder bestaat er veel onduidelijkheid over welke familie men mag betrekken bij de hulpverlening, hoe dit dan best gebeurt en wat het beroepsgeheim al dan niet toelaat. Deze onduidelijkheid zorgt voor handelingsverlegenheid – hulpverleners durven familie niet zomaar te betrekken uit angst om fouten te maken. De aandacht voor familie en het betrekken ervan bij de hulpverlening blijkt bijgevolg sterk afhankelijk te zijn van de zorgorganisatie, de afdeling en de individuele hulpverlener, waarbij de therapeutische achtergrond een belangrijke rol speelt.

Nochtans, familie is een constante in het leven en zorgtraject van de patiënt en vormt een waardevolle bron van informatie voor de hulpverleners. Daarnaast verkleint het betrekken van familie de kans op herval en gedwongen maatregelen, vermindert het de tijd die nodig is voor behandeling én vergoot het de kans op herstel voor de patiënt. Tenslotte kan het betrekken van familie voorkomen dat zij zelf een eigen gezondheidsnood of -problematiek ontwikkelen en doorbreekt het de eenzaamheid van mantelzorgers. Het is een win-win voor zowel de patiënt, familie als hulpverlener.

Hoe bouwen aan een familievriendelijke zorg?

Als we weten, uit verhalen van familie én wetenschappelijk onderzoek, hoe belangrijk het is om familie te betrekken binnen het zorgtraject van de patiënt, hoe kunnen we hier als individuele hulpverlener (of organisatie) een verschil in maken? Familieplatform schuift vier pijler naar voor die essentieel zijn in het ontwikkelen van een familievriendelijk beleid.

Pijler 1 – bejegenen: ‘Voel je je welkom binnen de zorg?’

“Op zondagavond breng ik mijn kind terug naar de zorginstelling. Ik voel me precies een taxichauffeur. Ik zet hem af aan de deur en hij zwaait nog even terug. Aanvankelijk ging ik mee binnen, maar er was geen onthaal, geen communicatie – niemand checkte even in bij ons hoe het weekend was verlopen.”

Bejegenen gaat over de omgang van hulpverleners met familie en het familievriendelijk klimaat in een organisatie. Na een lange en vaak intense periode van zorg bieden, geef je als familielid de zorg (gedeeltelijk) uit handen. De relatie, bezorgdheid en betrokkenheid stopt uiteraard niet aan de deur van de organisatie. Een warm onthaal, een vriendelijke goeiemorgen en misschien zelfs een kopje koffie tijdens het bezoek, toegankelijkheid en aanspreekbaarheid van de hulpverleners, een aangename wachtruimte (ook voor kinderen en tieners), …

Pijler 2 – informeren: “Ben je op de hoogte, niet enkel om te begrijpen maar ook om te kunnen helpen?”

“Als ik thuis zit, dan is een deel van mijn gedachten sowieso bij mijn partner. Ik wil de telefoon kunnen nemen en vragen “Heeft mijn man goed geslapen? Hoe voelt hij zich vandaag?”, maar vaak hoor ik het excuus dat er nu geen tijd is om mij te woord te staan en dat ze later zullen terugbellen.”

Wil men dat familie een gelijkwaardige partner is binnen de zorg, dan is het noodzakelijk dat zij voldoende geïnformeerd worden. Uiteraard wil je als familie op de hoogte zijn van de algemene gang van zaken, de huidige toestand, de behandelingen, … en dit niet éénmalig bij het begin of einde, maar op een continue manier doorheen het traject. Hulpverleners botsen hierbij weleens op het beroepsgeheim. Echter, het luisteren naar de impact op of noden van familie en het bieden van algemene informatie vormt nooit een probleem.

Pijler 3 – ondersteunen: “Voel je je gehoord en gedragen?”

“Eigenlijk neem je als familielid heel veel stukken op. Je bent zus, mantelzorger, maar ook woordvoerder. Dat is heel vermoeiend. Vooral omdat het GGZ- landschap zo verwarrend en niet transparant is, je wordt vaak van het kastje naar de muur gestuurd. Uiteindelijk kan je landen, maar dan pas voel je hoe lastig het al is geweest en hoe moe en gefrustreerd je je voelt.”

Ondersteunen gaat over de zorg die geboden wordt aan familie. Vaak is het reeds een lastig parcours geweest met veel vragen of onduidelijkheden, weinig of net reeds heel wat ervaring met de hulpverlening, verdriet, schuldgevoelens, … Een luisterend oor vinden waar ook de familie hun verhaal kan doen en waar ook even gecheckt wordt hoe het nu met hen gaat, is nodig en dit kan zowel intern aangeboden worden (bv. informele babbels, systeemgesprekken), maar kan er ook uit bestaan om familie te motiveren om zelf externe steun te zoeken. Ook doorverwijzing naar familieorganisaties en lotgenotencontact wordt als zeer helpend ervaren door familie.

Pijler 4 – betrekken: “Wordt jouw stem ook meegenomen in de behandeling?”

“Ontelbare intakegesprekken waarbij ook onze rol als ouder kritisch bevraagd wordt, begrijpelijk maar tegelijkertijd ook confronterend. Anderzijds willen wij ook graag mee begrijpen wat er aan de hand is met ons kind en hoe wij daar best mee kunnen omgaan. Maar hierin voelen wij ons alleen staan.”

Betrekken betekent het voldoende laten participeren van familie binnen de zorg. Familie kent hun dierbare vaak al heel wat langer dan de hulpverleners. Zij beschikken over informatie en kennis waarover hulpverleners niet beschikken. Belangrijk hierbij is dat familieparticipatie een flexibel begrip is: de mate van betrokkenheid is afhankelijk van de voorkeur van de patiënt en de familie, maar ook van de draagkracht van de familie op dat moment. Het herhaaldelijk bevragen van de (wens tot) betrokkenheid door hulpverleners is dan ook noodzakelijk.

Als een olievlek…

Als afsluitende noot merken we bij Familieplatform dat steeds meer organisaties familiebetrokkenheid op de kaart zetten en dit niet enkele binnen de GGZ, maar in het bredere zorglandschap. De laatste jaren zijn heel wat familieorganisaties ontstaan vanuit de nood om verbinding en steun te brengen tussen lotgenoten. Via ervaringen en getuigenissen signaleren zij de hindernissen waarop familieleden botsen in de zorg. Familieplatform verenigt en ondersteunt deze familieorganisaties en slaat de brug naar de overheid. Uit onze recente cijfers blijkt dat in 2023 maar liefst 71 vormingen werden gegeven verspreid over Vlaanderen en 800 online vormingen werden gevolgd. Hiermee kon het Familieplatform meer dan 2000 (toekomstige) hulpverleners en stafmedewerkers bereiken.

Auteur

Dr. Céline Hinnekens en Dr. Marieke Van Schoors zijn beleidsmedewerkers bij Familieplatform vzw. Kim Steeman is directeur van het Familieplatform. Contactgegevens: celine.hinnekens@familieplatform.be & marieke.vanschoors@familieplatform.be

Referenties

Timmermans, J.M. (Red.). (2003). Mantelzorg: over hulp van en aan mantelzorgers. Sociaal Cultureel Planbureau.

Vanlinthout, E., Coppens, E., Opgenhaffen, T., Scheveneels, S., Put, J. & Van Audenhove, C. (2020b). De ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn voor het betrekken van de context in de geestelijke gezondheidszorg. Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. https://cdn.nimbu.io/s/5s8z9pq/channelentries/sm2apk4/files/2020-15-rapport-47-ef37-mdr-betrekken-context.pdf?ocxu9tp

Familieplatform. https://familieplatform.be/wie-zijn-we/. 2024. Visie Familieplatform.

Vanlinthout E, Coppens E, Opgenhaffen T, Scheveneels S, Put J, Van Audenhove C. Een multidisciplinaire richtlijn om naasten sterker te betrekken in de geestelijke gezondheidszorg [Internet]. 2020. Available from: www.steunpuntwvg.beswvg@kuleuven.be

Helmer, E., Vermeulen, B., Vanderhaegen, J., Coppens, E., & Van Audenhove, C. (2016). Betere GGZ 107: de ervaringen van hulpverleners, mantelzorgers en patiënten. LUCAS. http://www.psy107.be/images/2016%2006%2029%20Onderzoeksrapport%20LUCAS.pdf

Zorginspectie. (2018). Beleidsrapport: Toezicht in de centra voor geestelijke gezondheidszorg 2017- 2018. Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/27741

Ohaeri, J.U. (2003). The burden of caregiving in families with a mental illness: A review of 2002. Current Opinion in Psychiatry, 16(4), 457-465. https://psycnet.apa.org/doi/10.1097/00001504-200307000-00013

ZitStil. (Red.). 2020. Van dialoog naar trialoog: naar evenwaardige inbreng van zorgverlener, familie en kind. ZitStil.

Cleary, M., Freeman, A., & Walter, G. (2006). Carer participation in mental health service delivery. International Journal of Mental Health Nursing, 15(3), 189-194. https://doi.org/10.1111/j.1447-0349.2006.00422.x

Waters F. Good Practice Guidelines for Engaging with Families and Carers in Adult* Mental Health Services. 2016.

Klaassen H. Bondgenoten: hoe familieleden en hulpverleners in de psychiatrie kunnen samenwerken. Amsterdam: Boom; 2014.

Bracke M, Mortelmans UD, Declercq A, Leuven KU, Raeymaeckers P, Benedicte U, et al. Zorgenquête 2021 Inhoudelijk rapport [Internet]. 2021. Available from: http://www.steunpuntwvg.be

van Schooten G, Beersen N, Berg M. Startdocument indicatorset familiebeleid in de GGZ [Internet]. 2011 [cited 2023 Jul 25]. Available from: van Schooten, G., Beersen, N., & Berg, M. (2011)

Familieplatform. https://familieplatform.be/wie-zijn-we/. 2024. Visie Familieplatform.

 

“Jong van geest blijven”: kan dat? Een studie over het verbeteren van geheugen bij senioren

Het is iets dat ons allemaal vroeg of laat overkomt: onze geheugencapaciteit vermindert naarmate we ouder worden. Het is een onderdeel van het normale verouderingsproces en gaat vooral samen met veranderingen in het korte termijn geheugen. Het korte termijn geheugen maakt het mogelijk om nieuwe informatie te verwerken en kort te onthouden. Deze invloed van veroudering op korte termijn geheugen kan zich bijvoorbeeld uiten als meer vergetelheid op oudere leeftijd.


Kan je er iets aan doen?
Het korte antwoord is ja. Cognitieve training en elektrische hersenstimulatie zijn technieken die frequent gebruikt worden om het geheugen te versterken. Cognitieve training omvat het systematisch aanbieden van taken die gebruik maken van het korte termijn geheugen. Elektrische hersenstimulatie gaat over het toedienen van zwakke stroomsignalen op het hoofd. Deze signalen bereiken de hersenen en kunnen zo op een veilige manier de hersenactiviteit beïnvloeden. Eerdere studies toonden reeds aan dat deze technieken een positief effect kunnen hebben op het korte termijn geheugen.


Een badmuts met elektroden
Een studie aan de Universiteit van Trento (Italië) onderzocht het effect van cognitieve training en elektrische hersenstimulatie op het korte termijn geheugen bij senioren. De studie bestond uit vier fases. In de eerste fase ontrafelden onderzoekers de geheimen van het geheugen bij senioren door gedragstaken en elektro-encefalografie (EEG) te gebruiken, waarbij de hersenactiviteit werd gemeten met een soort ‘badmuts’ vol elektroden. In de tweede fase kregen de senioren een mentale training, vergezeld van elektrische hersenstimulatie op specifieke regio’s die cruciaal zijn voor het korte termijn geheugen. De uitdaging werd opgevoerd naarmate de prestaties verbeterden, en de deelnemers werden verdeeld in groepen die wel of geen stimulatie ontvingen gedurende vijf intensieve sessies van ongeveer één uur, verspreid over opeenvolgende dagen. De derde fase was net als de eerste fase gericht op het analyseren van het korte termijn geheugen. In de laatste fase, ongeveer twee maanden later, voerden senioren dezelfde taken opnieuw uit en konden de onderzoekers zo onthullen of de mix van stimulatie en training een blijvende impact had op het geheugen.

Werkt het of niet?
Cognitieve training had een positief effect op de geheugencapaciteit van senioren. Of men nu elektrische stimulatie ontving of niet, men presteerde beter op geheugentaken na de tweede fase. Of de elektrische stimulatie het geheugen bevorderde, hing af van de persoon. Senioren die in de eerste fase een beter korte termijn geheugen hadden, haalden meer voordeel uit de elektrische stimulatie. Interessant genoeg, bleek hersenactiviteit ook te veranderen na de stimulatiefase. Deze bevindingen tonen aan dat cognitieve training en stimulatie dus wel degelijk een invloed hebben op het korte termijn geheugen.

Een vitale toekomst voor senioren
Met ongeveer 20% van de Vlaamse bevolking die 65 jaar of ouder is, en mensen die steeds langer blijven werken, is het korte termijn geheugen een cruciaal hulpmiddel in het dagelijks leven. Of het nu gaat om eenvoudige taken zoals het onthouden van boodschappenlijstjes of complexere zaken zoals financiën en gezondheidsinformatie, we vertrouwen voortdurend op ons korte termijn geheugen. Daarom is het niet alleen belangrijk om het effect van veroudering op het geheugen te begrijpen, maar ook om te onderzoeken hoe we gezond ouder worden kunnen bevorderen. Kortom, de sleutel tot een vitale toekomst zit hem in het effectief ondersteunen van ons geheugen.

Auteur
Lisa Moreel studeerde af als experimenteel psycholoog aan de Universiteit Gent. Ze won in 2023 de Best Internship Award aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen voor het onderzoek dat ze uitvoerde tijdens haar stage aan de Universiteit van Trento.


Referenties
Assecondi, S., Villa-Sánchez, B., & Shapiro, K. (2022). Event-Related Potentials as Markers of Efficacy for Combined Working Memory Training and Transcranial Direct Current Stimulation Regimens: A Proof-of-Concept Study. Frontiers in Systems Neuroscience, 16. https://doi.org/10.3389/fnsys.2022.837979


Attention, Perception & Aging Lab (APA), Center for Mind/Brain Sciences – CIMeC, University of Trento. https://r1.unitn.it/apa/en/

 

Online therapie: misschien toch niet zo ‘chill’ als het lijkt?

We reizen even terug naar 2020. Volle coronacrisis. U zit achter uw computer voor de zoveelste zoommeeting van de dag. U wrijft in uw ogen en zucht wanneer u eindelijk het beeldscherm kan uitzetten. Gelukkig kunnen we vandaag elkaar weer face-to-face ontmoeten. Toch is een dag vol videogesprekken voor een groeiend aantal therapeuten de dagelijkse realiteit. Sinds de COVID-19 pandemie is het gebruik van videobellen voor therapie namelijk gestegen.


Recente bevindingen tonen aan dat deze vorm even effectief kan zijn als traditionele therapie. Studies laten echter de beleving van therapeuten grotendeels onderbelicht. De motivatie en het welzijn van deze groep is nochtans belangrijk voor de kwaliteit van psychotherapie.


Zei er iemand Zoom Fatigue?
In interviews met negen psychologen gingen we dieper in op hun ervaringen met online therapie. Naast een aantal praktische voordelen, zoals tijdsbesparing en het comfort van de eigen thuisomgeving, kwam tijdens het onderzoek de vraag op of online werken wel even goede werkomstandigheden toelaat als traditionele therapie. De werkomstandigheden blijken voornamelijk een uitdaging wanneer ze therapie van thuis uit geven, maar beperkt zich hier niet toe.


Het online medium heeft karakteristieken die ideale werkomstandigheden bemoeilijken. Zo geven de therapeuten aan minder te bewegen, minder rond te kijken en een stijvere houding aan te nemen bij therapie via videobellen. Ze rapporten hierbij ook meer vermoeidheid en/of meer afleiding tijdens die online sessies.


Daarnaast blijkt de privé-werkgrens ook moeilijker te bewaken bij therapie van thuis uit. Sommige therapeuten laten zich sneller verleiden tot avondwerk, anderen geven aan dat je thuis minder controle hebt over wat je toont van jezelf. Zo vergeten ze een partnerfoto weg te halen of komt bol.com net op het verkeerde moment.


“Het is een beetje een vergiftigd geschenk en niet zo gezond. Je moet ergens wel grenzen stellen. Ik werk al twee avonden in de week hier, dus als je dan nog een avond ook thuis werkt, dan ben je al drie avonden van de week aan het werken. Hoeveel tijd heb je dan nog voor jezelf?”


Ik zie je toch liever in het echt.
Zoals reeds aangehaald blijkt dat online therapie even goed werkt als traditionele therapie. Ook de therapeuten uit deze studie geven aan dat ze verbeteringen zagen bij hun cliënten. Toch verkiezen de meesten hun cliënten in levenden lijven te zien. Een handdruk aan de deur, babbeltje terwijl men naar de therapiekamer wandelt, geur of klederdracht zijn slechts een deel van de menselijkheid die therapeuten missen online.


“Wij zijn sociale wezens en we zijn nooit anders gewoon geweest dan bij elkaar te komen. Dus ook al zijn die gesprekken online even goed, toch verkies ik nog altijd van mensen te zien. Zeker als ze persoonlijke dingen komen vertellen.”


Daarnaast gaat via het beeldscherm ook een deel non-verbale communicatie verloren, zoals handgebaren, houding en zelfs voetbewegingen. Waar stiltes in traditionele therapie een belangrijk moment kunnen zijn, ervaren therapeuten die anders online. Ze geven aan dat ze bij online stiltes meer kilte en afstand ervaren en deze sneller doorbreken.


Heb je mij goed gehoord?
Ten slotte brengt online therapie meer zorgen en onzekerheid met zich mee. Zo zijn sommige therapeuten onzeker wanneer ze met online therapie beginnen. Ze weten niet of het therapieproces op dezelfde manier verloopt, hoe de cliënten het beleven en of het dezelfde verandering teweeg kan brengen.


“Ik merkte dat ik in het begin veel meer de neiging had om de gesprekken voor te bereiden om wat richting te geven en wat te kunnen sturen. Terwijl dat eigenlijk een beetje mijn onzekerheid was voor het proces. Ik vroeg me af of het op dezelfde manier ging verlopen of niet.”


Daarnaast brengen storingen in de verbinding twijfel met zich mee. Het is soms onduidelijk of een cliënt iets niet goed begrepen heeft omdat er ruis op de verbinding zit of omdat die door zijn moeilijkheden de vraag niet goed kan begrijpen. Verder weet een therapeut soms niet of er een stilte valt of dat de verbinding blijft hangen.


Als laatste zijn de fysieke afstand en de beperkte non-verbale communicatie een bron van onzekerheid. Therapeuten weten niet of de cliënt wel in een veilige situatie zit, of die wel alleen is in de kamer en of die niet iets anders doet tijdens de therapie. Daarbij komt dat ze het moeilijker vinden om aan te voelen hoe hun cliënt zich voelt en in welke staat ze deze achterlaten wanneer ze de sessie afsluiten. Tot slot hebben therapeuten het lastig om het effect van hun online interventies in te schatten.


Waarom zijn deze bevindingen belangrijk?
Therapeuten die online diensten aanbieden, kunnen uit deze studie lessen trekken. Zo lijkt het beter om online therapie toch vanuit een therapieruimte te geven, online sessies af te wisselen met face-to-face sessies en een opleiding te volgen rond online therapie om onzekerheid weg te nemen. Onze aanbevelingen kunnen de klinische praktijk en de vormgeving van opleidingen informeren. Dit om zowel de kwaliteit van online therapie als het welzijn van de therapeuten te verbeteren. Want zeg nu zelf, iemand moet toch ook eens aan de therapeut vragen: “En? Hoe voelt u zich daarbij?”.


Auteur
Hanne Peeters behaalde een Masterdiploma in de Klinische Psychologie aan de Universiteit Gent. Ze won met haar onderzoek de Mensenkennis Trofee van de Gentse Alumni Psychologie voor beste vertaling van een masterproef in de Psychologie naar een populairwetenschappelijk artikel.


Referenties
Peeters, H. (2022). Mijn scherm en ik. Een kwalitatief onderzoek naar de ervaring van therapeuten met online therapie. [Ongepubliceerde master’s thesis]. University of Ghent.


Thomas, N., McDonald, C., de Boer, K., Brand, R. M., Nedeljkovic, M. & Seabrook, L. (2021). Review of the current empirical literature on using videoconferencing to deliver individual psychotherapies to adults with mental health problems. Psychology and Psychotherapy: Theory Research and Practice, 94(3), 854-883. DOI: 10.1111/papt.12332

 

Social media gebruik in het dagelijkse leven: bron van stress of sociale steun?

Afgelopen jaren ontpopten sociale netwerking sites zich tot ware hubs van connectiviteit. Nooit eerder was het makkelijker om activiteiten van mensen op te volgen over de grenzen van landen, tijdszones en zelfs continenten heen. Al gaat dergelijke online aanwezigheid niet steeds gepaard met gunstige effecten op mentaal welzijn. Dit doet de vraag rijzen onder welke omstandigheden social media gebruik helpend kan zijn, of eerder gepaard gaat met een verminderd functioneren.

Gebruik van social media onder de loep genomen
Anno 2023 hebben ‘social media’ – zoals Facebook, Instagram of TikTok en bijhorende instant messaging diensten – een centrale plaats verworven in het dagelijks leven, en het lijkt er op dat deze daar nog even zullen blijven. In België wordt het aandeel social media gebruikers in 2023 dan ook geschat op maar liefst 10.31 miljoen (1). Daarbovenop is social media gebruik goed voor een aanzienlijk deel van onze dagelijkse schermtijd. Het zal dus niet verbazen dat afgelopen jaren heel wat onderzoek gevoerd werd naar eventueel ongewenste effecten van social media gebruik.

Zo wijzen verschillende studies op een negatieve impact van social media gebruik op psychologisch welbevinden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan geobserveerde verbanden tussen social media gebruik, en in het bijzonder het passief consumeren van informatie op social media platformen, en verhoogde depressieve-, stress- of angstklachten, of de ontwikkeling van een negatieve lichaamsbeleving (2,3,4,5). Andere studies suggereren dan weer gunstige effecten van social media gebruik, waaronder de mogelijkheid tot de uitbouw van een ondersteunend sociaal netwerk (5,6). Daarbij zijn er sterke verschillen tussen studies inzake geobserveerde effecten van social media gebruik, wat een eenduidig antwoord omtrent de relatie tussen social media gebruik en psychologisch welbevinden bemoeilijkt. Dit is mede het gevolg van een te enge focus binnen onderzoek op de vraag of er een relatie is tussen beide constructen, eerder dan hoe we deze relatie kunnen begrijpen (7). Daarbij werd tot op heden met name onderzoek gedaan naar de impact van intensiteit van (verschillende vormen van) social media gebruik, terwijl de rol van context in het verklaren van deze relatie eerder onderbelicht bleef.

ContextMatters: Contextfactoren bepalen mee de impact van social media gebruik

Ons recent onderzoek (8) ging na in welke mate social media gebruik bijdraagt tot (dis)functioneren én of contextfactoren hier een rol in spelen. Hiertoe maakten we gebruik van een bijzondere situatie, namelijk de periode van lockdown tijdens de eerste golf van de COVID-19 pandemie. Tijdens deze periode waren heel wat mensen omwille van de toen geldende fysieke distancing maatregelen aangewezen op social media om het contact met hun naasten te onderhouden. Daarnaast gebruikten heel wat mensen social media om geïnformeerd te blijven over de op dat moment geldende COVID-19 maatregelen en de mate van besmettingen.

1433 deelnemers uit het Verenigd Koninkrijk voltooiden vragenlijsten omtrent hun gebruik van social media en indicatoren van (dis)functioneren, waaronder ervaren steun, levenskwaliteit, eenzaamheid en ernst van angst-, depressieve- en stressklachten. Om zicht te krijgen op de rol van contextfactoren gingen we na in welke mate het complexe samenspel tussen deze variabelen beïnvloed werd door zaken zoals woonsituatie (bijv. of iemand al dan niet alleen woonde tijdens de lockdown), werksituatie (bijv. of iemand het huis nog mocht verlaten voor professionele redenen), alsook COVID-19 status (bijv. of men al dan niet geïnfecteerd was door COVID-19). Een andere factor die we in rekening brachten, was of men al dan niet tot een risicogroep behoorde voor het ontwikkelen van complicaties ten gevolge van COVID-19.

Onze bevindingen tonen aan dat de unieke associaties tussen gebruik van social media en (dys)functioneren verschilden naargelang COVID-19 status en woonsituatie. Daarbij bevestigen onze resultaten potentieel gunstige én ongunstige effecten van gebruik van social media, beiden met name voor individuen die niet geïnfecteerd waren met COVID-19. Zo observeerden we bijvoorbeeld dat meer intensief gebruik van social media tijdens de lockdown gepaard ging met verhoogde angst voor besmetting met COVID-19 en bijhorende negatieve gevolgen. Tevens vonden we verbanden tussen verschillende vormen van social media gebruik, depressieve klachten en ervaren stress. Tegelijkertijd ging social media gebruik echter ook gepaard met meer ervaren steun vanuit het sociale netwerk.


Social media bleek de grootste rol te spelen bij niet-geïnfecteerde individuen die alleen woonden. Uniek voor deze populatie was dat gebruik van social media om geconnecteerd te blijven direct bijdroeg tot een verhoogde levenskwaliteit. Dit wijst op de potentieel gunstige rol van social media om connecties te onderhouden met anderen wanneer er beperkte mogelijkheden zijn tot echte sociale interactie (bijv. wanneer men fysiek afstand moest houden). Binnen deze groep waren mate van sociale steun en eenzaamheid tevens sterker gerelateerd aan depressieve klachten.

Conclusie
Onze studie benadrukt dat de context waarin mensen zich bevinden van belang is om zowel de positieve als negatieve gevolgen van social media gebruik te verklaren. Zo leken in het voorbeeld van de COVID-19 pandemie een aantal van de veronderstelde gunstige effecten van social media gebruik met name voorbehouden voor wie alleen woonde (8). Het belang van context biedt een mogelijke verklaring voor eerdere inconsistente onderzoeksbevindingen, en illustreert dat social media zowel een potentiële bron van stress kan vormen, alsook dienst kan doen als een mogelijke hulpbron (9). Willen we beter zicht krijgen op hoe social media ons functioneren beïnvloedt, dan dienen we bijgevolg verder te gaan dan het louter verkennen van de rol van intensiviteit en soort social media gebruik, en meer aandacht te spenderen aan (persoonlijk) relevante contextfactoren. We hoeven die smartphone op basis van huidige literatuur dus nog niet volledig aan de kant te leggen! Wel is het goed om alvast even te reflecteren over wanneer en onder welke omstandigheden social media gebruik voor jou een steun betekent of je net stress geeft.

Auteur
Kristof Hoorelbeke werkt als docent aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van UGent. Ernst Koster is hoogleraar aan dezelfde faculteit. Beiden zijn daarnaast tevens klinisch werkzaam als gedragstherapeut.

Contactgegevens
Prof. dr. Kristof Hoorelbeke
Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie
Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, UGent
Henri-Dunantlaan 2, 9000 Gent
Kristof.Hoorelbeke@UGent.be

Referenties

  1. Statista (2022). Number of social network users in Belgium from 2018 to 2027. Retrieved from https://www.statista.com/statistics/568866
  2. Faelens, L., Hoorelbeke, K., Cambier, R., van Put, J., Van de Putte, E., De Raedt, R., & Koster, E.H.W. (2021). The relationship between Instagram use and indicators of mental health: A systematic review. Computers in Human Behavior Reports, 4, 100121. doi: 10.1016/j.chbr.2021.100121
  3. Saiphoo, A.N., & Vahedi, Z. (2019). A meta-analytic review of the relationship between social media use and body image disturbance. Computers in Human Behavior, 101, 259-275. doi: 10.1016/j.chb.2019.07.028
  4. Yoon, S., Kleinman, M., Mertz, J., & Brannick, M. (2019). Is social network site usage related to depression? A meta-analysis of facebook-depression relations. Journal of Affective Disorders, 248, 65-72. doi: 10.1016/j.jad.2019.01.026
  5. Appel, M., Marker, C., & Gnambs, T. (2020). Are social media ruining our lives? A review of meta-analytical evidence. Review of General Psychology, 24, 60-74. doi: 10.1177/1089268019880891
  6. Liu, D., Ainsworth, S.E., & Baumeister, R.F. (2016). A meta-analysis of social networking online and social capital. Review of General Psychology, 20, 369-291. doi: 10.1037/gpr0000091
  7. Kross, E., Verduyn, P., Sheppes, G., Costello, C.K., Jonides, J., & Ybarra, O. (2021). Social media and well-being: Pitfalls, progress, and next steps. Trends in Cognitive Sciences, 25, 55-66. doi: 10.1016/j.tics.2020.10.005
  8. Hoorelbeke, K., Faelens, L., De Raedt, R., & Koster, E.H.W. (2023). #ContextMatters! A network tree approach to model the link between social media use and well-being. Computers in Human Behavior Reports, 100269. doi: 10.1016/j.chbr.2023.100269
  9. Wolfers, L.N, & Utz, S. (2022). Social media use, stress, and coping. Current Opinion in Psychology, 45, 101305. doi: 10.1016/j.copsyc.2022.101305
 

Je depressie de baas? Cognitieve training vermindert hervalrisico

Robuust herstellen van depressie is een belangrijke uitdaging. Recente bevindingen tonen aan dat cognitieve training een interessante strategie is om het risico op het heroptreden van een depressie te reduceren. Maar wat weten we juist over dergelijke vorm van training en waarom zou zoiets interessant kunnen zijn als je in het verleden een depressie hebt meegemaakt?

Kwetsbaarheid voor (heroptredende) depressie: De rol van verstoorde cognitieve processen
Bij ‘depressie’ denkt men typisch aan de aanwezigheid van een aanhoudende negatieve stemming en/of het verlies van interesse in zaken die eerder als positief ervaren werden. Een relatief onderbelicht – maar daarvoor niet minder belangrijk – aspect van depressie is dat dit vaak gepaard gaat met heel wat cognitieve moeilijkheden. Zo wijzen overzichtsartikelen op de aanwezigheid van significante verstoringen in executieve functies bij depressie, waaronder verstoorde aandacht- en werkgeheugenprocessen (1). Deze staan het nastreven van dagelijkse doelen en activiteiten in de weg. Dit uit zich mogelijks in ervaren moeilijkheden om de aandacht bij gesprekken of andere taken te houden. Je bent bijvoorbeeld niet langer in staat om een gesprek of tv-programma te volgen, of een boek te lezen. Je hoofd voelt daarbovenop ‘vol’ negatieve gedachten, waarbij je er niet in slaagt om je aandacht hiervan los te koppelen. Het spreekt voor zich dat dit alles in sterke mate bijdraagt tot een negatieve stemming.

Ondanks de beschikbaarheid van effectieve psychologische en medicamenteuze behandelingen voor depressie, blijven heel wat mensen na het opklaren van een depressieve episode kampen met gelijkaardige klachten (2). Bovendien vormen deze bij uitstek een bron van hinder in het dagelijkse leven (3). Cognitieve klachten staan namelijk het (her)opnemen van activiteiten op verschillende levensdomeinen in de weg (bijv. op de werkvloer), of maken deze bijzonder uitdagend. Daarnaast verhogen ze de kans op het vastlopen in gepieker. Zo vormen cognitieve klachten een belangrijke voorspeller voor het heroptreden van depressie (4). Daarbovenop nemen deze klachten vaak toe naarmate men meer depressieve episoden heeft meegemaakt (5), wat een toenemende kwetsbaarheid voor depressie inhoudt. Een belangrijke vraag is dus wat je zelf kunt ondernemen om bij (gedeeltelijk) herstel van een depressie die cognitieve kwetsbaarheid aan te pakken? Een recent ontwikkelde en uiterst beloftevolle optie is ‘mentale fitness’ (werkgeheugentraining).


Train je brein en voorkom herval in depressie
Recent onderzoek toont namelijk aan dat aandacht- en werkgeheugenprocessen getraind kunnen worden aan de hand van gerichte computertaken. Het herhaaldelijk uitvoeren van dergelijke taken heeft bijvoorbeeld een gunstig effect op cognitief functioneren, depressief gepieker en depressieve klachten (6). Een belangrijke vraag is echter of dergelijke training tevens de kans op het heroptreden van een depressie kan verkleinen?

Om deze vraag te beantwoorden, hebben we in een recente klinische studie (7) 92 individuen die in het verleden een depressie meegemaakt hebben, toegewezen tot twee weken werkgeheugentraining of een alternatieve minder intensieve trainingstaak (controlegroep). Vervolgens werd het functioneren van deze individuen over een periode van één jaar online gemonitord. Op het einde van dat jaar evalueerden we of er tijdens die periode een nieuwe depressieve episode was opgetreden. Individuen die de werkgeheugentraining uitvoerden, vertoonden één jaar na de training gemiddeld een hoger niveau van cognitief functioneren (zoals gemeten a.d.h.v. een cognitieve taak) dan individuen uit de controlegroep. Daarbovenop was de kans op het optreden van een depressieve episode doorheen dat jaar significant lager. Zo observeerden we slechts 25.58% herval na voltooiing van de werkgeheugentraining, terwijl 47.50% van de individuen die tot de controlegroep behoorden een nieuwe depressieve episode meemaakten. De effectgrootte van deze interventie was bovendien gelijkaardig aan deze van andere gangbare preventieve interventies (waaronder voortgezet gebruik van antidepressiva).

Bovenstaande bevindingen wijzen op het potentieel van werkgeheugentraining als preventieve interventie voor depressie (6-7), waarbij dit type interventie omwille van de lage onderhoudskost en grote inzetbaarheid, mede door de online toegankelijkheid, relatief eenvoudig ingeschakeld zou kunnen worden binnen het bestaande behandelaanbod. Tegelijkertijd dienen verschillende vragen nog beantwoord te worden vooraleer werkgeheugentraining geïmplementeerd kan worden in de klinische praktijk. Hiertoe zijn we steeds op zoek naar kandidaten die in het verleden een depressie hebben meegemaakt en graag de werkgeheugentraining zouden uitvoeren.


Voor meer informatie omtrent lopende studies, kan je contact opnemen via volgend adres: cogtraining2@UGent.be. Zo kan jij binnenkort mogelijks ook gebruik maken van de werkgeheugentraining en help je meteen ook de wetenschap vooruit zodat we samen kunnen komen tot een betere preventie van depressie!

 
Auteur
Kristof Hoorelbeke werkt als docent aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van UGent en is daarnaast tevens klinisch werkzaam als gedragstherapeut.

Contactgegevens
Prof. dr. Kristof Hoorelbeke
Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie
Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, UGent
Henri-Dunantlaan 2, 9000 Gent
Kristof.Hoorelbeke@UGent.be

Ben jij geïnteresseerd in eventuele deelname aan lopend onderzoek? Aarzel niet en contacteer ons vrijblijvend voor meer informatie via: cogtraining2@UGent.be

 
Referenties

  1. Rock, P.L., Roiser, J.P., Riedel, W.J. & Blackwell, A.D. (2014). Cognitive impairment in depression: A systematic review and meta-analysis. Psychological Medicine, 44, 2029-2040. doi: 10.1017/S0033291713002535
  2. Semkovska, M., Quinlivan, L., O’Grady, T., Johnson, R., Collins, A., O’Connor, J., Knittle, H., Ahern, E., & Gload, T. (2019). Cognitive function following a major depressive episode: A systematic review and meta-analysis. The Lancet Psychiatry, 6, 851-861. doi: 10.1016/S2215-0366(19)30291-3
  3. Knight, M.J., Air, T., & Baune, B.T. (2018). The role of cognitive impairment in psychosocial functioning in remitted depression. Journal of Affective Disorders, 235, 129-134. doi: 10.1016/j.jad.2018.04.051
  4. Demeyer, I., De Lissnyder, E., Koster, E. H. W., & De Raedt, R. (2012). Rumination mediates the relationship between impaired cognitive control for emotional information and depressive symptoms: A prospective study in remitted depressed adults. Behaviour Research and Therapy, 50, 292-297. doi: 10.1016/j.brat.2012.02.012
  5. Vanderhasselt, M-A., & De Raedt, R. (2009). Impairments in cognitive control persist during remission from depression and are related to the number of past episodes: An event related potentials study. Biological Psychology, 81, 169-176. doi: 10.1016/j.biopsycho.2009.03.009
  6. Hoorelbeke, K., & Koster, E. H. (2017). Internet-delivered cognitive control training as a preventive intervention for remitted depressed patients: Evidence from a double-blind randomized controlled trial study. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 85, 135-146. doi: 10.1037/ccp0000128
  7. Hoorelbeke, K., Van den Bergh, N., De Raedt, R., Wichers, M., & Koster, E. H. W. (2021). Preventing recurrence of depression: Long-term effects of a randomized controlled trial on cognitive control training for remitted depressed patients. Clinical Psychological Science, 9, 615-633. doi: 10.1177/2167702620979775
 

De kracht van een crisis

Heb je het gevoel dat je niet echt uitgerust maar eerder uitgeblust gestart bent aan dit nieuwe jaar? Of voelt je borstkas regelmatig gevuld met angst, alsof er onderhuids een trein vol emoties blijft razen die amper te stoppen valt? Crises zijn katalysators. Ze leggen ons bloot. We weten dan meestal niet goed wat we met deze kwetsbaarheid moeten doen en zoeken naar controle. Over onszelf en over anderen. Maar die krijgen we niet. In de plaats daarvan zijn we verkrampt bezig met overleven, heftig heen en weer schommelend, van een hyper- naar een zombietoestand, en terug. En hoe meer we van hetzelfde doen, hoe meer we van hetzelfde krijgen, met nog meer onrust als gevolg.


Er wordt ons zelden geleerd hoe we met onrust kunnen omgaan. Alsof het Leven ons niet te veel mag raken. De meesten van ons hebben ook niet geleerd om ongemak gewoon uit te zitten of erover te spreken. Eerder hoe ervan af te komen of te doen alsof het niet gebeurd is. Emoties ontsnappen aan onze controle, ze komen gewoon zomaar op. We vinden dat meestal onprettig en weten niet goed wat we moeten met het ongemak dat ze met zich meebrengen. We zoeken opnieuw controle, zetten anderen snel in hokjes maar hebben er zelf een hekel aan als wij diegenen zijn die in zo’n hokje worden weggezet. Wat als we vol vuur van mening mogen verschillen en tegelijk ook zoeken naar wat ons innig verbindt? Want we delen meer overeenkomsten dan verschillen.


Alles in het universum bestaat uit tegenpolen: warm en koud, pijn en plezier, licht en donker. Tegenpolen hebben elkaar nodig, ze houden elkaar in stand als twee uitersten op hetzelfde continuüm. Hoe zouden we weten of het goed met ons gaat als het nooit slecht met ons gaat? Hoe weten we wat we belangrijk vinden als we nooit meer ergens bang voor zouden zijn? De tegenpool van controle is dus niet loslaten maar nieuwsgierigheid, naar binnen en naar buiten. Het is de bereidheid om open te staan voor wat er is. Met een open, onderzoekende geest die met interesse reageert op onrust. Wat als we onszelf wat vaker het voordeel van de twijfel gunnen en niet meteen alles geloven wat we denken?

Met gemengde gevoelens leren omgaan
En als het gaat over het omgaan met pijn stuiten we opnieuw op een schijnbare tegenstelling: hoe beter we ons slecht durven voelen, hoe eerder we ons beter kunnen voelen. Pijn die je niet mag voelen, blijft namelijk langer hangen dan pijn die er wel mag zijn. Het gaat erom dit te kunnen ervaren zonder er volledig in op te gaan, om met gepaste aandacht niet te blijven vechten, vluchten of bevriezen, maar voelen. De oplossing is dat er vaak op dat moment geen oplossing is maar dat die vanzelf groeit, doordat we onszelf toestaan over tegenstrijdige dingen na te denken. Met gemengde gevoelens. Wat als we meer durven voelen wat er te voelen valt, ook als dat verwarrend of oncomfortabel is? Negatieve emoties houden niet op met bestaan als we ze onderdrukken. Ze vinden gewoon een andere manier om zich te uiten. En littekens zijn gevoelig maar ook sterker dan gewone huid.

Wat we accepteren, transformeert. Dat geldt voor een crisis, voor onrust, en voor onszelf. Veerkracht verwijst naar het tijdelijk verliezen van onze vorm én het herstel daarna. Naar het zo flexibel mogelijk omgaan met vaak verpletterende omstandigheden. In dat proces zit eveneens de enorme kracht van een metamorfose verborgen: wie zullen we zijn als we uit deze pijn tevoorschijn komen? Wat ons eerst achtervolgt, kan later kracht geven. Als acceptatie daarvan moeilijk is, is dat vaak omdat ons hoofd vertelt dat we de situatie niet aankunnen. Of het niet durven loslaten. De situatie kan ons echter pas loslaten als we zeggen: ‘Het is zoals het is, het raakt me enorm, maar ik kan daar nu niets aan veranderen.’ Dan pas komt er ruimte voor iets anders. Als een reservetank die we kunnen aanboren. Vooral als we denken dat we aan het einde van onze krachten zijn. En we krijgen niet wat we aankunnen maar we kunnen aan wat we krijgen. Beloofd.

Vertel jouw verhaal
En eigenlijk weten we diep vanbinnen best wel dat we goed genoeg zijn. Meer nog, we zijn de som van al onze schijnbare tegenstrijdigheden. We zijn aarzelend, rommelig, onvoorspelbaar, bang, gewoontjes, nonchalant, chaotisch, egoïstisch, twijfelend en kwetsbaar. Maar ook magisch. Moedig. Vernieuwend. Uniek. Met ruimte om te ontwikkelen. En sowieso genoeg.
Schommel dus liever even uit.
Ontspan je kaken.
Ontspan je geest.
Haal diep adem.
Wees stil.
Ga naar je binnenste binnen.
Zoek zin om je te verdiepen in je eigen verhaal.
Vanaf het begin.
Luister naar wat je jezelf te vertellen hebt.
Wat wil je?
Geef jezelf nu wat je vroeger gemist hebt.
Wees nu wie jij toen nodig had.
Deel deze ervaring met mensen die het gewicht van je verhaal kunnen dragen. Niet de critici die aan de zijlijn met de vinger wijzen als je struikelt. En elk verhaal doet ertoe. Ook dat van jou. En alles wat we tegen elkaar vertellen, drijft op een nog veel grotere stroom van woordeloze verbondenheid. Vanuit intimiteit. En een gedeelde menselijkheid. Want gedeelde verhalen tellen dubbel.

Auteursinfo
Dr. Els Heene is klinisch psycholoog en psychotherapeut, en auteur van het pas uitgebrachte boek “Binnenin beginnen: waar gebeurde verhalen over wat therapie met je doet”. Ze werkt in een klinische praktijk (Mentaal Beter) in Zeeland, en is sinds 1996 als docent en coördinator verbonden aan de Universiteit Gent.

“Binnenin beginnen: waar gebeurde verhalen over wat therapie met je doet.” Uitgeverij Manteau / Standaard Uitgeverij nv, vanaf 8 februari verkrijgbaar.

Referenties
Grant, A. (2021). Weten wat je niet weet. A.W. Bruna Uitgevers B.V, Amsterdam
Hayes, S.C., & Smith, S. (2005). Get out of your mind & into your life: the New Acceptance & Commitment Therapy. New Harbinger, Oakland.
Tallis, F. (2020). Leven. Wat de grootste psychologen ons vertellen over geluk, onbehagen en zingeving. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen.