Browse Category: Relaties

Sugar dating: uitbuiting van wie jong en mooi is?

Vorige week lanceerde een marketing bureau een campagne om onder Belgische studenten sugar babes te rekruteren. Deze sugar babes zijn nodig omdat de sugar daddy website ‘richmeetbeautiful.com’ zich ook op de Belgische markt wil richten. Via dit platform willen ze jonge – mooie – vrouwen koppelen aan rijke – oudere – mannen. Wegens de collectieve maatschappelijke verontwaardiging, is de campagne ondertussen alweer afgeblazen.

Sugar daddy

Met het afvoeren van de campagne is echter het fenomeen van sugar daddy websites en studenten in de seksindustrie nog niet verdwenen. Vorige week bleek nog dat zo’n 2% van de Brusselse studenten aan prostitutie doet1.

Continue Reading

 

Seksueel geweld, eigen aan onze cultuur?

“Welke kleren had je aan? Dronk je alcohol die avond? Waarom ging je naar dat feestje? Ga je wel vaker naar feestjes? Heb je een partner? Heb je je partner al eens bedrogen? Hoe oud was je toen je voor het eerst begon te daten?”

Dit is een selectie uit de vele vragen die een Amerikaanse studente en slachtoffer van verkrachting kreeg voorgeschoteld door de politie. De relevantie van deze vragen is ver zoek maar ze kaderen de maatschappelijke context waarmee slachtoffers van seksueel geweld geconfronteerd worden. Hoewel de dader door de jury unaniem schuldig werd verklaard, kreeg hij slechts zes maanden celstraf met als argument dat een langere celstraf zijn toekomst – hij was een beloftevolle sporter – al te veel op het spel zou kunnen zetten.

Continue Reading

 

We organiseren adoptie maar begrijpen het niet

Wat betekent adoptie? Wat maakt het leven als geadopteerde mooi of juist moeilijk? Is steun op zijn plaats en zo ja, welke? Prof. Michel Vandenbroeck en Prof. Ann Buysse van de Universiteit Gent interviewden 30 (jong)volwassen geadopteerden in kleine groepen. De deelnemers kwamen uit diverse herkomstlanden. Ze groeiden op met broers en zussen die biologische kinderen van hun ouders waren of ook geadopteerd waren. Sommigen hadden een goede relatie met hun ouders, anderen niet. De onderzoekers beluisterden de gesprekken, noteerden alle meningen en analyseerden hun diepere betekenis. Het onderzoek toont de verscheidenheid aan meningen en niet of een mening meer of minder voorkomt of typisch is voor adoptie.

De buitenwereld verwacht dankbaarheid

Verschil is evenzeer aanwezig als herkenning. Voor sommigen is het leven (soms) pijnlijk en is hulp moeilijk. Voor anderen is adoptie gewoonweg niet relevant. Adoptie gaat samen met positieve en negatieve gevoelens, vaak op hetzelfde moment. Geadopteerden zijn bijvoorbeeld blij met het leven hier en ook nieuwsgierig naar hoe het had kunnen zijn in het gezin van herkomst. Vaak zijn gevoelens niet te begrijpen en vooral niet uit te leggen. Zo verwacht de buitenwereld bijvoorbeeld dankbaarheid. Dat vinden geadopteerden moeilijk want zij hebben niet voor adoptie gekozen. Dat deden hun ouders. Zij zouden dankbaar kunnen zijn. Tegelijk willen ze niet ondankbaar zijn.

“Alsof je elke keer als je uit een auto stapt dankbaar zou moeten zijn dat je weer ontsnapt bent aan een verkeersongeluk”

Ook professionelen missen expertise en empathie

Uit de verhalen blijkt veel onwetendheid en stereotypering in onze samenleving. Geadopteerden voelen dit dagdagelijks. Er is bijvoorbeeld de nooit aflatende nieuwsgierigheid van de buitenwereld, de steeds terugkerende vraag waarom ze werden afgestaan. Of ze worden behandeld als Chinees, zwarte of Filipijnse, met bijbehorende stereotypen. Ze worden aangesproken in het Engels, gezien als lui of net hardwerkend of geassocieerd met prostitutie. Ook professionelen missen soms de nodige empathie, gevoeligheid en begrip voor adoptie. Dat is extra pijnlijk.

Ik ben geen stereotiepe Aziaat!

Geadopteerden passen zich dan maar aan de buitenwereld aan. Ze beantwoorden vragen en blijven beleefd. Ze nemen bijvoorbeeld geen foto’s in het openbaar om niet door te gaan voor een stereotiepe Aziaat. Of ze reageren met een kwinkslag. Dat maakt geadopteerden tegelijk sterk en kwetsbaar. Ze zijn bijvoorbeeld flexibel en kunnen sociale situaties goed inschatten. Maar ze hebben ook problemen met vertrouwen. Ze hebben weinig grenzen of trekken net een muur op rondom hen.

“Ik spreek geen chinees en eet ook niet graag chinees. Ik ben geadopteerd”

 Naar een begripvolle en begrijpende samenleving!

Adoptie is zowel normaal als bijzonder. Het behoort tot de diversiteit van onze samenleving. Een goed geïnformeerde samenleving zonder stereotype denkbeelden zou het leven voor geadopteerden aanzienlijk makkelijker maken. Adoptiegevoelige hulp- en dienstverlening kan problemen beter aanpakken. Het steunpunt adoptie kan best op beide punten inzetten.

Auteurs

Prof. Michel Vandenbroeck & Prof. Ann Buysse werken beide aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent.

__________

Als reactie op dit artikel kregen wij volgende mail binnen:

Met interesse las ik het artikel ‘We organiseren adoptie maar begrijpen het niet‘.
Ik kreeg het in mijn mailbox mij knack…
Wat maakt het leven als geadopteerde mooi, of juist moeilijk ?
Ik vond de titel in Knack eigenlijk treffend…is het mooi, of is het vooral moeilijk ?
Of allebei ?
Nu, als geadopteerde van (ondertussen) 43, springt zo’n titel uiteraard direct in het oog.
En natuurlijk, klik ik direct door om de inhoud te gaan lezen.
Steeds ben ik heel benieuwd wat de tekst zal zijn en steeds hoop ik dat het over elke geadopteerde zal gaan. Maar neen, weer niet….Het gaat immer en altijd over geadopteerden uit ‘diverse herkomstlanden’. Precies of er geen kinderen geadopteerd worden in België zelf ?
Precies of die kinderen geen problemen kennen, vergelijkbare, maar ook verschillende.
Voor kinderen die een andere huidskleur hebben, spreekt het vanzelf de ze geadopteerd zijn.
Voor kinderen met dezelfde huidskleur, zoals in mijn geval, wordt het afgedaan alsof het nooit heeft bestaan. De buitenwereld weet niet dat ik geen natuurlijk kind van mijn ouders ben.
Wat een taboe, daar mocht uiteraard nooit over gesproken worden.
Ik zelf heb er op een bepaald moment geen geheim meer van gemaakt.
Ook mijn kinderen weten precies wat er aan de hand is, en hebben ondertussen ook met hun biologische oma kennis gemaakt. Maar ik vraag me steeds af waarom ?
Waarom worden wij uit het oog verloren ?
Omdat wij vanuit de zelfde cultuur afkomstig zijn en dus minder “schokken” kennen ?
Niets is minder waar. Mijn ouders konden onmogelijk nog meer verschillend zijn dan mijzelf.
Onze historische, culturele, intellectuele achtergrond gaapt uiteen.
Dat alleen al heeft altijd voor mezelf tot grote problemen geleid.
Als kind heb ik de kansen niet gekregen die ik in misschien in mijn biologische gezin zou krijgen. Pas op latere leeftijd heb ik dat begrepen. Nu weet ik dat wij gewoon anders zijn, geen van beiden is slecht, er is niks mis met mij, we zijn gewoon anders. En ja, op heel veel vlakken begrijpen we elkaar niet.
Pas op, ik zie mijn ouders graag, daar gaat het niet om. Maar het is niet omdat je van dezelfde streek afkomstig bent, dat er minder “schokken” of “verschillen” aanwezig zijn.
Er zijn ook zoveel gelijkenissen met andere geadopteerden. Dankbaarheid word je door het strot geduwd van zodra je kan begrijpen dat je ouders je ouders niet zijn. Dankbaar en dienstbaar ben ik opgevoed. Ik mocht toch oh zo blij zijn dat ik was geadopteerd…
Maar ik ben en was daar nooit blij om.
Pas op, nogmaals, ik zie mijn ouders graag, maar ik was liever in mijn biologische omgeving gebleven – met alle problemen daar.
Als geadopteerde mag je geen problemen hebben – je moet immers zo dankbaar zijn dat ze je wilden hebben…. het is alvast heel herkenbaar, dit artikel !
Ik hoop hiermee aandacht te hebben gevraagd voor binnenlandse adopties…een zaak waar gewoonweg geen aandacht voor is. Het wordt doodgezwegen, net als de adoptie zelf.
 

Hoe meer seks, hoe gelukkiger?

Wat we al wisten: er bestaat een positieve correlatie tussen de frequentie waarmee je seks hebt en je geluksgevoel. Hoe meer seks, hoe contenter, voor beide geslachten en over verschillende culturen heen. Wat we nog niet wisten: hoe zit dat verband precies in elkaar? Want hoewel sommigen misschien denken in dit wetenschappelijke feit hét argument te hebben gevonden dat ze zochten, wil dit niet noodzakelijk zeggen dat een verhoging van de seksfrequentie ook meer geluk in de hand werkt. Daarvoor zou je eigenlijk koppels moeten verzamelen, onderzoeken hoeveel keer ze nu seks hebben en hoe gelukkig ze zijn, hen dan verplichten meer seks te hebben en na een tijdje opnieuw hun geluk te meten. Pas als men dan ook echt gelukkiger is, kan je (met relatieve zekerheid) zeggen dat het komt omdat hun seksfrequentie werd verhoogd. En dat is precies hoe dit onderzoek is aangepakt.

For science!

Enkele koppels die zo altruïstisch waren hun seksleven ten dienste van de wetenschap te stellen, werden verzameld en in 2 groepen verdeeld: een controlegroep (bestaande uit 28 koppels) en een groep die gevraagd werd dubbel zoveel seks als normaal te hebben, hoe laag of hoog die frequentie ook lag (35 koppels, die allen minstens 1 keer per maand maar maximum 3 keer per week seks hadden voorafgaand aan het experiment). De controlegroep kreeg geen specifieke instructies en deden dus gewoon verder zoals ze bezig waren. Dit experiment duurde 90 dagen, en alle participanten werd gevraagd om elke ochtend een korte online survey in te vullen. De resultaten spraken de verwachtingen volledig tegen: de experimentele groep werd minder gelukkig naarmate het experiment vorderde.

Not quantity but quality?

Wat weten we nu meer? Wanneer je koppels oplegt om dubbel zoveel seks te hebben als normaal, worden ze daar niet gelukkiger van, zelfs integendeel. Wil dat zeggen dat er dus geen causaal verband is? Niet noodzakelijk. De opgelegde verdubbeling zorgde er namelijk voor dat de kwaliteit van de seks afnam, en men ook niet meer verlangde naar seks. Ook in voorgaand onderzoek leek kwaliteit van de seks vaak verweven met het geluksgevoel. Wie weet is die kwaliteit dus wel de ongekende causale schakel: als twee mensen goede seks hebben, zijn ze geneigd meer seks te hebben en worden ze daar gelukkiger van. We kunnen dit nu niet met zekerheid zeggen, maar het is een plausibele verklaring. Je zou dit experiment opnieuw moeten opzetten, maar in plaats van seksfrequentie, sekskwaliteit moeten kunnen verdubbelen. Meteen een pak moeilijker om te bereiken (wat Goedele Liekens er ook van mag zeggen) en zeker ook moeilijker om objectief vast te stellen: wanneer is seks significant verbeterd (voor beide partners)?

Andere verklaringen

Ook kunnen we ervanuit gaan dat koppels toegroeien naar een seksfrequentie waar ze samen zo gelukkig mogelijk van worden. Elke manipulatie van die ‘optimale frequentie’, maakt hen dus per definitie minder gelukkig. Daarbovenop is het vaak het geval dat de seksfrequentie afneemt wanneer koppels langer samenzijn en een hogere seksfrequentie dus ook vaker gepaard gaat met de gelukzalige gevoelens die een prille verliefdheid met zich meebrengt. Puur de seksfrequentie verhogen zou dan ook geen invloed hebben op het geluksgevoel, omdat het precies die verliefdheid is die daarvoor zorgt. Ook die valt (helaas) moeilijk te beïnvloeden. Uit het onderzoek kwam trouwens ook naar voor dat koppels die in de experimentele conditie zaten de volledige 3 maanden slechter gezind waren dan de controlegroep. Getrouwd zijn was hier een buffer voor, maar opnieuw: zijn zij die getrouwd zijn langer beter gezind, of zijn mensen die lang goed gezind blijven vaker getrouwd?

Conclusie

De vaststelling dat mensen die vaker seks hebben, meestal ook gelukkiger zijn, is correct. Dit wil niet zeggen dat mensen meer seks doen hebben, hen gelukkiger zal maken. Investeren in elkaar en de vlinders zoveel mogelijk in tact houden heeft waarschijnlijk meer effect op je geluksniveau – en op je seksleven. Dat, of aan de juiste studies deelnemen.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als research consultant bij Profacts. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

Referentie

  • Loewenstein, G., Krishnamurti, T., Kopsic, J. & McDonald, D (2015). Does increased sexual frequency enhance happiness? Journal of Economic Behavior & Organization, 206-218.
  • Blanchflower, D., sward, A. (2004). Money, sex and happiness: an empirical study.
 

Te aantrekkelijk om waar te zijn… of niet?

Heb je je wel eens afgevraagd hoe we onze wederhelft kiezen? De kans is groot dat je verwacht dat fysieke aantrekkingskracht een belangrijke rol speelt. Het is ook helemaal niet abnormaal dat je dat denkt, want in deze wereld wordt schoonheid gewaardeerd, gepromoot en zelfs beloond. We krijgen wel vaker te horen dat mooie mensen meer kansen krijgen, populairder zijn en meer geld verdienen. Het is dus ook niet zo vreemd dat we een aantrekkelijke partner aan onze zijde willen. En hoe knapper je zelf bent, hoe meer kans je hebt op een knappe partner. Toch?

Aantrekkelijkheid valt ons op

Jazeker, uiterlijk speelt in het kiezen van een partner een belangrijke rol, maar is het al overheersend? We zien wel eens een aantrekkelijke jongen met een minder aantrekkelijk meisje aan de arm, of omgekeerd, en dan denken we: “mismatch” of “die kan beter krijgen”. Is het bij deze koppels dan fout gelopen of is er toch meer aan de hand? Deze vraag werd recentelijk beantwoord door Lucy Hunt en haar collega’s van de Universiteit van Texas in Austin. In hun onderzoek, dat werd gepubliceerd in Psychological Science, gingen zij namelijk na hoe het komt dat aantrekkelijke mannen en vrouwen soms voor een minder aantrekkelijke partner kiezen. De reden bleek simpelweg vriendschap te zijn: als je eerst bevriend bent en daarna pas een relatie begint, doet uiterlijk er veel minder toe.

Op vraag van de onderzoekers onthulden 167 heteroseksuele koppels hoe ze elkaar hadden leren kennen. Alle partners werden individueel ondervraagd en 40 % van de koppels verklaarde dat ze eerste vrienden waren en dan pas een stel, terwijl de andere 41 % aangaf meteen een paar werden. De aandachtige lezer merkt meteen dat de som van deze aantallen geen 100 % vormt, maar dat komt omdat de rest van de koppels het niet eens waren over of ze al dan niet eerst vrienden waren vooraleer ze hun relatie begonnen.

Reacher or settler?

Daarna bepaalden een aantal studenten de aantrekkelijkheid van alle deelnemers door hen een score te geven op een zeven-puntenschaal, waarbij 1 gelijk stond aan ‘helemaal niet aantrekkelijk’ en 7 aan ‘extreem aantrekkelijk’. De studenten gaven over het algemeen gelijkaardige scores en zo konden de onderzoekers een betrouwbare correlatie maken tussen de aantrekkelijkheid van alle partners. Voor koppels die na hun eerste ontmoeting meteen een stel werden, vonden ze een gemiddelde aantrekkelijkheidscorrelatie van 0,46 (uit een maximale score van 1,0). Met andere woorden, de kans was groot dat een knappe man ook een knappe vrouw had. Bij de koppels die eerst vrienden waren was die correlatie slechts 0,18. Voorts constateerden zij ook dat hoe langer de partners elkaar kenden vooraleer ze een relatie begonnen, hoe minder sterk de correlatie was.

Hiermee toonden de onderzoekers uit Texas aan dat koppels die meteen een relatie begonnen elkaar op het gebied van aantrekkelijkheid meer evenaarden, terwijl het uiterlijk een minder bepalende factor was bij partners die eerst vrienden waren. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat vriendschap mensen de tijd geeft elkaars andere kwaliteiten te leren kennen en waarderen en hierdoor oppervlakkige schoonheid een minder grote rol gaat spelen.

Auteur: Evy Woumans

Evy Woumans studeerde in 2009 af als Vertaler aan de Erasmushogeschool Brussel. Na het volgen van een lerarenopleiding en een tweede Master in Advanced Linguistics aan de Vrije Universiteit Brussel, behaalde ze in 2015 haar Doctoraat in de Psychologie aan de Universiteit van Gent. In haar proefschrift onderzocht ze voornamelijk de effecten van tweetaligheid op algemeen cognitief functioneren, zowel in kinderen en gezonde volwassenen als in patiënten met de Ziekte van Alzheimer. Ook mensen die op een specifieke manier met een tweede taal bezig zijn, zoals vertalers en tolken, kwamen hierin aan bod. Voorts interesseert ze zich ook in hoe verschillende talen worden gerepresenteerd en verwerkt in de hersenen en hoe communiceren in een vreemde taal het denken beïnvloedt.

 

Seksuele minderheden en stigma: masters of impression management?

Onszelf beter voordoen dan we zijn, we doen het allemaal. Er is geen beter bewaard publiek geheim dat tegelijkertijd zo natuurlijk is aan onszelf. Ettelijke liters inkt vloeiden reeds over de mogelijke nefaste invloeden van gepolijste facebookprofielen die ons een werkelijkheid voorspiegelen die eigenlijk niet bestaat: perfecte levens waar we altijd knap zijn, uitbundig lachen, fancy restaurants bezoeken en de mooiste vakantiekiekjes presenteren.

In de wetenschappelijke literatuur heeft men het over “Impression management” waarvan we de origine reeds in 1959 terugvinden bij de Canadese socioloog Erving Goffman (1959). In zijn boek “The Presentation of Self in Everyday Life” benadrukt hij de rol van zelfpresentatie als een manier van het individu om zichzelf te plaatsen binnen de sociale orde en sociale interacties te faciliteren. In een gesprek met een ander, passen we ons uiterlijk en manieren aan aan de context. De samenleving is immers niet homogeen. We moeten ons adapteren aan verschillende sociale contexten.

Impression management kan in het bijzonder voor gestigmatiseerde groepen een aantal voordelen opleveren. Wanneer je je minderheidskenmerk kan verbergen, levert dat misschien voordelen op in specifieke situaties zoals op een sollicitatiegesprek. Dat is natuurlijk nogal moeilijk als je een Marokkaanse jongen bent of als je een fysieke en zichtbare handicap hebt. Voor holebi’s behoort het verbergen van hun seksuele oriëntatie wel tot de mogelijkheden. Dat heeft zo zijn voor- en nadelen.

Coming out en zichtbaarheidsmanagement

We zijn ondertussen allemaal wel vertrouwd met het concept “coming out”: het kenbaar maken van een homo- of biseksuele oriëntatie aan de buitenwereld.  Het concept heeft echter zijn beperkingen. Ten eerste lijkt het alsof een coming out een éénmalig gegeven is: na de publieke bekentenis is iedereen voor eeuwig en altijd ingelicht over je seksuele oriëntatie. Dat is natuurlijk niet het geval. Telkens wanneer je nieuwe mensen ontmoet of toetreedt tot nieuwe sociale kringen (een nieuwe job, opleiding, op reis,…) moeten holebi’s opnieuw voor zichzelf de keuze maken om al dan niet zichzelf te outen. Daarnaast wordt coming out vaak begrepen als een doelbewuste actie: in een gesprek maakt men duidelijk dat men holebi is. Ook dat is niet altijd het geval. Er zijn immers heel wat impliciete, onbewuste of symbolische manieren om jezelf als holebi kenbaar te maken. Denk maar aan het dragen van het (destijds in Antwerpen veel besproken) regenboog T-shirt achter het loket. Ook het stellen van gender-nonconform gedrag (zich als jongen “verwijfd” of als meisje erg mannelijk gedragen) kan een manier zijn om zichzelf kenbaar te maken. Het wordt in ieder geval ook door anderen zo herkend: verwijfde jongens worden vaak gepercipieerd als homo, mannelijke vrouwen als lesbienne. Een homotiener getuigt in een diepte-interview: “Bij mij valt dat nogal hard op hé (lacht). Bijvoorbeeld hier, mijn handtas. Die is wel voor mannen, maar toch. (lacht). Dat is wel gemakkelijk dat ’t opvalt. Dan moet ik het niet zeggen hé, dan weten ze ’t ineens.”  Het cliché is hier dan ook geen verwijt maar net een dankbaar instrument.

Om aan de beperkingen van het concept “coming out” tegemoet te komen, gebruiken we vandaag eerder het concept zichtbaarheidsmanagement: het continue proces waarbij holebi’s zorgvuldige beslissingen maken over het al dan niet zichtbaar maken van hun seksuele oriëntatie in een verscheidenheid van sociale situaties. Omgaan met deze openheid kan dan samengaan met het (minder) ervaren van mentale stress voortvloeiend uit het ervaren van stigma. Holebi’s doen het immers niet zo goed op vlak van mentaal welbevinden en dat geldt in het bijzonder voor holebi-jongeren: ze scoren hoog op het ervaren van depressieve gevoelens en worstelen vaker dan heterojongeren met zelfmoordgedachten. Daarbij zijn ze ook vaak geneigd om zelf negatief te denken over homo- en biseksualiteit (i.e. geïnternaliseerde homonegativiteit): ze schamen zich erover of zien vooral de negatieve kanten ervan in. Sinds de start van de moderne holebi-emancipatiebeweging aan het eind van vorige eeuw, is coming out altijd gedefinieerd als een belangrijke mijlpaal in het leven van holebi’s. Hoe meer open, hoe meer met zichzelf in het reine en hoe gelukkiger. Maar is dat ook zo? Meer open zijn kan immers ook leiden tot meer ervaringen van discriminatie en vooroordelen. Wat zijn de voor- en nadelen die samengaan met openheid? Dat hebben we onderzocht.

Meer discriminatie, minder openheid, meer stress

2378 holebi’s vulden een uitgebreide vragenlijst in. We gingen daarbij in het bijzonder na of er een verband was tussen zichtbaarheidsmanagement (al dan niet open zijn in een diversiteit aan situaties) en het ervaren van mentale stress. Dit bleek in sterke mate het geval: minder openheid ging samen met meer geïnternaliseerde homonegativiteit. Meer discriminatie ervaren ging samen met minder openheid. Dat laatste ging dan weer samen met meer mentale stress. Deze relaties vonden we zowel bij homo- en biseksuele mannen als bij lesbische en biseksuele vrouwen terug. Lesbische en biseksuele vrouwen rapporteerden wel meer dan mannen reacties op gender-nonconform gedrag (i.e. dat ze zich te mannelijk gedragen) en hadden ook meer mentale stress.

De manier waarop holebi’s zichzelf presenteren aan de buitenwereld doet er dus wel degelijk toe. Het kan zelfs een manier zijn om met minderheidsstress om te gaan: discriminatie vermijden door jezelf onzichtbaar te maken maar daarvoor wel een hoge tol betalen: het ervaren van meer mentale spanningen. Het toont ook de veerkracht aan van individuen om op een actieve manier met hun sociale wereld om te gaan. Bepaalde gedragingen, symbolen, kledingsstijl,… kunnen actief ingezet word om een duidelijk signaal te geven aan de buitenwereld en om interne spanningen te kanaliseren. Het is dus niet altijd een “doen alsof” maar eerder het spelen van een bepaalde rol en daarmee zelf actief vorm geven aan sociale interacties. Holebi’s zijn dus niet uitsluitend slachtoffers van de heersende stereotiepen, soms zetten ze die ook gewoon naar hun hand.

Referenties

  • Dewaele, A., Van Houtte, M., Cox, N., & Vincke, J. (2013). From Coming Out to Visibility Management—A New Perspective on Coping With Minority Stressors in LGB Youth in Flanders. Journal of homosexuality, 60(5), 685-710.
  • Dewaele, A., Van Houtte, M., & Vincke, J. (2014). Visibility and Coping with Minority Stress: A Gender-Specific Analysis Among Lesbians, Gay Men, and Bisexuals in Flanders. Archives of sexual behavior, 43(8), 1601-1614.
  • Erving, G. (1959). The presentation of self in everyday life. Garden City, NY: Anchor.

Auteur: Alexis Dewaele

Alexis Dewaele behaalde een master in de psychologie en een doctoraat in de sociologie. Gedurende acht jaar werkte hij voor het Steunpunt Gelijkekansenbeleid (Universiteit Antwerpen – Universiteit Hasselt) waar hij onderzoek deed naar de maatschappelijke context van seksuele minderheden in Vlaanderen. Momenteel werkt hij als coördinator van PSYNC, het consortium klinische psychologie van de Universiteit Gent. Zijn meest centrale onderzoeksthema’s zijn (seksuele) identiteit, sociale netwerken, minderheidsstress, mentaal welbevinden en seksuele gezondheid.

 

Tegen een stereotype kijk op partnergeweld.

Intiem terrorisme vs. algemeen koppelgeweld

Sinds het begin van onderzoek naar partnergeweld in de jaren 70’ in de Verenigde Staten werd het domein gedomineerd door twee tegenstrijdige stromingen (Johnson & Ferraro, 2000).  De “feministische stroming” (e.g., Dobash & Dobash, 1979) ziet de oorzaak van partnergeweld in de overheersende, patriarchale drang naar macht en controle van mannen over vrouwen. De “familie psychologie” stroming (e.g., Strauss & Gelles, 1990) daarentegen stelt dat partnergeweld het resultaat is van geëscaleerd conflict in intieme relaties. Johnson (1995) en Johnson en Ferraro (2000) probeerden de visies van beide stromingen met mekaar te verzoenen door te stellen dat er niet één uniforme vorm van partnergeweld bestaat. Deze twee stromingen verwijzen naar 2 types van partnergeweld namelijk “intiem terrorisme” en “algemeen koppelgeweld”.

Wanneer men denkt aan partnergeweld, dan denken meeste mensen spontaan aan intiem terrorisme. In het algemeen staat dit type van geweld bekend als de heteroseksuele man die ernstig fysiek en psychologisch geweld gebruikt ten opzichte van zijn vrouwelijke partner. Dit type van geweld verwijst naar het systematisch gebruik van ernstig geweld om de partner te domineren, intimideren, controleren en onderwerpen. Dikwijls escaleert dit type van geweld ook over de tijd heen. Intiem terrorisme wordt het meest opgemerkt in klinische populaties en in forensisch onderzoek.

Echter, de meest voorkomende vorm van partnergeweld is algemeen koppelgeweld. Een of beide partners stellen licht tot ernstig agressief gedrag maar geen van beiden gebruikt geweld in functie van een voortdurende nood aan macht en controle in de relatie. In tegendeel, algemeen koppelgeweld is situatie gebonden en wordt daarom ook soms “situationeel koppelgeweld” genoemd. Dit type van partnergeweld komt voornamelijk voor in de context van onenigheid en gespannen conflictsituaties in de relatie. Ondanks het feit dat ruzie en onenigheid onvermijdelijk zijn in elke relatie, escaleren deze situaties bij sommige koppels tot geweld. Dit type van geweld weerspiegelt andere relatiedynamieken dan  intiem terrorisme en wordt daarom veeleer opgemerkt in bevolkingsonderzoeken dan in klinisch of forensisch onderzoek.

Hoe vaak komt partnergeweld algemeen voor?

In dit doctoraatsonderzoek wilden we meer inzicht krijgen in het voorkomen van algemeen koppelgeweld in verschillende populaties: Vlaamse heteroseksuele mannen en vrouwen, Vlaamse mannen en vrouwen van Turkse origine en holebi’s. Onze resultaten toonden duidelijk aan dat algemeen koppelgeweld niet enkel heteroseksuele vrouwen treft. Het doet zich in beide richtingen voor en in alle relaties, ongeacht de etnische achtergrond of seksuele voorkeur. We vonden dat 10% van de Vlaamse hetero’s ooit fysiek geweld meemaakte en dat 56.7% van hen ooit geconfronteerd werd met psychologisch algemeen koppelgeweld. Kijken we naar het voorkomen van algemeen koppelgeweld bij Vlaamse personen van Turkse origine (2de generatie), dan zien we dat 14.3% van hen ooit fysiek geweld meemaakte en 66% van hen ooit psychologisch geweld ervoor door een intieme partner. Tenslotte toonden onze resultaten aan dat 14.5% van de holebi’s ervaring had met fysiek geweld en 57.9% van hen had ooit psychologisch geweld meegemaakt. Zoals we verwacht hadden ging het over onze verschillende studies heen voornamelijk om lichte tot milde vormen van partnergeweld.

Geslachtsverschillen?

Zoals verwacht vonden we geen verschil tussen heteroseksuele mannen en vrouwen in het ervaren van algemeen koppelgeweld. Vlaamse vrouwen van Turkse origine werden vaker het slachtoffer van fysiek geweld dan Vlaamse mannen van Turkse origine maar voor psychologisch geweld vonden we geen verschil tussen beide groepen. Tenslotte suggereren onze resultaten dat lesbische vrouwen en homomannen even vaak het slachtoffer worden van fysiek en psychologisch geweld. Echter, onder de slachtoffers rapporteerden de lesbische vrouwen meer psychologisch geweld dan homomannen.

Mentaal, relationeel en seksueel welzijn van slachtoffers?

We weten dat slachtoffers van ernstig fysiek en psychologisch geweld op tal van vlakken een verminderd welzijn rapporteren. Dit doctoraatsonderzoek laat zien dat partnergeweld geen extreme proporties dient aan te nemen om een negatief effect te hebben op het welzijn van slachtoffers. Bovendien hoeft dit geweld niet van fysieke aard te zijn om het welzijn van slachtoffers te beïnvloeden. Slachtoffers van fysiek en psychologisch partnergeweld ervaren een minder goed mentaal welzijn, minder relatietevredenheid, minder seksuele tevredenheid en meer seksuele disfuncties.

Beleids- en klinische implicaties

Onenigheid en conflict zijn inherent aan intieme relaties. Jammer genoeg zoeken heel wat koppels hun toevlucht tot geweld wanneer ze geconfronteerd worden met situaties die niet stroken met hun persoonlijke belangen en interesses. Met onze resultaten hopen we bij te dragen aan de empirische grondslag die nodig is om deze problematiek aan te pakken op beleidsniveau. Zoals verwacht is algemeen koppelgeweld een globaal fenomeen dat geen grenzen kent naar geslacht, seksuele voorkeur of etnische achtergrond. Het meest recente Nationaal Actieplan tegen Partnergeweld (NAP 2010-2014) bespreekt het belang van aandacht voor partnergeweld bij etnische minderheidsgroepen in België. Met onze cijfers hopen we het belang hiervan verder te onderstrepen opdat deze slachtoffers ook voldoende geïnformeerd worden over de problematiek alsook op ondersteuning kunnen rekenen. Vervolgens hopen we ook dat er op maatschappelijk niveau meer expliciet zal gemeld worden dat partnergeweld ook voorkomt in holebirelaties. Onderzoek naar partnergeweld in holebirelaties is uitermate relevant om aan te tonen dat geweld ook voorkomt buiten de traditionele man – vrouw relaties, zoals voorgeschreven door feministische aanhangers.

Relatieproblemen zijn een belangrijke reden waarom mensen de stap zetten naar psychotherapie. Echter, personen of koppels in therapie melden dikwijls niet spontaan dat er sprake is/was van geweld in hun huidige of vorige partnerrelatie. Gegeven het feit dat in een intieme relatie zelf lichte vormen van geweld gerelateerd zijn aan een verminderd relationeel en seksueel welzijn in een intieme relatie hopen we dat dit doctoraatsonderzoek (a) bijdraagt tot meer onderzoek naar de relationele dynamieken van partnergeweld in klinische en niet-klinische steekproeven en (b) het belang benadrukt van te peilen naar mogelijkse geweldervaringen en aandacht te hebben voor de conflictstrategieën van koppels in psychotherapie.

Auteur: Sabine Hellemans

Sabine Hellemans  is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent, vakgroep Experimenteel, Klinische en Gezondheidspsychologie. Ze maakt deel uit van het UGent FamilyLab en  haar onderzoek focust zich op geweld in intieme relaties. Haar doctoraatsthesis (2014) spitste zich toe op het nagaan in welke mate Vlaamse heteroseksuele mannen en vrouwen, Vlaamse mannen en vrouwen van Turkse origine en holebi’s te maken krijgen met verschillende vormen van partnergeweld. Ze deed dit aan de hand van enkele grootschalige bevolkingssteekproeven. Ze onderzocht eveneens hoe het ervaren van partnergeweld gerelateerd is aan slachtoffers’ mentaal welzijn en hun relationeel en seksueel welzijn in een intieme relatie.

 

Waarom hebben mensen seks?

Is het nu echt nodig om daar een onderzoeksproject aan te wijten? Het lijkt toch evident. Om zich voort te planten, om  seksuele spanning te ontladen of omdat het leuk is toch? De variëteit aan seksueel gedrag doet echter vermoeden dat seksuele motivatie meer divers en complex is. Om zicht te krijgen op de redenen waarom wij Vlamingen seks hebben en dit in verband te brengen met  seksueel gedrag en seksuele beleving, hebben de studenten seksuologie van de Universiteit Gent een grootschalig online onderzoek opgezet. Iedereen die seksueel actief is en 30 minuten tijd wil uittrekken, kan de vragenlijst invullen op www.waaromseks.be. Deelnemen kan t/m 31 maart 2014.

Seksuele beleving

Bevolkingsonderzoek naar seksualiteit richt zich doorgaans op gedragsvariabelen met als voornaamste focus cijfers mbt seksuele frequentie, seksuele praktijken en prevalentie van seksuele problemen. Hoeveel keer we ‘het’ moeten doen om normaal te zijn is veelvuldig onderzocht. De studie van seksueel gedrag biedt echter weinig inzicht in de seksuele beleving van mensen en het is die beleving die het seksueel welzijn en uiteindelijk de kwaliteit van leven determineert.  Wat zegt het ons dat een koppel gemiddeld tweemaal per week seks heeft?  Als deze frequentie primair gedreven wordt vanuit onzekerheid of andere negatieve motieven kan dit meer nefast zijn voor de seksualiteitsbeleving dan een koppel dat eenmaal per maand seks heeft vanuit gevarieerde, positieve motieven. Om seksueel gedrag en diens verhouding tot seksuele beleving beter te begrijpen, is het dus belangrijk om de proximale determinanten van gedrag te bestuderen, namelijk seksuele motieven.

Ondanks het wezenlijke belang, is onderzoek naar seksuele motivatie lange tijd onderbelicht geweest. Om deze lacune in de literatuur op te vangen, hebben Amerikaanse onderzoekers in 2007 aan 444 psychologie-studenten gevraagd om alle mogelijke motieven op te lijsten waarmee zij of anderen seks hebben (Meston & Buss, 2007). Uit deze rondvraag kwamen 237 motieven naar voren die de onderzoekers onderverdeeld hebben in 4 hoofdcategorieën, namelijk (1) fysieke redenen (stress reductie, plezier, fysieke begeerte, ervaringen opzoeken), (2) doelgericht (middelen bekomen, sociale status, wraak, utilitarisme), (3) emotionele redenen (liefde, commitment en expressie), en (4) onzekerheid (ego-boost, plicht/druk, partner niet verliezen). Na exclusie van overlappende en weinig voorkomende motieven, kwamen zij tot een vragenlijst van 139 motieven die gevalideerd werd in later onderzoek. Hoewel mannen doorgaans meer gericht zijn op fysieke motieven en vrouwen meer vrijen vanuit emotionele en relatie-motieven, bleek uit dit Amerikaans onderzoek dat niet minder dan 8 motieven uit de top 10 van de mannen ook in die van de vrouwen staan. Dit is een opvallend resultaat dat ons aanmoedigt om niet alleen te focussen op gender-verschillen, maar ook meer aandacht te hebben voor de overlap tussen mannen en vrouwen.

Een belangrijke meerwaarde van de YSEX vragenlijst is dat dit instrument toelaat om de variëteit aan motieven alsook de frequentie waarmee mensen vrijen vanuit een bepaald motief te inventariseren. Beide parameters zijn belangrijk om seksueel gedrag en seksuele beleving te begrijpen. We kunnen immers stellen dat de variëteit aan motieven en de flexibiliteit waarmee mensen de betekenis van seks kunnen onderhandelen en mee laten variëren met leeftijd of levensgebeurtenissen, belangrijke voorspellers zijn van seksuele tevredenheid.

Seksuele beleving in verschillende doelgroepen

Flexibiliteit mbt seksualiteit en seksuele motivatie blijken een belangrijk thema te zijn wanneer mensen geconfronteerd worden met een ingrijpende ziekte zoals Multiple Sclerose (MS) en kanker. Verschillende lichaamsfuncties, waaronder de seksuele functies, vallen uit en ook de behandeling kan interfereren met het seksueel functioneren. Hoewel we weten dat seks een belangrijke rol kan blijven vervullen in het omgaan met en het verder-leven na de ziekte, is er weinig onderzoek naar de seksualiteitsbeleving, en zeker niet naar de seksuele motieven, van mensen met kanker en MS. Naast een algemene bevraging van de gemiddelde Vlaming, willen we ons ook specifiek richten op een aantal doelgroepen die tot op heden weinig bevraagd zijn in seksualiteitsonderzoek: mensen met MS en kanker, en ook mensen met obesitas, mensen met een (subklinisch) seksueel probleem, transgenders, jongeren en senioren. Op basis van de resultaten van dit onderzoek hopen wij tot een beter begrip te komen van de link tussen seksueel gedrag en seksuele beleving in de algemene populatie, alsook concrete aangrijpingspunten om seksualiteit bespreekbaar te maken bij deze specifieke doelgroepen.

Referentie

  • Meston, C.M., & Buss, D.M. (2007). Why humans have sex. Archives of Sexual Behavior, 36, 477-507

Auteur: Marieke DeWitte

Marieke Dewitte is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent, vakgroep Experimenteel, Klinische en Gezondheidspsychologie en Assistant Professor aan de Universiteit Maastricht, vakgroep Clinical Psychological Science. Na het afronden van haar opleiding seksuologie in Amsterdam (2010) werkt ze als seksuoloog in het Centrum voor Seksuologie en Genderproblemen in het Universitair Ziekenhuis Gent en sinds 2012 coördineert ze de PEV opleiding seksuologie aan de universiteit Gent.

 

Macht erotiseert, maar heel anders dan we denken.

Man in hoge positie blijkt een minnares te hebben: het is een verhaal dat af en toe eens in het nieuws komt. De laatste toevoeging aan deze lange lijst is François Hollande, maar hij staat zeker in goed gezelschap: Dominique Strauss-Kahn, John F. Kennedy, François Mitterrand, Albert II, John Profumo… Meer dan vroeger krijgen deze verhalen ook veel aandacht in de pers, zeker als de omstandigheden van de sexuele escapades niet even koosjer zijn. Het verhaal van de briljante Franse economist Strauss-Kahn met de dure pakken, mooie wagens en een nogal dwingende voorliefde voor vrouwelijk schoon die op compleet onbegrijpelijke wijze een dienstmeisje aanrandde, intrigeert vriend en vijand. Allen zijn ze de belichaming van een torenhoog cliché: macht erotiseert.

Wat is dat toch met machtige mannen en clandestiene seks?

Er zijn een aantal mogelijkheden. Het zou kunnen dat er helemaal niets speciaals aan de hand is. Dat veel mannen er een bochtig amoureus parcours op na houden. Dat machtige mannen nu eenmaal sneller in de kijker lopen en, jammer voor hen, elke misstap de pers haalt.

Het zou echter ook kunnen dat een overmatige seksuele drive en torenhoge professionele ambities elkaars onafscheidelijke tweelingbroertjes zijn, beiden tot ongekende hoogten opgezweept door een laaiend testosteronniveau.

Of het zou kunnen dat mannen die zich laven aan de bronnen van de macht, er echt dronken van worden. Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar misschien geldt dat niet langer voor deze Masters of the Universe.

Misschien, opperde ook Mia Doornaert in Reyers Laat, doen machtige mannen bij vrouwen meteen het beeld van de prins op het witte paard voor ogen komen en, onschuldige deernes als ze zijn, vallen ze als een blok voor status, prestige en charisma.

Wat zegt de wetenschap?

Het zal u wellicht niet verrassen dat wetenschappers zich ook al een paar keer verbrand hebben aan deze vragen. Psychologisch onderzoek lijkt vooral de derde mogelijkheid te ondersteunen. Mensen, man of vrouw, die macht verwerven worden onrealistisch optimistisch over mogelijke seksuele interesse van toekomstige partners. Het zelfvertrouwen krijgt een zodanige boost dat men zich voelt alsof iedereen interesse heeft en vandaar gaat men ook veel meer initatief nemen want men is tamelijk zeker van zijn zaak. Vandaar komen politici, bedrijfsleiders,… vaker in een situatie als Hollande terecht. Men vindt zichzelf veel knapper en wordt iets dominanter. Ze zoeken meer toenadering, maken meer oogcontact.  ‘Dronken zijn van macht’ is meer dan een mooie metafoor, de effecten van een alcoholintoxicatie zijn heel gelijkaardig.

Mensen die macht verwerven, leggen strikte morele regels op aan anderen, maar hebben geen problemen om die regels zelf te overtreden. Mensen die macht verwerven, geven zelf aan meer ontrouw te zijn en ook meer plannen te hebben om hun partner te bedriegen.

Conclusie: Russische roulette

Kortom, macht erotiseert. Maar op een heel andere manier dan we denken.

Het zijn niet de toekomstige bedpartners die zwijmelen bij het zien van zoveel macht en status. Nee, het zijn de machthebbers zelf die zich bewust worden van hun status en er zich naar gedragen, initieel vaak met succes.

Het welslagen van hun escapades geeft hen steeds meer zelfvertrouwen, maakt hen schijnbaar onaantastbaar en steeds roekelozer. Maar, zoals DSK ondervond in zijn peperdure hotelsuite, er zit altijd één kogel in de revolver bij Russische roulette.

Referenties

  • Anderson, C. & Galinksy, A. D. (2006). Power, optimism, and risk taking. European Journal of Social Psychology, 36 (4), p 511-536.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Je huwelijk redden in 20 minuten

Het is algemeen geweten dat een goeie partnerrelatie helpt bij het in stand houden en verbeteren van ons welzijn. Mensen waarvan de huwelijkskwaliteit hoger ligt, voelen zichzelf vaak gezonder, gelukkiger, en productiever. Zo is bv. gebleken dat mensen die een jaar na een bypass operatie zeggen dat hun huwelijk goed loopt, 3.2 keer zoveel kans hebben om 15 jaar na de operatie nog in leven te zijn dan mensen wiens huwelijk naar eigen zeggen niet over rozen gaat. Dit effect kan niet wegverklaard worden door demografische factoren van de patiënt in kwestie, zijn gedrag of zijn baseline gezondheid. Het lijkt dus weldegelijk aan de kwaliteit van het huwelijk te liggen.

Een goede partnerrelatie is dus belangrijk. We zien echter dat het huwelijksgeluk bij de meeste koppels daalt doorheen de tijd. Niet zo’n goed nieuws, dus. In deze blogpost gaan we dieper in op wat koppels kunnen doen om hun huwelijksgeluk langer te behouden.

Vicieuze cirkel van negatieve gevoelens

Een van de factoren die een groot aandeel hebben in het dalend huwelijksgeluk is wat men in de literatuur de ‘wederkerigheid van negatieve gevoelens’ noemt. Het is de ketting van negatieve reacties waarin partners wel eens verzeild kunnen raken. Wanneer een partner negatieve feedback ontvangt, zal die op zijn beurt een negatieve reactie geven aan de andere partner. Dit gebeurt vaak als een soort vergelding en heeft vooral als doel een even vervelend gevoel op te roepen bij de andere.

Deze vicieuze cirkel moet je dus doorbreken alvorens het de natuurlijke reflex begint te worden in een relatie. Maar hoe doe je dat?

Emotionele herinterpretatie

In een recent onderzoek keek men specifiek naar het effect van emotionele herinterpretatie op de wederkerigheid van negatieve gevoelens. Bij emotionele herinterpretatie herbekijk je situaties die een negatieve emotie uitlokken. Het helpt bijvoorbeeld om het standpunt in te nemen van een onafhankelijke toeschouwer. Zo bekijk je een situatie vanuit meerdere perspectieven dan enkel het jouwe. Door jezelf uit de situatie weg te halen, vermindert de stress die je ervaart door het conflict. En het is net die stress die ervoor zorgt dat de huwelijkskwaliteit een duik neemt.

Onderzoek: Eerste Hulp Bij Negatieve Huwelijkssituaties

In de studie werden 120 koppels gedurende 2 jaar gevolgd. De helft van de koppels werd gevraagd om in het 2e jaar emotionele herinterpretatie toe te passen wanneer er een conflict was. Men deed dit door de koppels te vragen in 20 minuten neer te schrijven hoe een buitenstaander het conflict zou hebben gezien. De andere helft van de koppels werd deze instructie niet meegegeven.

Huwelijksgeluk: de resultaten

Bij alle koppels die onderzocht werden, daalde het huwelijksgeluk in het eerste jaar. De helft die niet gevraagd was om emotionele herinterpretatie toe te passen in het tweede jaar kende een verdere daling. De helft die emotionele herinterpretatie wél toepaste was beschermd tegen een verdere daling van het huwelijksgeluk. De negatieve trend was volledig verdwenen.

Conclusie

Met de juiste gewoontes verhoog je de kans dus dat zowel jijzelf als je huwelijk langer leven!

Referenties

  • Finkel, E. J., Slotter, E. B., Luchies, L. B., Walton, G. M., & Gross, J. J. (2013). A Brief Intervention to Promote Conflict Reappraisal Preserves Marital Quality Over Time. Psychological Science, 1-7.
  • King, K. B. & Reis, H. T. (2012). Marriage and long-term survival after coronary artery bypass

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemersschap aan de Vlerick Business School.