Browse Category: Hersenen

Wanneer druk jij op de ‘Golden Buzzer’? Gebruik de 37% regel

Dansformatie C-Fam laat de hele zaal ontploffen tijdens hun auditie voor het VTM programma “Belgium Got Talent’. Iedereen geniet van begin tot eind van hun geweldige act. “De toekomstige winnaar”, laat jurylid Dan Karaty (terecht) optekenen. Trouwe kijkers verwachten een “Golden Buzzer”, een druk op de knop dat de kandidaat een rechtstreeks ticket geeft voor de live-opnames (elk jurylid mag zo eenmaal drukken). Helaas. Geen Golden Buzzer voor C-Fam. Dan Karaty, de dansexpert onder de juryleden, had z’n Golden Buzzer reeds opgebruikt. Enkele kandidaten voorheen was Karaty al onder de indruk van die andere dansgroep “The Movement Theory”, dat hij dacht dat z’n ‘favoriet’ reeds gekend was. Te vroeg, zo blijkt nu. Met spijt tot gevolg.

Hoogst waarschijnlijk heeft u ook al kunnen ervaren dat u wel eens te vroeg beslist hebt: iemand kwam met een hoger bod nadat u al een eerder bod had geaccepteerd. Het restaurantje verder in de straat blijkt nog gezelliger en lekkerder te zijn dan het restaurant van uw keuze. En hoe weet u nu dat uw partner de ware is – was hij of zij wel uw “Golden Buzzer” waard”?

De Golden Buzzer is een mooi voorbeeld van een bestudeerd vraagstuk binnen de ‘Optimaal Stoppen’-Theorie en is gekend onder het “Secretaresseprobleem” (Ferguson, 1989). De vraag hier luidt als volgt: een vacature voor secretaresse dient ingevuld te worden, het aantal mogelijke kandidaten is gekend, maar na elke sollicitatie moet onmiddellijk beslist worden of de kandidaat de job krijgt. Hoe maximaliseer je als werkgever nu de kans om de beste secretaresse te selecteren?

Statistici kennen het antwoord: gebruik de 37% regel (of nog, de 1/e- regel, met e het grondtal van de natuurlijke logaritme). Verken (een eufemisme voor ‘wijs af’) de eerste 37% van de kandidaten en geef de eerstvolgende betere kandidaat de job. Of er nu honderd of duizend kandidaten de revue passeren – de 37% regel blijkt steeds de beste strategie te zijn. Pas hem toe, en de beste kandidaat wordt er maximaal uitgehaald. Wilt u nog snel uw droomhuis kopen om te profiteren van de woonbonus, en u kan nog gedurende een maand elke dag een huis bekijken? Beslis pas vanaf de twaalfde dag. Pas de regel toe, en u maximaliseert de kans om het beste bod te krijgen, het beste restaurant te kiezen of om zelf uw droompartner te vinden.

In theorie moeten we dus de eerste 37% mogelijke kandidaten afwijzen. In theorie. Uit onderzoek blijkt immers dat we reeds sneller beslissen (zie bijvoorbeeld Bearden, Murphy, & Rapoport, 2005; Bearden, Rapoport & Murph, 2006). Volgens Baerden en collega’s overschatten we de kwaliteit van wie of wat eerst komt en letten we minder op de kwaliteit van wie of wat nog moet volgen. Dit in combinatie met de extra inspanning die we moeten leveren om nog meer kandidaten te overwegen en te evalueren verklaren deels onze bias om te vroeg op onze Golden Buzzer te duwen.

Referenties

Bearden, J. N., Rapoport, A., & Murphy, R. O. (2006). Sequential observation and selection with rank-dependent payoffs: An experimental study. Management Science, 52(9), 1437-1449.

Dan Karaty die zo’n 100-tal kandidaten mag verwachten tijdens de audities van Belgium Got Talent, wacht dus volgend seizoen beter tot na de 37ste kandidaat om zijn Golden Buzzer te gebruiken. Pech voor die kandidaten die in de eerste drie/vier afleveringen geloot werden – maar succes gegarandeerd om zijn favoriete kandidaat in de liveshow terug te zien.

Bearden, J. N., Murphy, R. O., & Rapoport, A. (2005). A multi-attribute extension of the secretary problem: Theory and experiments. Journal of Mathematical Psychology, 49(5), 410-422.

Christian, Brian, and Tom Griffiths. Algorithms to Live By: The Computer Science of Human Decisions. Macmillan, 2016.

Ferguson, T. S. (1989). Who solved the secretary problem?. Statistical science, 4(3), 282-289.

 

Waarom leren kinderen vlotter een nieuwe taal dan volwassenen?

Hoewel zich uitdrukken in taal heel evident lijkt, is het verwerven van taal best een uitdagend opdracht. Denk maar eens aan een nieuwe taal leren. Het is goed mogelijk dat je nog steeds twijfelt over de subjonctives van être – Bescherelle ten spijt. Laat staan dat je incognito een baguette bij de lokale bakker bestelt. Quand les poules auront des dents. Tenzij je jong geleerd bent. Dan gaat het precies vanzelf – of althans zónder traceerbaar accent.
Kinderen zijn meer succesvol in het leren van taal dan volwassenen. Dit geldt zowel voor het leren van de moedertaal als het leren van een tweede taal. Een sprekend voorbeeld is de casus van Victor de l’Aveyron, het wolfskind dat opgroeide zonder taal en daarna nooit meer in staat was een moedertaal te verwerven. In 1967 definieerde Eric Lenneberg een “kritische” periode waarin je taal kan leren. Deze periode eindigt op het moment dat de taalfuncties in de (linker)hersenen zijn verankerd, met name rond de puberteit. Later werd dit genuanceerd, voornamelijk wat betreft het leren van een tweede taal. Volwassenen zijn nog steeds in staat om een nieuwe taal te leren, al het gaat niet meer zo vanzelf en zelden tot op moedertaalniveau. Men spreekt over een sensitieve periode voor taalverwerving die verdwijnt rond de puberteit.

Dit lijkt contra-intuïtief. Volwassenen blinken uit op tal van cognitieve vaardigheden. Ze hebben een grotere aandachtspanne, meer capaciteit in het geheugen en een complexer redeneervermogen dan kinderen. En toch leren ze taal niet zo vlot zoals kinderen dat doen. Dit paradox werd in 2005 door het tijdschrift Science uitgeroepen tot één van de belangrijkste maar nog steeds onopgeloste vragen in de wetenschappen. Meer dan tien jaar later zijn wetenschappers nog steeds op zoek naar antwoorden.

Een taal leren dat doe je niet zomaar. Of net wel?
In 1996 ontdekten Amerikaanse wetenschappers dat baby’s van amper 8 maanden oud in staat zijn om woorden te isoleren uit een continue stroom van spraakklanken enkel en alleen door te luisteren [1]. Hun brein pikt onbewust statistische regelmatigheden op die verstopt zitten in onze taal. In iedere taal komen bepaalde elementen (klanken, woorden, etc.) relatief vaak in combinatie voor. Een kind dat leert dat “grote”, en niet “degro” of “tehond” in “de grote hond” een apart woord is, heeft te maken met overgangswaarschijnlijkheden tussen de verschillende lettergrepen: de syllaben “gro” en “te” komen veel vaker samen voor dan “de” en “gro”. Bovendien zullen woorden in het Nederlands nooit eindigen met de klank ‘h’ en dus waarschijnlijk het begin van het volgend woord aanduiden [ook wel fonotactische regels genoemd]. Een kind ziet ook net vaker een grote hond dan een poes of een kleine hond wanneer deze klanken aangeboden worden. Soortgelijke statistiek kan ook gebruikt worden om grammaticaregels te leren. Bijvoorbeeld, de overgangswaarschijnlijkheid tussen een enkelvoudig onderwerp en -t (vb., hij loopt, zij fietst) is hoog en dus leert het kind dat het niet “broer loop” of “ik fietst” is. Steeds meer en recenter onderzoek laat zien dat statistisch leren een fundamenteel basismechanisme is in het jong brein dat helpt bij het leren van taal en andere vaardigheden zoals sport of muziek.

Hoe zit het dan als we ouder worden?
Ons vermogen tot statistisch leren verdwijnt niet met ouder worden. In tegendeel. We maken nog steeds onbewust gebruik van statistische regelmatigheden in onze omgeving om iets te bij te leren – denk bijvoorbeeld aan conditionering. Wat wel verandert is onze ervaring, de plasticiteit van ons brein en ons cognitief vermogen [2].
Hoe vertrouwder men wordt met de statistiek binnen één taalsysteem, hoe moeilijker het wordt om zich aan te passen aan de statistiek van een ander taalsysteem. Ervaring is een mes dat snijdt aan twee kanten. Door het oppikken van statistische regelmatigheden winnen we kennis in de ene taal maar ontnemen we tegelijk ons vermogen tot aanpassen aan de andere taal – zeker als deze taal er andere fonotactische of grammaticale regels op nahoudt. Dit kan echter niet verklaren waarom er ook een kritische periode lijkt te bestaan voor het leren van een eerste taal.

Tijdens het leren worden synaptische verbindingen gevormd tussen neuronen. De meeste neuronen worden aangemaakt voor het tweede levensjaar. Deze sterven geleidelijk af met ouder worden. Een jonger brein is hierdoor plastischer en daardoor ook beter uitgerust om taal te leren. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat kinderen sneller herstellen van traumatische schade aan de linkerhersenhelft (betrokken bij taalverwerving) dan volwassenen. Echter, verlies aan plasticiteit kan niet verklaren waarom volwassenen slechter worden in het leren van taal maar net beter in het leren van andere cognitieve vaardigheden.
Hoe ouder, hoe intelligenter – althans, het is maar hoe je het bekijkt. Door de groei van de prefrontale cortex, de voorste delen van het brein, krijgen volwassenen een beter cognitief vermogen. Deze groei start in de pubertijd en ontwikkelt zich verder tot en met het 25e levensjaar. Hierdoor leren volwassenen taal niet meer uitsluitend op een onbewuste manier, maar door actief en expliciet op zoek te gaan naar het onderliggend regelsysteem. Ze zoeken het te ver en zien door de bomen het bos niet meer. Of ze slaan te veel informatie tegelijk op en vergeten daarom sneller en slagen zaken door elkaar. Onderzoek met volwassenen toont bijvoorbeeld aan dat het brein sneller statistische regelmatigheden oppikt en minder snel vergeet wanneer men afgeleid is of wanneer de prefrontale activiteit onderdrukt wordt aan de hand van slaapmedicatie (benzodiazepines) en/of transcraniële magnetische stimulatie [3]. Less is more.

Wat nu?
In de loop der jaren zijn er al heel wat educatieve methoden gebaseerd op bovenstaande inzichten. Denk bijvoorbeeld aan de stijgende populariteit van immersie-scholen waar taal niet wordt onderwezen maar aangeboden (d.i., zo natuurlijk mogelijk) – en liefst zo vroeg mogelijk [4]. Er zitten echter nog steeds haken en ogen aan het wetenschappelijk debat rond sensitiviteit in taalverwerving. Er blijken ook verschillende sensitieve periodes te zijn voor verschillende aspecten van taal (fonologie, morfologie, syntax…) en sommige aspecten van taal hebben wel voordeel van expliciete onderwijsvormen (vb. onregelmatige vervoegingen, semantiek). Individuele verschillen in persoonlijkheid, motivatie, aanleg alsook sociale factoren spelen ook een rol.

Referenties
[1] Saffran, J. R., Aslin, R. N., & Newport, E. L. (1996). Statistical learning by 8-month-old infants. Science, 274(5294), 1926-1928.
[2] Thiessen, E.D., Girard, S. & Erickson, L.C. (2016). Statistical learning and the critical period: how a continuous learning mechanism can give rise to discontinuous learning. Cognitive science, 7:276-288.
[3] Smalle, E.H.M., Panouillères, M., Szmalec, A., & Möttönen, R. (2017). Language learning in the adult brain: Disrupting the dorsolateral prefrontal cortex facilitates word-form learning. Scientific Reports, 7: 13966.
[4] Simonis, M, Van der Linden, L, Galand, B, Hiligsmann, P, & Szmalec, A (2019). Executive control performance and foreign-language proficiency associated with immersion education in French-speaking Belgium. Bilingualism: Language and Cognition, 1-16.

 

Onschuldig schuld bekennen: zou jij het verschil zien tussen een ware en een valse bekentenis?

19 april, 1989 – een kille avond in New York’s Central Park en de nacht dat het leven van velen drastisch zou veranderen. Trishia Meili, een 28-jarige vrouw, liep zoals gewoonlijk door het park toen iemand haar van het pad sleurde en verkrachtte. Ze belandde in een coma en ontwaakte pas twaalf dagen later. Tot op de dag van vandaag herinnert ze zich niks van haar belager. Vijf tieners – één latino en vier Afro-Amerikaanse jongens – die zich die avond ook in het park bevonden, werden opgepakt en in verdenking gesteld van deze gruwelijke daad. Nadat de jongens uren aan een stuk waren verhoord, legden ze alle vijf een bekentenis af. Hoewel hun verklaringen vol fouten en tegenstrijdigheden zaten en hun DNA geen match was met dat van het sperma aangetroffen op het slachtoffer waren de bekentenissen voldoende om hun te veroordelen.

De jongens hadden alle vijf hun straf uitgezeten, als Mathias Reyes, een moordenaar en serieverkrachter, in 2002 plots bekent dat hij de ware dader is.

Zijn DNA leverde wel een match op en zijn bekentenis bevatte details die enkel de dader kon weten. Twaalf jaar na de veroordelingen van de vijf – ondertussen volwassen – mannen werd hun naam eindelijk gezuiverd.

De Central Park Five

Hoe kan het dat deze jongens bekenden dat ze zoiets verschrikkelijk hadden gedaan terwijl ze er niks mee te maken hadden? Het klinkt zeer contra-intuïtief maar het bekennen van iets dat je niet hebt gedaan is helaas geen zeldzaam fenomeen. Volgens het Innocence Project zou één op de vier ten onrecht veroordeelde personen in de Verenigde Staten een valse bekentenis hebben afgelegd. Jonge leeftijd, mentale achterstand, langdurige ondervragingen, confronterende ondervragingstechnieken, en nog vele andere factoren kunnen er voor zorgen dat iemand een verhoogd risico loopt op het afleggen van een valse bekentenis. Naast het identificeren van deze risicofactoren is het ook belangrijk om te kunnen vaststellen of iemand daadwerkelijk valselijk heeft bekend. Onderzoek heeft aangetoond dat zowel politie als leken hier niet de geschikte kandidaten voor zijn. Maar hoe kunnen we dan wel op een betrouwbare manier de echtheid van een bekentenis bepalen?

‘Ontkennen heeft geen zin, we weten dat jij het was!’

Recent onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam trachtte hierop een antwoord te vinden door aan de hand van de geheugendetector valse van ware bekenners te onderscheiden. Voor dit onderzoek werden participanten uitgenodigd naar het lab in de veronderstelling dat ze deelnamen aan een onderzoek dat keek naar hoe goed ze in groepsverband kunnen samenwerken. Wat ze echter niet wisten was dat ze zouden beschuldigd worden van valsspelen; hiertoe hadden ze namelijk de kans gekregen in het begin van het experiment. Of ze nu hadden valsgespeeld of niet, alle deelnemers werden hier van beschuldigd door de proefleider die aan de hand van specifieke ondervragingstechnieken een bekentenis probeerde te ontlokken. Participanten die schuldig waren aan valsspelen en dat opbiechtten, legden een ware bekentenis af. Participanten die onschuldig waren maar onder druk van de ondervraging toch zeiden dat ze hadden valsgespeeld, legden een valse bekentenis af.

Daarna kwam de echte test: aan de hand van de geheugendetector wilden de onderzoekers achterhalen wie een valse en wie een ware bekentenis had afgelegd. De geheugendetector bekijkt of iemand beschikt over daderkennis – informatie die alleen de dader van een misdrijf weet – en valt te vergelijken met een multiple-choice test. Per vraag bestaan er meerdere antwoordmogelijkheden, één van die opties betreft een item dat enkel door de dader herkend kan worden en de andere opties zijn gelijkaardige items die niets met het misdrijf te maken hebben. Bijvoorbeeld, de geheugendetector zou de vraag ‘Welk kledingstuk werd er gebruikt om Trishia vast te binden?’ kunnen bevatten met de bijhorende antwoordopties: (a) broek, (b) T-shirt, (c) trui, (d) kousen, (e) veters, (f) sjaal.
Het principe waarop de geheugendetector berust is hetzelfde als dat van het cocktail fenomeen: net zoals je op een rumoerig feestje toch kan opmerken dat iemand je naam heeft gezegd, zo zal ook het misdaad-gerelateerde item de aandacht van de dader trekken. Die herkenning kan dan gemeten worden aan de hand van fysiologische markers zoals hartslag, huidgeleiding en ademhaling. Als we nu terugkeren naar het voorgaande voorbeeld zou dit betekenen dat enkel de dader, Matias Reyes, ‘T-shirt’ zou herkend hebben als het kledingstuk dat werd gebruikt om Trishia vast te binden en zou hij op dit item een uitgesproken reactie vertoond hebben. De vijf jongens zouden dit item niet herkend hebben en gelijkaardige reacties vertoond hebben op alle antwoordopties.

Verraden door je geheugen

In het Amsterdamse onderzoek onderzocht men of de test in staat was om de participanten met daderkennis, de ware bekenners dus, geïdentificeerd konden worden. De resultaten toonden aan dat de ware bekenners significant verschilden van de valse bekenners in hun reacties. Met name, de reactie van de ware bekenners op de misdaad-gerelateerde items was veel groter dan hun reactie op de misdaad-irrelevante items wat er op wees dat de ware bekenners de misdaad-gerelateerde items herkenden. Bij de valse bekenners werd zo een verschil niet gevonden en vertoonden ze geen herkenning van de misdaad-gerelateerde items. Dus ook al hadden de onschuldige participanten iets bekend dat ze niet hadden gedaan, toch kon men aan de hand van de geheugendetector op een betrouwbare manier vaststellen of een deelnemer effectief had valsgespeeld.

De resultaten van dit onderzoek bieden een eerste indicatie dat de geheugendetector onder bepaalde omstandigheden in staat is om de echtheid van een bekentenis te bepalen. Toch is het niet altijd zo een zwart-wit verhaal en kan ook een onschuldig persoon over daderkennis beschikken. De politie kan bijvoorbeeld tijdens het verhoor per ongeluk informatie weggeven waarvan de verdachte nog niet op de hoogte was. Hierdoor zou een onschuldig persoon wel over daderkennis beschikken en is de geheugendetector mogelijks niet meer in staat om een betrouwbaar onderscheid te maken tussen valse en ware bekenners. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of er voor dit probleem een oplossing kan gevonden worden en of de geheugendetector in de toekomst als vervanging van het menselijk oordeel kan gebruikt worden om de echtheid van een bekentenis te bepalen.

Bron

Geven, L. M., Ben-Shakhar, G., Kassin, S. M., Kindt, M., & Verschuere, B. J. (in preparation). I did it! Or did I? Memory detection as a forensic tool to evaluate the veracity of a confession.

 

Gespiegelde organen, gespiegelde hersenen?

In ongeveer 1 op 10.000 mensen liggen de inwendige organen niet op hun gebruikelijke plaats met het hart aan de linkerzijde en de lever aan de rechterkant, maar zitten ze precies omgekeerd.

Tot hiertoe werd aangenomen dat de atypische orgaanlocatie van deze zeldzame groep weinig invloed had op de organisatie van hun brein, maar onderzoekers van de Universiteit Gent hebben recent aangetoond dat dit niet helemaal klopt. Continue Reading

 

Piekeren is misschien toch niet zo onschuldig?

Depressie is een stemmingsstoornis die wereldwijd meer dan 300 miljoen individuen treft en dit aantal lijkt zorgwekkend te blijven stijgen. Op 10 jaar tijd is de prevalentie van depressie namelijk toegenomen met meer dan 18 %.

Eenmaal mensen een eerste depressie hebben meegemaakt, verhoogt dit bovendien de kans op een nieuwe.

Men is erdoor gevoeliger geworden voor negatieve gebeurtenissen. Kleine stresserende gebeurtenissen zijn vaak al voldoende om een nieuwe depressie te activeren. Continue Reading

 

Wachten op het onverwachte: hoe we beter het effect van hersenschade kunnen voorspellen

Wat gebeurde, maar niet verwacht was

19 oktober 2011. Voor de meesten onder ons is dit een dag die we ons wellicht niet glashelder kunnen herinneren. Deze dag was echter een keerpunt in het leven van de toen 21-jarige Sam Schmid. Deze Amerikaanse student raakte op die dag betrokken in een zwaar verkeersongeval, waar hij verwondingen opliep die zo ernstig waren dat ze niet konden worden behandeld in het plaatselijke ziekenhuis van het stadje waar het ongeluk had plaats gevonden. De jongeman werd met spoed geopereerd, maar het mocht niet baten: Schmid werd hersendood verklaard. Deze diagnose duidde aan dat er geen hersenactiviteit meer waar te nemen was bij de jonge student.

Een maand later, tijdens een bezoek van zijn ouders, gebeurde echter het onverwachte: Schmid bewoog twee vingers.

Dit zou de start zijn van een miraculeus herstel waar Schmid alle verwachtingen ruimschoots overtrof. Twee jaar na het ongeval, na maanden van intensieve revalidatie, zou de jongeman er opnieuw in slagen om te praten en te wandelen, en plande hij zelfs verder te studeren. Continue Reading

 

Slaap er een nachtje over… en je haalt tien op tien! Een studie over de rol van slaap in geheugenconsolidatie.

Je kent het wellicht wel, een nachtje doorstuderen voor je examen. Nog één dag te gaan en het is D-day. Het laatste hoofdstuk ken je nog niet helemaal vanbuiten – het zou maar eens net over dat ene hoofdstuk gaan. Het is nu 22:35. Slik. Paniek. Koffie. The show must go on. “The woods are lovely, dark and deep. But I have promises to keep, and miles to go before I sleep.” (Robert Frost)

Maar is het eigenlijk wel een goed idee om je slaap te laten voor een extra herhaling van de leerstof? Volgens een studie die recent verscheen in het toonaangevende tijdschrift Current Biology, kan je toch beter in je bed kruipen, slapen, en… misschien ook nog vragen aan moeder- of vaderlief of ze de kern van de leerstof komen influisteren terwijl je (bijna) in dromenland zit – dit is geen grap.

Continue Reading

 

Kan je fake news ontkrachten? Niet bij iedereen…

De impact van fake news is groter voor mensen met een lagere intelligentie

Een paar eenvoudige muisklikken, meer is niet nodig: iedereen kan tegenwoordig ‘fake news’ wereldkundig maken. De impact van fake news ongedaan maken, lijkt daarentegen heel wat minder evident. Psychologen Jonas De keersmaecker en Arne Roets van de Universiteit Gent publiceerden recent een studie over dit fenomeen in het wetenschappelijk tijdschrift Intelligence. Hun opmerkelijke bevinding is dat intelligentie een belangrijke rol speelt in het counteren van fake news. In het bijzonder, mensen met lagere intelligentie passen hun mening onvoldoende aan nadat ze te weten komen dat hun ideeën gebaseerd zijn op informatie die niet correct is.

Continue Reading

 

Actieve hersenen zijn eerlijke hersenen

Oneerlijkheid is overal.
Alle mensen liegen.

Schattingen wijzen uit dat illegale belastingontduiking 5% van het Bruto Nationaal Product bedraagt. Een grote autoconstructeur bedriegt de overheid en zijn klanten ten koste van het milieu. En onze taal heeft ‘een leugentje om bestwil’ als uitdrukking. Maar weinig is geweten over wat er gebeurt in de hersenen als mensen (on)eerlijk zijn. Tot nu: een studie in Proceedings of The National Academy of Sciences toonde aan dat het activeren van een hersengebied (rechtse dorsolaterale prefrontale cortex) ervoor zorgt dat mensen eerlijker zijn.

Continue Reading

 

Train je brein en word slimmer ouder!

U kent ze wel: de boeken over brain training. Ze vullen de boekenrekken in Fnac, ze slingeren rond op het salontafeltje van uw oma of opa, en bedrijven die de spelletjes bedenken verdienen er miljoenen mee. Brain training op google: bijna 28 miljoen zoeksresultaten. Maar werkt het nu echt, om je brein te trainen?

Deze vraag werd recent onderzocht in een zeer degelijke en grote studie, waaraan meer dan 7000 vijftigplussers deelnamen. De proefpersonen werden gevraagd om online, en zo vaak ze wilden, regelmatig een aantal denkspelletjes te doen. Men moest telkens minstens 10 min spelen, en minstens 5 keer per week. De proefpersonen werden zonder dat ze dat wisten willekeurig toegewezen aan één van drie condities: er waren mensen die spelletjes voorgeschoteld kregen waarin redeneren en probleemoplossend denken getraind werden. Daarin moesten mensen bijvoorbeeld een aantal gewichtjes op een weegschaal balanceren zodat ze in evenwicht stond. In de tweede conditie kregen mensen spelletjes waarin het geheugen en aandacht getraind werd. In de derde conditie werd aan mensen gevraagd om op internet wat informatie op te zoeken. Deze laatste conditie was de controleconditie: men verwachtte dat deze taakjes geen effect zou hebben op het brein, maar het is belangrijk om in onderzoek zo’n conditie op te nemen als vergelijkingsbasis, omdat mensen die deelnemen aan onderzoek sowieso typisch hun best willen doen en alles beter gaan doen.

Na een aantal weken, na drie maanden en na 6 maanden ging men dan testen of de proefpersonen beter presteerden op een heel aantal criteria, in vergelijking met hun prestatie voor het onderzoek. Men onderzocht functioneren van het geheugen, redeneren, het beoordelen van grammaticale zinnen, maar ook hoe cognitief zelfstandig de ouderen waren in het dagelijkse leven: doen ze zelf hun was, beheren ze hun bankzaken, staan ze in voor hun eigen transport, etc. Deze zaken zijn belangrijk omdat men weet dat vijftigplussers gaandeweg slechter gaan presteren op dit soort zaken, en wie het snelst achteruitgaat vaak later vroeger Alzheimer dementie krijgt.

De resultaten waren zeer positief: de zestigplussers die deelnamen aan de eerste twee condities mét breintraining scoorden (niet na 6 weken, maar wel na drie maanden) maar liefst 15% beter op het zelfstandig uitvoeren van alledaagse activiteiten, in vergelijking met de controlegroep die alleen wat opzoekwerk op internet deed. Iedereen die ouder was dan vijftig scoorde 30% beter op de redeneertests en 19% beter op nieuwe woorden leren. Ook het korte termijn geheugen en grammatica werkten beter.

Brain training werkt dus. Maar enkel bij ouderen. Eerder onderzoek had uitgewezen dat het trainen van cognitieve vaardigheden bij gezonde volwassenen weinig effect heeft. Men stelt hier typisch vast dat mensen beter worden, maar enkel in die specifieke taken die ze trainen. Er is geen veralgemening van de positieve effecten naar andere taken, of naar het dagelijkse leven. Dat blijkt nu dus wél het geval te zijn voor ouderen. Gezien cognitieve vaardigheden in deze groep sowieso achteruit gaan, heeft breintraining daar wél effect.

U weet dus welk kerstcadeau te kopen voor uw oma of opa. Maar besteed er ook niet teveel geld aan: er is geen onderzoek dat aantoont dat de (dure) commerciële producten béter werken dan alledaagse oefeningen zoals sudoku’s of kruiswoordraadsels. Bezig blijven, da’s het voornaamste!

Referenties

  • Corrbett, A., Owen, A., Hampshire, A., Grahn, J. Stenton, R., Dajani, S., Burns, A., Howard, R., Williams, N., Williams, G. Ballard, C. (2015). The Effect of an Online Cognitive Training Package in Healthy Older Adults: An Online Randomized Controlled Trial. The journal of post-acute and long-term Care Medicine, 16(11), 990-997.
  • http://www.jamda.com/article/S1525-8610%2815%2900435-1/abstract