Browse Category: Hersenen

Hoe maken mensen met autisme complexe bewegingen?

We hebben allemaal al wel eens aardappelen geschild. Al was het om kroketjes, gebakken patatjes of puree te maken. De eerste schil gaat vaak een beetje moeizaam. Het zijn misschien een ander soort aardappelen dan je gewoon bent of een nieuw mesje. Na een paar schillen, gaat het vlotter en na een paar aardappelen heb je een beweging gevonden die werkt en die je opnieuw en opnieuw kan hergebruiken. Maar dit kan ook wel eens moeilijkheden geven. Stel je nu voor dat er een aardappel is met veel oneffenheden en bochten. Nu moet je je beweging aanpassen en er extra bochten in steken. Dit gaat plots terug veel moeizamer. Zelfs moeizamer dan als het allemaal aardappelen geweest waren met bochten. In je hoofd had je een offline motorplan gecreëerd (een beweging gepland, gebaseerd op je voorgaande bewegingen) dat je opnieuw en opnieuw kon gebruiken maar plots moest je een online aanpassing maken aan het motorplan.

Autisme en bewegen
Mensen met autisme spectrum stoornis (verder vermeld als autisme) hebben moeilijkheden met sociale interactie en vertonen vaak beperkte en repetitieve gedragingen. Daarnaast hebben veel mensen met autisme moeilijkheden met het uitvoeren van verschillende soorten bewegingen. Zo heeft onderzoek bijvoorbeeld gevonden dat ze moeilijkheden hebben bij evenwichtsoefeningen en het maken van arm- en handbewegingen. Er zijn meerdere theorieën over hoe het komt dat mensen met autisme hier problemen mee hebben. Zo kan het zijn dat ze een probleem hebben met het integreren van informatie uit verschillende zintuigen. Een andere theorie is dat ze moeite hebben met het creëren van een offline motorplan en elke beweging opnieuw moeten bedenken zonder voorgaande bewegingen in rekening te brengen. Daarbovenop zouden zo ook nog moeite hebben met het maken van online aanpassingen aan hun motorplan. De vorige onderzoeken die onderzoek deden naar online en offline motorplannen van mensen met autisme hebben hun conclusies vaak gebaseerd op reactietijden (hoe snel iemand iets uitvoert) maar over het algemeen zijn mensen met autisme trager in het uitvoeren van een beweging.

Offline motorplannen
Met dit onderzoek wilden we te weten komen of mensen met autisme nu effectief slechter zijn in het creëren van offline motorplannen. Hiervoor moesten participanten met en zonder autisme een repetitieve beweging uitvoeren op een tablet. Er was een vierkantje onderaan en bovenaan van het scherm. Participanten moesten met een stilus beginnen in het onderste vierkantje en zo snel en accuraat mogelijk naar het bovenste vierkantje bewegen. Af en toe kon het wel zijn dat er plots een obstakel verscheen in het midden van het scherm waar ze rond moesten gaan. Er waren 4 verschillende blokken in het experiment waarbij elke blok 100 trials had. In elk blok was de kans op het verschijnen van een obstakel anders. Ofwel was er 0% kans op het verschijnen van een obstakel (0 trials met een obstakel), 25% kans (25 trials met obstakel), 75% kans (75 trials met obstakel) of 100% kans (100 trials met obstakel). De blokken waarbij er nooit een obstakel of altijd een obstakel verscheen waren toegevoegd aan het experiment als controle om te kijken of mensen in die blokken ofwel altijd in een rechte lijn (0% blok) van het ene naar het andere vierkant gingen ofwel altijd in een boog (100% blok).

Om te weten te komen of de deelnemers een offline motorplan genereerden, keken we naar de trials die volgde op een trial waarbij er een obstakel was (zie afbeelding boven). Als mensen een offline motorplan genereren, zouden ze na een trial met een obstakel al beginnen met het maken van een bocht (zelfs vooraleer ze zien of er een obstakel aanwezig is of niet). Als er dan geen obstakel blijkt te zijn, moeten mensen online aanpassingen maken aan hun motorplan om met een rechtere lijn naar het bovenste vierkantje te gaan. In de 75% blok zou hun bocht rond het obstakel groter moeten zijn dan in de 25% blok omdat ze in de 75% blok vaker een obstakel kunnen verwachten.

Over het algemeen vonden we dat mensen in de 75% blok een grotere bocht maakte dan in de 25% conditie. Wat betekent dat mensen een offline motorplan maken. Hierbij was er geen verschil tussen mensen met autisme en zonder. Mensen met autisme zijn dus in staat om een offline motorplan te genereren. Over het algemeen waren mensen met autisme wel trager dan mensen zonder autisme om van het ene vierkantje naar het andere te gaan. Als we onze resultaten enkel zouden baseren op reactietijden zouden we wel verschillen vinden tussen mensen met en zonder autisme op hoe goed ze zijn in het maken van offline motorplannen.

Tot slot
Mensen met autisme zijn dus wel in staat om offline motorplannen te maken. Het kan wel zijn dat ze meer moeite hebben met het online aanpassen van die motorplannen. Verder onderzoek moet dit uitwijzen.

Auteurs
Hannah De Laet ontving de “best internship award” tijdens haar studie theoretische en experimentele psychologie aan UGent voor het werk dat ze deed tijdens haar stage in King’s College London en werkt op dit moment aan de VUB als wetenschappelijk medewerker. Dr. Tegan Penton deed haar doctoraat aan King’s College London en werkt momenteel als post doctoraal onderzoeker aan Goldsmiths University of London. Dr. Caroline Catmur is hoofddocent aan King’s College London en Prof. dr. Geoff Bird is verbonden aan Oxford University.

Bronnen
Cook, J. L., Blakemore, S., & Press, C. (2013). Atypical basic movement kinematics in autism spectrum conditions. Brain, 136, 2816–2824. https://doi.org/10.1093/brain/awt208


Glazebrook, C. M., Elliott, D., & Szatmari, P. (2008). How do Individuals with Autism Plan Their Movements ? Journal Autism Developmental Disorders, 38, 114–126. https://doi.org/10.1007/s10803-007-0369-1

Gowen, E., & Hamilton, A. (2013). Motor Abilities in Autism : A Review Using a Computational Context. Journal Autism Developmental Disorders, 43, 323–344. https://doi.org/10.1007/s10803-012-1574-0


Jax, S. A., & Rosenbaum, D. A. (2007). Hand Path Priming in Manual Obstacle Avoidance : Evidence That the Dorsal Stream Does Not Only Control Visually Guided Actions in Real Time. Journal of Experimental Psychology, 33(2), 425–441. https://doi.org/10.1037/0096-1523.33.2.425

Nazarali, N., Glazebrook, C. M., & Eliott, D. (2009). Movement Planning and Reprogramming in Individuals With Autism. Journal Autism Developmental Disorders, 39, 1401–1411. https://doi.org/10.1007/s10803-009-0756-x

 

Blokken in Coronatijden: Inzichten vanuit psychologisch onderzoek

De huidige COVID19 crisis vereist voor velen onder ons aanpassingen op verschillende gebieden. Dit betekent dat ook de studenten langzaamaan hun blok zullen starten in een uiterst specifieke context. Uniek aan deze periode zijn (a) de overgang naar afstandsonderwijs; (b) de sociale isolatie; (c) de smartphone als belangrijkste connectie met de buitenwereld en (d) een gelegenheid waarbij we onszelf gemakkelijker laten gaan op vlak van voedsel en beweging. Gelukkig is er wat psychologisch onderzoek dat kan helpen met deze specifieke uitdagingen. We (een ervaren student en een hoogleraar klinische psychologie) presenteren hier een selectie van recent onderzoek naar corona-specifieke factoren dat studenten kan helpen om een goede start te maken met de blokperiode.


Online lessen als nieuwe standaard
Één van de grootste veranderingen bij afstandsonderwijs is de verschuiving van lessen in de auditoria naar online lessen. Aandacht bij een online les houden, is een pak moeilijker dan in een auditorium. Niets houdt je tegen om weg te stappen van je computer, te multitasken of gewoon met je gedachten af te dwalen. Onderzoek toont zelfs aan dat de helft van de studenten na 5 minuten reeds stopt met de online les volgen.
Er valt echter goed nieuws te melden: Een recent onderzoek van Wilson en collega’s onderzocht het effect van het versnellen van lessen. De resultaten van dit onderzoek toonden aan dat het versnellen van de lessen met weinig kosten gepaard gaat, terwijl studenten hun aandacht beter bij de les houden en tijd uitsparen.
Twee aanvullende studies gingen de invloed na van het versnellen van lessen op een aantal aspecten, zoals het begrijpen van de leerstof, afdwalende gedachten en subjectieve evaluaties van de les en de leerervaring.
Aan het eerste experiment namen enkel psychologie studenten deel. Elke student bekeek 2 lessen, één op normale snelheid en een versnelde les. Hierbij werd geregeld doorheen de les gepeild of de gedachten van de student afgedwaald waren. Na de les werd aan de studenten gevraagd of ze de les interessant, bevorderlijk of moeilijk vonden, en hoeveel moeite het volgen van de les had gekost. Vervolgens moesten de studenten inschatten hoe goed ze zouden antwoorden op een test over de leerstof, waarna ook degelijk een test werd afgenomen. De resultaten waren verrassend. De lessen bekijken aan 1.6-1.7x de normale snelheid gaf vergelijkbare resultaten als op reguliere snelheid, dus zonder verlies aan begrip konden studenten tijd uitsparen. Bovendien was er zelfs een voordeel in termen van afdwalende gedachten. Studenten konden dus beter hun aandacht bij de les houden wanneer deze versneld was.
Het tweede experiment was vergelijkbaar, met als verschil dat studenten niet meer beperkt waren tot psychologiestudenten en dat ze slechts 1 les te zien kregen. De helft van de deelnemers volgde dus een les aan normale snelheid en de andere helft volgde een les aan versnelde snelheid. Dit tweede experiment toonde wel een klein verschil tussen beide snelheden op vlak van het begrijpen van de leerstof, waar de versnelde les iets minder (6%) begrepen werd. Op het afdwalen van gedachten en de leerervaring had het versnellen geen impact. Dus ondanks een minimaal verlies in termen van begrip, wonnen de studenten tijd en had het versnellen geen invloed op andere aspecten van de lesbeleving.
Dus indien de leerstof verder bouwt op eerdere leerstof en studenten voorkennis hebben, is het versnellen van online lessen aan te raden. Indien de studenten minder voorkennis hebben of minder geïnteresseerd zijn in het onderwerp, is er een beperkte kost in termen van begrip.

Praktische tip voor de student: Zet je lessen, zeker de minder complexe, dus gerust op snelheid 1.5! Zo kun jij veel sneller en even aandachtig door die lessen heen raken. Jezelf motiveren om 1.5u les te kijken is waarschijnlijk gemakkelijker dan voor 2u les. Bovendien kun je de uitgespaarde tijd voor andere zaken gebruiken.

Sociale isolatie tijdens de lockdown

Door het verplicht binnen blijven tijdens deze corona-crisis is het risico op sociale isolatie groter. Veel onderzoek toont reeds aan dat sociale isolatie nefast kan zijn voor de mentale gezondheid, maar hoe zit dat in relatie tot academische prestaties? Betekent isolatie meer opportuniteit om te studeren of heeft het een negatief effect op onze studies? Recent psychologisch onderzoek van Wang en collega’s onderzocht onder andere het effect van sociaal contact op academische prestaties.
Wang en collega’s hebben een 50-tal studenten van een Ivy League school gedurende 10 weken onderzocht. Dit liet toe om studenten te bestuderen binnen een veeleisende context die een hoog tempo hanteert. Deze studie was innovatief omdat de dataverzameling gebeurde door een combinatie van monitoring technieken. Er werd op die manier een brede range aan data verzameld en er was dus veel informatie beschikbaar. Enerzijds werden vragenlijsten afgenomen, alsook 3 tot 13 dagelijkse korte bevragingen op de smartphone. Deze vragenlijsten en bevragingen peilden onder andere naar stress, humeur, sociaal contact, beweging/sport en gedrag. Anderzijds werd data van de smartphones van studenten gebruikt. Dit ging om data van de microfoon, de accelerometer, de lichtsensor en de GPS/bluetooth gegevens. Op deze manier kon veel on-line informatie omtrent activiteit, conversaties, slaap en (co-)locatie verzameld worden. Dit alles resulteerde in een zeer uitgebreide dataset die een realistische weergave bood van het dagelijkse leven van de studenten.
Deze studie bekeek onder andere de effecten van sociale isolatie en sociale verbondenheid op academische prestaties, die voor ons relevant zijn. Deze studie vond meerdere relevante relaties tussen academische prestaties en sociale interactie. Specifiek werd er gevonden dat zowel de frequentie als de duur van conversaties doorheen de dag gelinkt waren aan de resultaten van studenten. Dus studenten die meer en/of langere conversaties hadden met medestudenten, haalden betere academische resultaten. Er werd daarentegen een omgekeerde relatie gevonden met activiteiten binnenshuis. Dus studenten die vaker binnen zaten en minder buiten kwamen, haalden gemiddeld lagere resultaten. Tenslotte werd een verband gevonden tussen co-locatie, of het delen van de locatie met anderen, en resultaten, waarbij studenten die zich meer op dezelfde locatie bevonden als anderen, hogere resultaten behaalden. Dus dit wijst opnieuw op de link tussen sociaal contact en academische prestaties. Er werd in de studie niet gespecificeerd of de contacten en conversaties al dan niet studiegerelateerd waren.

Praktische tip voor de student: Deze studie toont het belang aan van sociale verbondenheid, niet enkel voor onze mentale gezondheid, maar ook voor onze academische prestaties. In tijden van isolatie zoals deze corona-crisis, is het dus uiterst belangrijk om sociaal contact te proberen bewaren in de mate van het mogelijke. Gebruik die smartphone dus zeker om sociaal contact te bewaren.

Uitstelgedrag en sociale media.

Nu we het toch over de smartphone hebben. Chats, telefoontjes en videocalls. Deze lockdown duwt ons richting nieuwe manieren om sociaal contact te behouden en de smartphone is hierbij essentieel. Er is echter slechts een dunne lijn tussen smartphone-gebruik voor sociaal contact enerzijds en smartphone-gebruik als uitstelgedrag anderzijds. Maar is het gebruik van sociale media nu echt zo negatief voor de studies?
Het goede nieuws is dat onderzoek aantoont dat het gebruik van sociale media, zoals facebook, niet per definitie negatief hoeft te zijn. Dus sociale media vormt momenteel een van de handigste manieren voor sociaal contact. De grote boosdoener is volgens het onderzoek van Sternberg en collega’s wanneer sociale media gebruikt wordt als uitstelgedrag. Zij rapporteren twee studies die de relatie tussen angstgevoelens en Facebook-gebruik, zowel studiegerelateerd en als uitstelgedrag, nagaan.
De eerste studie sloot sterk aan bij de dagelijkse realiteit. In deze studie werd 3 dagen voor een belangrijk examen aan studenten gevraagd een applicatie te installeren op hun smartphone en PC. Op die manier werd bij de deelnemers alle Facebook activiteit nagegaan. Ook kregen zij geregeld berichtjes met de vraag om hun algemeen angst-niveau aan te geven. Op het einde van de dag konden studenten aangeven hoeveel tijd ze op Facebook hadden gezeten voor studie-gerelateerde zaken. Bij de vergelijking tussen verschillende metingen van de angst-niveaus vonden de onderzoekers dat hoe meer studenten Facebook gebruikten, hoe angstiger ze zich achteraf voelden. Omgekeerd was dat niet het geval, dus angstiger voelen leidde niet tot meer Facebook-gebruik.
De tweede studie had tot doel een sterker causaal verband te kunnen vaststellen. Om dit te kunnen doen, vond de studie plaats in een meer gecontroleerde labo-setting. Vooraf werd bij alle studenten het wachtwoord van hun Facebook account veranderd, zodat zij 2 dagen gedepriveerd werden. Op de dag van de studie werd aan alle deelnemers gezegd dat ze een toets zouden moeten afleggen en dat deze toets een sterke voorspeller is van zowel academisch succes als algemeen succes in het leven. De deelnemers werden in 2 groepen verdeeld die verschillende instructies kregen. Bij 1 groep werd aangedrongen om zich zo goed mogelijk voor te bereiden zodat ze beter zouden presteren. Facebook-gebruik was in deze situatie dus uitstelgedrag dat afleidde van het voorbereiden. Bij de andere groep werd gewoon vrije tijd gegeven en was Facebookgebruik dus niet noodzakelijk uitstelgedrag. Beide groepen kregen terug toegang tot hun Facebook profiel. Dit onderzoek toonde dat bij groep 1 een significante relatie bestond tussen het Facebook gebruik en toename in angst. Dit was in de tweede groep niet het geval.
Wanneer sociale media interfereert met andere doelen, zoals blokken, zorgt het voor verhoogde angstgevoelens. Angstgevoelens zijn in deze periode algemeen al vaak hoger, en extra angst en stress voor examens helpt zeker niet.

Praktische tip voor de student: gebruik je sociale media tijdens pauzes of na je blok-uren, en probeer die gsm weg te leggen tijdens de lessen en tijdens het studeren, zodat de verleiding beperkt blijft.

Voeding

Het leven in lockdown zorgt op vlakken zoals voeding en beweging eveneens voor veranderingen. Er is de afgelopen tijd veel geschreven over beweging, maar voeding is wat onderbelicht gebleven. Uit eten, naar de frituur of naar een fastfood-restaurant gaat niet meer. De take-aways draaien echter overuren en tijdens het hamsteren in maart waren de diepvriespizza’s en klaargemaakte maaltijden de eerste target en al snel uitverkocht, naast toiletpapier natuurlijk. De maatschappelijke veranderingen zorgen mogelijks dus voor een verschuiving in voedingspatroon. Daarom is het interessant om te kijken wat onderzoek zegt over voeding in relatie tot academische prestaties.
Een studie van Reuter en collega’s keek naar deze relatie bij een 600-tal universiteitsstudenten. Eerdere studies keken vooral naar jongere doelgroepen, waardoor onderzoek over voeding in relatie tot academische prestaties bij universiteitsstudenten beperkt is. In deze studie werden de studenten gevraagd om hun behaalde academische resultaten te rapporteren, alsook hun eetgewoonten. Specifiek moesten ze hun consumptie aangeven voor enkele categorieën: fruit, groenten, slaatjes, fruitsap, melk, energiedrank of frisdrank, ontbijt en fastfood. Op basis van deze gegevens werd gekeken of er bepaalde verbanden konden worden gelegd.
Uit de resultaten bleek dat de meeste studenten niet voldeden aan de richtlijnen voor gezonde voeding. Er kwamen echter enkele belangrijke bevindingen naar voren. Zo vonden de onderzoekers dat het nemen van een ontbijt samenhangt met betere academische scores. De studenten die op 5 of meer dagen per week ontbijt aten, hadden significant hogere academische scores dan de studenten die op 3 dagen of minder ontbeten. Mogelijks was dit resultaat een reflectie van het al dan niet consciëntieuze karakter van de studenten, die bijgevolg dus al vroeg wakker zijn om aan hun lesdag te beginnen. Deze bevindingen zijn in lijn met eerder onderzoek waarbij ontbijten gelinkt werd aan betere academische prestaties.
Daar tegenover vond de studie dat het eten van fastfood geassocieerd was met lagere academische prestaties. Ook dit bevestigt eerdere studies die hetzelfde aangeven. Voor de andere voedingsgroepen werden geen significante relaties gevonden.

Praktische tip voor de student: Hoewel voeding niet de bepalende factor zal worden voor het al dan niet slagen voor je examens, doe je er dus wel best aan om je ontbijt niet over te slaan en fastfood in de mate van het mogelijke te beperken.

De corona-crisis vereist van studenten heel wat aanpassingen. We selecteerden recent psychologisch onderzoek dat wat aanwijzingen geeft voor studenten om de naderende blokperiode zo goed mogelijk aan te vatten. Deze selectie is zeker nog niet zaligmakend, maar geeft toch al wat houvast naast alle bestaande studietips. Er zijn heel wat studies aangevat naar de effecten van de Corona crisis dus we verwachten dat updates en aanvullingen op onze tips slechts een kwestie van tijd zijn. Hopelijk is dit toch al een eerste hart onder de riem voor de blokkende student.

Auteurs

Prof. Ernst Koster & Pauline Stas (Universiteit Gent)

 

Wanneer druk jij op de ‘Golden Buzzer’? Gebruik de 37% regel

Dansformatie C-Fam laat de hele zaal ontploffen tijdens hun auditie voor het VTM programma “Belgium Got Talent’. Iedereen geniet van begin tot eind van hun geweldige act. “De toekomstige winnaar”, laat jurylid Dan Karaty (terecht) optekenen. Trouwe kijkers verwachten een “Golden Buzzer”, een druk op de knop dat de kandidaat een rechtstreeks ticket geeft voor de live-opnames (elk jurylid mag zo eenmaal drukken). Helaas. Geen Golden Buzzer voor C-Fam. Dan Karaty, de dansexpert onder de juryleden, had z’n Golden Buzzer reeds opgebruikt. Enkele kandidaten voorheen was Karaty al onder de indruk van die andere dansgroep “The Movement Theory”, dat hij dacht dat z’n ‘favoriet’ reeds gekend was. Te vroeg, zo blijkt nu. Met spijt tot gevolg.

Hoogst waarschijnlijk heeft u ook al kunnen ervaren dat u wel eens te vroeg beslist hebt: iemand kwam met een hoger bod nadat u al een eerder bod had geaccepteerd. Het restaurantje verder in de straat blijkt nog gezelliger en lekkerder te zijn dan het restaurant van uw keuze. En hoe weet u nu dat uw partner de ware is – was hij of zij wel uw “Golden Buzzer” waard”?

De Golden Buzzer is een mooi voorbeeld van een bestudeerd vraagstuk binnen de ‘Optimaal Stoppen’-Theorie en is gekend onder het “Secretaresseprobleem” (Ferguson, 1989). De vraag hier luidt als volgt: een vacature voor secretaresse dient ingevuld te worden, het aantal mogelijke kandidaten is gekend, maar na elke sollicitatie moet onmiddellijk beslist worden of de kandidaat de job krijgt. Hoe maximaliseer je als werkgever nu de kans om de beste secretaresse te selecteren?

Statistici kennen het antwoord: gebruik de 37% regel (of nog, de 1/e- regel, met e het grondtal van de natuurlijke logaritme). Verken (een eufemisme voor ‘wijs af’) de eerste 37% van de kandidaten en geef de eerstvolgende betere kandidaat de job. Of er nu honderd of duizend kandidaten de revue passeren – de 37% regel blijkt steeds de beste strategie te zijn. Pas hem toe, en de beste kandidaat wordt er maximaal uitgehaald. Wilt u nog snel uw droomhuis kopen om te profiteren van de woonbonus, en u kan nog gedurende een maand elke dag een huis bekijken? Beslis pas vanaf de twaalfde dag. Pas de regel toe, en u maximaliseert de kans om het beste bod te krijgen, het beste restaurant te kiezen of om zelf uw droompartner te vinden.

In theorie moeten we dus de eerste 37% mogelijke kandidaten afwijzen. In theorie. Uit onderzoek blijkt immers dat we reeds sneller beslissen (zie bijvoorbeeld Bearden, Murphy, & Rapoport, 2005; Bearden, Rapoport & Murph, 2006). Volgens Baerden en collega’s overschatten we de kwaliteit van wie of wat eerst komt en letten we minder op de kwaliteit van wie of wat nog moet volgen. Dit in combinatie met de extra inspanning die we moeten leveren om nog meer kandidaten te overwegen en te evalueren verklaren deels onze bias om te vroeg op onze Golden Buzzer te duwen.

Referenties

Bearden, J. N., Rapoport, A., & Murphy, R. O. (2006). Sequential observation and selection with rank-dependent payoffs: An experimental study. Management Science, 52(9), 1437-1449.

Dan Karaty die zo’n 100-tal kandidaten mag verwachten tijdens de audities van Belgium Got Talent, wacht dus volgend seizoen beter tot na de 37ste kandidaat om zijn Golden Buzzer te gebruiken. Pech voor die kandidaten die in de eerste drie/vier afleveringen geloot werden – maar succes gegarandeerd om zijn favoriete kandidaat in de liveshow terug te zien.

Bearden, J. N., Murphy, R. O., & Rapoport, A. (2005). A multi-attribute extension of the secretary problem: Theory and experiments. Journal of Mathematical Psychology, 49(5), 410-422.

Christian, Brian, and Tom Griffiths. Algorithms to Live By: The Computer Science of Human Decisions. Macmillan, 2016.

Ferguson, T. S. (1989). Who solved the secretary problem?. Statistical science, 4(3), 282-289.

 

Waarom leren kinderen vlotter een nieuwe taal dan volwassenen?

Hoewel zich uitdrukken in taal heel evident lijkt, is het verwerven van taal best een uitdagend opdracht. Denk maar eens aan een nieuwe taal leren. Het is goed mogelijk dat je nog steeds twijfelt over de subjonctives van être – Bescherelle ten spijt. Laat staan dat je incognito een baguette bij de lokale bakker bestelt. Quand les poules auront des dents. Tenzij je jong geleerd bent. Dan gaat het precies vanzelf – of althans zónder traceerbaar accent.
Kinderen zijn meer succesvol in het leren van taal dan volwassenen. Dit geldt zowel voor het leren van de moedertaal als het leren van een tweede taal. Een sprekend voorbeeld is de casus van Victor de l’Aveyron, het wolfskind dat opgroeide zonder taal en daarna nooit meer in staat was een moedertaal te verwerven. In 1967 definieerde Eric Lenneberg een “kritische” periode waarin je taal kan leren. Deze periode eindigt op het moment dat de taalfuncties in de (linker)hersenen zijn verankerd, met name rond de puberteit. Later werd dit genuanceerd, voornamelijk wat betreft het leren van een tweede taal. Volwassenen zijn nog steeds in staat om een nieuwe taal te leren, al het gaat niet meer zo vanzelf en zelden tot op moedertaalniveau. Men spreekt over een sensitieve periode voor taalverwerving die verdwijnt rond de puberteit.

Dit lijkt contra-intuïtief. Volwassenen blinken uit op tal van cognitieve vaardigheden. Ze hebben een grotere aandachtspanne, meer capaciteit in het geheugen en een complexer redeneervermogen dan kinderen. En toch leren ze taal niet zo vlot zoals kinderen dat doen. Dit paradox werd in 2005 door het tijdschrift Science uitgeroepen tot één van de belangrijkste maar nog steeds onopgeloste vragen in de wetenschappen. Meer dan tien jaar later zijn wetenschappers nog steeds op zoek naar antwoorden.

Een taal leren dat doe je niet zomaar. Of net wel?
In 1996 ontdekten Amerikaanse wetenschappers dat baby’s van amper 8 maanden oud in staat zijn om woorden te isoleren uit een continue stroom van spraakklanken enkel en alleen door te luisteren [1]. Hun brein pikt onbewust statistische regelmatigheden op die verstopt zitten in onze taal. In iedere taal komen bepaalde elementen (klanken, woorden, etc.) relatief vaak in combinatie voor. Een kind dat leert dat “grote”, en niet “degro” of “tehond” in “de grote hond” een apart woord is, heeft te maken met overgangswaarschijnlijkheden tussen de verschillende lettergrepen: de syllaben “gro” en “te” komen veel vaker samen voor dan “de” en “gro”. Bovendien zullen woorden in het Nederlands nooit eindigen met de klank ‘h’ en dus waarschijnlijk het begin van het volgend woord aanduiden [ook wel fonotactische regels genoemd]. Een kind ziet ook net vaker een grote hond dan een poes of een kleine hond wanneer deze klanken aangeboden worden. Soortgelijke statistiek kan ook gebruikt worden om grammaticaregels te leren. Bijvoorbeeld, de overgangswaarschijnlijkheid tussen een enkelvoudig onderwerp en -t (vb., hij loopt, zij fietst) is hoog en dus leert het kind dat het niet “broer loop” of “ik fietst” is. Steeds meer en recenter onderzoek laat zien dat statistisch leren een fundamenteel basismechanisme is in het jong brein dat helpt bij het leren van taal en andere vaardigheden zoals sport of muziek.

Hoe zit het dan als we ouder worden?
Ons vermogen tot statistisch leren verdwijnt niet met ouder worden. In tegendeel. We maken nog steeds onbewust gebruik van statistische regelmatigheden in onze omgeving om iets te bij te leren – denk bijvoorbeeld aan conditionering. Wat wel verandert is onze ervaring, de plasticiteit van ons brein en ons cognitief vermogen [2].
Hoe vertrouwder men wordt met de statistiek binnen één taalsysteem, hoe moeilijker het wordt om zich aan te passen aan de statistiek van een ander taalsysteem. Ervaring is een mes dat snijdt aan twee kanten. Door het oppikken van statistische regelmatigheden winnen we kennis in de ene taal maar ontnemen we tegelijk ons vermogen tot aanpassen aan de andere taal – zeker als deze taal er andere fonotactische of grammaticale regels op nahoudt. Dit kan echter niet verklaren waarom er ook een kritische periode lijkt te bestaan voor het leren van een eerste taal.

Tijdens het leren worden synaptische verbindingen gevormd tussen neuronen. De meeste neuronen worden aangemaakt voor het tweede levensjaar. Deze sterven geleidelijk af met ouder worden. Een jonger brein is hierdoor plastischer en daardoor ook beter uitgerust om taal te leren. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat kinderen sneller herstellen van traumatische schade aan de linkerhersenhelft (betrokken bij taalverwerving) dan volwassenen. Echter, verlies aan plasticiteit kan niet verklaren waarom volwassenen slechter worden in het leren van taal maar net beter in het leren van andere cognitieve vaardigheden.
Hoe ouder, hoe intelligenter – althans, het is maar hoe je het bekijkt. Door de groei van de prefrontale cortex, de voorste delen van het brein, krijgen volwassenen een beter cognitief vermogen. Deze groei start in de pubertijd en ontwikkelt zich verder tot en met het 25e levensjaar. Hierdoor leren volwassenen taal niet meer uitsluitend op een onbewuste manier, maar door actief en expliciet op zoek te gaan naar het onderliggend regelsysteem. Ze zoeken het te ver en zien door de bomen het bos niet meer. Of ze slaan te veel informatie tegelijk op en vergeten daarom sneller en slagen zaken door elkaar. Onderzoek met volwassenen toont bijvoorbeeld aan dat het brein sneller statistische regelmatigheden oppikt en minder snel vergeet wanneer men afgeleid is of wanneer de prefrontale activiteit onderdrukt wordt aan de hand van slaapmedicatie (benzodiazepines) en/of transcraniële magnetische stimulatie [3]. Less is more.

Wat nu?
In de loop der jaren zijn er al heel wat educatieve methoden gebaseerd op bovenstaande inzichten. Denk bijvoorbeeld aan de stijgende populariteit van immersie-scholen waar taal niet wordt onderwezen maar aangeboden (d.i., zo natuurlijk mogelijk) – en liefst zo vroeg mogelijk [4]. Er zitten echter nog steeds haken en ogen aan het wetenschappelijk debat rond sensitiviteit in taalverwerving. Er blijken ook verschillende sensitieve periodes te zijn voor verschillende aspecten van taal (fonologie, morfologie, syntax…) en sommige aspecten van taal hebben wel voordeel van expliciete onderwijsvormen (vb. onregelmatige vervoegingen, semantiek). Individuele verschillen in persoonlijkheid, motivatie, aanleg alsook sociale factoren spelen ook een rol.

Referenties
[1] Saffran, J. R., Aslin, R. N., & Newport, E. L. (1996). Statistical learning by 8-month-old infants. Science, 274(5294), 1926-1928.
[2] Thiessen, E.D., Girard, S. & Erickson, L.C. (2016). Statistical learning and the critical period: how a continuous learning mechanism can give rise to discontinuous learning. Cognitive science, 7:276-288.
[3] Smalle, E.H.M., Panouillères, M., Szmalec, A., & Möttönen, R. (2017). Language learning in the adult brain: Disrupting the dorsolateral prefrontal cortex facilitates word-form learning. Scientific Reports, 7: 13966.
[4] Simonis, M, Van der Linden, L, Galand, B, Hiligsmann, P, & Szmalec, A (2019). Executive control performance and foreign-language proficiency associated with immersion education in French-speaking Belgium. Bilingualism: Language and Cognition, 1-16.

 

Onschuldig schuld bekennen: zou jij het verschil zien tussen een ware en een valse bekentenis?

19 april, 1989 – een kille avond in New York’s Central Park en de nacht dat het leven van velen drastisch zou veranderen. Trishia Meili, een 28-jarige vrouw, liep zoals gewoonlijk door het park toen iemand haar van het pad sleurde en verkrachtte. Ze belandde in een coma en ontwaakte pas twaalf dagen later. Tot op de dag van vandaag herinnert ze zich niks van haar belager. Vijf tieners – één latino en vier Afro-Amerikaanse jongens – die zich die avond ook in het park bevonden, werden opgepakt en in verdenking gesteld van deze gruwelijke daad. Nadat de jongens uren aan een stuk waren verhoord, legden ze alle vijf een bekentenis af. Hoewel hun verklaringen vol fouten en tegenstrijdigheden zaten en hun DNA geen match was met dat van het sperma aangetroffen op het slachtoffer waren de bekentenissen voldoende om hun te veroordelen.

De jongens hadden alle vijf hun straf uitgezeten, als Mathias Reyes, een moordenaar en serieverkrachter, in 2002 plots bekent dat hij de ware dader is.

Zijn DNA leverde wel een match op en zijn bekentenis bevatte details die enkel de dader kon weten. Twaalf jaar na de veroordelingen van de vijf – ondertussen volwassen – mannen werd hun naam eindelijk gezuiverd.

De Central Park Five

Hoe kan het dat deze jongens bekenden dat ze zoiets verschrikkelijk hadden gedaan terwijl ze er niks mee te maken hadden? Het klinkt zeer contra-intuïtief maar het bekennen van iets dat je niet hebt gedaan is helaas geen zeldzaam fenomeen. Volgens het Innocence Project zou één op de vier ten onrecht veroordeelde personen in de Verenigde Staten een valse bekentenis hebben afgelegd. Jonge leeftijd, mentale achterstand, langdurige ondervragingen, confronterende ondervragingstechnieken, en nog vele andere factoren kunnen er voor zorgen dat iemand een verhoogd risico loopt op het afleggen van een valse bekentenis. Naast het identificeren van deze risicofactoren is het ook belangrijk om te kunnen vaststellen of iemand daadwerkelijk valselijk heeft bekend. Onderzoek heeft aangetoond dat zowel politie als leken hier niet de geschikte kandidaten voor zijn. Maar hoe kunnen we dan wel op een betrouwbare manier de echtheid van een bekentenis bepalen?

‘Ontkennen heeft geen zin, we weten dat jij het was!’

Recent onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam trachtte hierop een antwoord te vinden door aan de hand van de geheugendetector valse van ware bekenners te onderscheiden. Voor dit onderzoek werden participanten uitgenodigd naar het lab in de veronderstelling dat ze deelnamen aan een onderzoek dat keek naar hoe goed ze in groepsverband kunnen samenwerken. Wat ze echter niet wisten was dat ze zouden beschuldigd worden van valsspelen; hiertoe hadden ze namelijk de kans gekregen in het begin van het experiment. Of ze nu hadden valsgespeeld of niet, alle deelnemers werden hier van beschuldigd door de proefleider die aan de hand van specifieke ondervragingstechnieken een bekentenis probeerde te ontlokken. Participanten die schuldig waren aan valsspelen en dat opbiechtten, legden een ware bekentenis af. Participanten die onschuldig waren maar onder druk van de ondervraging toch zeiden dat ze hadden valsgespeeld, legden een valse bekentenis af.

Daarna kwam de echte test: aan de hand van de geheugendetector wilden de onderzoekers achterhalen wie een valse en wie een ware bekentenis had afgelegd. De geheugendetector bekijkt of iemand beschikt over daderkennis – informatie die alleen de dader van een misdrijf weet – en valt te vergelijken met een multiple-choice test. Per vraag bestaan er meerdere antwoordmogelijkheden, één van die opties betreft een item dat enkel door de dader herkend kan worden en de andere opties zijn gelijkaardige items die niets met het misdrijf te maken hebben. Bijvoorbeeld, de geheugendetector zou de vraag ‘Welk kledingstuk werd er gebruikt om Trishia vast te binden?’ kunnen bevatten met de bijhorende antwoordopties: (a) broek, (b) T-shirt, (c) trui, (d) kousen, (e) veters, (f) sjaal.
Het principe waarop de geheugendetector berust is hetzelfde als dat van het cocktail fenomeen: net zoals je op een rumoerig feestje toch kan opmerken dat iemand je naam heeft gezegd, zo zal ook het misdaad-gerelateerde item de aandacht van de dader trekken. Die herkenning kan dan gemeten worden aan de hand van fysiologische markers zoals hartslag, huidgeleiding en ademhaling. Als we nu terugkeren naar het voorgaande voorbeeld zou dit betekenen dat enkel de dader, Matias Reyes, ‘T-shirt’ zou herkend hebben als het kledingstuk dat werd gebruikt om Trishia vast te binden en zou hij op dit item een uitgesproken reactie vertoond hebben. De vijf jongens zouden dit item niet herkend hebben en gelijkaardige reacties vertoond hebben op alle antwoordopties.

Verraden door je geheugen

In het Amsterdamse onderzoek onderzocht men of de test in staat was om de participanten met daderkennis, de ware bekenners dus, geïdentificeerd konden worden. De resultaten toonden aan dat de ware bekenners significant verschilden van de valse bekenners in hun reacties. Met name, de reactie van de ware bekenners op de misdaad-gerelateerde items was veel groter dan hun reactie op de misdaad-irrelevante items wat er op wees dat de ware bekenners de misdaad-gerelateerde items herkenden. Bij de valse bekenners werd zo een verschil niet gevonden en vertoonden ze geen herkenning van de misdaad-gerelateerde items. Dus ook al hadden de onschuldige participanten iets bekend dat ze niet hadden gedaan, toch kon men aan de hand van de geheugendetector op een betrouwbare manier vaststellen of een deelnemer effectief had valsgespeeld.

De resultaten van dit onderzoek bieden een eerste indicatie dat de geheugendetector onder bepaalde omstandigheden in staat is om de echtheid van een bekentenis te bepalen. Toch is het niet altijd zo een zwart-wit verhaal en kan ook een onschuldig persoon over daderkennis beschikken. De politie kan bijvoorbeeld tijdens het verhoor per ongeluk informatie weggeven waarvan de verdachte nog niet op de hoogte was. Hierdoor zou een onschuldig persoon wel over daderkennis beschikken en is de geheugendetector mogelijks niet meer in staat om een betrouwbaar onderscheid te maken tussen valse en ware bekenners. Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of er voor dit probleem een oplossing kan gevonden worden en of de geheugendetector in de toekomst als vervanging van het menselijk oordeel kan gebruikt worden om de echtheid van een bekentenis te bepalen.

Bron

Geven, L. M., Ben-Shakhar, G., Kassin, S. M., Kindt, M., & Verschuere, B. J. (in preparation). I did it! Or did I? Memory detection as a forensic tool to evaluate the veracity of a confession.

 

Gespiegelde organen, gespiegelde hersenen?

In ongeveer 1 op 10.000 mensen liggen de inwendige organen niet op hun gebruikelijke plaats met het hart aan de linkerzijde en de lever aan de rechterkant, maar zitten ze precies omgekeerd.

Tot hiertoe werd aangenomen dat de atypische orgaanlocatie van deze zeldzame groep weinig invloed had op de organisatie van hun brein, maar onderzoekers van de Universiteit Gent hebben recent aangetoond dat dit niet helemaal klopt. Continue Reading

 

Piekeren is misschien toch niet zo onschuldig?

Depressie is een stemmingsstoornis die wereldwijd meer dan 300 miljoen individuen treft en dit aantal lijkt zorgwekkend te blijven stijgen. Op 10 jaar tijd is de prevalentie van depressie namelijk toegenomen met meer dan 18 %.

Eenmaal mensen een eerste depressie hebben meegemaakt, verhoogt dit bovendien de kans op een nieuwe.

Men is erdoor gevoeliger geworden voor negatieve gebeurtenissen. Kleine stresserende gebeurtenissen zijn vaak al voldoende om een nieuwe depressie te activeren. Continue Reading

 

Wachten op het onverwachte: hoe we beter het effect van hersenschade kunnen voorspellen

Wat gebeurde, maar niet verwacht was

19 oktober 2011. Voor de meesten onder ons is dit een dag die we ons wellicht niet glashelder kunnen herinneren. Deze dag was echter een keerpunt in het leven van de toen 21-jarige Sam Schmid. Deze Amerikaanse student raakte op die dag betrokken in een zwaar verkeersongeval, waar hij verwondingen opliep die zo ernstig waren dat ze niet konden worden behandeld in het plaatselijke ziekenhuis van het stadje waar het ongeluk had plaats gevonden. De jongeman werd met spoed geopereerd, maar het mocht niet baten: Schmid werd hersendood verklaard. Deze diagnose duidde aan dat er geen hersenactiviteit meer waar te nemen was bij de jonge student.

Een maand later, tijdens een bezoek van zijn ouders, gebeurde echter het onverwachte: Schmid bewoog twee vingers.

Dit zou de start zijn van een miraculeus herstel waar Schmid alle verwachtingen ruimschoots overtrof. Twee jaar na het ongeval, na maanden van intensieve revalidatie, zou de jongeman er opnieuw in slagen om te praten en te wandelen, en plande hij zelfs verder te studeren. Continue Reading

 

Slaap er een nachtje over… en je haalt tien op tien! Een studie over de rol van slaap in geheugenconsolidatie.

Je kent het wellicht wel, een nachtje doorstuderen voor je examen. Nog één dag te gaan en het is D-day. Het laatste hoofdstuk ken je nog niet helemaal vanbuiten – het zou maar eens net over dat ene hoofdstuk gaan. Het is nu 22:35. Slik. Paniek. Koffie. The show must go on. “The woods are lovely, dark and deep. But I have promises to keep, and miles to go before I sleep.” (Robert Frost)

Maar is het eigenlijk wel een goed idee om je slaap te laten voor een extra herhaling van de leerstof? Volgens een studie die recent verscheen in het toonaangevende tijdschrift Current Biology, kan je toch beter in je bed kruipen, slapen, en… misschien ook nog vragen aan moeder- of vaderlief of ze de kern van de leerstof komen influisteren terwijl je (bijna) in dromenland zit – dit is geen grap.

Continue Reading

 

Kan je fake news ontkrachten? Niet bij iedereen…

De impact van fake news is groter voor mensen met een lagere intelligentie

Een paar eenvoudige muisklikken, meer is niet nodig: iedereen kan tegenwoordig ‘fake news’ wereldkundig maken. De impact van fake news ongedaan maken, lijkt daarentegen heel wat minder evident. Psychologen Jonas De keersmaecker en Arne Roets van de Universiteit Gent publiceerden recent een studie over dit fenomeen in het wetenschappelijk tijdschrift Intelligence. Hun opmerkelijke bevinding is dat intelligentie een belangrijke rol speelt in het counteren van fake news. In het bijzonder, mensen met lagere intelligentie passen hun mening onvoldoende aan nadat ze te weten komen dat hun ideeën gebaseerd zijn op informatie die niet correct is.

Continue Reading