Browse Category: Ongecategoriseerd

Waarom piekeren we en kan dit kwaad?

Stel je eens het volgende scenario voor: je hebt overdag een kleine botsing gehad met de wagen. ‘s Avonds lig je in bed en geraak je maar niet in slaap. Je gedachten blijven afdwalen naar de botsing. Er zijn een aantal verschillende gedachten die je kan hebben. Zo kan het zijn dat je je afvraagt of de botsing vermeden had kunnen worden, dat je de komende dagen heel wat moet regelen om dit af te handelen, of waarom zo’n zaken altijd juist jou moeten overkomen.

Deze gedachten zijn piekergedachten: herhalende, ongewenste gedachten die blijven terugkomen, en die je niet zomaar kan stopzetten. Deze gedachten kunnen gaan over het verleden, het heden of de toekomst, en gaan typisch over negatieve gebeurtenissen of mogelijke problemen. Piekeren is een proces dat bij vrijwel iedereen eens voorkomt. Onderzoek toonde aan dat twee op de vijf mensen zelfs elke dag piekeren.

Hoe komt dit?
Piekeren helpt ons omgaan met vervelende situaties. We weten dat mensen meer piekeren wanneer stress aanwezig is. Piekeren kan helpen door enerzijds een oplossing te bedenken van een (toekomstig) probleem, of anderzijds reflectief te zijn over je eigen acties, zodat gelijkaardige situaties in de toekomst vermeden kunnen worden. Echter, soms blijven de piekergedachten aanwezig, leiden deze niet tot positieve uitkomsten en worden mensen gehinderd in hun dagelijks functioneren door het afleidend karakter van die gedachten die te pas en vooral te onpas opduiken. In het voorbeeld hierboven zijn de gedachten over de oorzaak en de toekomstige handelingen probleemoplossend. De vraag “waarom moet mij dit nu weer overkomen?” is dat echter niet.

Is dit gevaarlijk?
Af en toe piekeren is op zich onschuldig. Echter, wanneer dit te vaak en te langdurend voorkomt, zonder probleemoplossend te zijn, blijft men vaak hangen in angstige anticipatie. De hersenen worden getraind om die denkpatronen te gebruiken en na een tijdje zal dit de vaste manier van denken worden. Dit is minder onschuldig: we weten vanuit onderzoek dat overmatig negatief gepieker kan leiden tot een grotere kans op het ontwikkelen van verschillende mentale problemen waaronder depressie, angst, psychose en slapeloosheid. Piekeren is ook gelinkt aan slaapproblemen en lichamelijke klachten.

Wat kan je eraan doen?
Stoppen met piekeren is makkelijker gezegd dan gedaan. Door veelvuldig te piekeren, wordt dit zowat de standaard setting van je hersenen. Elke keer je piekert, wordt dit patroon verstevigd. Denk maar aan hoe het is om te wandelen doorheen een grasveld. Na een aantal passages zal je altijd datzelfde pad nemen, omdat de uitgesleten weg het makkelijkste is. Om van dat pad af te wijken – en dus om minder te piekeren – is soms wat moeite nodig. Piekergedachten onder controle te krijgen kan je dus leren door minder vaak gebruikte hersengebieden te gaan versterken, wat je kan zien als mentale fitness. Dat is precies wat de nieuwe computertraining van de Universiteit Gent probeert te doen. In die training word je verplicht om je aandacht te houden bij een moeilijke taak, waarbij er veel fouten worden gemaakt. Echter, je mag niet stilstaan bij die fouten want dan kan je de taak niet verder uitvoeren. Dat proces, het blijven focussen op datgene wat moet gebeuren, en het leren om niet te denken aan negatieve onbelangrijke zaken, maakt gebruik van de hersengebieden die piekeren tegengaan. De training bestaat uit een herhaling en combinatie van al die vermelde processen, binnen een stresserende context aangezien er dan vaker gepiekerd wordt. Door specifieke hersengebieden te versterken, zullen deze in het dagelijks leven ook een belangrijke rol kunnen gaan spelen. Hierdoor kan men uiteindelijk meer vat krijgen op piekergedachten.

Ook zijn er vormen van psychotherapie die pogen piekergedachten onder controle te houden. Je kan opteren om individueel te werken met een psychotherapeut, of een piekercursus volgen, wat je meestal in groep of online doet. Daar kan bijvoorbeeld het onderscheid tussen aanvaardbare en problematische vormen van gedachten aangeleerd worden of leren mensen zelf te herkennen wat hen mogelijk aanzet tot piekeren.

Ten slotte kan, indien een begeleidende arts dit nodig acht, ook medicatie gebruikt worden, al dan niet in combinatie met therapie.

Conclusie
Af en toe eens piekeren is heel menselijk en niets om je over zorgen te maken. Het kan tijdelijk een geschikte manier zijn om met gebeurtenissen om te gaan. Echter, wanneer de piekergedachten aanwezig blijven en storend worden voor het dagelijks functioneren kan dit wel problematisch zijn. Overmatig piekeren zorgt voor een grotere kans op het ontwikkelen van mentale problemen zoals depressie of angst, en kan ook reeds aanwezige problemen ernstiger maken. Er bestaan een aantal manieren om piekergedachten onder controle te houden: individuele psychotherapie, piekercursussen in groep, medicatie of de nieuwe piekertraining van de Universiteit Gent.

Wens je zelf de online piekertraining te proberen, of wil je vrijblijvend meer info? Stuur dan een e-mail naar cogtraining@ugent.be

Bronnen
Koster, E. H. W., De Lissnyder, E., Derakshan, N., & De Raedt, R. (2011). Understanding depressive rumination from a cognitive science perspective: The impaired disengagement hypothesis. Clinical Psychology Review, 31, 138–145. doi:10.1016/j.cpr.2010.08.005

Koster, E. H. W., Hoorelbeke, K., Onraedt, T., Owens, M., & Derakshan, N. (2017). Cognitive control interventions for depression: A systematic review of findings from training studies. Clinical Psychology Review, 53, 79–92. doi:10.1016/j.cpr.2017.02.002

Auteur
Jasmien Vervaeke: doctoraatstudent verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie en de onderzoeksgroep imec-mict-ugent. Momenteel werkt ze aan een doctoraat over de effectiviteit van cognitieve controle training als hervalpreventie bij voorheen depressieve personen in de context van een Toegepast BioMedisch onderzoek project.

Gerelateerde artikelen
Durf denken
Mensenkennis

 

I was born this way – zijn mensen van nature (on)eerlijk?

Je hebt het wellicht wel al meegemaakt, je staat aan de kassa van de supermarkt, je hebt juist betaald en je merkt dat de kassierster je te veel wisselgeld heeft teruggegeven. Nu moet je snel beslissen. De volgende klant staat al ongeduldig te wachten en de kassierster kijkt je vragend aan. Doe je alsof er niets aan de hand is en steek je het geld snel in je zakken? Of geef je het onverdiende geld eerlijk terug?

Oneerlijk gedrag loont vaak, maar we moeten er wel ons positief en eerlijk zelfbeeld voor opofferen. Mensen nemen daarom graag een loopje met de regels en kiezen de gulden middenweg. Ze interpreteren de situatie op die manier dat ze kunnen profiteren van oneerlijk gedrag, en toch een eerlijk zelfbeeld behouden.

Uit onderzoek blijkt dan ook dat mensen eerder gaan sjoemelen wanneer ze dit al bij anderen zagen, wanneer anderen er ook baat bij hebben of wanneer de schade die ze veroorzaken niet tastbaar is. In deze gevallen kunnen mensen hun onethisch gedag makkelijk goedpraten voor zichzelf (“maar iedereen doet het”).

De menselijke natuur

Maar wanneer je nu te veel wisselgeld terugkrijgt, is je automatische reactie dan om het geld terug te geven, en besef je pas hierna dat je het geld eigenlijk evengoed kan houden? Of slaat de balans eerst door naar oneerlijk gedrag en besluit je erna dat dit eigenlijk ethisch niet correct zou zijn? Met andere woorden: welke reactie komt natuurlijk: eerlijk- of oneerlijkheid?
Deze vraag trachtten Shalvi, Eldar en Bereby-Meyer (2012) in een invloedrijke studie te beantwoorden. In hun studie werden proefpersonen aangespoord een dobbelsteen te rollen en hun uitkomst op een computer te rapporteren. De proefpersonen konden een geldprijs winnen op basis van hun gerapporteerde uitkomst: hoe hoger ze rolden, hoe meer geld ze zouden verdienen. Onder deze omstandigheden worden de deelnemers geconfronteerd met de verleiding om het resultaat van hun dobbelsteen op te drijven en zo meer geld binnen te halen. De proefpersonen moesten ofwel dobbelen onder tijdsdruk, wat verondersteld wordt een intuïtieve respons uit te lokken, ofwel zonder tijdslimiet, waardoor de proefpersonen hun keuze bewust konden overwegen.

Shalvi en zijn collega’s vonden dat, enkel wanneer de proefpersonen onder tijdsdruk rolden, de proefpersonen logen. Ze interpreteerden deze resultaten als evidentie voor de oneerlijke menselijke natuur: terwijl onethisch gedrag automatisch komt, vereist eerlijkheid het overwinnen van de natuurlijke drang om het eigenbelang te dienen.

Replicatie

De robuustheid van deze belangrijke bevinding wordt echter in verschillende onderzoeken in vraag gesteld. Zo stelt de cognitieve theorie dat liegen cognitief meer belastend is dan de waarheid spreken. Terwijl de waarheid direct beschikbaar is in iemands geheugen, moet een leugen eerst bedacht, onthouden en op een niet-contradictoire manier gecommuniceerd worden. Volgens deze theorie hoort liegen hierdoor systematisch langer te duren dan de waarheid spreken, een idee dat al in verschillende onderzoeken werd bevestigd.

Omdat het vermogen om resultaten van een onderzoek te herproduceren een belangrijk kenmerk van het wetenschappelijk proces is, besloten we het onderzoek van Shalvi en zijn collega’s te repliceren. In tegenstelling tot de originele studie, bleken proefpersonen in onze replicatie echter niet te liegen, noch onder tijdsdruk, noch zonder tijdsdruk. Dit gebrek aan liegen daagt het idee dat oneerlijk gedrag intuïtief zou zijn natuurlijk uit, maar één mislukte replicatie betekent nog niet dat het originele effect vals was. Misschien zorgden de minimale verschillen tussen onze replicatie en de originele studie er wel voor dat we het effect niet meer vonden. Of het is mogelijk dat het originele effect minder robuust is dan oorspronkelijk werd gedacht. Wat het antwoord voor het verschil in bevindingen tussen het originele onderzoek en onze replicatie ook is, de vraag of de mens van nature (on)eerlijk is blijft dus voorlopig nog onopgelost.

Bronnen

Shalvi, S., Eldar, O., & Bereby-Meyer, Y. (2012). Honesty requires time (and lack of justifications). Psychological science, 23(10), 1264-1270.

 

Less is leuk! Eenvoudige beelden maken ons blij en vinden we mooi.

Stel je voor: het is zaterdagochtend en je stapt met je hoofd in de wolken naar het S.M.A.K. in Gent voor een portie cultuur. Je kijkt op en net voordat je elkaar kruist, flitst het beeld van een persoon voorbij en je zweert dat het de mooiste man of vrouw is die je in je hele leven gezien hebt. Dat ging snel. Wanneer we iets voor het eerst zien, weten we vaak haast onmiddellijk of het mooi is of niet. We hoeven er niet lang bij stil te staan, het gebeurt automatisch. Maar hoe maken we zo’n beslissing die meer gebaseerd lijkt op een gevoel dan op een weloverwogen rationeel oordeel?

Sterke associaties zijn snelle associaties
Om deze snelle oordelen te onderzoeken, gebruikt men in de cognitieve psychologie vaak impliciete metingen. Deze laten toe om het automatische en onbewuste oordeel van mensen te meten door bijvoorbeeld hun reactietijden te vergelijken. Wanneer men sneller reageert op symmetrische figuren geassocieerd met positieve woorden dan op symmetrische figuren geassocieerd met negatieve woorden, kan je veronderstellen dat het eerste paar sterker gelinkt is in de hersenen dan het tweede. Dat is ook wat de data in verschillende studies suggereert: een impliciete (zeg maar: automatische) voorkeur voor symmetrie. In een recente studie werd dit getest met schilderijen van Mondriaan en de symmetrische versies van deze schilderijen. Deelnemers aan het onderzoek reageerden gemiddeld sneller op de paren symmetrie-positief en asymmetrie-negatief dan de paren symmetrie-negatief en asymmetrie-positief. Een bijkomende vraag voor toekomstige studies, echter, is of de visuele beelden op zich of het concept symmetrie dit effect genereert.

Passiever is positiever
Ook meer vertrouwde beelden en beelden die duidelijker contrasteren met hun achtergrond worden door mensen tijdens experimenten positiever beoordeeld dan hun omgekeerde tegenhangers. De link tussen deze voorkeuren is dat onze hersenen de beelden in kwestie vlotter kunnen verwerken. Deze stimuli bevatten ofwel minder visuele informatie (symmetrie vs. asymmetrie), of ze zijn makkelijker te onderscheiden (contrasteren beter), of makkelijker op te halen uit het geheugen (vertrouwder). Volgens sommige onderzoekers ontlokt dit relatief gemak automatisch een klein positief gevoel. Dit positief gevoel nemen we waar en we schrijven het verkeerdelijk toe aan de esthetische aspecten van het beeld. We denken dus dat het de schoonheid van de beelden is die ons blij maakt, terwijl het in feite het gemak is waarmee we de beelden waarnemen dat deze affectieve reactie ontlokt. Zo komt het, volgens deze theorie, dat beelden die cognitief gemakkelijker te verwerken zijn, gemiddeld positiever beoordeeld worden.

Onbewust oordelen biedt voordelen
Betekenen deze resultaten dat we lui zijn in onze waardering en dat het zo simpel mogelijk moet zijn opdat we iets mooi zouden vinden? Uit ondervinding weten we dat dit niet altijd klopt. Iets wat simpel is, kan al gauw saai zijn, en een complex abstract kunstwerk in het S.M.A.K. kan, naargelang je interesse, heel mooi zijn. Daarom is het interessant het onderscheid te maken tussen de automatische en niet-automatische evaluatie van beelden. Automatische (impliciete) evaluatie biedt onderzoekers waarschijnlijk een betere kans in vergelijking met niet-automatische evaluatie om uitspraken te doen over de esthetische voorkeur over mensen heen. Terwijl je expliciete esthetische voorkeur beïnvloed wordt door persoonlijke factoren, wordt impliciete evaluatie mogelijks meer gedreven door een universeel systeem zoals beschreven in de cognitieve vlotheid theorie. Deze laatste soort processen zouden dan bij iedereen de automatische beoordeling beïnvloeden los van factoren die eigen zijn aan het individu. Dus less is soms leuker, misschien vooral wanneer de evaluatie automatisch gebeurt. Eenvoudige beelden maken ons blij en vinden we mooi, in die volgorde

Tot slot
De esthetische voorkeur voor wat minder cognitieve inspanning vergt is consistent met de trend die nu al een tijdje gaande is om alles simpeler te maken. De soberheid van het populaire Scandinavisch design, de focus van techgigant Apple op eenvoudige ontwerpen en mensen die minimalistischer gaan leven zijn hier goede voorbeelden van. De cognitieve-vlotheid benadering van esthetische voorkeur is elegant en handig in het onderzoek naar andere psychologische fenomenen en ook relevant voor de toepassingsgerichte doelen van marketeers en ontwerpers.

Heb je, tenslotte, opgemerkt dat sommige tussentitels in dit artikel rijmen? Dit maakt ze net iets makkelijker om te lezen. Zou dit jou onbewust een klein beetje hebben beïnvloed, of niet?

Bronnen

Cannon, P. R., Hayes, A. E., & Tipper, S. P. (2010). Sensorimotor fluency influences affect: Evidence from electromyography. Cognition & Emotion, 24(4), 681-691. doi: 10.1080/02699930902927698.

Cho, H. (2019). Brand name fluency and perceptions of water purity and taste. Food Quality and Preference, 71, 21-24. doi: 10.1016/j.foodqual.2018.05.002.

Makin, A. D. J., Pecchinenda, A., & Bertamini, M. (2012). Implicit affective evaluation of visual symmetry. Emotion12(5), 1021-1030. doi: 10.1068/id217.

Reber, R., Schwarz, N., & Winkielman, P. (2004). Processing fluency and aesthetic pleasure: Is beauty in the perceiver’s processing experience? Personality and social psychology      review, 8(4), 364-382. doi: 10.1207/s15327957pspr0804_3.


 

Wachten op het onverwachte: hoe we beter het effect van hersenschade kunnen voorspellen

Wat gebeurde, maar niet verwacht was

19 oktober 2011. Voor de meesten onder ons is dit een dag die we ons wellicht niet glashelder kunnen herinneren. Deze dag was echter een keerpunt in het leven van de toen 21-jarige Sam Schmid. Deze Amerikaanse student raakte op die dag betrokken in een zwaar verkeersongeval, waar hij verwondingen opliep die zo ernstig waren dat ze niet konden worden behandeld in het plaatselijke ziekenhuis van het stadje waar het ongeluk had plaats gevonden. De jongeman werd met spoed geopereerd, maar het mocht niet baten: Schmid werd hersendood verklaard. Deze diagnose duidde aan dat er geen hersenactiviteit meer waar te nemen was bij de jonge student.

Een maand later, tijdens een bezoek van zijn ouders, gebeurde echter het onverwachte: Schmid bewoog twee vingers.

Dit zou de start zijn van een miraculeus herstel waar Schmid alle verwachtingen ruimschoots overtrof. Twee jaar na het ongeval, na maanden van intensieve revalidatie, zou de jongeman er opnieuw in slagen om te praten en te wandelen, en plande hij zelfs verder te studeren. Continue Reading