Browse Tag: psychologie

Te aantrekkelijk om waar te zijn… of niet?

Heb je je wel eens afgevraagd hoe we onze wederhelft kiezen? De kans is groot dat je verwacht dat fysieke aantrekkingskracht een belangrijke rol speelt. Het is ook helemaal niet abnormaal dat je dat denkt, want in deze wereld wordt schoonheid gewaardeerd, gepromoot en zelfs beloond. We krijgen wel vaker te horen dat mooie mensen meer kansen krijgen, populairder zijn en meer geld verdienen. Het is dus ook niet zo vreemd dat we een aantrekkelijke partner aan onze zijde willen. En hoe knapper je zelf bent, hoe meer kans je hebt op een knappe partner. Toch?

Aantrekkelijkheid valt ons op

Jazeker, uiterlijk speelt in het kiezen van een partner een belangrijke rol, maar is het al overheersend? We zien wel eens een aantrekkelijke jongen met een minder aantrekkelijk meisje aan de arm, of omgekeerd, en dan denken we: “mismatch” of “die kan beter krijgen”. Is het bij deze koppels dan fout gelopen of is er toch meer aan de hand? Deze vraag werd recentelijk beantwoord door Lucy Hunt en haar collega’s van de Universiteit van Texas in Austin. In hun onderzoek, dat werd gepubliceerd in Psychological Science, gingen zij namelijk na hoe het komt dat aantrekkelijke mannen en vrouwen soms voor een minder aantrekkelijke partner kiezen. De reden bleek simpelweg vriendschap te zijn: als je eerst bevriend bent en daarna pas een relatie begint, doet uiterlijk er veel minder toe.

Op vraag van de onderzoekers onthulden 167 heteroseksuele koppels hoe ze elkaar hadden leren kennen. Alle partners werden individueel ondervraagd en 40 % van de koppels verklaarde dat ze eerste vrienden waren en dan pas een stel, terwijl de andere 41 % aangaf meteen een paar werden. De aandachtige lezer merkt meteen dat de som van deze aantallen geen 100 % vormt, maar dat komt omdat de rest van de koppels het niet eens waren over of ze al dan niet eerst vrienden waren vooraleer ze hun relatie begonnen.

Reacher or settler?

Daarna bepaalden een aantal studenten de aantrekkelijkheid van alle deelnemers door hen een score te geven op een zeven-puntenschaal, waarbij 1 gelijk stond aan ‘helemaal niet aantrekkelijk’ en 7 aan ‘extreem aantrekkelijk’. De studenten gaven over het algemeen gelijkaardige scores en zo konden de onderzoekers een betrouwbare correlatie maken tussen de aantrekkelijkheid van alle partners. Voor koppels die na hun eerste ontmoeting meteen een stel werden, vonden ze een gemiddelde aantrekkelijkheidscorrelatie van 0,46 (uit een maximale score van 1,0). Met andere woorden, de kans was groot dat een knappe man ook een knappe vrouw had. Bij de koppels die eerst vrienden waren was die correlatie slechts 0,18. Voorts constateerden zij ook dat hoe langer de partners elkaar kenden vooraleer ze een relatie begonnen, hoe minder sterk de correlatie was.

Hiermee toonden de onderzoekers uit Texas aan dat koppels die meteen een relatie begonnen elkaar op het gebied van aantrekkelijkheid meer evenaarden, terwijl het uiterlijk een minder bepalende factor was bij partners die eerst vrienden waren. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat vriendschap mensen de tijd geeft elkaars andere kwaliteiten te leren kennen en waarderen en hierdoor oppervlakkige schoonheid een minder grote rol gaat spelen.

Auteur: Evy Woumans

Evy Woumans studeerde in 2009 af als Vertaler aan de Erasmushogeschool Brussel. Na het volgen van een lerarenopleiding en een tweede Master in Advanced Linguistics aan de Vrije Universiteit Brussel, behaalde ze in 2015 haar Doctoraat in de Psychologie aan de Universiteit van Gent. In haar proefschrift onderzocht ze voornamelijk de effecten van tweetaligheid op algemeen cognitief functioneren, zowel in kinderen en gezonde volwassenen als in patiënten met de Ziekte van Alzheimer. Ook mensen die op een specifieke manier met een tweede taal bezig zijn, zoals vertalers en tolken, kwamen hierin aan bod. Voorts interesseert ze zich ook in hoe verschillende talen worden gerepresenteerd en verwerkt in de hersenen en hoe communiceren in een vreemde taal het denken beïnvloedt.

 

Over vrije wil en andere illusies.

Wij  zijn voor een groot deel gedetermineerd door elementen die we niet zelf in handen hebben. Zo blijkt bijvoorbeeld dat hormonen die we ontvingen in de baarmoeder onze seksuele voorkeur mee bepalen en dat genen onze alcoholconsumptie beïnvloeden. Anderzijds blijkt ook onze omgeving een grote invloed te hebben, voornamelijk in onze kindertijd. Zo hebben mensen die in een omgeving opgegroeid zijn waar de lucht sterk vervuild is, gemiddeld een lager IQ.

Ook impulsbeheersing en wilskracht worden door al deze factoren bepaald. Daarom kunnen we ons afvragen of we wel zelf verantwoordelijk zijn voor onze beslissingen en daden.

De scanner weet meer dan jij…

In een experiment wilden Soon en collega’s nagaan of onze beslissingen al vastliggen nog voor we ons daar bewust van zijn. In hun studie werden mensen getest in een fMRI-scanner. Dit is een hersenscanner die meet welke delen in de hersenen het meest zuurstofrijk bloed verbruiken. Daaruit wordt dan afgeleid welke hersengebieden het meest actief zijn bij een bepaalde taak. Aan de deelnemers die in de scanner lagen, werd gevraagd om op één van twee knoppen te drukken. Ze mochten zelf kiezen wanneer ze drukten en op welke knop ze drukten. Op basis van hun hersenactiviteit konden de onderzoekers meer dan zeven (!) seconden voor dat de deelnemers dachten “nu ga ik op de knop drukken”, reeds boven kansniveau voorspellen op welke knop ze zouden drukken.

Deze resultaten suggereren dat onze hersenen al besloten hebben op welke knop we zullen drukken nog vóór we ons bewust zijn van deze beslissing. Daardoor werd het oeroude debat over het al dan niet bestaan van vrije wil weer aangewakkerd. Velen stellen zich de vraag of ons bewustzijn de oorzaak is van ons gedrag of dat ons gedrag wordt geregeld door het onbewuste en het bewuste slechts een illusie is die achteraf wordt gecreëerd. Ongeveer 200 jaar geleden stelde de filosoof Schopenhauer al dat vrije wil een illusie is. En ook nu zijn er steeds meer auteurs die beweren dat (de beste) beslissingen genomen worden door ons onbewuste.

… maar die scanner meet (gelukkig) niet perfect

De resultaten van dit experiment moeten echter –zoals altijd in de wetenschap– genuanceerd worden. Op basis van de fMRI-data konden slechts 60% van de beslissingen correct voorspeld worden. Hoewel dit beter is dan kansniveau, kunnen we ons de vraag stellen waarom de beslissingen niet met 100% zekerheid voorspeld kunnen worden. Dit is ten minste voor een deel te wijten aan de kwaliteit van de scanners. Omdat met een fMRI scanner geen hersenactiviteit, maar een indirecte maat (nl. het percentage zuurstofrijk bloed) gemeten wordt, is het onmogelijk om een perfecte voorspelling te maken. De cruciale vraag is dus of men met een perfecte meetmethode beslissingen wel met volledige zekerheid zou kunnen voorspellen?

Wat denken de auteurs hier zelf van?

Eén van de auteurs, Prof. John-Dylan Haynes vermeldde in een debat dat hij gelooft dat onze daden volledig gedetermineerd zijn door onze vroegere ervaringen. Volgens hem zou een perfecte machine in theorie dus ons beslissingsgedrag foutloos kunnen voorspellen. Een perfecte voorspelling op langere termijn zal volgens hem echter moeilijk blijven omdat we steeds dingen kunnen meemaken die ons hersenpatroon – en dus ook onze beslissingen – veranderen. Een andere auteur van deze studie, Prof. Marcel Brass, gelooft ook dat onze beslissingen voor een deel gestuurd worden door onze ervaringen. In tegenstelling tot Haynes gelooft hij echter niet dat ons gedrag ooit perfect voorspeld zal kunnen worden op basis van hersenactiviteit voorafgaand aan onze bewuste beslissing. Volgens hem blijft er een rol weggelegd voor het bewuste waardoor we onze beslissingen bijvoorbeeld altijd nog op het laatste moment kunnen aanpassen. Voorlopig zijn dit allemaal nog slechts meningen, maar de wetenschap lijkt steeds meer in staat om ingenieuze proefopstellingen te ontwikkelen om deze vraag verder te onderzoeken. Benieuwd in welke richting dit ons zal leiden!

(De illusie van) vrije wil is belangrijk

Maakt het nu eigenlijk iets uit in ons dagelijkse leven of we geloven in de vrije wil? Tangney en collega’s toonden aan van wel. Hoe meer we geloven in vrije wil, hoe meer we bereiken in het leven en hoe minder zelfdestructief gedrag we zullen vertonen. Volgens de onderzoekers komt dit doordat mensen die geloven in vrije wil meer zelfcontrole uitoefenen. Daarnaast deden Vohs en collega’s een experiment waarin ze het geloof in de vrije wil manipuleerden. De deelnemers kregen een aantal stellingen te lezen. De ene helft las zinnen over het bestaan van de vrije wil, terwijl de andere helft te lezen kreeg dat vrije wil niet bestaat. Daarna moesten de deelnemers een cognitieve test afleggen. Plots vertelde de proefleider hen dat hij dringend weg moest, maar dat ze zichzelf één euro per goed antwoord mochten uitbetalen na afloop van het experiment. De deelnemers die gelezen hadden dat vrije wil niet bestaat, namen (onterecht) veel méér geld dan de anderen. Mensen die geloven dat de vrije wil niet bestaat lijken zich dus asocialer te gedragen.

Vrije wil is dus zoals de voetgangersknop aan een verkeerslicht. Als je gelooft dat het licht sneller op groen gaat springen door op die knop te drukken, ga je daarna gelukkiger het zebrapad oversteken.

Als je gelooft dat je controle kan uitoefenen op je beslissingen, ga je meer bereiken in het leven. Dus los van de vraag of vrije wil een illusie is, is het voor ons persoonlijk welzijn belangrijk dat we in de vrije wil blijven geloven!

Referenties

  • Soon, C.S., Brass, M., Heinze, H.J., & Haynes, J.D. (2008). Unconscious determinants of free decisions in the human brain. Nature Neuroscience 11, 543 – 545.
  • Tangney, J.P., Baumeister, R.F., & Boone, A.L. (2004). High self-control predicts good adjustment, less pathology, better grades, and interpersonal success. Journal of Personality, 72, 271 – 324.
  • Vohs, K.D., & Schooler, J.W. (2008). The value of believing in free will: Encouraging a belief in determinism increases cheating. Psychological Science, 19, 49 – 54.

Deze blogpost verscheen eerder op Studio Brein, een initiatief van Breinwijzer vzw.

Auteur: Sarah Beurms

Sarah Beurms is doctoraatsstudente in de Leerpsychologie aan de KUL.

 

Is jouw pijn wel echt?

Pijn is een interpersoonlijke ervaring

Pijn is de voornaamste gezondheidsklacht waarvoor mensen medische hulp zoeken. Zowel acute als chronische pijn (i.e., wanneer de pijn langer aanhoudt dan 3 maanden) gaat niet enkel samen met de pijnsymptomen op zich, maar ook met aanzienlijke belemmeringen in het dagelijkse leven. Pijn is evenwel geen individuele ervaring: pijn wordt door het individu met pijn geuit door middel van (non-)verbaal pijngedrag, en dit gedrag wordt waargenomen door anderen die, op hun beurt, een inschatting van de pijn maken.

Inschatten van andermans pijn

De inschattingen die mensen maken van andermans pijn zijn van groot belang. We kunnen immers veronderstellen dat deze inschattingen aan de basis liggen van heel wat cruciale beslissingen met betrekking tot de behandeling van pijn, bv. de keuze van behandeling, het voorschrijven van medicatie, en het plaatsen van een patiënt op de wachtlijst. De afwezigheid van medische evidentie voor de pijn is een cruciale factor die een invloed heeft op de pijninschattingen die mensen maken van andermans pijn.

Pijn zonder medische evidentie of fysiek letsel

Heel wat patiënten kampen met pijn die momenteel niet of nog niet goed medisch begrepen is. Denk bij voorbeeld aan chronische lage rugpijn waarbij de pijn vaak geen signaal meer is voor onderliggende lichamelijke weefselschade. Een ander voorbeeld is fibromyalgie, een pijnstoornis waarvan de medische oorzaak tot op vandaag nog onvoldoende gekend is.

Onderzoek: pijninschattingen met/zonder medische evidentie voor pijn

Twee recente studies onderzochten de invloed van de afwezigheid van medische evidentie voor de pijn op de inschattingen die observatoren maakten van de pijn van patiënten. De observatoren waren hulpverleners en mensen uit de algemene populatie. In deze studies kregen de observatoren informatie omtrent de aanwezigheid (bijvoorbeeld: een geknelde zenuw of artrose) of de afwezigheid van medische evidentie voor de pijn. Deze informatie ging gepaard met een foto van een patiënt en werd gevolgd door een videofragment waarin de patiënt een bepaalde, mogelijks pijnlijke beweging uitvoerde. In deze videofragmenten werd niet enkel de gezichtsexpressie van pijn in beeld gebracht; het hele lichaam (en daarbij horende pijngedragingen) werd getoond.

De resultaten

Wanneer er geen medische evidentie voor de pijn van de patiënt was:

  • Schreven de mensen uit de algemene populatie, maar ook de hulpverleners, minder pijn toe aan de patiënten
  • Rapporteerden de mensen uit de algemene populatie, maar ook de hulpverleners, minder sympathie te voelen voor de patiënten
  • Rapporteerden de mensen uit de algemene populatie minder bereid te zijn de patiënt te helpen met dagelijkse activiteiten
  • Dachten de hulpverleners dat pijnmedicatie minder effectief zou zijn
  • Gaven de hulpverleners aan zich minder effectief te voelen in het helpen van de patiënten
  • Geloofden zowel mensen uit de algemene populatie als hulpverleners meer in het veinzen van de pijn in vergelijking met wanneer er wel medische evidentie voor de pijn was

Conclusie

Patiënten met pijn die (nog) niet medisch begrepen is, vormen een kwetsbare patiëntengroep. De onderzoeksresultaten doen vermoeden dat patiënten met “medisch onverklaarde” pijn kwetsbaar zijn voor stigmatiserende reacties van anderen, zoals bijvoorbeeld sociale uitsluiting.

Referenties

  • De Ruddere, L., Goubert, L., Vervoort, T., Prkachin, K., & Crombez, G. (2012). We discount the pain of others when pain has no medical explanation. Journal of Pain, 13, 1198-1205.
  • De Ruddere, L., Goubert, L., Stevens, M.A.L., Deveugele, M., Craig, K., & Crombez, G. (submitted). Health care professional reactions to patient pain: Impact of knowledge about medical evidence and psychosocial influences.
  • Hadjistavropoulos, T., Craig, K.D., Duck, S., Cano, A., Goubert, L., Jackson, P.L., … Fitzgerald, T.D. (2011). A biopsychosocial formulation of pain communication. Psychological Bulletin, 137, 910-939.

Auteur: Lies De Ruddere

Lies De Ruddere is als onderzoekster verbonden aan de Universiteit Gent, faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie. Haar onderzoek focust zich op de interpersoonlijke context van pijn, meer specifiek op de inschattingen die mensen maken van andermans pijn. Haar doctoraatsthesis (2013) toonde aan dat het voor mensen met pijn niet vanzelfsprekend is om geloofd te worden door anderen. De huidige onderzoeksfocus van Lies De Ruddere betreft de rol van sociale uitsluiting op het welbevinden van mensen met pijn waarvoor er (nog) geen medische verklaring is.

 

Mensenkennis.be trekt 20.000e bezoeker

Mensenkennis.be, de wetenschapsblog rond psychologie die wordt gesteund door de Universiteit Gent, trok vandaag zijn 20.000e bezoeker. In januari 2013 werd de blog opgestart, en amper 5 maanden nadien is de blog al een groot succes te noemen.

De meest populaire blogposts

De meest populaire blogposts gaan over het nieuwe werken in bedrijven, over de kracht van sportpsychologie, en zelfs over het verschil tussen correlatie en causaliteit. De cartoons van huiscartoonist Maarten blijken ook altijd een schot in de roos. De blogpost die momenteel het meest populair is, is die van kersvers doctor Jordi Casteleyn over het presenteren met Prezi versus PowerPoint.

Het werk van meer dan 30 auteurs

In het begin moesten we onderzoekers echt nog proberen overtuigen om auteur te worden op Mensenkennis.be. Nu zien we dat ze spontaan met ideeën komen. In totaal staan er nu al meer dan 50 blogposts te lezen, geschreven door meer dan 30 auteurs.

Andere cijfers

Gemiddelde bekeek een bezoeker 1,94 pagina’s en bleef die gedurende 1min41 op Mensenkennis.be. Van ons totale bezoekersaantal keert 37.5% regelmatig terug. De Facebook-pagina van Mensenkennis.be heeft 212 likes. Op de Mensenkennis.be nieuwsbrief zijn er 68 mensen ingeschreven. Inschrijven kun je via de hoofdpagina van Mensenkennis.be (rechterkant van de pagina).

 

Fascinerende hersenen: een beknopte geschiedenis van hersenonderzoek

Hoe is het mogelijk dat onze hersenen, pakweg anderhalve kilo biologische massa, in staat zijn een roman te schrijven, wolkenkrabbers te bouwen, vliegtuigen uit te vinden of relativiteitstheorieën te bedenken? Het onderzoeksveld dat de relatie tussen hersenen en gedrag bestudeert is vandaag in volle ontwikkeling. Hieronder vind je een beknopte geschiedenis over beeldvormend hersenonderzoek in de gedragswetenschappen.

Hoe het begon: hersenletsels onder de loep

Al eeuwen weten we dat een heleboel bewegings- en denkfuncties van mensen verband houden met de hersenen. Dit weten we omdat de (overlevende) slachtoffers van hoofdletsels met zulke bewegings- en denkproblemen werden geconfronteerd. Een bekend geval van hersenschade is Phineas Gage (zie tekening). Door een voortijdige explosie doorboorde een ijzeren staaf de frontale (voorste) hersenkwabben van deze Amerikaanse spoorwegarbeider. Phineas overleefde dit ongeluk, maar zijn gedrag bleek naderhand erg te zijn veranderd. Waar hij voordien een toegewijd werknemer en echtgenoot was, bleek hij na het ongeval prikkelbaar, wispelturig en ongemanierd.

Hersenonderzoek Phineas Gage

Vanuit de geneeskunde en later ook de klinische psychologie werd het gedrag bij patiënten met een hersenbeschadiging meer systematisch geobserveerd en geregistreerd. Dit was een grote vooruitgang in vergelijking met de oude anekdotische gevalsstudies. De systematische studie van patiënten met hersenbeschadiging bracht dus gaandeweg een beter beeld van de relatie tussen hersenen en gedrag.

Van hokjesdenken naar een meer holistische benadering

In de loop van de 20ste eeuw ontwikkelden de gedragsneurologie en neuropsychologie zich als nieuwe disciplines. Deze onderzoeksdisciplines stonden voor een meer wetenschappelijke benadering. Meer specifiek werd het hersenletsel op een zo correct mogelijke manier afgebakend en werd de gedragswijziging op een meer precieze manier beschreven. Het gevaar van een dergelijke aanpak is echter dat deze leidt tot ‘hokjesdenken’: een vereenvoudiging van de realiteit waarbij bepaalde hersengebieden worden ‘gereduceerd’ tot de oorsprong van bepaalde cognitieve functies.

Gaandeweg kwam tegen het hokjesdenken een tegenbeweging op gang waarbij een meer holistische benadering van de hersenwerking werd gehanteerd. Daarbij keek met vooral naar netwerken van hersenregio’s in plaats van specifieke gebieden in de hersenen.

Innovatie in beeldvormingstechnieken

De uitvinding en ontwikkeling van nieuwe beeldvormingstechnieken in de tweede helft van de jaren ’70 markeerden een nieuwe periode in de neurowetenschappen. Toch zou het nog tot het begin van de jaren ‘90 duren voor de eerste functionele beelden werden gemaakt.

fMRI

De impact van met name functionele magnetische resonantie (fMRi) op de ontwikkeling van de cognitieve neurowetenschappen kan moeilijk worden overschat. Voor het eerst werd het mogelijk om de reacties van het brein te bestuderen in een levend en wakker persoon tijdens het uitvoeren van (denk) taken, en dit zonder injecties, zonder medicatie, zonder pijn, zonder nadelige gevolgen.

Voor- en nadelen van fMRI

De voordelen van deze techniek zorgden er voor dat hersen-gedragsonderzoek ook in normale vrijwilligers mogelijk werd en dat trok veel gedragswetenschappers aan. Maar aan die populariteit kleefden ook een aantal nadelen.

  1. Het was niet altijd duidelijk wat op die mooie plaatjes nu juist te zien was en hoe je dat moest interpreteren. Veel onderzoek was (en is nog altijd) gebaseerd op een vergelijking van de hersenactivatie tijdens (subtiel) verschillende opdrachten. Maar wat is een goede controletaak als je bijvoorbeeld ‘rekenen’ wil onderzoeken? Rust, tellen, of cijfers lezen? Afhankelijk van welke controletaak je kiest zal je meer of minder activatie overhouden, en vanaf wanneer zijn die gebieden ook echt betrokken bij rekenen?
  2. Daarnaast heb je het probleem dat je nu wel netwerken van hersenregio’s kan visualiseren, maar dat je niet echt weet waarvoor elk van die regio’s dient, en of die verschillende hersengebieden überhaupt met elkaar verbonden zijn.

Opwekken van virtuele hersenschade

Maar ook hiervoor werden oplossingen bedacht. Zo werd het mogelijk om tegen de schedel van een gezonde vrijwilliger een klein maar sterk magnetisch veld op te wekken dat een tijdelijke verstoring van het hersenweefsel onder de magneet tot gevolg had. Wanneer zo’n bewerking toegepast wordt op de spraakregio van een vrijwilliger, resulteert dit in een korte spraakstoornis zonder blijvende gevolgen. De aldus opgewekte ‘virtuele hersenschade’ blijkt uitermate geschikt om te bepalen of een bepaalde regio van het hersennetwerk noodzakelijk is voor het uitvoeren van een bepaald gedrag. Causaliteit (voor meer uitleg over oorzakelijke verbanden, klik hier) kan ook worden bestudeerd door te onderzoeken wanneer de hersenen precies geactiveerd worden, maar dat is millisecondenwerk en dus veel te snel zelfs voor de hedendaagse scanners.

EEG en DTI

Elektrofysiologisch onderzoek (EEG) beschikt wel over een zeer behoorlijke meetsnelheid (in milliseconden). EEG laat beter toe de richting van de communicatie tussen hersengebieden te bestuderen. In combinatie met de goede spatiële resolutie van fMRI levert dit al een vrij behoorlijk plaatje op van het functionele netwerk.

Connectiviteit, de mate en manier waarop hersenschorsgebieden met elkaar verbonden zijn, kan inmiddels ook met een MR-scanner worden onderzocht. Deze techniek wordt diffusion tensor imaging, kortweg DTI, genoemd. Diffusie gewogen beeldvorming maakt gebruik van de beweging van watermoleculen in de zenuwvezels die neuronen met elkaar verbinden. De bewegingsvrijheid van deze watermoleculen is het grootst in de lengterichting van de vezels en door de maximale gradiënten te volgen krijgt men inzicht hoe de zenuwbundels van het ene naar het andere hersengebied lopen.

Een blik op de toekomst van hersenonderzoek

De meeste technieken (zoals fMRI en EEG) dateren van de laatste 30 jaar. Ze gaven en geven het hersenonderzoek in de gedragswetenschappen een enorme boost en het ziet er niet naar uit dat daar snel een einde aan zal komen. Meer en meer worden verschillende technieken met elkaar gecombineerd om preciezer geformuleerde onderzoeksvragen te onderzoeken. Nieuwe wiskundige technieken voor het bestuderen van netwerken worden op de beeldvormingsdata toegepast en openen nieuwe mogelijkheden.

Conclusie: hoe ver staat het hersenonderzoek?

U zult zich inmiddels afvragen of we inmiddels met al die nieuwe mogelijkheden en technieken weten hoe mensen kunnen spreken, dingen onthouden, gezichten herkennen, en emoties kunnen voelen? Wel euh…, niet helemaal. We weten al meer dan 30 jaar geleden, maar onze hersenen geven hun geheimen slechts zeer langzaam prijs…

Auteur: Guy Vingerhoets

Guy Vingerhoets (persoonlijke website) is neuropsycholoog en doet onderzoek naar de relatie tussen hersenen en gedrag. Zijn interessegebieden zijn neuropsychologie, functionele lateralisatie en motorische cognitie. Zijn voornaamste onderzoeksmethodes zijn functionele beeldvorming en gedragsonderzoek. Hij doceert neuropsychologische vakken aan verschillende faculteiten van de Universiteit Gent en is momenteel president van de Federation of the European Societies of Neuropsychology (FESN).

 

Wat we onbewust toch vertellen over de liefde

Wat wensen op Valentijn ons vertellen

Valentijnswensen vertellen ons veel over de gevoelens die vrouwen en mannen uiten en wat ze vermoeden dat hun partner wil horen. Uit onderzoek bleek dat vrouwen meer nadruk leggen op liefde en trouw zijn aan elkaar. Mannen daarentegen hemelen hun geliefde meer op en geven eerder blijk van een verbintenis, zónder echt van exclusiviteit te spreken.

Evolutionair gezien zijn dit inderdaad goeie tactieken. Op de vrouw wordt gejaagd en een verliefde man wil een vrouw die trouw  is. Een vrouw zal zich pas volledig geven wanneer haar man blijk geeft van dezelfde verbintenis als zij maakt. Onbewust spelen we vandaag de dag dus nog op die gevoelens in.

Valentijn wordt  doorgaans het meest gevierd als een koppel nog niet erg lang samen is. Wanneer mensen getrouwd zijn en kindjes hebben, vallen woorden rond trouw en verbintenis vaak weg in de berichtjes. De nood om dit te vertellen is kleiner geworden.

Romantische interesse inschatten

Valentijn is vaak ook het uitgelezen moment om als single eindelijk gevoelens tegenover iemand toe te geven. Singles, trek je stoute schoenen dus aan en ga ervoor. Uit onderzoek blijkt immers dat je ‘crush’ en je omgeving waarschijnlijk toch al iets in het snuitje hebben.

Een studie in een speed-date context bracht aan het licht dat we romantische interesses van mensen goed kunnen inschatten. We kunnen dus goed beoordelen of een persoon iemand ziet zitten of niet. Deze vaardigheid is ook nuttig vanuit een evolutionair oogpunt. Weten wie ‘the hots’ voor je heeft, kan het zoekproces naar een partner efficiënter maken.

Het inschatten van romantische interesses doen we trouwens al vanaf de eerste 10 seconden dat we een gesprek hebben meegepikt. Dit geldt zowel wanneer die interesse naar onszelf is gericht, als wanneer we twee andere personen observeren. Individuele verschillen niet te na gesproken – sommige mensen zijn nu eenmaal meer een open boek dan anderen – kunnen we ook beter de gevoelens van een man inschatten dan die van een vrouw. Vrouwen zijn, verrassing verrassing, iets minder makkelijk te lezen. Maar als je haar hart wil veroveren, raak je daar misschien best aan gewend.

Referenties

  • Gonzalez, A.Q., & Koestner, R. (2006). What Valentine Announcements Reveal About the Romantic Emotions of Men and Women. Sex Roles 55(11), 767-773.
  • Place, S.S., Todd, P.M., Penke, T.L., & Asendorpf, J.B. (2009). The Ability to Judge the Romantic Interest of Others. Psychological Science 20(1), 22-26.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemerschap aan de Vlerick Business School. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

 

Fysicanijd

Onze huiscartoonist Maarten boog zich deze maand over de wetenschappelijkheid van de psychologie, en de moeilijkheid om sommige psychologische concepten te meten. Sommige auteurs hebben hier zelfs een naam voor: fysicanijd (the physics envy).

Wetenschappers in de psychologie willen even precies kunnen meten als de fysica, een ‘exacte’ wetenschap.

 

 

Auteur: Maarten Van Praet

Maarten Van Praet is bedrijfspsycholoog en huiscartoonist van Mensenkennis.be. Hij werkt momenteel als analyst & marketing consultant bij Synthetron.