Het uiten van ergernissen op internetfora: Een uitlaatklep of een valstrik?

Het is een fenomeen van de laatste jaren: Misnoegde mensen die pro deo hun ergernis over de wereld uiten op internetfora en sociale media sites. Vaak zijn het reacties op een wereldschokkende gebeurtenis van de dag. Garanties op overbelaste servers zijn treinstakingen, politieke en/of economische impasses, de kroning van een koning, voetballers die in benevelde toestand achter het stuur kruipen, een opmerkelijke passage in een kookprogramma. Stuk voor stuk zijn het belangrijke nieuwsfeiten die niet voorbij kunnen gaan zonder dat menig medemens er zijn ongezouten mening over heeft kunnen geven.

Een uitlaatklep via internetfora

Wat drijft mensen om nieuwssites af te dweilen en er hun woede en frustratie uit vrije wil te delen met anderen? Een mogelijkheid is dat mensen het beschouwen als een uitlaatklep. Zoals sommigen hun irritaties botvieren op een boksbal, zoeken anderen hun toevlucht tot fora om er de ergernissen van zich af te schrijven. Het uiten van opgekropte woede om zo de interne psychologische druk te verminderen is in de psychoanalyse bekend onder de noemer ‘catharsis’.

Is het een effectieve manier om met frustraties om te gaan?

Een recente studie heeft onderzocht wat de effecten zijn van deze online catharsis. Mensen kregen op een website de ontstemde reacties te zien van anderen over een bepaald fenomeen. Nadien kregen ze vijf minuten de tijd om zelf een gelijkaardige reactie te schrijven. Wat bleek? Het geluksniveau van mensen daalde zienderogen nadat ze de negatieve posts van anderen hadden gelezen. Wanneer men vervolgens zelf een reactie had gepost, schoot hun eigen woedegevoel de hoogte in.

Los van de informatieve waarde van dergelijke posts worden we er niet gelukkiger van; noch door ze te lezen, noch door ze zelf te schrijven.

Ook de boksring helpt ons niet

Betekent dit nu dat we met zijn allen naar de boksring moeten om onze frustraties te kanaliseren? Onderzoek suggereert dat dit evenmin het geval is. Zo heeft een studie teruggevonden dat het zich afreageren op een boksbal na de confrontatie met een frustrerende gebeurtenis tot meer woede en agressie leidt achteraf dan helemaal niks doen.

Hoewel zich afreageren op een boksbal en negatieve reacties posten op internetfora op het eerste zicht fundamenteel verschillende reacties lijken, leiden ze beide tot hetzelfde gevolg. Beide agressieve gedragingen zorgen immers voor een blijvende focus op de frustraties an sich. Op die manier blijven de negatieve gedachten fris in het geheugen en herkauwen mensen voortdurend de negatieve gebeurtenis die heeft geleid tot de gedachten. Onafhankelijk van het feit dat lichamelijke beweging goed is voor onze gezondheid, helpt het dus niet om om te gaan met de frustraties die we op dat moment hebben.

De oplossing: gestructureerde reflectie

Recent onderzoek geeft aan dat op een gestructureerde manier schrijven over de gebeurtenissen die hebben geleid tot persoonlijke frustraties the way to go is om negatieve emoties te verwerken. Op die manier verkrijgt men een beter zelfinzicht en kan men op een constructieve manier op zoek gaan naar oplossingen voor de frustraties.

Wanneer je dus geïrriteerd thuis komt van het werk, neem dan een vel papier en sta even stil bij wat er precies gebeurd is die dag of week, wat beter of slechter kon zijn gegaan en hoe je in de toekomst anders met dergelijke situaties zou kunnen omgaan. Je zal je beslist beter voelen dan wanneer je je iPad bij de hand neemt en de reacties op de nieuwsitems van de dag begint door te nemen.

Referenties

  • Bushman, B. J. (2002). Does venting anger feed or extinguish the flame? Catharsis, rumination, distraction, anger, and aggressive responding. Personality and Social Psychology Bulletin, 28, 724-731.
  • Kray, L. J., George, L. G., Lijenquist, K. A., Galinsky, A. D., Tetlock, P. E., & Roese, N. J. (2010). From what might have been to what must have been: Counterfactual thinking creates meaning. Journal of Personality and Social Psychology, 98, 106-118.
  • Lyubomirsky, S., Sousa, L., & Dickerhoof, R. (2006). The costs and benefits of writing, talking, and thinking about life’s triumphs and defeats. Journal of Personality and Social Psychology, 90, 692-708.
  • Martin, R. C., Coyier, K. R., VanSistine, L. M., & Schroeder, K. L. (2013). Anger on the Internet: The Perceived value of rant-sites. Cyberpsychology, Behavior, and Social Networking, 16, 119-122.

Auteur: Bernd Carette

Bernd Carette is doctoraatsstudent in de Bedrijfspsychologie aan de Universiteit Gent (FPPW). Zijn onderzoek situeert zich hoofdzakelijk in het veld van Training & Development. Hij bestudeert het proces van ervaringsleren en besteedt hierbij onder meer aandacht aan de faciliterende rol die de organisatie hierin kan spelen.

 

Interview met Elke Geraerts over virtuele therapie – deel 2

Na het eerste interview (lees dit hier na) over de bestaande toepassingen van virtuele therapie gaan we in dit deel dieper in op de relatie tussen therapeut en cliënt, alsook op de mogelijke gevaren van virtuele therapie.

Heel wat non-verbale communicatie valt weg bij virtuele therapie. Kan dit een negatieve impact hebben op de effectiviteit van virtuele therapie?

Wat we merken uit ons onderzoek met slachtoffers van kindermisbruik is dat deze deelnemers net méér zeggen in online therapie. Vaak ervaren therapeuten bij face-to-face contact een muur: cliënten zijn open tot een bepaald punt, maar verder kun je niet gaan. Bij online therapie is zo’n muur minder aanwezig.

Wat verandert er bij online therapie aan de band tussen therapeut en cliënt?

Online therapie is ontwikkeld om niet veel contact te vereisen met de therapeut (ook zo weinig mogelijk via skype). Het is de bedoeling dat de patiënt zelfstandig aan de slag gaat. De mate van zelfstandigheid lijkt dus een belangrijk verschil tussen virtuele en face-to-face therapie. Uiteraard zorgen wij er wel voor dat de cliënten in geval van nood ons 24/24u kunnen bereiken.

Kan virtuele therapie op zich staan, of moet het gekoppeld worden aan face-to-face therapie?

Op dit moment ken ik geen onderzoek dat gekeken heeft naar de combinatie van virtuele met face-to-face therapie. In ons onderzoek zien wij de deelnemers telkens 1 keer voor en 1 keer na de virtuele therapie. Toekomstig onderzoek dient uit te wijzen of er ook tussentijdse momenten van face-to-face contact nodig zijn.

Kan er een wildgroei ontstaan van online therapieën? Hoe kan dit worden gecontroleerd? Bestaat hier in Nederland al een kader voor?

In tegenstelling tot in België, wordt in Nederland psychologische hulp wel terugbetaald. Daarbij is er steeds een toetsing van de psychologische hulp door de zorgverzekeraar, en de wetenschappelijke basis van de therapie is daarbij een erg belangrijk criterium. Zo moeten de effecten op lange termijn bijvoorbeeld kunnen aangetoond worden. De kans dat een Nintendo ‘train your brain’ wordt terugbetaald is dus nihil, gezien je enkel beter wordt in het spel, en je bv. niet minder depressieve symptomen zal vertonen. De virtuele therapie die wij ontwikkelden om het werkgeheugen te trainen vertoont wel zo’n ‘transfer’ naar (lees: impact op) andere denkprocessen.

Hoe anoniem is online therapie? Worden de gegevens van cliënten voldoende beschermd?

De software die wij gebruiken voor ons onderzoek is enorm goed beveiligd. Meer nog, zelfs de onderzoekers krijgen enkel beperkte beschrijvende informatie over de herinneringen van slachtoffers te zien, en niet de herinneringen zelf. Wij krijgen dus bv. enkel gegevens te zien over het aantal woorden dat een deelnemers gebruikte bij de beschrijving van een herinnering.

Wat is uw visie op de toekomst van online therapie?

E-mental health en online therapie zullen wellicht een steeds belangrijkere rol gaan innemen. Er wordt veel wetenschappelijke vooruitgang gemaakt, en e-health zal steeds meer tot de standaardzorg gaan behoren. De lange wachtlijsten voor psychologische hulp kunnen zo ook drastisch verminderd worden.

Tenslotte, u doet als Vlaamse erg innovatief onderzoek in Nederland. Welke opportuniteiten ziet u in Vlaanderen voor onderzoek naar virtuele therapie?

In Vlaanderen gebeurt er al heel wat boeiend onderzoek in de klinische psychologie. In Leuven doet men onderzoek naar specifieke trainingen, bv. voor depressie en mindfulness. In Gent is men dan weer heel sterk in onderzoek naar werkgeheugen en bv. depressie. Wellicht zullen deze onderzoeksgroepen, voor zover zij dit nog niet doen, ook online toepassingen gaan ontwikkelen en testen. Het onderzoek naar virtuele therapie staat immers nog maar in haar kinderschoenen.

Misschien kan de virtuele therapie die onze onderzoeksgroep heeft ontwikkeld ook iets betekenen voor de therapeutische praktijk in Vlaanderen. Met deze virtuele tool beogen wij immers geen winstbejag. Totdat in Vlaanderen psychologische hulp wordt terugbetaald, kan virtuele therapie misschien een kosteloze, evidence-based therapievorm bieden aan cliënten die er nood aan hebben. Sowieso hoop ik dat face-to-face therapie in België op termijn zal worden terugbetaald. Mensen met psychische problemen zullen zo sneller naar de psycholoog stappen en minder snel op het verkeerde pad geraken. Psychologische hulp zoeken is in Vlaanderen nog steeds meer taboe dan in Nederland.

Over Elke Geraerts

Elke Geraerts is hoofddocente in de klinische psychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar ze het clinical cognition lab runt. Haar onderzoek focust zich voornamelijk op de werking van het geheugen na traumatische ervaringen . Elke Geraerts is lid van de Jonge Akademie en ze nam deel aan het World Economic Forum in Davos. Onlangs nog werd ze uitgeroepen tot ‘Slimste vrouw van Nederland’.

 

Interview met Elke Geraerts over virtuele therapie – deel 1

Elke Geraerts is hoofddocente in de klinische psychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar ze het clinical cognition lab runt. Haar onderzoek focust zich voornamelijk op de werking van het geheugen na traumatische ervaringen en daarbinnen doet ze ook baanbrekend onderzoek naar virtuele therapie. Elke Geraerts is lid van de Jonge Akademie en ze nam deel aan het World Economic Forum in Davos. Onlangs nog werd ze uitgeroepen tot ‘Slimste vrouw van Nederland’. Redenen genoeg dus voor Mensenkennis.be om Elke Geraerts op te zoeken voor een interview.

Laat ons beginnen met de hamvraag: werkt online therapie, en hoe ver staat het onderzoek ernaar?

Momenteel doet mijn onderzoeksgroep voornamelijk onderzoek naar virtual reality therapie voor slachtoffers van kindermisbruik , in samenwerking met de Technische Universiteit Delft. Deze slachtoffers ontwikkelen na het voorval vaak een PTSS (post-traumatisch stress syndroom) of een depressie. De voorlopige resultaten bieden een indicatie voor de werkzaamheid van virtuele therapie:

Na 4 weken virtuele therapie zijn in dit pilootonderzoek 60-70% van de cliënten verlost van het PTSS en 50% van de cliënten verlost van hun depressie.

In de toekomst zullen we meer gaan kijken naar de stabiliteit van de effecten van virtuele therapie op langere termijn. Ook zullen we de effecten van virtuele therapie onderzoeken in combinatie met face-to-face therapie, zoals de cognitieve gedragstherapie, om te zien of deze therapievormen elkaar versterken of eerder los van elkaar kunnen bestaan.

Wat moeten wij ons precies voorstellen bij een virtuele therapie?

De virtuele therapievorm voor slachtoffers van kindermisbruik duurt 4 weken. Binnen die periode logt de cliënt een 2-tal keren per week in op het online systeem. Voorgaand onderzoek heeft aangetoond dat mensen met PTSD sneller herstellen wanneer hun herinnering aan het misbruik specifieker is. Daarom proberen we in het begin van de therapie vooral om de herinnering aan het misbruik concreter te maken. Bv. wordt eerst gevraagd aan de cliënt om eerst positieve herinneringen op te halen. Na verloop van tijd worden er ook negatieve herinnering opgevraagd. Deze herinneringen kunnen op verschillende manieren online verzameld worden, zoals bv.:

  • via een online dagboek dat de tijdlijn van de gebeurtenissen weergeeft
  • door een concrete beschrijving van de locatie van het misbruik (bv. door de locatie toe te voegen via Google Maps)
  • door het toevoegen van foto’s en links naar websites die relevant zijn voor de herinnering

In de voorlaatste sessie wordt aan de cliënt gevraagd om via het systeem een 3-D voorstelling te maken van het moment van het misbruik (zie figuur). Wat we zien bij cliënten is dat ze hier beseffen, doordat ze een soort helikopter-perspectief nemen op de gebeurtenissen, dat het misbruik ‘toch niet hun schuld was’. Vaak denken slachtoffers immers dat ze zelf schuld hebben aan het misbruik.

Een voorbeeld van een 3-D voorstelling van het moment van het misbruik

Samengevat, door de combinatie van het verhogen van de specificiteit van de herinnering, en de virtuele component (die drempelverlagend werkt en een veilige omgeving creëert) blijkt deze virtuele therapie voor positieve resultaten te zorgen.

Welke andere toepassingen van virtuele therapie bestaan er momenteel?

We zijn onder andere bezig met het ontwikkelen en testen van een online training voor mensen met depressie of burn-out. Uit onderzoek blijkt immers dat het werkgeheugen, wat een rol speelt bij actieve denkprocessen, van mensen met depressie minder goed functioneert. Vaak verloopt de verwerking van informatie minder goed bij mensen met een depressie en hebben ze vooral aandacht voor negatieve dingen. Wat interessant is, is dat onderzoekers uit Stockholm gevonden hebben dat het werkgeheugen van mensen trainbaar is. We zijn dus een dergelijke werkgeheugen-training aan het ontwikkelen en testen voor mensen met een depressie of burn-out.

Voor welke symptomen lijkt virtuele therapie minder geschikt?

Het ontwikkelen van virtuele therapie staat momenteel nog in haar kinderschoenen. Waar wij vooral op letten bij het onderzoek naar virtuele therapie, zijn volgende criteria:

  1. De therapievorm moet evidence-based zijn. De wetenschap speelt dus een zeer belangrijke rol in de ontwikkeling van virtuele therapieën.
  2. We letten erop dat de cliënt emotioneel stabiel is. Bv. voor cliënten die suïcidaal zijn is er supervisie door een therapeut nodig. In ons onderzoek naar virtuele therapie zorgen wij er trouwens voor dat deelnemers aan het onderzoek ons 24/24u kunnen bereiken in geval van nood. Ook is er vóór de start van de virtuele therapie en na de 4 weken telkens een gesprek met een psycholoog.

Tenslotte, staan cliënten en therapeuten al voldoende open voor virtuele therapie?

Wat opvalt, is dat mensen (zowel therapeuten als cliënten) over het algemeen erg openstaan voor virtuele therapie. Enerzijds is er bij sommige therapeuten wel wat argwaan (als zou virtuele therapie hun rol wegnemen). Anderzijds beseffen vele therapeuten hoe nuttig virtuele therapie kan zijn gegeven de lange wachtlijsten voor psychologische hulp. Ook van de deelnemers aan ons onderzoek horen wij vooral positieve ervaringen. Als ze afhaken is het vaak omdat er toch een basis computerkennis vereist is, en zelden omwille van emotionele problemen gelinkt aan de virtuele therapie.

Referentie

  • Klingberg, T. (2010). Training and plasticity of working memory. Trends in Cognitive Science,14(7): 317-324.
 

Een lange schoolvakantie is asociaal

Enkele weken geleden werd een voorstel gelanceerd om de lange zomervakantie te verkorten. Het lijkt een klein ideetje, maar het is wel degelijk een belangrijk en goed voorstel. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat schoolvakantie leidt tot cognitieve achteruitgang, en vooral voor sociaal kwetsbare kinderen. Deze relatief eenvoudige hervorming moet dan ook ernstig overwogen worden, en niet enkel in het licht van het kusttoerisme.

Verdeelde meningen over lange schoolvakantie

Het onderwijsveld reageerde verdeeld op het voorstel. Het gemeenschapsonderwijs juichte het plan toe, en ook de gemeentelijke onderwijskoepel OVSG erkende iets voorzichtiger de pedagogische waarde ervan. De katholieke onderwijskoepel VSKO reageerde eerder negatief. Woordvoerder Willy Bombeeck liet in #DSAvond optekenen dat er geen wetenschappelijk onderzoek gekend is omtrent de materie, en suggereerde of het niet beter was kinderen wat langer te laten rusten.

Wetenschappelijk onderzoek biedt antwoord

Gelukkig zijn er zeer weinig beleidsvragen waarover de wetenschap geen evidentie biedt, en dat is ook hier het geval. Psycholoog Harris Cooper analyseerde in Review of Educational Research reeds een tijdje geleden de toen 39 gepubliceerde studies over het effect van schoolvakantie, samen goed voor 48.000 leerlingen. De resultaten waren duidelijk: de schoolvakantie leidt gemiddeld tot een cognitieve terugval die overeenkomt met 1 maand onderwijs. Deze gemiddelde achteruitgang was veel groter voor wiskunde, en iets kleiner voor taal.

Kinderen uit kwetsbare gezinnen gaan sterker achteruit

Belangrijker is echter dat dit relatief kleine effect een veel belangrijker bevinding maskeert: kinderen uit sociaal geprivilegieerde gezinnen worden licht beter (vooral in taal) tijdens de lange schoolvakantie, terwijl kinderen uit sociaal kwetsbare gezinnen achteruitgaan, in sterkere mate, en zelfs bij gelijke cognitieve vaardigheden. De schoolvakantie creëert zo een cognitieve kloof tussen beide sociale klassen die overeenstemt met 3 maanden onderwijs. Dus bijna een derde van een schooljaar, elk jaar opnieuw. Omdat sociaal kwetsbare gezinnen vaak taalarme gezinnen zijn ontbreekt het hen in de vakantie aan de cognitieve stimulatie waar meer gegoede kinderen wel kunnen van genieten. De vakantie creëert dus veel meer ongelijkheid dan de school en doet het sociaal nivelleringseffect van het onderwijs deels teniet.

Schoolvakanties zorgen mede voor prestatiekloof

Karl Alexander onderzocht dit effect verder in American Sociological Review bij 800 kinderen die hun hele schoolcarrière lang gevolgd werden. De prestatiekloof tussen sociaal sterke en zwakke leerlingen op het einde van de rit bleek voor meer dan de helft ontstaan te zijn tijdens de schoolvakanties! En de achteruitgang tijdens de vakantie bleek een sterke voorspeller van schoolverlaten zonder diploma, en doorstroming naar het hoger onderwijs. Het belangrijkste resterende deel van de sociale kloof kon worden toegeschreven aan de vroege jaren voor, en in het lager onderwijs. De combinatie van een verkorte vakantie met een vroegere leerplicht is dus een zeer goed idee. Deze eenvoudige maatregel is relatief gemakkelijk in te voeren en veel efficiënter voor sociale mobiliteit dan het problematische uitstel van studiekeuze in het secundair onderwijs, dat weinig zoden aan de dijk zou brengen. Het is belangrijk op te merken dat met name de vakantieperiodes hier cruciaal zijn, eerder dan een algemene verlenging van schooltijd, bijvoorbeeld door langere schooldagen. Dat heeft immers een positief, maar heel beperkt effect, dat minder uitgesproken is dan verdere investeringen in kwaliteit van leerkrachten.

Conclusie

Deze kennis moet de inspiratie vormen om voor sociaal kwetsbare en taalarme kinderen schoolachterstand te remediëren door de vakantie te verkorten. Men moet zelfs zomeronderwijs overwegen, tenminste voor sommige leerlingen, misschien deeltijds, en vooral vroeg in het lager onderwijs. Onderzoek toont immers aan dat dergelijke remediëring wérkt, zonder dat daarvoor hele onderwijsstructuren moeten veranderd worden. Hopelijk strandt dit voorstel niet op de weerstand van de toeristische sector en de onderwijsvakbonden, die niet enkel oog moeten hebben voor de eigen leden, maar ook voor de echte zwakkeren: deze kinderen. Dit is misschien de gemakkelijkste onderwijshervorming die er is.

Referenties

  • Alexander, K. L., Entwisle, D.R., & Linda, S.O. (2007). Lasting consequences of the summer learning gap. American Sociological Review, 72, 167-180.
  • Baker, D.P., Fabrega, R., Galindo, C., & Mishook, J. (2004). Instructional time and national achievement: cross-national evidence. Prospects, 34, 311-334.
  • Harris, C., Nye, B., Charlton, K., Lindsay, J., & Greathouse, S. (1996). The effects of summer vacation on achievement test scores: a narrative and meta-analytic review. Review of Educational Research, 66, 227-268.

 

Creatief rekruteren: Stuur eens een postkaart!

Onlangs kopte Jobat over een Talent Motivation Study bij 878 ingenieurs: Jobinhoud en loon komen op de eerste plaats voor ingenieurs. Weten wat werknemers verwachten van een werkgever heeft zo zijn voordelen, maar is dit de dag van vandaag nog voldoende om het nodige talent aan te trekken?

Rekruteren = een uitdaging

De krimpende arbeidsmarkt betekent niet dat de “War for talent” voorbij is. Integendeel, ondanks de vele ontslagen blijft het voor veel organisaties moeilijk om vacatures in te vullen. Voornamelijk om profielen die passen binnen “knelpunt beroepen” zoals IT’ers, verpleegkundigen en ingenieurs wordt nog steeds een felle strijd uitgevochten.

Efficiënt rekruteren vormt dan ook voor vele organisaties een grote uitdaging. Daarenboven is rekrutering van cruciaal belang voor de continuïteit van de organisatie. Immers, hoe kleiner de groep mensen die interesse toont in de organisatie als werkgever, hoe kleiner de effectieve pool van sollicitanten en hoe kleiner de kans dat de functie wordt ingevuld. Om rekrutering te doen slagen zal met gelijke middelen in dezelfde vijver vissen niet volstaan. Organisaties moeten iets anders doen.

Rekruteren = opvallen

Organisaties moeten zich tijdens rekrutering meer en meer gaan differentiëren van hun concurrenten op de arbeidsmarkt. Ze staan voor de uitdaging om een “unieke saus” te creëren. Een mix van imagokenmerken en arbeidsvoorwaarden die moeilijk te imiteren vallen door concurrenten maar wel in de smaak vallen bij de huidige en toekomstige werknemers. Kortom, om talent aan te werven moeten organisaties opvallen bij potentiële sollicitanten. Maar hoe kan je dit dan concreet gaan doen tijdens rekrutering?

Creatief rekruteren

Recent rekruteringsonderzoek ging na of een ongewoon en creatief rekruteringsmedium een positieve invloed had op het aantal en de kwaliteit van de effectieve sollicitanten. 1997 ingenieurs werden aangeschreven, de ene helft kreeg een e-mail de andere helft ontving thuis een postkaart met hetzelfde uitzicht als de e-mail. In totaal solliciteerden 62 ingenieurs effectief voor de functie.

Niet veel zal u denken, maar wanneer we kijken naar het verschil tussen het traditionele rekruteringsmedium en de ongewone postkaart valt iets op: 51 (82%) van de effectieve sollicitanten solliciteerde na het ontvangen van de postkaart en slechts 11 (18%) deden dit na het ontvangen van de e-mail. Nog opvallender is dat sollicitanten die reageerden op de postkaart hoger opgeleid waren, en zo beter in het gezochte profiel pasten dan sollicitanten die een e-mail ontvingen. We kunnen dus concluderen dat de postkaart een grotere en kwalitatief beter sollicitantenpool genereerde dan de e-mail.

Creatief rekruteren = duur?

Zijn meer en betere sollicitanten wel voldoende om te kunnen spreken van een efficiënt rekruteringsproces? Wat met de kosten die verbonden zijn aan de postkaart in vergelijking met de e-mail die gratis kan verstuurd worden. Op basis van een utiliteitsformule die verschillende indicatoren in acht neemt kwamen de onderzoekers tot de volgende conclusie : Indien de organisatie 10 mensen zou aannemen, die ongeveer 5 jaar in de organisatie blijven werken dan zal de postkaart, zelfs met een extra kost van 730 euro, nog steeds 23.352 euro méér opbrengen voor de organisatie dan de e-mail. Deze uitkomst wordt vooral verklaard door het verschil in opleidingsniveau tussen de twee groepen. Creatief rekruteren is dus op lange termijn zeker niet duurder dan traditionele vormen van rekrutering.

Conclusie

Creatief rekruteren kan voordelen bieden voor organisaties in hun strijd om talent. Niet alleen kunnen ze zich zo onderscheiden van hun concurrenten, maar door creatief te rekruteren kunnen ze de aandacht trekken van potentiële sollicitanten. Dit kan resulteren in een grotere en betere sollicitantenpool. Kortom, als je rekruteert moet je opvallen en creatief zijn!

Referenties

  • Cromheecke, S., Van Hoye, G., & Lievens, F. (in press). Changing things up in recruitment: Effects of a “strange” recruitment medium on applicant pool quantity and quality. Journal of Occupational and Organizational Psychology.

Deze studie kwam tot stand in samenwerking met Stepstone. http://www.stepstone.com/?pid=visibility-products.

Auteur: Saartje Cromheecke

Saartje Cromheecke is assistent en doctoraatstudent aan de vakgroep Personeelsbeleid, Arbeids-, en Organisatiepsychologie van de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust op employer branding en hoe organisaties zich door middel van rekrutering kunnen differentiëren.

 

Diagnostiek en de DSM: Weg met de etikettendiagnostiek

Op 18 mei lanceert de American Psychiatric Association voor het grote publiek de vijfde editie van haar diagnostische handboek voor de psychiatrie: de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg DSM-5. Dertien jaar lang bogen experts zich over de vraag wat psychiatrische problemen precies zijn en hoe ernstige psychische problemen best vastgesteld worden. Hun werk eindigt met een dikke turf waarin meer dan 300 stoornissen vermeld zullen slaan. De vorige versie werd ontwikkeld onder leiding van psychiater Allen Frances. De man reist nu de wereld rond en slaat publiekelijk mea culpa. Zijn boodschap luidt dat het handboek in de fout ging en dat met DSM-5 alles nog erger wordt.

Wat is diagnostiek in de DSM en wat is het probleem ermee?

Diagnostiek in de DSM is een synoniem voor het klasseren problemen in keurige stoorniscategorieën, zoals ‘ADHD’ of ‘depressieve stoornis’. Voor elke stoorniscategorie vermeldt de DSM een lijst met typische symptomen en probleemgedragingen. Een individu kan een diagnose krijgen indien hij/zij aan genoeg items uit de lijst voldoet.

Het probleem is echter dat vele van die items zeer vaag geformuleerd zijn. Wie sterk problematiseert herkent automatisch veel kenmerken uit de DSM in het gedrag van zichzelf of anderen, met als resultaat dat diagnoses de pan uit swingen.

De DSM-missie: op dezelfde manier kijken naar psychische problemen

De DSM werd 35 jaar geleden gepromoot als een systeem dat eindelijk een eenduidige standaardtaal zou bieden om te spreken over psychische problemen.  Door te vertrekken van lijsten met typische symptomen en probleemgedragingen wou men bereiken dat professionals voortaan op dezelfde manier zouden kijken naar psychische problemen.

Niets is minder waar. Recent gepubliceerd betrouwbaarheidsonderzoek in de American Journal of Psychiatry leert bijvoorbeeld dat getrainde beoordelaars er niet in slagen om op basis van de DSM met een redelijke onderlinge overeenkomst vast te stellen of iemand een depressie heeft of niet.  Zowel bij diagnoses bij kinderen als bij volwassenen is de overeenkomst twijfelachtig. Dit is ontluisterend.

Wat we van het etiket ‘depressie’ kunnen leren

Depressie is wereldwijd de meest gestelde psychiatrische diagnose en de Wereldgezondheidsorganisatie schat in dat depressie tegen 2030 wereldwijd het belangrijkste gezondheidsprobleem zal zijn. Wat we daar als maatschappij kunnen uit leren, is dat we dringend af moeten van de DSM. Met dit systeem worden veel te gratuit diagnostische etiketten gekleefd, waardoor we geen ernstig vertrekpunt hebben voor therapie en begeleiding. Andere classificatiesystemen, zoals de International Classification of Diseases van de Wereldgezondheidsorganisatie, vormen hierbij geen alternatief omdat ze werken vanuit dezelfde checklist logica.

Wat we wél nodig hebben

Wat we daarentegen nodig hebben is een diagnostiek die de inbedding van problemen centraal stelt (in een levensgeschiedenis, in een familie, in een klascontext…) en die zich richt  op onderliggende processen. Psychologische, biologische en sociale perspectieven worden daarbij best gecombineerd. Goede diagnostiek vertrekt van het verhaal van de patiënt en eindigt niet met een etiket maar met een probleemtypering op maat van iemands probleem.

Het Research Domain Criteria project

Gezaghebbende wetenschappelijke instanties, zoals de National Institute of Mental Health in de VS, hebben inmiddels gesnapt dat de DSM problematisch is. Wetenschappelijk onderzoek moet voor hen niet langer vertrekken van DSM diagnoses. Bovendien lanceerden ze zelf een nieuw initiatief, het Research Domain Criteria project. Hiermee willen ze op zoek gaan neurocognitieve patronen die gepaard gaan met psychische problemen om zo een goede uitspraken te kunnen doen over biologische mechanismen die samenhangen met psychische stoornissen (zie Wetenschap zweert bijbel van psychiatrie af, DS 6 mei). Gecombineerd met een psychologische en sociale benadering van psychisch lijden zal dit zeker vruchtbaar zijn. Concrete resultaten worden echter pas binnen 10 jaar verwacht.

Tijd voor actie en een ommezwaai

Zolang hoeven we niet te wachten om actie te ondernemen. Diagnoses met de DSM of aanverwanten zijn in België vaak de voorwaarde om gesubsidieerde begeleiding en ondersteuning te krijgen. Het gevolg is dat mensen die problemen ervaren en aankloppen voor hulp willens nillens een diagnostisch etiket krijgen. Degenen die dergelijk etiket niet krijgen voelen zich hopeloos miskend en gaan shoppen tot er ze een vinden. Diagnostische etiketten bieden toegang tot zorg en geven ons de fijne illusie dat we een ‘echt’ probleem hebben.

De waarheid is echter dat ze in feite zand in de ogen gooien.  Ze leiden de aandacht af van de inbedding van problemen in contexten en van onderliggende processen. Goede hulpverlening moet het omgekeerde doen: de aandacht richten op onderliggende processen en mensen helpen om daar aan te werken. Deze ommezwaai begint niet alleen bij de individuele hulpverlener en bij de leerkracht in de klas die niet langer in etiketten denkt, maar moet ook ingebouwd worden in de zorgsystemen die we collectief uitgedacht hebben.

Conclusie

Zorg op maat van de patiënt en niet op maat van een of ander protocol of classificatiesysteem is wat we nodig hebben.

Referentie

  • Regier, D.A., Narrow, W.E., Clarke, D.E., Kraemer, H.C., Kuramoto, J., Kuhl, E.A., & Kupfer, D.J. (2013). DSM-5 Field Trials in the United States and Canada, Part II: Test-Retest Reliability of Selected Categorical Diagnoses. American Journal of Psychiatry 170, 59-70

Een eerdere versie van deze blogpost verscheen ook in De Standaard van 10 mei onder de titel Weg met de etikettendiagnostiek.

Auteur: Stijn Vanheule

Professor Stijn Vanheule (persoonlijke blog) is psychoanalyticus en verbonden aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspychologie van de UGent. Hij heeft bijzondere interesse in methoden en fundamenten voor klinische psychodiagnostiek.

 

Psychoanalyse: van de zetel naar de scanner

Ruim een eeuw nadat Sigmund Freud de psychoanalyse als ‘spreekkuur’ uit de grond stampte, wordt vanuit Freuds oorspronkelijke discipline, namelijk de neurologie, vernieuwend onderzoek gedaan naar de effecten van psychoanalyse op onze hersenen. Recent verscheen immers een studie in het hoog gerankte Amerikaanse tijdschrift ‘PLoS ONE’. Deze onderzocht voor de allereerste keer het effect van langdurige psychodynamische therapie op de hersengebieden die voor depressieve patiënten betrokken zijn bij hun emotionele reacties op persoonlijk relevant materiaal.

Depressie gevisualiseerd in de hersenen

In de studie werden zestien chronisch depressieve patiënten onderzocht, die twee tot vier maal per week gedurende vijftien maanden deelnamen aan een psychodynamische psychotherapie. Bij wijze van controle werden deze patiënten vergeleken met niet-depressieve personen die qua leeftijd, geslacht en opleiding met hen overeenstemden.

In de lijn met voorgaand onderzoek toonde deze studie aan dat depressieve patiënten, in vergelijking met de controlegroep, intenser emotioneel reageerden op persoonlijk gevoelig materiaal. Bv. werd er bij een van de betrokken patiënten een afbeelding getoond met als bijschrift: “This child cries for love and the mother does not react”, een thema dat in een voorafgaand interview met deze patiënt een centrale rol innam. Deze ‘emotionele reactiviteit’ en het reguleren ervan wordt aangestuurd door verschillende hersenbanen, waarvan de activiteit via moderne beeldvormingstechnieken, zoals fMRI (functional Magnetic Resonance Imaging), gevisualiseerd kan worden. Veranderingen in activatieniveaus kunnen op die manier zichtbaar gemaakt worden.

Opmerkelijke neurobiologische veranderingen

In de studie werden de hersenscans van de betrokken depressieve patiënten, zowel bij aanvang als bij beëindiging van de psychodynamische psychotherapie, vergeleken met de scans van de controlepersonen. De resultaten wezen uit dat de aanvankelijk overgevoelige emotie- en regulatiecentra van de depressieve individuen na de behandeling beduidend minder prikkelbaar waren geworden. Daar waar de patiënten bij aanvang van de therapie nog intens emotioneel reageerden op gevoelig materiaal, was deze intensiteit aan het einde van de behandeling opmerkelijk gedaald. De vastgestelde neurobiologische veranderingen gingen hierbij zowel gepaard met een vermindering in depressiviteit als met een algemene symptoomverbetering. Bij de controlepersonen vond men deze trend echter niet terug.

Tenslotte: we zijn meer dan ons brein

Net zoals voor langdurige psychodynamische therapie, brachten fMRI-gebaseerde studies ook de effecten van kortdurende cognitieve gedragstherapie op de emotionele regulatie van depressieve patiënten in kaart. Alhoewel de waarde van dergelijk onderzoek niet onderschat mag worden, moeten we er ons van bewust zijn dat het slechts een deel van het plaatje kleurt en hersenonderzoek niet “de waarheid” uitbeeldt. Een recent nummer van ‘De Groene Amsterdammer’ waarschuwt voor “neurononsens” en “het simplisme van de breincultuur”. We zijn immers veel meer dan ons brein, luidt het, en problemen kunnen niet worden gereduceerd tot een kwestie van neuronen in ons hoofd. Kritische stemmen die pleiten voor een meer contextuele benadering klinken steeds luider. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Referenties

  • Buchheim, A., Viviani, R., Kesller, H., Kächele, H., Cierpka, M., Roth, G., George, C., Kernberg, O.F., Bruns, G., & Taubner, S. (2012). Changes in Prefrontal-Limbic Function in Major Depression after 15 Months of Long-Term Psychotherapy. PLoS ONE, 7 (3).

Auteur: Shana Cornelis

Shana Cornelis is klinisch psychologe en doctoreert aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de UGent. Vanuit een fascinatie voor de link tussen psychische en biologische processen onderzoekt ze hoe het lichaam in het spreken van patiënten verschijnt gedurende het verloop van een psychodynamische therapie, en hoe door het spreken hierover ook de lichamelijke klachten zelf evolueren. Ter illustratie van de uitkomst van deze therapieën maakt ze onder andere gebruik van schommelingen in specifieke hormonen (waaronder cortisol, een stresshormoon) die in het speeksel van de patiënten gemeten werden.

 

Vrijheid = blijheid? Hoe keuzevrijheid ons leven kan vergallen

In de huidige Westerse maatschappij heerst de idee dat individuele keuzes de beste garantie bieden op geluk en welzijn voor iedereen. In deze optiek kan men dan ook nooit te veel keuze of keuzemogelijkheden hebben. Zo kunnen we kiezen tussen tientallen verschillende soorten wijn, ontbijtgranen, wasproducten,… maar ook bijvoorbeeld tussen tientallen studierichtingen, eventueel nog verder gedifferentieerd via individuele trajecten. Dit alles onder het motto: “hoe meer keuze, hoe meer vrijheid, en vrijheid is blijheid”.

De keerzijde van keuzevrijheid

Onderzoek brengt echter steeds duidelijker de keerzijde van de medaille aan het licht. De combinatie van een toename in zowel het aantal keuzes als het aantal opties per keuze in ons dagelijks leven zorgt er immers voor dat keuzes maken vandaag de dag steeds meer als belastend en stresserend wordt ervaren. De Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz spreekt hierbij zelfs van de ‘tirannie van de keuze’, waarbij het maken van keuzes ons leven gaat beheersen.

Keuzes met meer keuzemogelijkheden zijn complexer

Een overaanbod aan keuzemogelijkheden maakt kiezen in de eerste plaats moeilijker. Kiezen tussen 30 alternatieven vergt meestal beduidend meer inspanning, tijd en moeite dan kiezen tussen 3 mogelijkheden. Verschillende studies hebben aangetoond dat een overaanbod daarom vaak leidt tot vermijdingsgedrag. Zo vonden Sheena Iyengar en Mark Lepper dat mensen die in een supermarkt jam mochten proeven en keuze hadden uit 24 variëteiten, uiteindelijk beduidend minder jam te kochten dan mensen voor wie de keuze slechts bestond uit 6 variëteiten. De overvloed van 24 opties maakte de keuze immers moeilijker en veel mensen besloten daarom gewoon om niets te kopen en zo de keuze te vermijden. Een te grote keuzevrijheid dus verlammend in plaats van bevrijdend werken.

Als er een overvloed aan keuzes is, zijn we minder tevreden over keuze

Bovendien blijkt een overvloed aan keuzes er paradoxaal genoeg toe te leiden dat mensen steeds minder tevreden zijn met hun gemaakte keuzes. Wanneer het aantal keuzeopties toeneemt, worden onze verwachtingen immers ook hoger. Bij een overvloed aan opties verwacht men dan ook dat één ervan wel perfect moet zijn. Wanneer de keuze die men maakt dan toch niet perfect blijkt te zijn, zijn de teleurstelling en de ontevredenheid daarom des te groter. Bovendien kan de ’slechte’ keuze niet meer toegeschreven worden aan een de limieten van het aanbod, maar enkel aan een persoonlijk onvermogen om de juiste keuzes te maken. Het gevolg is dat men vaak niet alleen ontevreden is over de keuze maar ook over zichzelf.

‘Maximizers’ versus ‘satisficers’

Hoe vatbaar we zijn voor deze negatieve effecten is sterk afhankelijk van de manier waarop we omgaan met de overvloed aan keuzes in ons leven. Schwartz onderscheidt hierbij twee types: Het eerste type zijn de ‘maximizers’; dit zijn de mensen voor wie slechts één optie aanvaardbaar is: de allerbeste. Het tweede type zijn de ‘satisficers’; diegenen die tevreden kunnen zijn met iedere optie die ‘goed genoeg’ is. In het bijzonder maximizers in onze moderne Westerse samenleving zouden een verhoogd risico lopen om ontevreden te zijn met hun leven en zelfs op het ontwikkelen van depressies.

Het Westen versus het Oosten

Onderzoek in de Verenigde Staten toonde inderdaad aan dat maximizers meer spijt ervaren over gemaakte keuzes en daardoor beduidend minder geluk en levenstevredenheid ervaren dan de satisficers. In een recente cross-culturele studie vonden Arne Roets, Barry Schwartz, en Yanjun Guan identieke resultaten in Europa, maar niet in China, waar de individuele keuzevrijheid beperkter is en minder centraal staat in de maatschappelijke visie op geluk. Chinese maximizers hadden ook wel vaker spijt over hun keuzes, maar dit had weinig tot geen invloed op hun geluk en levenstevredenheid.

Het is dus vooral de combinatie van een individu op zoek naar de perfecte keuze, en een (Westerse) wereld met schijnbaar onbegrensde opties, die een uiterst ongelukkig resultaat oplevert. Daar waar de Westerse maximizers de meest ongelukkige groep vormden, waren de Westerse satisficers echter net het gelukkigst van alle respondenten. Met andere woorden, de keuzevrijheid in onze westerse maatschappij kan zowel een zegen als een vloek zijn: De kunst bestaat er in om in de eindeloze zee van mogelijkheden zich tevreden te kunnen stellen met keuzes die goed genoeg zijn, en zich niet te verliezen in een eeuwige jacht naar die ene allerbeste optie. Zowel Barry Schwartz als Sheena Iyengar pleiten er dan ook voor om weer wat milder worden voor onszelf en de keuzes die we maken.

Conclusie

Als we afstappen van het model van de perfecte keuze, kan dat ons geluk enkel ten goede komen.

Referenties

  • Iyengar, S. (2010). The Art of Choosing. New York: Hatchette Book Group
  • Roets, A., Schwartz, B., & Guan, Y. (2012). The tyranny of choice: a cross-cultural investigation of maximizing-satisficing effects on well-being. Judgment and Decision Making, 17, 689-704.
  • Schwartz, B. (2004). The paradox of choice. New York: Ecco.

Auteur: Arne Roets

Professor Arne Roets is verbonden aan de vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids-, en Sociale Psychologie van de Universiteit Gent. Daar doceert hij het vak Sociale cognitie en groepsprocessen, alsook het vak Sociale Psychologie.

 

Rood, de kleur van succes?

Ik heb drie simpele vragen voor u. Welke kleur hebben de wanden in uw kantoor? Welke kleur heeft de mok waaruit u dagelijks uw thee of koffie drinkt? Wat is de kleur van de kleding die u vandaag draagt? Uw antwoord op deze vragen lijkt misschien triviaal, maar recent onderzoek naar de effecten van kleur suggereren dat u de volgende keer wel twee keer nadenkt over de inrichting van uw kantoor, de keuze van uw mok, of uw kledingkeuze voor op het werk…

Uit onderzoek blijkt dat kleur invloed heeft op prestaties. Vooral de kleur rood speelt hierbij een centrale rol. Verschillende onderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat als mensen een goede prestatie neer moeten zetten, zoals bij een wedstrijd of een belangrijke test, de kleur rood tot slechtere prestaties leidt dan andere kleuren, zoals blauw, grijs en groen. De verminderde prestaties door blootstelling aan de kleur rood gaan op voor verschillende domeinen. Zo presteerden onderzoeksdeelnemers die een belangrijke intelligentietest moesten maken slechter als het voorblad van de test rood was, in plaats van grijs of blauw. Zelfs wanneer mensen alleen worden blootgesteld aan het woord “rood” gaan ze slechter presteren op kennistesten.

Het verschil tussen winst of verlies

De effecten van rood op prestaties gaan ook op voor sport. Het is al langer bekend dat voetbalteams in de hoogste divisies van het Engelse voetbal in uitwedstrijden vaker verliezen van teams die rode shirts dragen dan van teams met een ander kleur shirtje. Ook in vechtsporten is gevonden dat het niet loont om tegen een tegenstander in het rood te spelen. Vechtsporters verloren vaker wanneer hun tegenstanders een rood tenue droegen dan wanneer deze in een blauw tenue aantrad. Dus binnen sport maakt het een aanzienlijk verschil of de tegenstander de kleur rood draagt – het kan bepalend zijn voor het verschil tussen winst en verlies. Bij een penalty shoot-out in de finale van de Champion’s league, zou ik wel weten welk kleur shirtje ik als keeper zou dragen…

Alarmerende effecten van rood

Als verklaring voor deze bevindingen geven onderzoekers dat de kleur rood alarmerend werkt en hierdoor een verstorend effect heeft op de verwerking van informatie. De alarmerende betekenis van rood komt voor een deel door hoe de kleur rood wordt ingezet in onze omgeving. We gebruiken een rode pen om fouten te markeren, een rood stoplicht gebiedt ons om te stoppen en de brandweer rukt uit voor brand in rode wagens.

Tegelijkertijd lijkt de alarmerende functie van rood ook evolutionair verankerd. De gezichtskleur van dominante apen kleurt rood op om zo de andere apen in een onderdanige positie te dwingen. Een bepaald soort vinken waarvan de borstveren rood waren geverfd hadden een groter territorium dan hun soortgenoten met een oranje of bruin geverfde borst. En ook bij mensen zien we dit terug. Deelnemers aan een pokeronderzoek gaven aan dat ze hun tegenstander in een pokerspel meer intimiderend vonden wanneer de tegenstander rode fiches inzette dan wanneer deze witte of blauwe fiches inzette – het opmerkelijke gevolg was dat ze zich sneller terugtrokken uit het spel.

De situatie is bepalend: prestatie versus romantiek

Deze alarmerende en prestatie-verminderende effecten van rood lijken vooral op te gaan binnen een prestatiecontext, zoals een wedstrijd of een belangrijke test. Binnen een andere context heeft de kleur rood een opmerkelijke andere signaalfunctie: binnen een romantische context, als mensen worden beoordeeld op hun aantrekkelijkheid of potentieel als mogelijke partner, werkt immers rood aanlokkelijk. Zowel mannen als vrouwen die rood dragen worden door de andere sekse als aantrekkelijker beoordeeld.

Kleur verstandig

Deze bevindingen hebben mogelijk belangrijke implicaties voor de inrichting en markering van kantoren, klaslokalen en websites. Neem bijvoorbeeld een school waarvan de verschillende lokalen met kleuren worden aangeduid. Hoewel de kleuren nadrukkelijk bedoeld zijn als markeerpunt, zou een onbedoeld neveneffect kunnen zijn dat deze kleuren invloed hebben op het reproduceren van kennis en op de prestatie op toetsen – uiteraard zal de mate waarin een leerling geleerd heeft voor de toets veel belangrijker zijn voor het eindcijfer, maar de kleur kan misschien wel net voor het verschil tussen een onvoldoende of voldoende zorgen. Zelf gebruik ik in mijn onderwijs en bij presentaties alleen nog maar de kleur groen om mijn publiek niet af te schrikken. Groen, ook een interessante kleur. Misschien voor een volgende keer…

Referenties

  • Elliot, A.J., Maier, M.A., Moller, A.C., Friedman, R., & Meinhardt, J. (2007). Color and psychological functioning: The effect of red on performance attainment. Journal of Experimental Psychology: General, 136, 154-168.
  • Lichtenfeld, S., Maier, M.A., Elliot, A.J., & Reinhard, P. (2009). The semantic red effect: Processing the word red undermines intellectual performance. Journal of Experimental Social Psychology, 45, 1273-1276.
  • Maier, M.A., Elliot, A.J., & Lichtenfeld, S. (2008). Mediation on the negative effect of red on intellectual performance. Personality and Social Psychology Bulletin, 34, 1530-1540.
  • Mehta, R., & Zhu, R. (2009). Blue or red? Exploring the effect of color on cognitive task performances. Science, 323, 1226–1229.
  • Attrill, M.J., Gresty, K.A., Hill, R.A., & Barton, R.A. (2008). Red shirt colour is associated with long-term team success in English football. Journal of Sports Sciences, 26, 577-582.
  • Hill, R.A., & Barton, R.A. (2005). Red enhances human performance in contests. Nature, 435, 293.
  • Setchell, J., & Wickings, J. (2005). Dominance, status signals and coloration in male mandrills (Mandrillus sphinx). Ethology, 211, 25-50.
  • Pryke, S.R., Andersson, S., Lawes, M.J., & Piper, S.E. (2002). Carotenoid status signaling in captive and wild red-collared widowbirds: Independent effects of badge size and color. Behavioral Ecology, 13, 622-631.
  • Ten Velden, F.S., Baas, M., Shalvi, S., Preenen, P.T.Y., & De Dreu, C.K.W. (2012). In competitive interaction displays of red increase actors’ competitive approach and perceivers’ withdrawal. Journal of Experimental Social Psychology, 48, 1205–1208.
  • Elliot, A.J., Payen, V., Brisswalter, J., Cury, F., & Thayer, J.F. (2011). A subtle threat cue, heart rate variability, and cognitive performance. Psychophysiology, 48, 1340–1345.
  • Gnambs, T., Appel, M., & Batinic, B. (2010). Color red in web-based knowledge testing. Computers in Human Behavior, 26, 1625–1631.
  • Elliot, A.J., Niesta Kayser, D., Greitemeyer, T., Lichtenfeld, S., Gramzow, R.H., Maier, M.A., & Liu, H. (2010). Red, rank, and romance in women viewing men. Journal of Experimental Psychology: General, 139, 399-417.
  • Elliot, A.J., & Niesta, D. (2008). Romantic red: Red enhances men’s attraction to women. Journal of Personality and Social Psychology, 95, 1150-1164.

Auteur: Matthijs Baas

dr. Matthijs Baas is verbonden aan het Departement Arbeids- en Organisatiepsychologie van de Universiteit van Amsterdam. Hij geeft les over creativiteit en innovatie in organisaties, en over onderzoeksmethoden in de bedrijfspsychologie. Zijn voornaamste onderzoeksinteresses betreffen de rol die stemmingen en motivatie spelen in creativiteit en hoe mensen in moeilijke omstandigheden toch tot creatieve ideeën kunnen komen.