Bepaalt je persoonlijkheid je carrière of is het andersom?

 

Universitaire opleiding biedt brede mogelijkheden

‘Een universitaire opleiding blijkt vooral een brede opleiding, met veel mogelijkheden’, zegt onderzoeker Bart Wille, die doctoreerde over het onderwerp aan de universiteit van Gent. ‘We zagen filosofen terechtkomen bij banken, criminologen aan de top van telecombedrijven, of ingenieurs die ervoor kozen om leerkracht te worden. Rekruteerders denken steeds meer in termen van competenties, en minder van vooropleidingen. Vaak liggen die competenties – stressbestendig, klantgericht, resultaatgedreven – verankerd in iemands karakter. Een geschikte opleiding is slechts een eerste stap om die te ontplooien.’

In 1994 ondervroeg men aan de universiteit van Gent bijna duizend laatstejaars uit verschillende afstudeerrichtingen over hun persoonlijkheid. Een jaar later werd die oefening nog een keer overgedaan, en vijftien jaar later nog een laatste keer. Bedoeling was zicht te krijgen op het professionele traject dat iedere alumnus had afgelegd, en op de verandering in hun persoonlijkheid.

‘Eens fuifnummer, altijd fuifnummer’

Veel mensen zien een eerste job als een soort try-out. Dat klopt niet helemaal’, zegt Bart Wille. ‘Voor veel van onze respondenten was hun eerste job voorspellend voor hun latere carrière. Vijftien jaar later zijn ze wel verschillende keren van bedrijf veranderd, of is hun jobtitel anders, maar het initiële idee blijft dezelfde. Mensen kiezen ook voor het sociale of bijvoorbeeld het extraverte van de verkoop omdat dat nu eenmaal in hun karakter zit. Ze dragen dat mee in de rest van hun loopbaan.’

Andere conclusie uit het onderzoek: tussen hun 22ste en 38ste was de persoonlijkheid van de afgestudeerden weinig veranderd. ‘Mensen bleven over het algemeen wie ze zijn. Wie tijdens zijn studententijd als eerste op de tafels stond, was vijftien jaar later nog altijd een gangmaker op feestjes. Wie bekend stond om zijn ordelijke notities, was nog altijd die georganiseerde collega.’

Meer verdienen

Gemiddeld waren de alumni wel iets terughoudender, plichtsbewuster en minder zelfzuchtig geworden. ‘We noemen dat maturatie-effecten. Je wordt milder ten opzichte van anderen, minder competitief wanneer je volwassen wordt. Interessant om te zien was dat dit voor hoge managers veel minder het geval was. Wie in een competitieve omgeving werkte, bleef wel competitief.’ Uit een tweede studie bleek dat binnen die groep van hoogopgeleiden vooral je persoonlijkheid het verschil maakt in hoe succesvol je wordt.

Drie persoonlijkheidskenmerken bleken toekomstig loopbaansucces te beïnvloeden. ‘Extraverte alumni hadden vijftien jaar later meer kans op een hoge managementfunctie en vertelden dat ze meer verdienden dan hun introverte studiegenoten. Ook mensen met een aantal narcistische trekjes – ze horen zichzelf graag bezig, staan graag in het middelpunt van de belangstelling – hadden meer kans op een hogere functie.’ Maar liefst een derde van de inkomensverschillen bleek te verklaren door persoonlijkheidskenmerken. ‘Binnen de groep hoogopgeleiden maakt persoonlijkheid dus echt een verschil in hoe succesvol je wordt.’ Daarnaast waren ook consciëntieusheid (positief) en altruïsme (negatief) voorspellers voor het latere inkomen. ‘Loopbaansucces is natuurlijk ook maar hoe je het zelf invult’, zegt Bart Wille. ‘Een sterke professionele gedrevenheid zorgt dan misschien voor meer financieel succes, het vergroot ook de kans op een onevenwicht in de balans tussen werk en privé. Zo was er ook een alumnus die uiteindelijk zijn eigen loopbaan op een lager pitje zette voor de carrière van zijn vrouw.’

Referenties

  • Wille, B., De Fruyt, F., & De Clercq, B. (2013). Expanding and reconceptualizing aberrant personality at work: Validity of Five-Factor Model aberrant personality tendencies to predict career outcomes. Personnel Psychology, 66, 173-223.
  • Wille, B., De Fruyt, F., & Feys, M. (2013). Big Five traits and intrinsic success in the new career era: A 15 year longitudinal study on employability and work-family conflict. Applied Psychology: An International Review, 62, 124-156.
  • Wille, B., Beyers, W., De Fruyt, F. (2012). A transactional approach to person-environment fit: Reciprocal relations between personality development and career role growth across young to middle adulthood. Journal of Vocational Behavior, 81, 307-321.
  • Feys, M., Anseel, F., & Wille, B. (2011). Improving feedback reports: The role of procedural information and information specificity. Academy of Management Learning & Education, 10, 661-682.
  • Wille, B., De Fruyt, F., & Feys, M. (2010). Vocational interests and Big Five traits as predictors of job instability. Journal of Vocational Behavior, 76, 547-558.

Een eerdere versie van deze blogpost verscheen ook in Het Nieuwsblad van 29 juni onder de titel ‘Baas worden? Wees extravert en een tikje narcistisch, geschreven door Kaatje De Coninck.

 

Investeren in Rekrutering en Selectie: Waarom de kostprijs relatief is?

Creatieve rekruteringskanalen (e.g. een postkaart) kunnen effectiever zijn dan de klassieke rekruteringskanalen (e.g. een mail). Hoewel de kost van deze creatieve aanpak kan oplopen, berekende Saartje dat deze creatieve investering uiteindelijk veel meer oplevert. Maar hoe bereken je dit nu precies, vroegen veel van onze lezers zich af. In deze blogpost maakt Saartje ons wegwijs in het bereken van de ROI van rekruteringsactiviteiten op basis van de utiliteitsformule:

ΔU= rxy x SDy x ΔZx x T x N – ΔC

Laten we uitgaan van het voorbeeld uit de vorige blogpost waarbij een organisatie rekruteerde via enerzijds een postkaart en anderzijds een e-mail.

Uitkomst van de utiliteitsformule

Het doel van een utiliteitsformule is het uitdrukken van het verschil tussen twee rekruteringsactiviteiten of selectieprocedures in geld (ΔU). Eenvoudig zal u denken. We laten als organisatie 1000 postkaartjes drukken, via een niet nader te noemen website, en dat kost ons ongeveer 80 euro. Daarenboven komt nog eens 650 euro voor de postzegels. In totaal zal de postkaart ons dus ongeveer 730 euro kosten. Voor de e-mail daarentegen gebruiken we onze eigen databank van potentiële sollicitanten en sturen hen gratis de vacature door. De postkaart is dus duidelijk duurder dan de e-mail. Wel, dit is een goed begin, maar levert ons slecht het laatste element van de utiliteitsformule op. De ΔC of het verschil tussen de twee procedures uitgedrukt in euro’s.

Kwaliteit en aantal sollicitanten

Bij selectie wordt er steeds gewerkt met bepaalde criteria of tools die toelaten om de kwaliteit van sollicitanten op een objectieve manier te vergelijken. In ons voorbeeld werd de opleiding gebruikt (zie tabel voor enkele ander indicatoren). Nu willen we weten in welke mate deze indicator een voorspeller is van latere prestaties in de job (rxy). Onderzoek toonde aan dat deze waarde voor opleiding 0,10 bedraagt, uiteraard hoe hoger deze waarde hoe beter de selectie.

Indicator

Voorspellende kracht
Criteria
     Werkervaring

0,18

     Opleiding

0,10

Tools
     Gestructureerde interviews

0,51

     Assessment Center

0,37

     Referenties

0,26

Echter, dit laat ons nog niet toe om een vergelijking te maken tussen de twee media. Hiervoor berekenen we  het verschil in de gemiddelde gestandaardiseerde[1] waarde van opleiding in beide groepen (ΔZx):0,2912 = 0.8367 voor de postkaart – 0.5455 voor de e-mail. Met betrekking tot de prestaties willen we ook weten wat een goede kandidaat nu eigenlijk opbrengt voor een organisatie (SDy). Uit onderzoek blijkt dat deze meerwaarde ongeveer gelijk is aan 40% van het bruto jaarsalaris. De organisatie in ons voorbeeld was op zoek naar ingenieurs met ongeveer 10 jaar werkervaring. In een recente rondvraag blijkt dat deze doelgroep gemiddeld ongeveer 41.352 euro per jaar verdient; 40% hiervan is 16.540 euro. Ten slotte blijven er nog 2 indicatoren over: het aantal jaar dat iemand de functie zal uitoefenen (T) en het aantal nieuwe werknemers die de organisatie wil aannemen (N). Aangezien het hier gaat om één managementfunctie verwachten we dat de nieuwe werknemer ongeveer 5 jaar zijn/haar functie zal blijven uitoefenen.

Het resultaat

ΔU= 0,10 x 16.540 euro x 0,2912 x 5 x  1 -730 euro

Wanneer we alle indicatoren invullen in de formule zien we dat er een verschil is in utiliteit tussen de postkaart en de e-mail van 1.678,22 euro, in het voordeel van de postkaart. Een uitkomst die we op het eerste zicht niet hadden verwacht aangezien de kosten van de postkaart veel hoger zijn dan die van de e-mail. Dit positieve verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de betere kwaliteit van de kandidaten in de postkaart conditie. Echt interessant wordt het als we met deze procedure meerdere mensen zouden aanwerven. Bij 3 kandidaten creëren we al een meerwaarde van 6.494,67 euro. Hoe meer mensen we aanwerven, hoe meer profit! Indien de organisatie een andere indicator had gebruikt, met een hogere voorspellende waarde, dan was het resultaat waarschijnlijk nog beter geweest.

Aantal aanwervingen

Utiliteit

1

1.678,22 euro

2

4.086,45 euro

3

6.494,67 euro

4

8.902,90 euro

5

11.311,12 euro

Conclusie

Zo zie je maar dat een op het eerste zicht duur rekruteringsmedium een groter ROI oplevert dan een goedkoper medium. Om te bepalen of een rekruteringsprocedure of selectieproces efficiënt is moeten we zowel de kostprijs als indicatoren over de kwaliteit en het aantal sollicitanten in rekening brengen. Enkel op deze manier kunnen we een volledig en correct inzicht krijgen in de utiliteit van de volledige procedure.

Referenties

  • Boudreau, J. W. & Rynes, S. L. (1985). Role of recruitment in staffing utility analysis. Journal of Applied Psychology, 70, 354-366.
  • Carlson, K. D., Connerley, M. L., & Mecham, R. L. (2002). Recruitment evaluation: The case for assessing the quality of applicants attracted. Personnel Psychology, 55, 461-490.
  • Cromheecke, S., Van Hoye, G., & Lievens, F. (in press). Changing things up in recruitment: Effects of a “strange” recruitment medium on applicant pool quantity and quality. Journal of Occupational and Organizational Psychology.

Auteur: Saartje Cromheecke

Saartje Cromheecke is assistent en doctoraatstudent aan de vakgroep Personeelsbeleid, Arbeids-, en Organisatiepsychologie van de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust op employer branding en hoe organisaties zich door middel van rekrutering kunnen differentiëren.


[1] Deze waarde kan berekend worden met een statistisch programma en laat ons toe om waarden met elkaar te vergelijken.

 

Is jouw pijn wel echt?

Pijn is een interpersoonlijke ervaring

Pijn is de voornaamste gezondheidsklacht waarvoor mensen medische hulp zoeken. Zowel acute als chronische pijn (i.e., wanneer de pijn langer aanhoudt dan 3 maanden) gaat niet enkel samen met de pijnsymptomen op zich, maar ook met aanzienlijke belemmeringen in het dagelijkse leven. Pijn is evenwel geen individuele ervaring: pijn wordt door het individu met pijn geuit door middel van (non-)verbaal pijngedrag, en dit gedrag wordt waargenomen door anderen die, op hun beurt, een inschatting van de pijn maken.

Inschatten van andermans pijn

De inschattingen die mensen maken van andermans pijn zijn van groot belang. We kunnen immers veronderstellen dat deze inschattingen aan de basis liggen van heel wat cruciale beslissingen met betrekking tot de behandeling van pijn, bv. de keuze van behandeling, het voorschrijven van medicatie, en het plaatsen van een patiënt op de wachtlijst. De afwezigheid van medische evidentie voor de pijn is een cruciale factor die een invloed heeft op de pijninschattingen die mensen maken van andermans pijn.

Pijn zonder medische evidentie of fysiek letsel

Heel wat patiënten kampen met pijn die momenteel niet of nog niet goed medisch begrepen is. Denk bij voorbeeld aan chronische lage rugpijn waarbij de pijn vaak geen signaal meer is voor onderliggende lichamelijke weefselschade. Een ander voorbeeld is fibromyalgie, een pijnstoornis waarvan de medische oorzaak tot op vandaag nog onvoldoende gekend is.

Onderzoek: pijninschattingen met/zonder medische evidentie voor pijn

Twee recente studies onderzochten de invloed van de afwezigheid van medische evidentie voor de pijn op de inschattingen die observatoren maakten van de pijn van patiënten. De observatoren waren hulpverleners en mensen uit de algemene populatie. In deze studies kregen de observatoren informatie omtrent de aanwezigheid (bijvoorbeeld: een geknelde zenuw of artrose) of de afwezigheid van medische evidentie voor de pijn. Deze informatie ging gepaard met een foto van een patiënt en werd gevolgd door een videofragment waarin de patiënt een bepaalde, mogelijks pijnlijke beweging uitvoerde. In deze videofragmenten werd niet enkel de gezichtsexpressie van pijn in beeld gebracht; het hele lichaam (en daarbij horende pijngedragingen) werd getoond.

De resultaten

Wanneer er geen medische evidentie voor de pijn van de patiënt was:

  • Schreven de mensen uit de algemene populatie, maar ook de hulpverleners, minder pijn toe aan de patiënten
  • Rapporteerden de mensen uit de algemene populatie, maar ook de hulpverleners, minder sympathie te voelen voor de patiënten
  • Rapporteerden de mensen uit de algemene populatie minder bereid te zijn de patiënt te helpen met dagelijkse activiteiten
  • Dachten de hulpverleners dat pijnmedicatie minder effectief zou zijn
  • Gaven de hulpverleners aan zich minder effectief te voelen in het helpen van de patiënten
  • Geloofden zowel mensen uit de algemene populatie als hulpverleners meer in het veinzen van de pijn in vergelijking met wanneer er wel medische evidentie voor de pijn was

Conclusie

Patiënten met pijn die (nog) niet medisch begrepen is, vormen een kwetsbare patiëntengroep. De onderzoeksresultaten doen vermoeden dat patiënten met “medisch onverklaarde” pijn kwetsbaar zijn voor stigmatiserende reacties van anderen, zoals bijvoorbeeld sociale uitsluiting.

Referenties

  • De Ruddere, L., Goubert, L., Vervoort, T., Prkachin, K., & Crombez, G. (2012). We discount the pain of others when pain has no medical explanation. Journal of Pain, 13, 1198-1205.
  • De Ruddere, L., Goubert, L., Stevens, M.A.L., Deveugele, M., Craig, K., & Crombez, G. (submitted). Health care professional reactions to patient pain: Impact of knowledge about medical evidence and psychosocial influences.
  • Hadjistavropoulos, T., Craig, K.D., Duck, S., Cano, A., Goubert, L., Jackson, P.L., … Fitzgerald, T.D. (2011). A biopsychosocial formulation of pain communication. Psychological Bulletin, 137, 910-939.

Auteur: Lies De Ruddere

Lies De Ruddere is als onderzoekster verbonden aan de Universiteit Gent, faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie. Haar onderzoek focust zich op de interpersoonlijke context van pijn, meer specifiek op de inschattingen die mensen maken van andermans pijn. Haar doctoraatsthesis (2013) toonde aan dat het voor mensen met pijn niet vanzelfsprekend is om geloofd te worden door anderen. De huidige onderzoeksfocus van Lies De Ruddere betreft de rol van sociale uitsluiting op het welbevinden van mensen met pijn waarvoor er (nog) geen medische verklaring is.

 

Work it out! Feiten en fictie over werkgeheugentraining

Het werkgeheugen is de regiekamer van het menselijk geheugen die ervoor zorgt dat ons denken en handelen gecontroleerd en doelgericht verloopt. Het is de zetel van onze intellectuele vaardigheden en de vijand van het ouder worden. Problemen op niveau van het werkgeheugen zijn de oorzaak van talloze stoornissen zoals dyscalculie, ADHD of depressie. Werkgeheugentraining heeft dus een enorm potentieel om academische prestaties te stimuleren, geheugenverlies te compenseren en pathologieën te behandelen. Geen wonder dus dat het aantal wetenschappelijke studies naar werkgeheugentraining in de laatste 5 jaar is geëxplodeerd en dat commerciële toepassingen zoals ‘Cogmed Werkgeheugen Training’ het grote publiek bereiken.

Werkgeheugentraining: geen reden tot euforie

De potentiële impact van werkgeheugentraining op ons leven is zo groot dat de wijde belangstelling voor het concept en het succes van de toepassingen zeer begrijpelijk zijn. De onderzoeksresultaten, die uitgebreid worden samengevat in o.a. Shipstead, Redick, & Engle (2012), geven ons tot op heden echter weinig reden tot euforie. Om de effecten van geheugen training te begrijpen, moeten we het onderscheid maken tussen 3 niveaus van werkgeheugentraining: taakspecifieke training, dichte transfer training en verre transfer training. Om dit onderscheid goed te vatten nemen we u even mee naar de fitness zaal.

Work it out!

De hersenen zijn uiteraard geen spier maar om de effecten van werkgeheugentraining te meten is het wel handig om zich de vraag te stellen of het werkgeheugen trainbaar is, naar analogie met de spier. In de fitness zaal kan iemand biceps trainen op een aangepast toestel en door toename van het handelbare gewicht kan vastgesteld worden dat de persoon op dit toestel vooruitgang maakt: dit is in werkgeheugen termen taakspecifieke training. Zal dezelfde persoon dankzij de biceps training ook voordelen ondervinden op een toestel voor borstspieren, alhoewel dit toestel niet identiek dezelfde spiergroep traint? Dit is de vraag naar dichte transfer training in werkgeheugen-termen. Dezelfde persoon kan vooruitgang boeken op verschillende toestellen, maar zal deze training ook zijn vruchten afwerpen op een sportactiviteit zoals fietsen? Dit is in werkgeheugen-termen de vraag naar verre transfer training. Alhoewel niemand zal betwisten dat verschillende spiergroepen betrokken zijn bij het fietsen, zullen weinig mensen beweren dat een goede fietser in de fitness zaal wordt gevormd. In welke mate kan men deze realiteit extrapoleren naar werkgeheugentraining?

De data

Wat taakspecifieke werkgeheugentraining betreft zijn de resultaten éénduidig: een persoon die traint op een werkgeheugentaak (vb. span taak: reeksen letters onthouden) zal onder normale omstandigheden beter worden in die taak. Dus taakspecifieke werkgeheugentraining werkt. Zal diezelfde persoon ook beter worden in andere werkgeheugentaken? Wel, het hangt ervan af hoe gelijkend de taken zijn. Transfer van training naar een vrij gelijkende werkgeheugentaak (vb. reeksen van cijfers onthouden) zal positief zijn, terwijl transfer naar een verschillende werkgeheugentaak (vb. Stroop taak: zo snel mogelijk de inktkleur benoemen van kleurwoorden, zoals het woord groen in rode inkt) negatief zal zijn. Dus dichte transfer training van het werkgeheugen werkt gedeeltelijk. Zal diezelfde persoon na langdurige training op deze taken nu ook beter scoren op een intelligentie test, zal hij met stijgende leeftijd minder vlug vergeetachtig worden of zal hij minder vatbaar worden voor depressie? Daar is het antwoord op dit moment jammer genoeg negatief.

Er zijn toch studies die…

Er zou geen controverse bestaan in de literatuur mochten er niet enkele studies bestaan die toch beweren evidentie te hebben voor verre transfer effecten van werkgeheugentraining. Sommige van die studies rapporteren een positieve invloed van werkgeheugentraining op algemene intelligentie (verre transfer), maar dit echter terwijl de prestatie op werkgeheugentaken (dichte transfer) niet blijkt te veranderen. Dit lijkt te suggereren dat mensen beter worden op de intelligentie test (i.e. test-hertest effecten) maar zonder dat het werkgeheugen verantwoordelijk is voor deze verbetering. Andere studies maken systematisch gebruik van passieve controle groepen, dit zijn deelnemers die de werkgeheugentraining niet ondergaan maar die ook op geen enkele manier betrokken zijn in de onderzoeksprocedure. Nochtans weten we sinds 1953 dat mensen beter gaan presteren eenvoudigweg wanneer ze weten dat ze deelnemen aan een onderzoek (i.e. het Hawthorne effect). Zonder gebruik te maken van actieve controlegroepen die een ‘valse’ werkgeheugentraining ondergaan (naar analogie met placebo) kan men dus het Hawthorne effect niet uitsluiten en zijn bovengenoemde conclusies op zijn zachts gezegd voorbarig.

Conclusie

Kan men het werkgeheugen trainen? Wanneer mensen het werkgeheugen trainen, verbetert in de eerste plaats hun prestatie op de batterij van taken die gebruikt worden om het werkgeheugen te trainen. Maar tot op heden is er nog geen evidentie die aantoont dat het werkgeheugen in het algemeen daar een positieve invloed van ondervindt, laat staan dat deze trainingseffecten zouden transfereren naar de dagelijkse cognitieve, emotionele en sociale activiteiten die door ons werkgeheugen worden ondersteund. Toekomstig onderzoek zal moeten uitmaken of dit louter een kwestie is van het ontwikkelen van meer geschikte trainingsprocedures of dit eerder een gevolg is van het feit dat het werkgeheugen mogelijks beperkt trainbaar is. In afwachting mag u gerust uw werkgeheugen trainen – baat het niet, het schaadt niet – maar maak u voorlopig geen illusies over de uitkomsten.

Referentie

  • Shipstead, Z., Redick, T.S., & Engle, R.W. (2012). Is working memory training effective? Psychological Bulletin, 138(4), 628-654.

Auteur: Arnaud Szmalec

Arnaud Szmalec is professor in de psychologie aan de Université Catholique de Louvain. Zijn onderzoeksinteresses gaan uit naar taalontwikkeling, taalstoornissen, tweetaligheid, en het geheugen.

 

Mensenkennis.be trekt 20.000e bezoeker

Mensenkennis.be, de wetenschapsblog rond psychologie die wordt gesteund door de Universiteit Gent, trok vandaag zijn 20.000e bezoeker. In januari 2013 werd de blog opgestart, en amper 5 maanden nadien is de blog al een groot succes te noemen.

De meest populaire blogposts

De meest populaire blogposts gaan over het nieuwe werken in bedrijven, over de kracht van sportpsychologie, en zelfs over het verschil tussen correlatie en causaliteit. De cartoons van huiscartoonist Maarten blijken ook altijd een schot in de roos. De blogpost die momenteel het meest populair is, is die van kersvers doctor Jordi Casteleyn over het presenteren met Prezi versus PowerPoint.

Het werk van meer dan 30 auteurs

In het begin moesten we onderzoekers echt nog proberen overtuigen om auteur te worden op Mensenkennis.be. Nu zien we dat ze spontaan met ideeën komen. In totaal staan er nu al meer dan 50 blogposts te lezen, geschreven door meer dan 30 auteurs.

Andere cijfers

Gemiddelde bekeek een bezoeker 1,94 pagina’s en bleef die gedurende 1min41 op Mensenkennis.be. Van ons totale bezoekersaantal keert 37.5% regelmatig terug. De Facebook-pagina van Mensenkennis.be heeft 212 likes. Op de Mensenkennis.be nieuwsbrief zijn er 68 mensen ingeschreven. Inschrijven kun je via de hoofdpagina van Mensenkennis.be (rechterkant van de pagina).

 

Stalking! Enkel iets voor gestoorde mensen?

Waar denkt u in eerste instantie aan als u het begrip ‘stalking’ hoort? Heel waarschijnlijk aan een gestoord iemand die een ‘celebrity’ (zoals Brad Pitt of Madonna) of bekende Vlaming (zoals Koen Wauters) obsessioneel achtervolgt en lastig valt? Niet abnormaal, want dat is het plaatje dat doorgaans door de media onder de aandacht van het brede publiek is gebracht.

Onderzoek naar stalking brengt een ander verhaal

  1. Uit verschillende studies blijkt dat niet beroemdheden maar wel ex-partners de meest vatbare groep personen zijn voor het ervaren van ernstige vormen van stalking en ruimere vormen van ‘ongewenst intrusief gedrag’. Ongewenst intrusief gedrag verwijst naar een breed continuüm van gedragingen die als doel hebben een romantische relatie te (her)installeren en kunnen variëren van mild intrusief gedrag tot ernstig intrusief, beangstigend stalkingsgedrag.
  2. Het beeld dat stalkers criminelen of gestoorde mensen zijn blijkt niet volledig te kloppen. In die optiek hanteren een groeiend aantal onderzoekers een alternatief perspectief, namelijk vanuit de relatie en context, ter verklaring van ernstige vormen van stalking en ruimere vormen van ongewenst intrusief gedrag.

Een studie bij Vlaamse ex-partners

Gegeven het feit dat stalking het vaakst optreedt bij voormalige geliefden, werd recent bij een Vlaamse groep ex-partners onderzocht in welke mate intrusieve gedragingen nu bij hen voorkomen én of het optreden van deze gedragingen ook verklaard kan worden door karakteristieken van de vroegere partnerrelatie en de scheidingssituatie.

Tussen maart 2008 en maart 2009 werden in verschillende rechtbanken in Vlaanderen ex-partners gerekruteerd in het kader van het Interdisciplinair Project voor de Optimalisatie van Scheidingstrajecten (het zogenaamde ‘IPOS-onderzoek’). Dit project, dat een samenwerking betrof tussen de UGent en KULeuven, slaagde erin een representatieve steekproef van ongeveer 2000 gescheiden volwassenen samen te stellen. Zo’n 400 tal onder hen werden specifiek bevraagd met betrekking tot het stellen van een ruime set intrusieve gedragingen ten aanzien van hun ex-geliefde. Tevens werd er geïnformeerd naar enkele scheidingskenmerken (wie de scheiding initieerde en de mate waarin men de scheiding emotioneel kon verwerken) en enkele karakteristieken van de verbroken relatie (de gepercipieerde mate van conflict in de relatie, kwaliteit van alternatieven voor de relatie, tevredenheid met de relatie, investeringen in de relatie, en angstige hechting in de relatie voor de scheiding).

Intrusief gedrag in 37% van de gevallen

En substantiële groep ex-partners (37%) rapporteerde minstens 1 intrusieve gedraging te hebben gesteld tegenover zijn/haar ex-geliefde sinds de relatiebreuk. Het aantal gestelde gedragingen varieerde sterk (van 0 tot maar liefst 68 gedragingen), maar gemiddeld gezien werden deze gedragingen in relatief beperkte mate gesteld (gemiddeld 2 à 3 gedragingen). Tot slot, bleken (gelukkig maar!) meer milde gedragingen zoals de ex-partner in de gaten houden, de ex-partner controleren, en het overdreven uiten van zijn/haar liefde jegens de ex-partner populairder te zijn dan meer ernstige bedreigende en agressieve stalkingsgedragingen.

Wat verklaart hoezeer men de ex-partner achternazit?

De mate waarin men de ex-partner lastigviel, hing weldegelijk samen met de onderzochte scheidings- en relatiekarakteristieken.

  1. Meer conflictueuze relaties en een moeilijkere emotionele verwerking van de relatiebreuk leiden tot het stellen van meer intrusieve gedragingen na scheiding.
  2. Personen die geloofden minder alternatieven te hebben voor de relatie bleken meer intrusieve gedragingen te stellen indien ze ‘gedumpt’ waren door hun ex-partner of de relatiebreuk emotioneel moeilijk konden verkroppen.
  3. ‘Gedumpte’ ex-partners schenen harder te vechten voor hun relatie indien ze meer in de relatie investeerden, meer tevreden waren met de relatie en meer angstig gehecht waren in de voorbije relatie (d.w.z., schrik hadden om door de partner verlaten te worden). Mensen die minder relatiealternatieven percipieerden, meer tevreden waren met de relatie, er meer in investeerden en meer angstig gehecht waren, stelden daarentegen niet meer intrusief gedrag indien ze de scheiding zelf wilden. Hoezeer men dus ook betrokken was op de relatie, dit zorgde niet voor meer, maar eerder voor minder intrusies bij zij die zelf wensten te breken met de relatie.

Conclusie

Is stalking nu enkel iets voor gestoorde mensen? Klopt het stereotype beeld van de gestoorde stalker die beroemdheden lastig valt? Volgens ons niet. Stalking blijkt voornamelijk een zaak te zijn van ex-partners bij wie het stellen van ongewenste, intrusieve gedragingen een enigszins ‘normaal’ gegeven blijkt te zijn. Doorgaans vallen ex-partners elkaar in milde mate lastig, niettegenstaande dat de variatie waarmee dat gebeurt groot is. De gradatie waarmee ex-partners elkaar blijven lastig vallen, wordt bovendien niet alleen verklaard door ziekelijke persoonseigenschappen van de pleger maar ook door ‘normale’ scheidings- en relatiekenmerken.

Referenties

  • Cupach, W. R., & Spitzberg, B. H. (2004). The dark side of relationship pursuit. From attraction to obsession and stalking. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.
  • De Smet, O., Loeys, T., & Buysse, A. (2012). Post-breakup unwanted pursuit: A refined analysis of the role of romantic relationship characteristics. Journal of Family Violence, 27, 437–452. doi:10.1007/s10896-012-9437-1

Auteur: Olivia De Smet

Olivia De Smet is sinds januari 2007 werkzaam als assistent aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie aan de Universiteit Gent. Ze maakt deel uit van het UGent FamilyLab en doet in het kader van haar doctoraatswerk onderzoek naar ongewenst intrusief gedrag bij ex-partners. Binnenkort (25 juni 2013) vindt de openbare verdediging van haar proefschrift plaats.

 

Tien tips om zelf stress aan te pakken

Wereldwijd ervaren mensen meer en meer stress, ook in Vlaanderen. Op zich is stress hebben geen probleem: een zeker niveau van stress is onvermijdelijk en kan je zelfs helpen om optimaal te presteren. Langdurige, chronische stress die blijft aanslepen, kan echter wel kwaad. In zo’n situatie heb je een sterk verhoogde kans op verschillende fysieke aandoeningen, zoals hartklachten en beroertes, en ook op psychische problemen zoals depressieve klachten.

Draagkracht vs. draaglast

Word je dus langdurig met stress geconfronteerd, dan is het hoog tijd om daar wat aan te doen. Maar voor we stress aanpakken, is het natuurlijk belangrijk om te begrijpen wat het precies is. Wat is stress nu eigenlijk? Vaak wordt de vergelijking met een weegschaal gemaakt met aan de ene zijde draagkracht en aan de andere zijde draaglast. Er is sprake van stress wanneer de weegschaal uit balans is en draaglast en draagkracht niet meer in evenwicht zijn. De oplossing om stress aan te pakken, is dan ook tweeledig. We kunnen enerzijds de draaglast verlichten en anderzijds onze draagkracht verhogen.

Aan de slag

Hier zomaar mee aanvangen, ligt natuurlijk niet voor de hand. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat initiatieven zoals cursussen stressbeheersing (psycho-educatie) populair zijn bij het brede publiek. In zo’n cursus volgen mensen in groep een aantal lessen om met hun stress om te leren gaan. Dit helpt om stapsgewijs inzicht te verwerven in het eigen stressniveau, de patronen die stress bij jou veroorzaken en de vaardigheden die je best bijspijkert om stress aan te pakken. Cursussen stressbeheersing blijken zeker op korte termijn effectief in het reduceren van stressklachten. Op lange termijn is er ook al positieve evidentie, al is die iets minder sterk.

In deze blogpost lijsten we tien technieken op uit een psycho-educatieve cursus die werd ontwikkeld door dr. Jim White. Deze technieken zijn vrij eenvoudig toepasbaar en kunnen je helpen in het omgaan met stress. Ze zullen natuurlijk niet miraculeus je stress doen verdwijnen en dienen zeker ook niet als alternatief voor professionele begeleiding of hulp. Niettemin zijn het technieken en gedachten die je mogelijk wel kunnen helpen om beter om te gaan met dagdagelijkse stress. Probeer ze dus gerust even uit en zie of ze voor jou werken.

Tien tips om stress aan te pakken

1. Pak problemen meteen aan

Krop je gevoelens niet op. Ze zullen zich alleen maar opstapelen tot je als het ware ontploft. Stellen er zich problemen, bijvoorbeeld op het werk, pak ze dan ook meteen aan.

2. Doe het rustig aan

Ga niet te gejaagd door het leven. Probeer rustiger te eten, wandelen, autorijden, … Als je vandaag niet gedaan krijgt wat je wou doen, is dat geen onoverkomelijk probleem. Morgen is er nog een dag.

3. Een ding tegelijk

Stel je iemand voor die aan het werk is terwijl hij krampachtig een telefoon tussen het schouderblad en het oor klemt, met de ene hand notities neemt en met de andere hand door papieren bladert. Tegelijkertijd probeert hij ook nog even snel te lunchen. Deze persoon is zich overduidelijk aan het overbelasten. De boodschap is dan ook simpel: probeert niet te veel ballen tegelijk in de lucht te jongleren.

4. Splits problemen op

Als je met een groot probleem wordt geconfronteerd en je weet niet hoe eraan te beginnen, probeer die op te splitsen in kleine, meer haalbare delen. Pak elk deel vervolgens een voor een aan.

5. Maak relaxatie een onderdeel van je leven

Voorzie elke dag wat tijd enkel voor jezelf. Maak een wandeling, telefoneer met een vriend of een vriendin, werk wat in de tuin, lees een boek, neem een bad, kijk een film of je favoriete serie, luister naar muziek…

6. Stel prioriteiten

Leef je een hectisch leven, dan is het belangrijk om te bepalen wat er eerst moet gebeuren en wat kan wachten. Zet je taken in een volgorde: nummer 1 moet eerst gebeuren, na de middag volgt nummer 2 … en nummer 10 kan wachten tot het einde van de week. Trek tijd uit om je lijst wel regelmatig bij te werken.

7. Doe het ergste eerst

Als je een takenlijst hebt, doe dan als eerste wat je het minst graag doet. Eens dat achter de rug is, zullen de andere taken beter haalbaar lijken. Stel je die taak echter uit, kan deze in je hoofd blijven spoken en na verloop van tijd veel erger lijken dan ze eigenlijk is. Hou dit dan ook in je achterhoofd als je prioriteiten stelt.

8. Andermans schoenen

Als je een probleem hebt, probeer je dan in te beelden hoe je zelf zou reageren, moest een vriend(in) naar jou komen met dit probleem. Welk advies zou je geven? Kan dat advies jou ook helpen?

9. Wees geen superman of –vrouw

Probeer je altijd alles te doen? Kan je elk probleem aan? Ben je altijd de beste? Waarom? Je huis en je job zullen er nog altijd zijn, ook als jij er niet meer bent. (H)erken je sterktepunten en leer leven met je fouten. Probeer zeker niet perfect te zijn, niemand is dat.

10. Neem anderen in vertrouwen

Zoek mensen op die je kan vertrouwen en laat hen weten hoe je je voelt. Zij zien misschien oplossing voor je problemen waar je zelf nog niet aan hebt gedacht. Zelfs als dat niet zo is, dan heb je toch even je hart gelucht. Dit kan je helpen om je minder geïsoleerd te voelen.

Referenties

  • ISW Limits (2006). Stressbeheersing. Leuven: ISW Limits.
  • Van Daele, T., Hermans, D., Van Audenhove, C., & Van den Bergh, O. (2012). Stress prevention through psycho-education: a meta-analytic review. Health Education & Behavior, 39(4), 474-485.
  • White, J. (2000). Treating anxiety and stress: a group psycho-educational approach using brief CBT. Chichester: Wiley.

Auteur: Tom Van Daele

Tom Van Daele (persoonlijke website) is als psycholoog en wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Daar doet hij onderzoek naar de effectiviteit van stressbeheersingscursussen en de mogelijkheden van e-mental health voor de eerste lijn in Vlaanderen.

 

Verdeel en heers: Een nieuwe techniek voor het oplossen van een inzichtsprobleem

Hoe zou jij volgend inzichtsprobleem oplossen: “Op een dag probeerde een gevangene te ontsnappen via het raampje van een toren. Hij vond een touw in zijn cel, maar dat was echter maar half zo lang als de hoeveelheid touw die hij zou nodig hebben om veilig op de grond te geraken. Toch slaagde de gevangene erin te ontsnappen. Hoe was dit mogelijk?”

Aha! Het inzichtsprobleem ontrafeld

Iedereen heeft het in z’n leven al eens meegemaakt: de Aha-ervaring! Je zoekt uren- tot dagenlang naar het antwoord op een schijnbaar zeer eenvoudige vraag. Plots, volledig uit het niets, komt de oplossing naar boven. Op dat moment vraag je je af waarom je nooit eerder tot een oplossing kwam. De kans is groot dat je hier te maken hebt met een inzichtsprobleem. Dikwijls is er hierbij één aspect van het probleem dat over het hoofd gezien wordt omdat het zo vanzelfsprekend lijkt. Echter, het is meestal net dat ene aspect dat tot het antwoord zal leiden. Daarom komen we vaak zo moeizaam tot een oplossing.

Het klassieke obstakel: functionele fixatie

Het klassieke obstakel dat je moet overwinnen alvorens je dergelijke problemen kan oplossen, is de functionele fixatie. We zijn zodanig gefocust op de typische gebruikswijze van een bepaald voorwerp dat we vergeten dat we dat voorwerp ook nog op andere manieren kunnen gebruiken. Wetenschappers van de Universiteit van Massachusetts hebben aangetoond dat we deze hindernis kunnen overwinnen door de onderdelen, de materialen, de vormen en de grootte van het object in het probleem te benoemen. Zo worden beschrijvingen die een bepaalde gebruikswijze of functie bevatten, vervangen door functievrije beschrijvingen. Dit alles kunnen we illustreren met het volgende voorbeeld: we spreken niet meer van een zitmeubel, maar wel van een object dat meestal bestaat uit hout, ijzer, vijzen, kussens, …

The generic-parts technique

Deze manier van denken is de algemene-delen techniek (of de generic-parts technique, zo u wil). Hierbij wordt er een boomdiagram opgesteld waarin het object steeds verder en verder ontleed wordt in zijn onderdelen. Wetenschappers verwachten dat deze techniek mensen helpt om verder te denken dan de algemene gebruikswijzen die ze kennen en dat ze daardoor inzichtsproblemen gemakkelijker zullen kunnen oplossen.

En dit is ook exact wat uit de studies gebleken is. Mensen die aangemaand worden om de algemene-delen techniek te gebruiken, losten bijna 70% meer problemen op dan mensen die deze techniek helemaal niet kenden en dus ook niet konden gebruiken. Zij slaagden er m.a.w. in om de functionele fixatie te doorbreken.

Naar een database van oplossingen

Wanneer we zeer veel van dergelijke inzichtsproblemen oplossen, kunnen we een database aanleggen van alle mogelijke oplossingen die ooit al efficiënt zijn gebleken. Na verloop van tijd zal blijken dat bepaalde oplossingen meer gebruikt worden dan andere. Wanneer we voor een nieuw probleem komen te staan, dan kunnen we eerst de veelgebruikte oplossing toepassen in de hoop dat deze werkt. De onderzoeker die over de techniek publiceerde is dus met een nieuw bedrijf begonnen: Innovation Accelerator. In België heeft CREAX een gelijkaardige database opgebouwd.

Heb je na al deze tips de oplossing van het raadsel nog steeds niet gevonden? De gevangene verdeelde het touw in de lengte in twee door de vezels uit elkaar te halen. Die uiteinden bond hij vervolgens aan elkaar en zo slaagde hij er in om te ontsnappen.

Referentie

  • McCaffrey, T., (2011). Innovation Relies on the Obscure: A Key to Overcoming the Classic Problem of Functional Fixedness. Psychological Science, 23(3), 215-218.

Auteur: Freya De Keyser

Freya De Keyser is studente 2e Bachelor Psychologie aan de Universiteit Gent. Haar voornaamste interesses situeren zich binnen het veld van de cognitieve psychologie.

 

Prezi of PowerPoint: van welke presentatie leert een publiek het meest?

“We kennen de vijand, en hij heet PowerPoint!” Dat beweerde een Amerikaanse generaal tijdens de oorlog in Afghanistan, toen hij daar een nietszeggende presentatie moest aanhoren.

Blijkbaar moet het Amerikaanse leger niet de Taliban maar deze presentatietechnologie doden om de strijd te kunnen winnen. Zulke klachten over PowerPoint hoor je spijtig genoeg ook op de universiteitsbanken en in de vergaderzalen van bedrijven. In 2009 werd er echter Prezi als alternatief voor PowerPoint gelanceerd, maar kan deze software de hoge verwachtingen wel inlossen?

PowerPoint: De wetenschap achter een goede presentatie

Hoewel veel sprekers nog vaak hun dia’s vol tekst proppen, bestaan er toch enkele duidelijke richtlijnen over hoe je een goede PowerPointpresentatie ontwerpt. Na jarenlang experimenteel onderzoek ontwikkelden Richard Mayer en zijn collega’s de Cognitive Theory of Multimedia Learning (CTML). Hoewel deze theorie niet expliciet voor presentaties bestemd is, kan je de principes ervan toch probleemloos vertalen naar PowerPoint.

  • Tekst en beeld zijn beter dan tekst alleen.
  • Tekst en beeld worden beter tegelijk dan na elkaar gepresenteerd.
  • Tekst staat best zo dicht mogelijk bij het bijbehorende beeld.
  • Overbodige informatie die de boodschap vertroebelt, wordt best verwijderd. Bijvoorbeeld, extra geluid. Beperk dus wat je aan een publiek toont.
  • Informatie wordt beter mondeling dan via tekst gecommuniceerd.
  • De combinatie animatie en audio werkt beter dan de combinatie animatie en tekst.

Deze richtlijnen zijn vooral succesvol, als de informatie complex is en als die snel gecommuniceerd wordt. Bovendien hebben deze regels een grotere impact als de toehoorders weinig voorkennis van de materie hebben, en als ze eerder ruimtelijk dan tekstueel denken.

Prezi: De impact van design

Wie een presentatie ontwerpt, moet de richtlijnen van CTML toepassen, maar deze principes zijn beperkt tot een enkele dia. Via Prezi kan je echter die dia open trekken tot een oneindig canvas waarop je de informatie kan schikken. Prezi stimuleert ook het gebruik van boomstructuren die veel gelijkenissen met graphic organizers vertonen. Dit zijn combinaties van woorden met niet-tekstuele elementen zoals pijlen, lijnen en cirkels. De bekendste voorbeelden hiervan zijn mindmaps, concept maps en knowledge maps. Onderwijskundig onderzoek toont aan dat dit een goede manier is om informatie te verwerken, maar niemand heeft dit al onderzocht in de context van een presentatie (druk op F5 mocht de video niet onmiddellijk zichtbaar zijn).

Prezipresentatie van Chris Anderson op Ted Global

De resultaten

In het kader van mijn doctoraatsonderzoek bestudeerde ik onder andere de impact van deze graphic organizers op een publiek. Eerst kregen twee groepen van elk ongeveer 75 universiteitsstudenten een video te zien waarin de docent een onderdeel van de cursus behandelde. De studenten konden alleen de visuele ondersteuning bekijken want de spreker was niet te zien, maar het geluidsbestand was bij elke groep hetzelfde. De ene groep kreeg een klassieke PowerPointpresentatie voorgeschoteld, die volgens de richtlijnen van CTML opgebouwd was. De andere groep bekeek een presentatie die graphic organizers ten volle benutte. Dat was het enige verschil tussen de twee groepen; het lettertype, de kleur, en zelfs de woorden bleven dezelfde. We onderzochten dus de impact van het design van de informatie.

Uit de kennistesten bleek dat elke groep evenveel informatie uit de presentatie gehaald had. Ook vonden beide groepen het even moeilijk (of gemakkelijk) om de presentatie te volgen. Het verschil bestond erin dat de Prezigroep de presentatie meer apprecieerde dan de PowerPointgroep.

We hebben ook een gelijkaardig onderzoek bij leerlingen uit het secundair onderwijs uitgevoerd. Daar gebruikte de leraar aardrijkskunde een PowerPoint- en Prezipresentatie. Dit leverde hetzelfde resultaat als bij de universiteitsstudenten, maar daar werd de Prezipresentatie minder zinvol bevonden. Waarschijnlijk komt dit omdat deze leerlingen het niet gewoon zijn om een PowerPointpresentatie bij te wonen.

Conclusie, en het belang van de spreker

Men kan dus nog niet besluiten dat Prezi een beter communicatiemiddel voor presentaties is dan PowerPoint. Waarschijnlijk wordt Prezi momenteel meer geapprecieerd, maar we vermoeden dat dit ‘novelty effect’ binnenkort zal verdwijnen. Toch betekent dit niet dat men nooit Prezi mag gebruiken. Het zou kunnen dat er nog andere gestandaardiseerde graphic organizers moeten ontstaan die communicatie vooruit helpen of dat Prezi wel tot langetermijneffecten leidt, die niet naar boven kwamen in het huidige onderzoek.

Daarnaast is presenteren een enorme complexe vaardigheid, die spreken, schrijven, visuele communicatie met eigenschappen van geavanceerde software combineert. We mogen de invloed van nieuwe media niet overschatten. Uit een ander onderdeel van mijn doctoraatsonderzoek blijkt namelijk dat de visuele ondersteuning wel belangrijk voor een presentatie is, maar dat de spreker zelf waarschijnlijk een grotere impact op het succes van een presentatie heeft.

Referenties

  • Mayer, R. (2009). Multimedia Learning (2nd ed). New York: Cambridge University Press.
  • Casteleyn, J., Mottart, A., & Valcke, M. (2013). The impact of graphic organizers on learning from presentations. Technology, Pedagogy & Education. DOI: 10.1080/1475939X.2013.784621.
  • Casteleyn, J. (2013). New Media and the Rhetoric of Presentations. Explorations in Education. [Phd-thesis]. Ghent: Ghent University.

Auteur: Jordi Casteleyn

Jordi Casteleyn schreef een proefschrift over de impact van nieuwe media op de retoriek van het presenteren. Daarnaast is hij praktijkassistent communicatievaardigheden bij de vakgroep Onderwijskunde (UGent) en doceert hij bedrijfscommunicatie bij de opleiding Bedrijfsmanagement (Arteveldehogeschool Gent). Hij publiceerde verschillende boeken over presenteren, coacht sprekers voor o.a. de conferentie TedxGhent, en speelt improcomedy bij de Lunatics.