Komieken hebben psychotische persoonlijkheidstrekken.

Het eeuwenoude geloof dat waanzin en creativiteit nauw aan elkaar verbonden zijn blijft de publieke verbeelding in zijn greep houden. In recente jaren is het idee echter ook het onderwerp geworden van wetenschappelijk onderzoek waar, naast de traditionele associaties tussen “psychose en kunst” of “psychose en wetenschap”, nu ook het verband tussen “psychose en humor” de aandacht krijgt. Zo kunnen we lezen in een recent onderzoeksartikel dat “een ongewone persoonlijkheidsstructuur de sleutel zou kunnen zijn om anderen te doen lachen”.

Humor en psychose

Dit beweren wetenschappers nadat uit onderzoek was gebleken dat komieken significant hoger scoren op “psychotische persoonlijkheidstrekken” dan hun minder grappige medemensen. Deze onderzoeksbevinding staat centraal in een studie die recent werd gepubliceerd in The British Journal of Psychiatry waarbij onderzoekers 523 komieken rekruteerden en hen een vragenlijst voorlegden die de aanwezigheid van dergelijke “psychotische trekken” diende na te gaan in een gezonde populatie. De persoonlijkheidstrekken waarvan sprake betreffen ondermeer “ongewone ervaringen”, zoals het geloof in telepathie en paranormale gebeurtenissen, “cognitieve desorganisatie”, zoals moeilijkheden in het focussen van gedachten, “introverte anhedonie”, ofwel een verminderende mogelijkheid tot het beleven van sociaal of lichamelijk genot, en tenslotte de neiging tot het stellen van “impulsief en antisociaal gedrag”. De onderzoekers vonden dat komieken significant hoger scoren op al deze 4 persoonlijkheidstrekken wanneer vergeleken met de algemene populatie. Meest opvallend volgens de onderzoekers waren de hoge scores op “impulsieve non-conformiteit” en “introverte persoonlijkheidstrekken”.

Humor als vorm van zelfmedicatie

“De creatieve elementen die nodig lijken voor het produceren van humor zijn opvallend gelijkaardig aan de cognitieve stijl die kenmerkend is voor mensen met een psychose – zowel schizofrenie als bipolaire stoornis” stelt Gordon Claridge van het departement van experimentele psychologie van de Universiteit van Oxford die de studie leidde. “Hoewel een schizofrene psychotische stoornis zelf nadelig kan zijn voor humor, is een beperkte aanwezigheid van psychotische trekken mogelijk bevorderend om ongewone of verrassende zaken met elkaar in verband te brengen of om “out of the box” te denken” laat Claridge voorts weten. Komieken zouden aldus een ietwat teruggetrokken, introverte persoonlijkheid hebben wat ervoor zorgt dat ze niet meteen gericht zijn op het bevestigen van sociale verwachtingen. Zo beschouwd is komedie dan ook de perfecte uitlaatklep om dit non-conformisme te ventileren – “humor als een vorm van zelfmedicatie” aldus Claridge. Paul Jenkins, het hoofd van de stichting “Rethinking Mental Illness” – een organisatie die zich inzet voor het doorbreken van de stereotypieën en stigma’s die met psychiatrische stoornissen zijn verbonden – reageerde echter reeds met enig voorbehoud op deze resultaten in The Guardian: “dit zijn op zich interessante bevindingen, maar we moeten niettemin opletten voor het “waanzinnig creatief genie – stereotype”. Mentale stoornissen zoals schizofrenie kunnen iedereen overkomen, of men nu creatief is of niet” waarschuwt Jenkins. Of deze laatste controverse ook wetenschappelijk onderzoek zal doen ontstaan naar het verband tussen “komische wetenschap en politieke correctheid” zal nog moeten blijken.

Referentie

  • Ando, V., Claridge, G., & Clark, K. (2014). Psychotic Traits in Comedians. The British Journal of Psychiatry, 204(20).

Auteur: Jasper Feyaerts

Jasper Feyaerts is als doctoraatsassistent verbonden aan de Vakgroep Psychoanalyse & Raadplegingspsychologie. Zijn voornaamste interessegebied is het thema van subjectiviteit en hoe dit verschijnt in zowel psychoanalytisch, fenomenologisch als neuro-cognitief onderzoek. Daarnaast doet hij ook empirisch onderzoek naar de subjectieve ervaring van psychose in samenwerking met psychiatrische centra en patiënten.

 

Kleine gemeente, fijne gemeente? Over ‘het gemeenterapport’ van Het Nieuwsblad.

In Het Nieuwsblad vond u de voorbije week ‘Het Gemeenterapport‘. Het is de neerslag van een grootschalige enquête bij 116.000 Vlamingen die peilde naar verschillende lokale thema’s en het nieuwe gemeentebestuur.

Met de bevraging wou men bij Het Nieuwsblad en onderzoeksbureau iVox onder andere weten in welke gemeenten we het liefste wonen. Men deed dit door die 116.000 Vlamingen te laten antwoorden op de vraag ‘Hoe graag woont u in uw gemeente?‘ met een score tussen 0 en 10. Hieronder de resultaten zoals ze gepresenteerd werden door Het Nieuwsblad (eigen reproductie op basis van de beschikbare gegevens):

Men heeft de gemiddelde score voor elke gemeente berekend en op basis van een kleurcode de kaart van Vlaanderen ingekleurd. In de inleiding van het artikel schrijft Het Nieuwsblad:

Inwoners van Linkebeek, Vorselaar en Zutendaal wonen het liefst in hun gemeente. Tienen, Vilvoorde en Zelzate scoren dan weer het slechtst. Dat blijkt uit Het Gemeenterapport van Het Nieuwsblad.
Het Nieuwsblad – 20/01/2014

Maar kunnen we dit nu al besluiten? Deze conclusie is namelijk niet zo vanzelfsprekend als we zouden denken.

Steekproef

Een vragenlijst die werd afgenomen bij meer dan 116.000 Vlamingen lijkt heel erg betrouwbaar te zijn. De steekproef is in elk geval gigantisch groot. En zolang we op basis van die vragenlijst enkel conclusies trekken over ‘dé Vlamingen’ is er ook geen enkel probleem.

Echter, de bedoeling van Het Gemeenterapport is niet om over de Vlaming in het algemeen te rapporteren, maar wel om de resultaten te gaan vergelijken over de verschillende gemeenten heen. En dan is het niet de totale steekproefgrootte die van belang is, maar de steekproefgroottes voor elke gemeente afzonderlijk. Stel dat er slechts 1 inwoner van Linkebeek de enquête heeft ingevuld, maar bijna 7500 van de om en bij 7700 inwoners van Vorselaar reageerden. Beide gemeenten komen als aangenaam uit de bevraging, maar niemand zal eraan twijfelen dat het oordeel over Vorselaar dichter bij de waarheid zal liggen. Wanneer bijna elke inwoner een positief oordeel velt, kunnen we relatief zeker zijn dat het in Vorselaar aangenaam wonen is. Over Linkebeek zijn we daarentegen nog niet veel wijzer, misschien woont onze respondent in een goeie buurt, zijn de politici waarop hij heeft gestemd aan de macht of ligt eender welke subjectieve reden aan de basis van zijn positief oordeel. Misschien wijkt zijn mening af van de meerderheid. We weten het gewoonweg niet, want die is niet bevraagd.

De kern van het probleem zou hiermee duidelijk moeten zijn: de gemiddelde tevredenheidsscores zoals ze op bovenstaand kaartje zijn weergegeven kunnen moeilijk geïnterpreteerd worden zonder informatie over hoe betrouwbaar elke score is.

“Kleine gemeenten probleem”

Een probleem dat hieruit voortvloeit, is dat (in dit geval) gemeenten waar men slechts een kleine steekproef heeft genomen een veel grotere kans hebben om extreme uitkomsten te genereren. Hoe kleiner de steekproef, hoe groter de kans op extremen. Hoe dit meer bepaald in zijn werk kan gaan, kan je nalezen op mijn persoonlijke blog inclusief animatie.

Conclusie

Het kaartje van Het Nieuwsblad geeft te weinig informatie om de analyse ten gronde te kunnen voeren. Linkebeek, Vorselaar en Zutendaal halen inderdaad de hoogste scores, maar het zijn ook stuk voor stuk kleine gemeentes. Zonder extra informatie is het erg moeilijk om in te schatten of deze gemeentes ‘extreem’ scoren wegens bovenstaand steekproefprobleem, omdat we per toeval enkele enthousiaste inwoners te pakken hadden of omdat het daar echt zo fijn wonen is.

Het is des mensen om altijd en overal oorzakelijke verbanden te gaan zoeken/zien bij opmerkelijke waarnemingen. Zeker journalisten, opiniemakers, experten allerhande hebben deze neiging. En dat is een goeie zaak, want het is ook hun taak om dingen in perspectief te plaatsen. Maar het wordt problematisch wanneer men toevallige fluctuaties gaat verklaren.

Een meer formele en uitgebreide bespreking van bovenstaande ideeën kan in de paper ‘Gelman – All maps of parameter estimates are misleading‘ gevonden worden.

Auteur: Dries Benoit

Dries Benoit is professor bedrijfsstatistiek (business analytics) aan de faculteit Economie & Bedrijfskunde van de Universiteit Gent. Hij doceert de vakken ‘Bayesiaanse Statistiek’ en ‘Prijszetting en Omzetbeheer’. Zijn onderzoek situeert zich in het domein van de Bayesiaanse analyse met toepassingen binnen klantenbeheersystemen en prijszetting. Op zijn blog (taptoe.wordpress.com) geeft hij op een toegankelijke manier duiding bij actuele onderwerpen gelinkt aan statistiek of data-analyse.

 

Wat heeft Kristien Hemmerechts te vertellen over Michelle Martin?

Toen ik las dat Kristien Hemmerechts een boek klaar had over Michelle Martin was mijn interesse meteen gewekt. De schrijfster is meter van Te Gek, het project dat zich inzet om psychiatrische problemen uit de taboesfeer te halen en, zo scheen het me toe, ideaal geplaatst om in de geest te kruipen van een vrouw waar niemand zich mee identificeert. Vroeger werden mensen met een psychiatrische problematiek beschouwd als bezetenen: wezens wiens ziel door de duivel is aangetast. Vandaag is dit gelukkig anders, maar zijn misdadigers de duivels waar onze maatschappij op neerkijkt. Liefst van al verbannen we hen naar een plek waar ze, ver weg van ons, mogen branden in het vuur van onze verontwaardiging.

Te Gek is een goed initiatief omdat het stereotiepen in vraag stelt en toont dat personen met psychiatrische problemen even menselijk zijn dan elk van ons. Op sommige momenten is hun psychisch lijden verpletterend en raken ze er op hun eentje niet meer uit, maar voor de rest worstelen ze met dezelfde demonen als ieder van ons. Sigmund Freud was degene die dit voor het eerst onderkende: door zijn eigen dromen te bestuderen kwam hij tot de conclusie dat zijn zielenroerselen niet fundamenteel anders waren die van zijn patiënten. Zelfs de psychopathologische mechanismen die hij in de kliniek observeerde herkende hij in een lichtere vorm ook bij zichzelf. Vandaar zijn besluit dat de grens tussen normaliteit en abnormaliteit bijzonder vaag is.

Ten aanzien misdadigers ligt het psychologisch veel moeilijker om niet in stereotiepen te denken. Bij snelheidsduivels lukt dat – ondanks de vele slachtoffers – misschien nog wel, maar met de daden van Dutroux en diens kompanen belanden we in een ander verhaal. De gruwel en de systematiek van hun acties stoten ons tegen de borst. Ze verwerkelijken datgene dat we normaliter zelfs onder de vorm van fictie nauwelijks verdragen. Allemaal boeiende materie voor een roman die subtiel de grenzen van onze neiging tot stereotypering verkent. Ware het niet dat ik bij het lezen van De vrouw die de honden eten gaf vooral werd overvallen door een gevoel van slaap.

Kristien Hemmerechts start het boek nochtans veel belovend met een citaat van de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt. Arendt verdiepte zich in de motieven en redeneringen van misdadigers als Adolf Eichmann. Eichmann was in de tweede wereldoorlog een van hoofdverantwoordelijken voor de uitroeiingen binnen concentratiekampen. Ontelbare joden en andere gehate bevolkingsgroepen die niet pasten binnen het derde rijk joeg hij de dood in. Arendt stelde vast dat Eichmann verrassend banaal was. Waar ze verwachtte een gestoord onmens aan te treffen, ontmoette Hannah Arendt een technocraat die een goed inzicht had in menselijke verhoudingen; een man die stelde dat hij zijn plicht deed en er naar streefde om gestelde doelstellingen zo efficiënt als mogelijk te realiseren. Met wat fantasie zou men inderdaad een link kunnen zien tussen Eichmann en Michelle Martin: twee volgelingen die zich op het moment van hun daden opvallend weinig lieten leiden door ethische overwegingen.

Inderdaad, de psychologische grens tussen misdadigheid en normaliteit is minder strikt dan menigeen zou wensen. Zo toonden psychologen als Stanley Milgram met een reeks sociaal-psychologische experimenten in de jaren zestig reeds aan dat uitzinnige gehoorzaamheid geen uitzonderlijke fenomeen is. Onder het mom dat hij het effect van straf op leerprocessen bestudeerde, liet Milgram proefpersonen een elektroshock toedienen aan een onwillige leerling. In werkelijkheid was de leerling een acteur die niet echt stroomstoten toegediend kreeg. Wel reageerde hij net alsof de elektroshocks echt waren. Milgram stelde vast dat de meerderheid van de proefpersonen zich opvallend inschikkelijk opstelde wanneer de proefleider instructies gaf om de leerling extreem hoge stroomstoten toe te dienen. Ondanks het gejammer van de acteur gaven de meeste deelnemers dodelijke schokken tot 450 volt. Over de psychologie van extreme volgzaamheid is het laatste woord nog niet gezegd. Blijkbaar zijn we meer vatbaar voor misdadige suggestie dan we graag toegeven. Echter, wie graag inzicht zou krijgen in subjectieve effecten van misdadige gehoorzaamheid en zou willen weten hoe iemand die zich liet meeslepen nadien terugkijkt op de eigen daden, kan zich dit boek beter naast zich neer leggen.

Desalniettemin wil ik het nog even even over de inhoud hebben. De vrouw die de honden eten gaf is een monoloog die ons binnenleidt in de gedachten van Odette, alias Michelle Martin. Het hoofdpersonage blikt er terug op haar relatie met Dutroux, familieverhoudingen, moederschap en de misdaden van haarzelf en van anderen. De schrijfster slaagt er evenwel niet in om van haar hoofdpersonage – ‘de meest gehate vrouw van België’, zo leren we – een mens te maken. Het boek biedt geen overtuigend portret maar leest daarentegen als een aaneenschakeling van platitudes. Hemmerechts maakt van Martin een zwakke vrouw die slechts aan het juk van haar depressieve moeder kon ontsnappen door de ‘gratis pute’ van Dutroux te worden. De schrijfster serveert daarbij een aantal gortige details, maar overtuigen doet ze nooit. Geen mens maar een onmens, zo lijkt de boodschap te zijn. Toen Dutroux in de gevangenis zat gaf Odette de honden wel te eten, maar de jonge meisjes in de kelder liet ze doodgaan. Meer nog, om vervroegd vrij te komen papt ze aan met de nonnen, heeft ze gesprekken met een psychotherapeute en vervoegde ze het katholieke geloof: allemaal oppervlakkige vleugjes mensachtig gedrag die de vermeende beestachtigheid van Michelle Martin verhullen.

Tijdens het lezen van het vroeg ik me meermaals af waar Hemmerechts eigenlijk naar toe wil met deze oppervlakkige karakterschets, die stylistisch trouwens niet al te best in elkaar steekt: Nog meer morele verontwaardiging creëren over Michelle Martin? Bewijzen dat iemand als Martin alle haat verdient die ze over zich heen krijgt? Suggereren dat misdadigers toch echt wel een ander soort mensen vormen? Allemaal vragen die me vrij snel tot de conclusie brachten dat de schrijfster haar kostbare tijd beter anders had besteed. Hemmerechts maakt van de misdaad een taboe. Door Michelle Martin te verbeestelijken speelt ze in op de aversie van de lezer, maar sluit ze de deur voor meer diepgaande vragen over hoe een mens zich kan verhouden tot zijn misdaden. Gelukkig kunnen we binnen dit genre teruggrijpen naar betere werken, zoals als De maagd Marino van Yves Petry, die tonen dat het inderdaad anders kan.

Referentie

  • Milgram, S. (1963). Behavioral Study of Obedience. The Journal of Abnormal and Social Psychology, 67(4), 371-378.

Auteur

Stijn Vanheule is klinisch psycholoog en psychoanalyticus (persoonlijke blog). Hij is als hoofddocent verbonden aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van Universiteit Gent. Recent publiceerde hij het boek ‘Psychose anders bekeken ­ Over het werk van Jacques Lacan’.  Hij heeft bijzondere interesse in methoden en fundamenten voor klinische psychodiagnostiek.

 

Macht erotiseert, maar heel anders dan we denken.

Микрозайм срочно man in hoge positie blijkt een minnares te hebben: het is een verhaal dat af en toe eens in het nieuws komt. De laatste toevoeging aan deze lange lijst is François Hollande, maar hij staat zeker in goed gezelschap: Dominique Strauss-Kahn, John F. Kennedy, François Mitterrand, Albert II, John Profumo… Meer dan vroeger krijgen deze verhalen ook veel aandacht in de pers, zeker als de omstandigheden van de sexuele escapades niet even koosjer zijn. Het verhaal van de briljante Franse economist Strauss-Kahn met de dure pakken, mooie wagens en een nogal dwingende voorliefde voor vrouwelijk schoon die op compleet onbegrijpelijke wijze een dienstmeisje aanrandde, intrigeert vriend en vijand. Allen zijn ze de belichaming van een torenhoog cliché: macht erotiseert.

Wat is dat toch met machtige mannen en clandestiene seks?

Er zijn een aantal mogelijkheden. Het zou kunnen dat er helemaal niets speciaals aan de hand is. Dat veel mannen er een bochtig amoureus parcours op na houden. Dat machtige mannen nu eenmaal sneller in de kijker lopen en, jammer voor hen, elke misstap de pers haalt.

Het zou echter ook kunnen dat een overmatige seksuele drive en torenhoge professionele ambities elkaars onafscheidelijke tweelingbroertjes zijn, beiden tot ongekende hoogten opgezweept door een laaiend testosteronniveau.

Of het zou kunnen dat mannen die zich laven aan de bronnen van de macht, er echt dronken van worden. Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar misschien geldt dat niet langer voor deze Masters of the Universe.

Misschien, opperde ook Mia Doornaert in Reyers Laat, doen machtige mannen bij vrouwen meteen het beeld van de prins op het witte paard voor ogen komen en, onschuldige deernes als ze zijn, vallen ze als een blok voor status, prestige en charisma.

Wat zegt de wetenschap?

Het zal u wellicht niet verrassen dat wetenschappers zich ook al een paar keer verbrand hebben aan deze vragen. Psychologisch onderzoek lijkt vooral de derde mogelijkheid te ondersteunen. Mensen, man of vrouw, die macht verwerven worden onrealistisch optimistisch over mogelijke seksuele interesse van toekomstige partners. Het zelfvertrouwen krijgt een zodanige boost dat men zich voelt alsof iedereen interesse heeft en vandaar gaat men ook veel meer initatief nemen want men is tamelijk zeker van zijn zaak. Vandaar komen politici, bedrijfsleiders,… vaker in een situatie als Hollande terecht. Men vindt zichzelf veel knapper en wordt iets dominanter. Ze zoeken meer toenadering, maken meer oogcontact.  ‘Dronken zijn van macht’ is meer dan een mooie metafoor, de effecten van een alcoholintoxicatie zijn heel gelijkaardig.

Mensen die macht verwerven, leggen strikte morele regels op aan anderen, maar hebben geen problemen om die regels zelf te overtreden. Mensen die macht verwerven, geven zelf aan meer ontrouw te zijn en ook meer plannen te hebben om hun partner te bedriegen.

Conclusie: Russische roulette

Kortom, macht erotiseert. Maar op een heel andere manier dan we denken.

Het zijn niet de toekomstige bedpartners die zwijmelen bij het zien van zoveel macht en status. Nee, het zijn de machthebbers zelf die zich bewust worden van hun status en er zich naar gedragen, initieel vaak met succes.

Het welslagen van hun escapades geeft hen steeds meer zelfvertrouwen, maakt hen schijnbaar onaantastbaar en steeds roekelozer. Maar, zoals DSK ondervond in zijn peperdure hotelsuite, er zit altijd één kogel in de revolver bij Russische roulette.

Referenties

  • Anderson, C. & Galinksy, A. D. (2006). Power, optimism, and risk taking. European Journal of Social Psychology, 36 (4), p 511-536.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Intelligentie: je kan er (eigenlijk) niet naast kijken.

Микрозайм с 18 лет на карту niet iedereen kan alles. De Engelsen hebben er een mooie zin voor. ‘There’s an elephant in the room’. Die stommelt ongemakkelijk rond en duwt alles omver. Hij heeft plaats tekort, stinkt en trompettert luid. Iedereen ziet het. Maar toch durft niemand te zeggen dat er een olifant in de kamer zit. Omdat het een beetje een taboe is. En omdat we wel weten dat de olifant ook niet zal verdwijnen.

Het begon met de vaststelling dat de knelpuntberoepen van vandaag bijna exact dezelfde zijn als 20 jaar geleden. ‘Onthutsend’, noemde een analist dat. Een ander onderzoek toonde tegelijkertijd aan dat drie van de tien aantrekkelijkste beroepen knelpuntenberoepen zijn. U kent ze ondertussen wel: ingenieurs, architecten, informatici. Diezelfde analist kijkt vervolgens héél strak nààst de olifant en besluit dat er geen logische argumenten zijn waarom schitterend verloonde beroepen als ingenieurs en informatici niet populair zijn. Waarom vertikken jongeren het om die studie te volgen?’

Laten we de olifant maar eens bij naam noemen. Intelligentie, heet hij. Als u aan een universiteit voor ingenieur, informatica of architectuur studeert, kan u maar beter over een stevige intellectuele motor beschikken. Met het risico me cijferfetisjisten op de nek te halen, dit betekent grofweg een IQ ergens rond 125. De cognitieve moeilijkheidsgraad van dergelijke studies is nu eenmaal niet van de poes.

Intelligentie is bepalend

Als je kijkt naar de totale bevolking, heeft slechts 5 procent van de mensen deze intellectuele capaciteiten. En dus moeten we voor die beroepen uit een heel kleine vijver vissen. Want het is natuurlijk bijlange niet zo dat die 5 procent ook allemaal interesse of motivatie hebben om die studies tot een goed einde te brengen.

Jongeren vertikken het dus niet om die studie te volgen; het is voor de overgrote meerderheid gewoon geen optie. Initiatieven, zoals ‘Ingenieur van het Jaar’, die middelbare studenten warm willen maken voor het mooie knelpuntberoep van ingenieur, hebben dan eigenlijk ook niet zo héél veel zin.

Maar mensen horen niet graag dat intelligentie zo bepalend is. Intelligentie is immers grotendeels aangeboren. Het doet afbreuk aan ons rechtvaardigheidsgevoel dat niet iedereen in onze maatschappij met dezelfde kansen aan de start komt. We geloven liever dat iedereen alles kan bereiken.

Professioneel succes

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat intelligentie één van de belangrijkste ingrediënten is van professioneel succes. Hoewel het vaak op weerstand stuit, is dit ook de reden waarom er bij een sollicitatie een IQtest onder je neus kan geschoven worden. Het resultaat daarvan zegt je al dan niet toekomstige werkgever immers met de meeste zekerheid hoe je het later zal doen in je job. Andere vaardigheden zijn natuurlijk ook belangrijk. Maar misschien zijn die vaardigheden net iets minder schaars verdeeld dan intelligentie. Economisch gezien levert schaarste waarde op. Deze beroepen zullen dus altijd wel aantrekkelijk, maar ook een knelpunt blijven. Misschien heeft het daarom weinig zin om voortdurend al te nadrukkelijk op de olifant te wijzen.

Referenties

  • Ree, M., J. & Earles, J., A. (1992). Intelligence is the best predictor of job performance. Clinical Psychological Science, 1(3), 86-93.
  • Hunter, J., E. (1986). Cognitive abilities, cognitive aptitudes, job knowledge, and job performance. Journal of Vocational Behaviour, 29(3), 340-362.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Tijd tekort? Geef er wat weg!

Druk, druk, druk…

We worden alsmaar ouder, we hebben toegang tot technologie die ons leven eenvoudiger en efficiënter maakt… en toch hebben we vaak het gevoel tijd tekort te komen. Hoe vaak beantwoord u zelf de vraag “hoe ist?” met een bijna automatische “druk, druk, druk”. We hebben het gevoel constant onder tijdsdruk te staan.

Die tijdsdruk is ook niet zo onschuldig als we misschien geneigd zijn te denken. Er is een hoop onderzoek naar verricht en hoewel een beetje druk op de ketel kan helpen, heeft een zwaardere tijdsdruk negatieve effecten op onze prestaties, creativiteit, rationele besluitvorming, algemene tevredenheid en sociaal gedrag. Eén van de zaken die leidt onder tijdsdruk is de neiging om onze medemens te helpen.

Bijvoorbeeld, in een experiment lieten onderzoekers priesterstudenten een spreekbeurt voorbereiden over de parabel van de barmhartige Samaritaan. De studenten moesten hun spreekbeurt gaan geven in een nabijgelegen gebouwtje en bij sommigen werden de omstandigheden zo gemanipuleerd dat ze zich moesten haasten om op tijd te komen. Wanneer de deelnemers dan werden geconfronteerd met een vreemdeling (een acteur) die hulp nodig had, lieten ze die vaker links liggen dan mensen die voldoende tijd hadden. Als u zich herinnert waarover de parabel van de barmhartige Samaritaan ook weer ging, weet u ook dat “ironie” wel in psychologen hun woordenboek staat.

Tegen-intuïtieve oplossingen

Recent onderzoek van Amerikaanse onderzoekers van Wharton, Yale en Harvard onderzocht hoe we onze percepties van tijdsdruk kunnen verminderen op enkele tegen-intuïtieve manieren. Centraal is het idee dat elk gedrag gevoelens van effectiviteit stimuleert, er ook voor zorgt dat we het gevoel hebben genoeg tijd te hebben. Je ziet je meester over je taken dus er is tijd genoeg.

In een eerste experiment werd nagekeken of tijd verkwanselen of tijd geven aan anderen een effect had op tijdpercepties. In de studie werd aan deelnemers gevraagd om een paar minuten te nemen om ofwel een briefje te schrijven naar een ziek kind ofwel gedurende dezelfde tijd de e’s te omcirkelen in een nonsens tekst. Mensen die het briefje hadden geschreven rapporteerden vervolgens vaker dat tijd geen probleem was in hun leven.

In een volgend onderzoek gingen de onderzoekers de effecten onderzoeken van tijd geven aan jezelf vs. tijd geven aan anderen. Deelnemers kregen op zaterdagochtend de instructie om tijd te besteden (iets dat nog niet gepland was). Ofwel aan zichzelf ofwel aan vrienden. Alweer toonden de resultaten dat mensen die tijd aan anderen hadden besteed meer het gevoel hadden dat ze minder tijdstekort ervaren in hun leven.

Tenslotte, werd het effect van tijd geven aan anderen vergeleken met extra tijd krijgen. Daarom werden aan deelnemers aan een experiment in twee groepen verdeeld: de ene groep kreeg te horen dat ze onverwacht sneller klaar waren en konden vertrekken, de andere werd gevraagd om een student van een lokale middelbare school te helpen door zijn opstel na te lezen en te verbeteren. Voor de deelnemers echt konden vertrekken werd hen nog gevraagd hoeveel tijd ze graag zouden investeren in (betaald) online onderzoek in de komende week. Deelnemers die de opstellen hadden verbeterd gaven niet enkel aan dat ze meer tijd zouden besteden aan onderzoek in de komende week, later bleek dat ze ook effectief meer tijd over hadden voor onderzoek.

Een warme kerstboodschap

Deze studies tonen aan dat loont om tijd te geven. Niet alleen worden we er gelukkiger van en voelen we ons meer verbonden met anderen, we krijgen ook het gevoel dat we onze eigen taken beter aankunnen. Hierdoor leidt tijd geven tot het gevoel meer tijd te hebben. Tenminste, zolang u er niet mee overdrijft. Wanneer u zoveel tijd aan andere geeft dat u niet meer toekomt aan uw eigen leven, zullen de positieve effecten volledig omdraaien.  Alles met mate dus!

Wanneer kort voor de vakantie de deadlines u dreigen in te halen en u door de druk er niet meer in slaagt om ook maar iets gedaan te krijgen… Misschien is het dan toch nog een goede investering om tijd te maken om een collega te helpen, een vriend een plezier te doen of een glühwein te gaan drinken voor het goede doel. U krijgt meer terug dan vriendschap en gezelligheid.

Referenties

  • Mogilner, C., Chance, Z., & Norton, M. I. 2012. Giving time gives you time. Psychological Science, 23(10): 1233-1238.

Auteur

Bart Verwaeren (@BaVerwa) is bedrijfspsycholoog en doctoreert aan de UGent en Vlerick Business School, gefinancierd door het Interuniversitair Centrum voor Managementonderzoek. Zijn onderzoeksinteressen zijn de gedragsmatige effecten van rewards systemen, meer specifiek m.b.t. creativiteit en innovatie.

 

Dominante hersenhelft: de mythe doorprikt.

“Weten welke hersenhelft dominant is, kan wonderen doen voor je studies en/of je carrière”, beweerde hln.be recent. Want net zoals het gaat bij schrijven of voetballen, heb je bij het oplossen van problemen een voorkeur voor links of rechts. Klinkt logisch, toch?

Links versus rechts

Wie liefst elk probleem nauwgezet analyseert, zich graag verliest in de details, en daarbij telkens de ratio boven alles stelt, laat zich vooral leiden door de linkerhersenhelft. Wie daarentegen vooral vertrouwt op het buikgevoel en een creatieve oplossing verkiest, rekent vooral op de rechterzijde van het brein. Een eenvoudige tweedeling dringt zich op: de pragmatische analyticus versus de creatieve chaoot.

En het wordt nog mooier: aan de hand van een korte test vis je eenvoudigweg uit welk hersendeel bij jou de lakens uitdeelt. Zo weet je meteen welke studierichting of job jou best ligt. Want wat heb je te zoeken in de wiskunde, als de rechterhersenhelft bij jou de wet dicteert? En waarom zou je solliciteren voor een creatieve job, als de test de linkerkant van jouw brein als dominant bestempelt?

Niks dominant

Vooraleer je knopen doorhakt op basis van je testresultaat, kan het geen kwaad om de wetenschappelijke evidentie voor deze tweesplitsing onder de loep te nemen. Want wat blijkt? Neurowetenschappers vonden tot nog toe geen enkel bewijs voor een verband tussen persoonlijkheid en hersenhelftdominantie. Nochtans werden de grote middelen niet geschuwd: professor neuroradiologie Jeffrey Anderson en zijn team verbonden aan de Universiteit van Utah analyseerden breindata van maar liefst 1011 personen. Het meest opvallende resultaat van deze studie? Er was geen spoor te vinden van een meer en minder actieve hersenhelft; alle deelnemers gebruikten hun linker- en rechterbrein in gelijke mate.

Waar komt dit simplistische links-rechts-verhaaltje dan vandaan? Enerzijds zit het hokjesdenken ingebakken in de menselijke natuur. Anderzijds zijn sommige typisch menselijke functies inderdaad sterker geassocieerd met één bepaalde hersenhelft. Zo verwerken we taal vooral links, en sturen we onze aandacht grotendeels met de rechterhelft van ons brein.

Links én rechts

Los van de vraag of de ene hersenhelft de andere domineert, doet ook de opsplitsing in een creatieve rechter- en een analytische linkerhersenhelft de enorme complexiteit van ons brein oneer aan. Zo toonde een onderzoeksgroep van de Universiteit van Zuid-Californië onlangs aan dat we bij het zoeken naar creatieve oplossingen ook hard beroep doen op het linkerdeel van ons brein. En al in 1999 demonstreerden onderzoekers dat we wiskundige problemen vlotter oplossen wanneer beide hersenhelften samenwerken.

Het idee om persoonlijkheidstypes aan de twee hersenhelften te verbinden, is dus niet veel meer dan een hol marketingspraatje. Zelfhulphandboeken worden ermee volgeschreven, en de bedrijfswereld springt gretig mee op de kar: stimuleer het rechterdeel van je brein, en word creatiever! Ook op het internet schieten testjes gebaseerd op deze valse theorie blijkbaar als paddenstoelen uit de grond. Deze testen laten gelukkig meestal ook een derde uitkomst toe: ‘je gebruikt beide hersenhelften in gelijke mate’. Proficiat, heren testontwerpers, want dat is meteen ook de enige juiste uitkomst.

Auteur

Wout Duthoo is postdoctoraal onderzoeker aan de vakgroep Experimentele Psychologie van de UGent. Hij onderzoekt hoe mensen optimaal hun aandacht weten te verdelen en sturen. Daarnaast probeert hij aan de hand van de EEG-methode de onderliggende hersenmechanismen beter te begrijpen. Ten slotte is hij ook geïnteresseerd in (afwijkende) aandachtsprocessen in neurologische patiënten

 

Kerstcadeaus kopen: kiezen uit de lijst, zelf iets bedenken, of toch maar geld geven?

Twee weken geleden kreeg ik hem weer, de jaarlijkse e-mail waarin mijn zus haar lijstje (zeg maar lijst) voorstelt met allerhande cadeautips voor kerstmis en Nieuwjaar. Telkens ik die e-mail krijg, is mijn eerste reactie: een cadeau kopen uit een lijst is toch veel te gemakkelijk. Ik ga liever creatief aan de slag om zélf iets te vinden dat ik kan geven aan mijn zus. Wanneer ik moeite doe om zelf een cadeau te bedenken, dan zal mijn zus daar ongetwijfeld minstens even blij van worden dan van een cadeau uit een lijst. Ja, toch?

Onderzoek naar cadeaus

Recent wetenschappelijk onderzoek toont aan dat ik blijkbaar niet de enige ben die zo denkt.

Gevers denken vaak dat de ontvanger even blij zal zijn met een cadeau dat de gever zelf bedacht heeft dan met een cadeau waar de ontvanger expliciet om vroeg.

Ontvangers daarentegen zijn meer tevreden met een cadeau waar ze zelf om vroegen dan met een alternatief cadeau dat de gevers bedacht hebben. Het perspectief van de gevers verschilt dus van het perspectief van de ontvangers. En neen, er werden geen verschillen gevonden of het nu om trouwcadeaus, verjaardagscadeaus of verlanglijstjes ging.

Met geld blijkt men altijd content

Ook als het over geld als cadeau gaat, blijken gevers en ontvangers verschillende overtuigingen te hebben. Gevers zijn er vaak van overtuigd dat ontvangers niet even blij zullen zijn met geld als met een cadeau waar ontvangers expliciet om vroegen. Gevers zien geld immers vaak als iets onpersoonlijks, en geld laat volgens de gevers uitschijnen alsof ze geen moeite willen doen voor de ontvanger. Wat echter blijkt uit onderzoek is dat ontvangers geld meer appreciëren dan dat gevers denken. Meer nog, ontvangers appreciëren geld doorgaans zelfs meer dan een cadeau waar ze zelf om vroegen!

Advies aan mijn zus

Onderzoek toont verder aan dat wanneer ontvangers slechts één cadeautip geven, gevers meer bereid zijn om het gewenste cadeau te kopen dan wanneer ontvangers een lijst met cadeautips te verwerken krijgen. Het verschil in overtuigingen tussen de gevers en de ontvangers wordt hierdoor dus verminderd. Conclusie: zus, volgend jaar bezorgd je me dus beter maar één cadeautip.

Tot slot: die Amerikanen toch

Uit een recente peiling blijkt dat 40 tot 50% van de Amerikanen verwacht om minstens één cadeau te moeten teruggeven na de feestdagen. Hopelijk loopt het bij ons zo’n vaart niet, en kan Mensenkennis.be via deze blogpost bijdragen tot een goede keuze van pakjes onder de kerstboom.

Referentie

  • Gino, F. & Flynn, F. (2011). Give them what they want: The benefits of explicitness in gift exchange. Journal of Experimental Social Psychology, 47, 915-922.

Auteur: Michiel Crommelinck

Michiel Crommelinck behaalde zijn doctoraat in de bedrijfspsychologie in 2013 aan de Universiteit Gent. Hij werkt nu voor Securex met als doel interne innovatie en ondernemerschap te stimuleren en te begeleiden.