Browse Author: Frederik Anseel

Onbereikbaarheid is een recht, geen plicht.

Net nu Het Nieuwe Werken ook in België aan momentum wint, willen een aantal bedrijven het emailverkeer van hun medewerkers na de normale werkuren begrenzen. Dankzij onze laptops en smartphones kunnen we immers altijd en overal werken. Sommige mensen doen dat ook, altijd en overal. Bedrijfsleiders vrezen dat een aantal medewerkers hierdoor een risico loopt om zichzelf op te branden en daarom tegen zichzelf moet beschermd worden. Hun analyse is correct, de oplossing is verkeerd.

Ja, natuurlijk is onze manier van werken veranderd de afgelopen jaren. Dat heeft ontzettend veel voordelen. We kunnen heel snel met elkaar communiceren, hebben een wereld van informatie in onze handpalm  en zijn onmiddellijk op de hoogte van nieuws. ‘Working nine to five’ is definitief een oldie geworden. Steeds meer bedrijven zien in dat het geen zin heeft om mensen te verplichten om van negen tot vijf op kantoor aanwezig te zijn. Het aantal gewerkte uren is immers geen goede indicator van productiviteit. Het gaat om de efficiëntie die je nastreeft en de resultaten die je behaalt in de uren die je werkt. En dus kan werken ook thuis, buiten de uren, ’s avonds of in het weekend.

Die evolutie heeft ook nadelen. Wanneer bedrijven meer vrijheid en flexibiliteit geven, gaan medewerkers harder werken, soms meer dan goed voor hen is. Dat kan leiden tot uitputting. Mensen hebben rust nodig om te kunnen recupereren. Verschillende  studies tonen aan dat, indien mensen ’s avonds onvoldoende rust vinden, ze de volgende dag minder productief zijn en meer stress ervaren. Maar hoe meer stress mensen ervaren, hoe meer onafgebroken recuperatietijd ze net nodig hebben. Bij heel erg stresserende beroepen is een vrij te kiezen baaldag zelfs aangewezen om recuperatie te garanderen. Voortdurend online zijn vraagt aandacht en energie, en onze energiebronnen zijn helaas niet onuitputtelijk.

Moeten we daarom mensen verbieden ’s avonds nog mails te beantwoorden? Natuurlijk niet. Het is een ontzettend paternalistische reflex die ons terug katapulteert naar het begin van de vorige eeuw: de ‘patron’ van het bedrijf weet het beter en zal eens zeggen wat best is voor ‘zijn mensen’. Regeltjes opleggen die bepalen waar en wanneer mensen moeten werken, is een krampachtige poging om door middel van oude recepten opnieuw greep te krijgen op een veranderende wereld. Ondertussen weten we echter beter. 50 jaar psychologisch onderzoek toont net aan dat mensen best werken wanneer ze autonomie ervaren en zelf kunnen bepalen hoe ze werken. Voor sommige is dat inderdaad op kantoor van 9 to 5, voor anderen is dat op onregelmatige uren, thuis of op verplaatsing. Geef hen die vrijheid. Bedrijven moeten niet opleggen hoe mensen hun leven inrichten, ze moeten hen net helpen om op een gezonde manier om te gaan met het werkritme. Onbereikbaarheid is een recht, geen plicht.

Het voortdurend checken en beantwoorden van mails kan inderdaad verslavend werken. Een *ping*  nieuw mailtje in je mailbox stimuleert dezelfde genotscentra in de hersenen als bij een gokker die  nogmaals aan de hendel van de gokautomaat trekt. Het is een krachtig verslavingsmechanisme waar de één al vatbaarder voor is dan de andere. We weten bijvoorbeeld dat het niet erg gezond is om elke avond met een zak chips en een fles cola in de zetel te kruipen. Sommige mensen hebben meer moeite om van de cola en de chips te blijven. Daarom gaan we cola en chips echter niet voor iedereen verbieden. Wel proberen we mensen gezond te leren eten en hen inzicht te geven in hun voedingsgewoontes. Zo moeten we ook denken over constant bereikbaar en online zijn. Je kan mensen inzicht laten krijgen in hun eigen werkpatronen en hoe gezond of ongezond die zijn. Je kan mensen leren dat ze recht hebben op onbereikbaar zijn. Je kan mensen laten ervaren dat ze productiever zijn als ze soms in alle rust een stapje terug zetten om te reflecteren over hun werk. Reculer pour mieux sauter. Mentale werkhygiëne zou je dat kunnen noemen. En zij die echt zo moeilijk van de chips in de kast kunnen blijven, kan je leren dat het dan misschien beter is om helemaal geen chips in huis te halen. Dat maakt het eenvoudiger om de verleiding te weerstaan. Jongeren hebben daar verrassend goed inzicht in. Studenten studeren vandaag bijvoorbeeld massaal in bibliotheken of gemeenschappelijk studiezalen. Waarom? Zoals Odysseys zich aan de mast van het schip laat vastbinden om het gezang van de sirenen te weerstaan, kiezen studenten zelf voor sociale controle om aan de lokroep van hun mobieltje te weerstaan. Wie vreest voor zijn mentale werkhygiëne, kan een voorbeeld nemen aan de jonge generatie. Ken jezelf en hou de verleiding onder controle vooraleer die vrijheid je afgenomen wordt door betweterige patrons.

Auteur: Frederik Anseel

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Macht erotiseert, maar heel anders dan we denken.

Man in hoge positie blijkt een minnares te hebben: het is een verhaal dat af en toe eens in het nieuws komt. De laatste toevoeging aan deze lange lijst is François Hollande, maar hij staat zeker in goed gezelschap: Dominique Strauss-Kahn, John F. Kennedy, François Mitterrand, Albert II, John Profumo… Meer dan vroeger krijgen deze verhalen ook veel aandacht in de pers, zeker als de omstandigheden van de sexuele escapades niet even koosjer zijn. Het verhaal van de briljante Franse economist Strauss-Kahn met de dure pakken, mooie wagens en een nogal dwingende voorliefde voor vrouwelijk schoon die op compleet onbegrijpelijke wijze een dienstmeisje aanrandde, intrigeert vriend en vijand. Allen zijn ze de belichaming van een torenhoog cliché: macht erotiseert.

Wat is dat toch met machtige mannen en clandestiene seks?

Er zijn een aantal mogelijkheden. Het zou kunnen dat er helemaal niets speciaals aan de hand is. Dat veel mannen er een bochtig amoureus parcours op na houden. Dat machtige mannen nu eenmaal sneller in de kijker lopen en, jammer voor hen, elke misstap de pers haalt.

Het zou echter ook kunnen dat een overmatige seksuele drive en torenhoge professionele ambities elkaars onafscheidelijke tweelingbroertjes zijn, beiden tot ongekende hoogten opgezweept door een laaiend testosteronniveau.

Of het zou kunnen dat mannen die zich laven aan de bronnen van de macht, er echt dronken van worden. Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar misschien geldt dat niet langer voor deze Masters of the Universe.

Misschien, opperde ook Mia Doornaert in Reyers Laat, doen machtige mannen bij vrouwen meteen het beeld van de prins op het witte paard voor ogen komen en, onschuldige deernes als ze zijn, vallen ze als een blok voor status, prestige en charisma.

Wat zegt de wetenschap?

Het zal u wellicht niet verrassen dat wetenschappers zich ook al een paar keer verbrand hebben aan deze vragen. Psychologisch onderzoek lijkt vooral de derde mogelijkheid te ondersteunen. Mensen, man of vrouw, die macht verwerven worden onrealistisch optimistisch over mogelijke seksuele interesse van toekomstige partners. Het zelfvertrouwen krijgt een zodanige boost dat men zich voelt alsof iedereen interesse heeft en vandaar gaat men ook veel meer initatief nemen want men is tamelijk zeker van zijn zaak. Vandaar komen politici, bedrijfsleiders,… vaker in een situatie als Hollande terecht. Men vindt zichzelf veel knapper en wordt iets dominanter. Ze zoeken meer toenadering, maken meer oogcontact.  ‘Dronken zijn van macht’ is meer dan een mooie metafoor, de effecten van een alcoholintoxicatie zijn heel gelijkaardig.

Mensen die macht verwerven, leggen strikte morele regels op aan anderen, maar hebben geen problemen om die regels zelf te overtreden. Mensen die macht verwerven, geven zelf aan meer ontrouw te zijn en ook meer plannen te hebben om hun partner te bedriegen.

Conclusie: Russische roulette

Kortom, macht erotiseert. Maar op een heel andere manier dan we denken.

Het zijn niet de toekomstige bedpartners die zwijmelen bij het zien van zoveel macht en status. Nee, het zijn de machthebbers zelf die zich bewust worden van hun status en er zich naar gedragen, initieel vaak met succes.

Het welslagen van hun escapades geeft hen steeds meer zelfvertrouwen, maakt hen schijnbaar onaantastbaar en steeds roekelozer. Maar, zoals DSK ondervond in zijn peperdure hotelsuite, er zit altijd één kogel in de revolver bij Russische roulette.

Referenties

  • Anderson, C. & Galinksy, A. D. (2006). Power, optimism, and risk taking. European Journal of Social Psychology, 36 (4), p 511-536.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Intelligentie: je kan er (eigenlijk) niet naast kijken.

Niet iedereen kan alles. De Engelsen hebben er een mooie zin voor. ‘There’s an elephant in the room’. Die stommelt ongemakkelijk rond en duwt alles omver. Hij heeft plaats tekort, stinkt en trompettert luid. Iedereen ziet het. Maar toch durft niemand te zeggen dat er een olifant in de kamer zit. Omdat het een beetje een taboe is. En omdat we wel weten dat de olifant ook niet zal verdwijnen.

Het begon met de vaststelling dat de knelpuntberoepen van vandaag bijna exact dezelfde zijn als 20 jaar geleden. ‘Onthutsend’, noemde een analist dat. Een ander onderzoek toonde tegelijkertijd aan dat drie van de tien aantrekkelijkste beroepen knelpuntenberoepen zijn. U kent ze ondertussen wel: ingenieurs, architecten, informatici. Diezelfde analist kijkt vervolgens héél strak nààst de olifant en besluit dat er geen logische argumenten zijn waarom schitterend verloonde beroepen als ingenieurs en informatici niet populair zijn. Waarom vertikken jongeren het om die studie te volgen?’

Laten we de olifant maar eens bij naam noemen. Intelligentie, heet hij. Als u aan een universiteit voor ingenieur, informatica of architectuur studeert, kan u maar beter over een stevige intellectuele motor beschikken. Met het risico me cijferfetisjisten op de nek te halen, dit betekent grofweg een IQ ergens rond 125. De cognitieve moeilijkheidsgraad van dergelijke studies is nu eenmaal niet van de poes.

Intelligentie is bepalend

Als je kijkt naar de totale bevolking, heeft slechts 5 procent van de mensen deze intellectuele capaciteiten. En dus moeten we voor die beroepen uit een heel kleine vijver vissen. Want het is natuurlijk bijlange niet zo dat die 5 procent ook allemaal interesse of motivatie hebben om die studies tot een goed einde te brengen.

Jongeren vertikken het dus niet om die studie te volgen; het is voor de overgrote meerderheid gewoon geen optie. Initiatieven, zoals ‘Ingenieur van het Jaar’, die middelbare studenten warm willen maken voor het mooie knelpuntberoep van ingenieur, hebben dan eigenlijk ook niet zo héél veel zin.

Maar mensen horen niet graag dat intelligentie zo bepalend is. Intelligentie is immers grotendeels aangeboren. Het doet afbreuk aan ons rechtvaardigheidsgevoel dat niet iedereen in onze maatschappij met dezelfde kansen aan de start komt. We geloven liever dat iedereen alles kan bereiken.

Professioneel succes

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat intelligentie één van de belangrijkste ingrediënten is van professioneel succes. Hoewel het vaak op weerstand stuit, is dit ook de reden waarom er bij een sollicitatie een IQtest onder je neus kan geschoven worden. Het resultaat daarvan zegt je al dan niet toekomstige werkgever immers met de meeste zekerheid hoe je het later zal doen in je job. Andere vaardigheden zijn natuurlijk ook belangrijk. Maar misschien zijn die vaardigheden net iets minder schaars verdeeld dan intelligentie. Economisch gezien levert schaarste waarde op. Deze beroepen zullen dus altijd wel aantrekkelijk, maar ook een knelpunt blijven. Misschien heeft het daarom weinig zin om voortdurend al te nadrukkelijk op de olifant te wijzen.

Referenties

  • Ree, M., J. & Earles, J., A. (1992). Intelligence is the best predictor of job performance. Clinical Psychological Science, 1(3), 86-93.
  • Hunter, J., E. (1986). Cognitive abilities, cognitive aptitudes, job knowledge, and job performance. Journal of Vocational Behaviour, 29(3), 340-362.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Euromillions spelen is goed voor je: onrealistisch optimisme

Het is bon ton om hoofdschuddend te lachen met de naïeve lottospeler. Telkens opnieuw worden er omstandige kansrekeningen voorgelegd om tot de ontegensprekelijk verwarde geest door te dringen. Nochtans, de meeste mensen weten wel dat de kans groter is dat je op een zonnige dag door een bliksem wordt getroffen maar gedachten als “je weet toch maar nooit!” verleiden ons vaak toch tot meespelen.

Onrealistisch optimisme

Waarom spelen er zoveel mensen hun hele leven mee met de Lotto, goed wetende wat de winstkansen maar zijn? Je zet geld in omdat je de kans groot genoeg acht dat jouw cijfercombinatie zal winnen. Elke andere speler heeft natuurlijk deze zelfde overtuiging. De menselijke geest is uitgerust met een subliem overlevingsmechanisme. Het heet onrealistisch optimisme. De meeste mensen hebben de neiging om te geloven dat ze meer kans hebben om positieve gebeurtenissen mee te maken dan de gemiddelde medemens en minder kans dan anderen dat hen onfortuinlijke zaken zullen overkomen.

Onrealistisch optimisme is wat u elke morgen uit bed haalt. Alle statistieken mogen tegen ons pleiten, toch geloven we dat deze niet op ons van toepassing zullen zijn. Met volle overtuiging beginnen we een eigen restaurant, hoewel startende restauranthouders slechts 33 procent kans hebben om na 5 jaar nog te bestaan. We beloven elkaar oprecht eeuwige trouw voor het altaar, hoewel twee op de drie huwelijken in België eindigen met een scheiding. Aanstaande ouders schatten hun kans op een hoogbegaafd kind veel hoger in dan de kans op een minderbegaafd kind, hoewel een beetje statisticus u natuurlijk vertelt dat die kansen even groot zijn. We geloven dat onze eigen toekomst beter wordt dan het heden. The future’s bright. Voor ons, maar niet voor de anderen.

Mentale gezondheid

Onrealistisch optimisme is een teken van een goede mentale gezondheid. Mochten we die positieve illusie kwijt spelen, is de kans groot dat we depressief worden. Een realistische inschatting van alle gevaren en ongevallen die ons kunnen overkomen, zou beangstigend en verlammend werken. Meestal zijn de optimisten gevonden onder mensen die gek zijn van casino en andere gokken.

Onderzoek toont zelfs aan dat mensen met een lichte depressie veel realistischere kansberekeningen maken van potentiële bedreigingen in hun leven. Niet gezond, dat realisme. Mensen met HIV die hun eigen kansen op overleven hoger inschatten dan andere patiënten, bleken in één studie effectief gemiddeld 9 maanden langer te leven.

Vermijden van spijt

Een andere incentive die u geld doet inzetten – naast de miljoenen die u graag op de bankrekening zou zien staan – is dat u spijt wil vermijden. U wil het namelijk niet geweten hebben dat uw vaste cijfers net getrokken worden in de week dat u niet meespeelt. In Nederland maakt de Postcodeloterij hier handig gebruik van. In de pot zitten alle postcodes van Nederland, onafhankelijk van het feit of de eigenaar meespeelt of niet. Meespelen wil zeggen dat je recht hebt op je geld wanneer je postcode als winnende uit de bus komt. Jij (en ook je omgeving) weten dus perfect wanneer je het groot lot hebt gewonnen, stel je voor dat je dan moet zeggen dat je niet mee hebt gespeeld. Niet verrassend is het dit soort feedback die ervoor zorgt dat meer mensen geneigd zijn mee te spelen met de Postcodeloterij dan met de Nederlandse Nationale Loterij, die met het systeem van zelfgekozen cijfercombinaties werkt zoals we hier in België kennen.

Conclusie

Koester dus uw positiviteit en speel op de lotto. Er moet toch altijd iemand winnen, nee?

Referenties

  • Gilovich, T., Griffin, D. & Kahneman, D. (2002). Heuristics and biases:  The psychology of intuitive judgment, 334-347.
  • Zeelenberg, M. & Pieters, R. (2004). Consequences of regret aversion in real life: the case of the Dutch postcode lottery. Organizational behavior and Human Decision Processes, 93, 155-168.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be