Seksisme in het brein.

Waarom de hersenen van mannen en vrouwen niet zo verschillend zijn als de wetenschap ons doet geloven.

‘Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus’, luidt het cliché. Ze denken en handelen soms zo anders, dat ze wel van een andere planeet lijken te komen. Een groep wetenschappers verbonden aan de Universiteit van Pennsylvania kwam recent met een mogelijke verklaring op de proppen. In een grootschalig onderzoek lieten ze zien dat mannen en vrouwen een compleet ander patroon van hersenverbindingen vertonen. De onderzoekers publiceerden deze bevindingen in het toonaangevende vaktijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. Het onderzoek werd door de media gretig opgepikt als ultieme bewijs voor enkele hardnekkige stereotypen: laat mannen vooral de kaart, en vrouwen eerder hun buikgevoel volgen. Kan men op basis van breinplaatjes wel dergelijke conclusies trekken? In dit artikel worden enkele bedenkingen op een rijtje gezet.

Mooie plaatjes

Diffusion tensor imaging (DTI) is een geavanceerde MRI-techniek die de structuur van zenuwbanen ontrafelt op basis van de beweging van watermoleculen in het brein. Het eindresultaat is een soort wegenkaart van hersenverbindingen, verpakt in fascinerende, kleurrijke plaatjes. Die plaatjes spreken overigens zo tot de verbeelding, dat ze zelfs op de albumcover van de populairste rockband van het moment prijken. Voor wetenschappers vormt DTI dan weer een rijke bron aan informatie: de techniek laat zien op welke manier hersendelen verbonden zijn en met elkaar kunnen communiceren.

In een recente studie (hier te vinden)  werd deze techniek op zeer grote schaal toegepast: maar liefst 949 vrijwilligers tussen 8 en 22 jaar, onder wie 521 vrouwen, lieten hun hersenen scannen. Toen de onderzoekers de hersenkaarten van mannen en vrouwen vergeleken, stelden ze enkele opmerkelijke verschillen vast. Bij mannen bleken er meer verbindingen binnen de hersenhelften te lopen dan bij vrouwen, terwijl bij vrouwen meer verbindingen tussen de beide hersenhelften liepen dan bij mannen. Voor het cerebellum, ook wel de kleine hersenen genoemd, bleek het plaatje dan weer gespiegeld: mannen hadden daar meer verbindingen lopen tussen de hersenhelften. Deze kleine hersenen sturen en coördineren bewegingen en spelen een belangrijke rol bij het aanleren van nieuwe motorische vaardigheden. Door de grote steekproef vrijwilligers in leeftijdscategorieën op te delen, konden de onderzoekers ten slotte ook aantonen dat deze verschillen rond de leeftijd van 13 jaar tot uiting komen.

Hersenverbindingen bij mannen (boven) en vrouwen (onder). (Ragini Verma, PNAS)

De onderzoekers lezen in deze structurele verschillen de verklaring waarom vrouwen uitblinken in bepaalde taken, terwijl mannen dan weer excelleren in andere taken. Een mannelijk brein vergemakkelijkt de coördinatie van bewegingen en vergroot de ruimtelijke vaardigheden, terwijl een vrouwelijk brein een beter evenwicht vindt tussen intuïtie en logisch denken. Volgens de auteurs sluiten hun bevindingen aldus opvallend goed aan bij enkele stereotiepe geslachtsverschillen: mannen kloppen vrouwen in kaartlezen en parkeren vlotter de auto, terwijl vrouwen dan weer schitteren in emotionele intelligentie, en gesprekken en gezichten beter zullen onthouden. Bovendien suggereren de onderzoekers dat deze verschillen verankerd liggen in het DNA, en dus niet aangeleerd zijn.

Enkele kanttekeningen

Het lijkt er evenwel op dat de onderzoekers, en in hun zog ook de populaire media, de bewijskracht en implicaties van deze resultaten sterk hebben overdreven. Ten eerste dreigt men de werkelijke grootte van de gevonden verschillen wat uit het oog te verliezen. De auteurs schermen met significante resultaten, maar laten na om ook effect sizes, een statistische maat voor de sterkte van het verschil, te rapporteren. Andere alerte onderzoekers voerden deze berekeningen wel uit. Die laten toe om de bevindingen meer in perspectief te plaatsen: indien louter op basis van de gemeten hersenverbindingen het geslacht zou worden voorspeld, ligt het percentage correcte classificaties maar net boven kansniveau (56%). De verschillen in hersenbedrading tussen de geslachten lijken aldus niet zo sterk uitgesproken te zijn. Het is dan ook geweten dat hoe groter de steekproef wordt, hoe sterker de kans toeneemt om een statistisch significant verschil te observeren. Dit wordt extra in de verf gezet door het uitblijven van geslachtsverschillen in een erg gelijkaardige studie, waarin ‘slechts’ 439 proefpersonen werden gescand.

Ten tweede hielden de onderzoekers in hun analyses geen rekening met de verschillen in hersenvolume, die mogelijk de gevonden resultaten kunnen helpen verklaren. De hersenen van een man zijn namelijk gemiddeld iets groter dan die van een vrouw. Om fysische redenen, die niet direct met sekseverschillen te maken hebben, moeten zenuwbanen in kleine en grote hersenen andere verbindingsroutes kiezen. In grote hersenen dienen immers grotere afstanden te worden afgelegd, waardoor het brein op zoek gaat naar een minder energieverslindende oplossing. De onderzoekers hadden voor deze alternatieve verklaring kunnen controleren door hersenvolume mee in de statistische berekeningen op te nemen.

Een derde kanttekening kan geplaatst worden bij de uitspraak van de auteurs dat de gevonden hersenverschillen hardwired zijn, en dus van bij de geboorte in het brein verankerd liggen. Intussen is echter algemeen bekend dat de hersenen een leven lang blijven evolueren en dat hersenverbindingen zich voortdurend aan externe invloeden aanpassen. Zo werd bijvoorbeeld gevonden dat het brein van muzikanten er compleet anders uitziet dan dat van niet-muzikanten. Opvoeding, hobby’s, en studiekeuze zijn maar enkele voorbeelden van invloeden die voor mannen en vrouwen duidelijk sterk uiteenlopen. Deze belangrijke contextuele factoren worden door de onderzoekers echter volledig over het hoofd gezien.

Ten slotte kan men zich vooral vragen stellen over de link die de auteurs leggen tussen de verschillen op hersenniveau enerzijds, en enkele stereotiepe geslachtsverschillen in denken en handelen anderzijds. De auteurs verwijzen naar een nog grootser opgezette gedragsstudie, waarin de scores van 3500 mannen en vrouwen op vlak van werkgeheugen, aandacht, en sociale cognitie werden vergeleken. Kritiek op dit onderzoek bleef evenmin uit: opnieuw bleken effect sizes van de gevonden verschillen in het algemeen triviaal klein. Ook wat persoonlijkheid betreft, valt het met geslachtsverschillen trouwens allemaal nog best mee. Begin dit jaar publiceerde een andere groep wetenschappers een onderzoek waarin meer dan 13000 personen op 120 karaktereigenschappen werden getest. De conclusie van de onderzoekers was duidelijk: de gelijkenissen tussen mannen en vrouwen zijn veel meer uitgesproken dan hun verschillen.

Conclusie

Op technisch vlak is deze studie, waarin de bedrading van mannelijke en vrouwelijke hersenen erg mooi in kaart werd gebracht, zeker een hoogstandje. De manier waarop de onderzoekers, en later ook de media, de resultaten ervan misbruikt hebben ter ondersteuning van voorbijgestreefde geslachtsstereotypen, is daarentegen van een veel bedenkelijker niveau. Voorlopig kan nog veilig besloten worden dat mannen gewoon van Aarde komen, en vrouwen ook.

Auteurs

Wout Duthoo is postdoctoraal onderzoeker aan de vakgroep Experimentele Psychologie van de UGent. Hij onderzoekt hoe mensen optimaal hun aandacht weten te verdelen en sturen. Daarnaast probeert hij aan de hand van de EEG-methode de onderliggende hersenmechanismen beter te begrijpen. Ten slotte is hij ook geïnteresseerd in (afwijkende) aandachtsprocessen in neurologische patiënten.

Jelle Demanet is postdoctoraal onderzoeker aan de vakgroep Experimentele Psychologie van de Ugent en is gefascineerd door alles wat met de hersenonderzoek te maken heeft. Door middel van fMRI tracht hij de hersenmechanismen verantwoordelijk voor intentionele en cognitieve controle in kaart te brengen. Op twitter kan je hem volgen als @jeldeman.

 

The Cheerleader Effect: waarom mensen mooier zijn in groep.

Bij de How I Met Your Mother kijkers zal de titel van deze blogpost misschien al een belletje doen rinkelen. Barney legt namelijk hoogstpersoonlijk uit waar The Cheerleader Effect over gaat: vrouwen in groep lijken aantrekkelijk, maar de kans is groot dat ze individueel niet veel soeps zijn. In de jaren ’90 is dit effect ook al omschreven als “The Spice Girls Conspiracy”. Het lijkt erop dat de wetenschap recent bevestigd heeft dat dit fenomeen inderdaad bestaat, zowel voor mannen als vrouwen die zich in een groep van hetzelfde geslacht bevinden.

Een gemiddeld gezicht

Het is namelijk zo dat onze mindere kantjes ‘uitgemiddeld’ worden als we in een groep bekeken worden. Kleine onvolmaaktheden, imperfecties of asymmetrieën worden gecombineerd met die van de andere groepsleden en zo eindigen we met een gebalanceerd groepsgemiddelde. Is dit ‘gemiddelde groepsgezicht’ dan een Mila Kunis of Scarlett Johansson? Absoluut niet, maar het zit in de menselijke natuur om symmetrie mooi te vinden en daarom zal een uitbalancering van verschillende gezichten ons bijna altijd meer aanstaan.

Daarenboven ziet ons visueel systeem zaken graag als een geheel. Dit is bijvoorbeeld ook waarom we zo snel gezichten zien in een willekeurige opstelling. Ook een groep mensen is voor je hersenen een geheel, en dus straalt een naar ons aanvoelen mooier groepsgezicht af op de individuele leden (in de plaats van ermee te contrasteren, wat ervoor zou zorgen dat we net lelijker zijn in groep).

Dit effect hangt niet af van de hoeveelheid gezichten in de groep en werkt al vanaf kleine aantallen. In het experiment maakte het niet uit of de groepsfoto een collage was van pasfoto’s (zoals hieronder) of dat de individuele foto uit de groepsfoto werd geknipt – louter het toevoegen van gezichten is dus voldoende, je hoeft er niet mee in een betekenisvolle positie te staan. Het is ook zeker geen pleidooi om je enkel te omringen met mooie mensen. Als je actief wil profiteren van dit effect, is de beste strategie vrienden te zoeken wiens gezichtskenmerken, positief en negatief, dejouwe complimenteren.

Groepen zijn goed voor je

Er is natuurlijk een belangrijke mogelijke alternatieve verklaring voor deze bevindingen: misschien zien we er wel beter uit in groep omdat we ons onder vrienden waarschijnlijker gelukkiger voelen en meer plezier maken dan op momenten waarbij we in isolement ‘gekeurd’ worden. Maar laat de waarschijnlijkheid van een Cheerleader Effect dan een extra stimulans betekenen om wat meer onder de mensen te zijn.

Referentie

  • Walker, D, & Vul, E. (2013). Hierarchical Encoding Makes Individuals in a Group Seem More Attractive. Psychological Science, 1-6.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemerschap aan de Vlerick Business School. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

 

 

 

Depressie en emotionele herinneringen: Het is maar hoe je het bekijkt.

Aandacht, interpretatie en geheugen vormen bouwstenen van de menselijke denk- en gevoelswereld. Afhankelijk van welke aspecten we uit de omgeving opmerken, welke betekenissen we hieraan geven en wat we ons vervolgens herinneren, ervaren we verschillende gedachten en andere emoties. Stel je voor, je bevindt je in een sollicitatiegesprek voor een felbegeerde baan. Terwijl je op vragen van de jury antwoordt, merk je dat het ene jurylid glimlacht en knikkend luistert en een ander jurylid fronsend naar achteren leunt met gekruiste armen. Afhankelijk van waar je aandacht naartoe wordt getrokken zal je andere betekenissen of interpretaties als aannemelijk beschouwen. Indien aandacht zich selectief richt op het glimlachende jurylid zullen interpretaties als “ik maak een goede indruk en heb kans op de baan” waarschijnlijk zijn, terwijl interpretaties als “ik maak er helemaal niets van en kan het wel vergeten” eerder geloofwaardig zullen zijn wanneer aandacht zich selectief richt op het fronsende jurylid. De ervaren emoties zullen in beide gevallen zeer verschillend zijn. Alsook hoe de ervaring van het sollicitatiegesprek in het geheugen zal worden opgeslagen en later herinnerd zal worden als een positieve dan wel een negatieve gebeurtenis. Dit eenvoudig voorbeeld illustreert dat aandacht, interpretatie en geheugen nauw gerelateerd zijn aan allerlei emoties. Hoe deze denkprocessen gerelateerd zijn aan het emotionele welbevinden, zoals depressieve gevoelens, werd ook uitvoerig wetenschappelijk onderzocht.

Negatieve vertekeningen

Onderzoek heeft aangetoond dat aandacht, interpretatie en geheugenprocessen van groot belang zijn bij het begrijpen van het ontstaan, voortbestaan en heroptreden van depressiesymptomen. Studies hebben uitgewezen dat bij personen in een depressieve gemoedstoestand er zich negatieve vertekeningen voordoen in deze denkprocessen. Concreet wil dit zeggen dat personen die kampen met depressieve gevoelens moeilijkheden ervaren bij het loskoppelen van hun aandacht voor negatieve aspecten uit de omgeving (vb.: het fronsende jurylid uit het voorbeeld zal meer aandacht trekken, eerder dan het instemmende jurylid), ambigue of dubbelzinnige situaties op een negatieve wijze interpreteren (vb. door de houding van het fronsende en niet het instemmende jurylid te betrekken op de eigen prestatie), en zich meer negatieve dan positieve gebeurtenissen herinneren (vb.: tijdens het sollicitatiegesprek kan men zich een vorige faalervaring en geen succeservaring herinneren waardoor men de moed nog meer verliest). Dergelijke negatief vertekende denkprocessen verlopen doorgaans betrekkelijk automatisch en kunnen toekomstige depressieve episodes voorspellen.

Ondanks een sleutelrol voor deze processen bij het begrijpen van depressie, bevinden de wetenschappelijke inzichten over interacties tussen deze denkprocessen zich nog in een vroeg stadium. Vandaar dat we zijn nagegaan hoe aandachtsprocessen interpretatie beïnvloeden en hoe deze vervolgens een impact hebben op wat personen met verhoogde depressiesymptomen zich herinneren.

Ik ben een geboren…

Deelnemers voerden een computertaak uit waarbij ze vervormde zinnen (vb.: ben verliezer ik geboren winnaar een) hervormen naar goed lopende zinnen door het positieve of negatieve woord weg te laten. Deze hervormde oplossing kan telkens leiden tot een positieve (vb.: ik ben een geboren winnaar) of een negatieve (vb.: ik ben een geboren verliezer) betekenis. Telkens rapporteren deelnemers de eerste oplossing die in gedachten opkomt wat een maat voor interpretatie oplevert. Om emotionele vertekeningen in de aandacht te meten werden oogbewegingen geregistreerd tijdens het uitvoeren van de interpretatietaak. Na de taak werden de deelnemers gevraagd om zich zoveel mogelijk betekenissen te herinneren die men gevormd heeft. Dit geeft zicht op geheugenvertekeningen.

Analyse toonde aan dat de manier waarop iemand aandacht naar emotionele woorden richt, de aard van de interpretaties voorspelde. Personen die vaker hun aandacht richtten naar negatieve woorden (vb.: verliezer) rapporteerden meer negatieve interpretaties (vb.: ik ben een geboren verliezer). Meer negatieve herinneringen werden gerapporteerd naarmate iemand langer keek naar negatieve woorden en men eerder meer negatieve betekenissen verkoos. Omgekeerd, positieve vertekeningen in aandacht en interpretatie voorspelden meer positieve herinneringen.

Vicieuze cirkel

In lijn met voorgaand onderzoek, werd gevonden dat dergelijke negatieve vertekeningen in aandacht, interpretatie en geheugenprocessen gerelateerd zijn aan een verhoogde mate van depressiesymptomen. Hoe ernstiger de depressiesymptomen, hoe meer de denkprocessen op een negatieve manier vertekend zijn. Dit zorgt er dus voor dat positieve signalen in het dagelijkse leven minder worden opgepikt – wat aan depressieve personen de indruk kan geven dat ze er niet zijn – en dat dubbelzinnige signalen veelal negatief worden geïnterpreteerd en zo ook worden herinnerd. Dit kan depressieve gevoelens in stand houden, waardoor de cirkel rond is. Zoals gezegd gebeurt dit vrijwel automatisch en is het niet eenvoudig om deze negatieve ingesteldheid te doorbreken, die daarbovenop in de ogen van de depressieve persoon continu bevestigd wordt (“zie je wel…”).

Op heden werden veelbelovende methoden – de cognitieve bias modificatie methoden – ontwikkeld om de negatieve vertekeningen in deze denkprocessen bij te sturen. Het verfijnen deze methodieken vormt een boeiende uitdaging voor de hedendaagse klinische wetenschap.

Referenties

  • Everaert, J., Duyck, W., & Koster, E. H. W. (2013). Attention, interpretation, and memory biases in subclinical depression: A proof-of-principle test of the combined cognitive biases hypothesis. Emotion.
  • Everaert, J., Koster, E. H. W., & Derakshan, N. (2012). The combined cognitive bias hypothesis in depression. Clinical Psychology Review, 32(5), 413-424. doi: 10.1016/j.cpr.2012.04.003
  • Koster, E. H. W., Everaert, J., Bruyneel, L., & Onraedt, T. (2013). Cognitieve training bij depressie: Een stand van zaken. Directieve Therapie, 33, 136-150.

Auteur: Jonas Everaert

Jonas Everaert is als assisterend academisch personeel verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van Universiteit Gent en doet doctoraatsonderzoek naar interacties tussen aandacht, interpretatie en geheugenprocessen in depressie (promotor: prof. dr. Ernst Koster).

 

Why so serious? De effecten van grappen, grollen en ander amusement op de werkvloer.

Glijbanen, hangmatten, minigolf terreinen, biljarttafels, doen je ongetwijfeld aan een soort van amusement park denken. Het is althans niet het eerste wat je associeert met een werkomgeving, doch zijn deze vaak terug te vinden op de Google bedrijfscampussen. Volgens Google zorgt het voor  plezier en amusement op de werkvloer, wat de creativiteit, productiviteit en tevredenheid van de medewerkers zou opkrikken. Het klinkt alleszins wel leuk, dat plezier en productiviteit hand in hand gaan, de vraag is of hier ook wetenschappelijke evidentie voor te vinden is. Mogen we met zijn alleen meer grappen en grollen of tonen we ons toch beter van de serieuze kant op de werkvloer?

Plezier op het werk en productiviteit kan hand in hand gaan

Ge moet u ‘jeunen’ op het werk, is een typische uitdrukking in West-Vlaanderen. Dit betekent evenveel als het is belangrijk dat ge u amuseert op het werk. Recent onderzoek waarbij 195 medewerkers van een restaurantketen bevraagd werden, geeft alvast aan dat die West-Vlamingen niet helemaal ongelijk hebben. Plezier op het werk associëren we vaak met een leuke werkomgeving, één waar mensen graag komen werken. Uit het onderzoek blijkt dat het niet alleen leuk is voor de werknemers, maar dat een potje fun op het werk ook de productiviteit ten goede kan komen. Zowel jong als oud presteren beter wanneer er ook tijd wordt gemaakt voor leuke activiteiten binnen de werkcontext. In het onderzoek werden de grootste effecten teruggevonden bij oudere werknemers. De medewerkers die rapporteerden dat ze vaker konden deelnemen aan plezante activiteiten haalden ook betere verkoopcijfers per klant. Plezier op het werk vereist niet noodzakelijk glijbanen of andere voorzieningen. Het kan gaan om activiteiten zoals teambuilding, personeelsfeesten of gewoon een leuke middagpauze die opgezet worden voor of door de werknemers.

Moeten managers plezier op het werk stimuleren?

Managers hebben soms schrik dat te veel aandacht voor plezier op de werkvloer ten koste gaat van het werk. Dit blijkt niet helemaal onterecht te zijn. Uit de bevraging bij de restaurantketen bleek dat de combinatie van veel plezante activiteiten en een leidinggevende die dit sterk aanmoedigt, ervoor kan zorgen dat de balans doorslaat en de medewerkers minder goed gaan presteren. Het positief effect van de activiteiten op de productiviteit wordt daardoor teniet gedaan. Doch, dit betekent niet dat het aanmoedigen en ondersteunen van plezier op de werkvloer enkel negatieve effecten met zich mee brengt. Of de leidinggevende al dan niet belang hecht aan plezier op het werk, blijkt namelijk een belangrijk element te zijn wanneer een medewerker een andere job overweegt. Wanneer de leidinggevende plezier op het werk ondersteunt zal een medewerker minder snel geneigd zijn de organisatie te verlaten. De activiteiten zelf spelen hierbij niet zozeer een rol. Deze zijn namelijk eerder van korte duur, terwijl een positieve attitude van de leidinggevende ten opzichte van plezier op het werk een duurzaam kenmerk is van de arbeidssituatie. Voor de productiviteit van de medewerker is het echter belangrijk dat de leidinggevende het evenwicht bewaart tussen plezier en focus op het werk.

Ook humor kan een positieve noot brengen in de werkomgeving

Naast amusement op het werk is ook humor een belangrijke fun factor. De zot heeft gelijk, we moeten niet altijd serieus zijn. Een meta-analyse van 49 studies die maar liefst 8532 werknemers omvatten, wijst uit dat humor op de werkvloer gepaard gaat met meer productiviteit, een grote samenhorigheid tussen collega’s, en trouwe werknemers. Het gaat dan wel om positieve humor, niet om grappen die zichzelf of anderen naar beneden halen. Positieve humor kan helpen om relaties met anderen te onderhouden of als coping mechanisme om met moeilijke momenten om te gaan. Uit het onderzoek bleek ook dat het niet alleen de grappen van de collega’s zijn die positieve effecten met zich meebrengen, maar ook positieve humor van de leidinggevende werkt net zo goed. Managers die humor gebruiken ontmantelen moeilijke situaties en lijken daardoor makkelijker te benaderen en meer begripvol voor de uitdagingen van hun medewerkers. Een belangrijke caveat is wel dat men rekening moet houden met de culturele context en andere gevoeligheden binnen de organisatie, niet elk grapje wordt in alle contexten als positief opgevat.

Humor en plezier op het werk als buffer tegen stress

Het voorkomen van grappen, grollen en ander amusement op de werkvloer draagt niet alleen bij tot de productiviteit, maar kan ook stress verlagend werken en zo het risico op een burn-out verminderen. Gedurende deze leuke momenten kunnen we namelijk spanningen van ons  afschudden  en lassen we  rustmomenten in. Dit draagt bij tot een goede gezondheid. Humor  helpt ons ook bij het omgaan met moeilijke situaties, het aannemen van een andere kijk en de goede kanten zien van een op het eerste zicht negatieve gebeurtenis. Medewerkers met een goed gevoel voor humor hebben vaak ook een groter sociaal vangnet, wat zo ook het risico op burn-out verlaagt.

Conclusie

Het gebruik van positieve humor en de mogelijkheid om af en toe eens plezier te hebben op het werk heeft een positieve invloed op de productiviteit.

Bovendien kan het ervoor zorgen dat medewerkers minder stress ervaren en langer binnen de organisatie blijven. Het moet er dus niet altijd even serieus en gespannen aan toegaan om goede bedrijfsresultaten te behalen.

Referenties

  • Mesmer-Magnus, J., Glew, D. J. & Viswesvaran, C. (2012). A meta-analysis of positive humor in the workplace. Journal of Managerial Psychology, 27, 155-190.
  • Tews, M. J., Michel, J. W. & Stefford, K. (2013). Does fun pay? The impact of workplace fun on employee turnover and performance. Cornell Hospitality Quarterly, 54, 370-382.

Auteur: Lien Vossaert

Lien Vossaert (@LienVossaert) is doctoraatstudent aan de vakgroep Personeelsbeleid, Arbeids-, en Organisatiepsychologie van de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust op de omstandigheden en voorwaarden waaronder personalisering van het werk bijdraagt tot enerzijds het ontwerpen van zinvolle jobs die gelukkig maken en anderzijds het realiseren van bedrijfsresultaten. Hiermee werkt ze op de Securex Leerstoel “Working in the 21st century: Creating business results through a personalized organisation“. Deze Leerstoel nodigt HR-professionals, bedrijfsleiders en beleidsmakers uit om fundamenteel anders over werken na te denken. Lien wil naast haar onderzoek vooral ook een brug slaan tussen wetenschap en praktijk.

 

De psychologie bij het nemen van een penalty

In een voetbalmatch is een penalty de ultieme kans om een goal te scoren. Eender welke speler van het team mag vanaf 11 meter zijn kans wagen en hoeft enkel de keeper te passeren. Diezelfde speler heeft al van veel moeilijker posities kunnen scoren en zo’n penalty kan dus geen al te grote uitdaging zijn… in theorie. In de praktijk zien we dat een penalty scoren toch geen vanzelfsprekendheid is, zelfs al ben je regerend landskampioen. Supporters hebben hier vaak weinig begrip voor. Wetenschappers hebben een verklaring gezocht voor dit fenomeen.

Psychologie

Zij stelden vast dat er een aantal factoren meespelen bij het nemen van een penalty: geluk (bijvoorbeeld de keeper die naar de verkeerde hoek duikt), conditie (bijvoorbeeld hoe goed de geleverde inspanningen verteerd zijn door de speler), vaardigheden en ervaring (bijvoorbeeld een goeie traptechniek hebben) en de psychologische factoren (bijvoorbeeld stressbestendig zijn). Het zal je misschien niet verbazen dat de psychologische factoren de grootste invloed hebben.

Wanneer we kijken naar alle penalties die genomen zijn in de wereldbeker, de Europese kampioenschappen en de Copa America tussen 1976 en 2004, zien we duidelijk dat er meer penalties gemist worden naar het einde van het kampioenschap toe dan in het begin, wanneer er meer op het spel staat. Ook in het algemeen legt een wereldkampioenschap meer druk op de spelers dan in hun nationale competitie: gemiddeld 71% van de penalties wordt gescoord tegenover 85%. Waarom speelt de stress nu zo’n grote rol?

Stress

Het is niet zo dat een mens bij definitie slecht presteert onder druk. In tegendeel, er is een stabiele relatie gevonden tussen prestatie (zowel fysiek als mentaal) en arousal die de vorm van een omgekeerde U aanneemt: bij een ‘gemiddelde arousal’ wordt onze prestatie zelfs naar een hoger niveau getilt. Arousal kan geïnterpreteerd worden als de energie die je krijgt door bijvoorbeeld een deadline. Je kan een bepaald niveau van stress omzetten in positieve energie die een boost geeft aan je prestatie. Wanneer de druk en de arousal te groot worden, klappen we dicht, gaan we vermijdingsgedrag vertonen of geven we op. Het spreekt voor zich dat de prestatie daaronder zal lijden. Onderstaande figuur illustreert dit fenomeen.

Waarom tast een teveel aan stress waarschijnlijk onze prestatie aan? Enerzijds weten we dat spanning een effect heeft op lichaam en geest. We kunnen ons niet zo goed concentreren als we zouden willen en stress kan verlammend werken. Dit zijn twee zaken die voor een penaltynemer fataal zijn. Anderzijds zorgt stress ervoor dat we ons oncomfortabel voelen in een situatie en dat we die liefst zo snel mogelijk willen beëindigen. Op WK’s, EK’s en Champions Leagues van de voorbije jaren zagen we dat hoe sneller een speler naar de bal toeloopt na het fluitsignaal van de scheidsrechter, hoe groter zijn kans op falen was. Spelers die in minder dan 200 miliseconden reageerden, scoorden slechts in 57% van de gevallen. Bij spelers die meer dan 1 seconde de tijd namen, raakt de bal in 80% van de gevallen de netten. Naast de hoger omschreven effecten van stress, heeft het hier dus nog een bijkomende invloed: hoe belangrijker de penalty, hoe meer spanning op de schouders van de speler rust, hoe groter zijn onbehaaglijk gevoel zal zijn en hoe groter dus ook de impuls om de penalty zo snel mogelijk te zetten om er vanaf te zijn.

Je aandacht richten op wat je wil bereiken

Dus, louter wat meer tijd nemen is het geheim voor een goeie penalty? Niet echt. Het is niet puur het verstrijken van tijd dat het positieve effect lijkt te hebben. We zien namelijk ook dat het nadelig is wanneer de scheidsrechter de reden is voor uitstel van het trappen en niet de speler – zelfs als de totale vertreken tijd even lang is. Het causale verband ligt vermoedelijk andersom: meer tijd zorgt niet voor een betere penalty, een betere penalty zetten vereist waarschijnlijk iets meer tijd.

Onderzoekers vonden dat er meer kans is op een penaltygoal als de speler even bewust focust op de plaats in de goal waar hij de bal wil schieten. Logisch, zegt u? In tegendeel: in de praktijk kijken spelers naar de bal of, vaker, naar de keeper. Dit zorgt ervoor dat je je acties ook onbewust naar de keeper zal richten, en niet naar de vrije ruimte in de goal. Daarom geeft men bijvoorbeeld bij slip- en rijvaardigheidscursussen ook de raad altijd te fixeren op het punt waar je auto moet belanden, en niet op de boom of het ongeval voor je. Eenvoudig gezegd registreren hersenen geen negatieve informatie, “Niet tegen de boom rijden!”, “Het ongeval ontwijken!”, “Naast de keeper schieten!” wordt motorisch vertaald naar “Boom!” “Ongeval!” en “Keeper!”. Deze reflex is des te aanwezig in een stresserende situatie. Er zijn natuurlijk spelers die dermate stressbestendig zijn dat ze boven deze automatismen staan. Eden Hazard kijkt quasi altijd naar de keeper om de bal vervolgens in de andere hoek te plaatsen, zelfs bij een beslissende penalty in de 95ste minuut zoals dit weekend. Voor de mindere goden onder ons kan het fixatietruckje een goeie houvast zijn om de stress niet de bovenhand te laten nemen.

Het lijkt de speler voorts een gevoel van controle te geven wanneer hij zich voorstelt waar hij de bal zal plaatsen en daar zijn aandacht naartoe laat gaan. De bal er ook effectief trappen voelt minder aan als een uitdaging, in zijn hoofd is de goal al zo goed als gemaakt.

Conclusie

Hoewel penalties tot op bepaalde hoogte een loterij zijn, is erop trainen geen verloren moeite. Het simpele fixatietrukje kan al een impact hebben op de kansen van een speler die een penalty neemt. Ook durven trainers al eens het argument gebruiken dat de stress in de match niet kan nagebootst worden op training. Je kan daarom overwegen op penalties te trainen voor een zo groot mogelijk publiek of om de resultaten van penalty shoot-outs op training achteraf te communiceren.

Referenties

  • Jordet, G., Hartman, E., Visscher, C. & Lemmink, K.A.P.M. (2007). Kicks from the penalty maker in soccer: the role of stress, skill and fatiguefor kick outcomes. Journal of Sport Sciences, 25, 121-129.
  • Wood, G., & Wilson, M. R. (2012). Quiet-Eye training, perceived control and performing under pressure. Psychology of Sport and Exercise.
  • Hartman, J., G. & Sigmunstad, E. (2009). Temporal links to performing under pressure in international socces penalty shootouts. Psychology of Sport and Exercise.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemerschap aan de Vlerick Business School. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

 

BDSM in Vlaanderen: meer dan vijftig tinten.

Alomtegenwoordig maar nog steeds miskend

Tegenwoordig sijpelt extreme seks ons leven binnen via allerhande media, als ware het niets speciaals. Expliciet naakt, seksspeeltjes, handboeien en mensen aan de leiband worden niet enkel tentoongespreid in hardcore pornografie maar zelfs in videoclips van onder andere Rammstein, Rihanna en Britney Spears. Het wereldwijde succes van het drieluik Vijftig tinten grijs, donkerder en vrij bewijst dat heel wat mensen nieuwsgierig zijn naar dat tikje meer en geïntrigeerd zijn door bdsm (bondage & discipline, dominantie & submissie, sadisme & masochisme).

Er zijn mensen die bdsm vooral lichamelijk beleven en het sadomasochisme vooropstellen. Anderen houden dan weer van het psychologische spel, waarbij onder andere vernedering, controleverlies, het uitvoeren van opdrachten en het verschil in verhouding centraal staan. Bdsm kan voor iemand ook louter draaien om het artistieke aspect aan bijvoorbeeld bondage of fetisjisme. Vaak blijkt het een combinatie of uitbreiding te zijn van al het voorgaande, en dit van lichte tot extremere niveaus.

“Sadisme en masochisme hebben een speciale plaats in de perversies, omdat het contrast van activiteit en passiviteit dat aan hun basis ligt tot de universele trekken behoort van seksualiteit.” (Freud, 1920)

De combinatie van genot en pijn is niets nieuws. In het oude Egypte werden reeds vormen van bdsm beoefend, en ook de Kama Sutra ziet de inductie van pijn als een aanvaardbare manier om extra seksuele prikkels te veroorzaken. De nagels sporadisch in iemands rug planten, bijten op allerhande plekken en een occasionele klets op de poep lijken deel uit te maken van de conventionele seksuele verhouding. Desondanks wordt de bdsm-minnende medemens door de Diagnostic and Statistical Manual of kortweg de DSM-5 (APA, 2013) wetenschappelijk gecategoriseerd onder de noemer ‘parafiel’, een zogezegd minder stigmatiserende versie van het woord ‘pervert’. In realiteit zijn bdsm’ers mensen wiens seksualiteitsbeleving afwijkt van de norm, maar daarom zijn zij niet de zonderlinge lustmoordenaars in lederen pakjes die komen opdraven in allerlei misdaadseries. Binnen de psychoanalyse worden seksueel deviante fantasieën en gedragingen dan weer losgekoppeld van een perverse structuur. Het hebben van bijzondere seksuele verlangens of het stellen van pervers gedrag, betekent dus niet dat iemand sowieso een pervert is.

Wat betekent bdsm voor de beoefenaars ervan in Vlaanderen? Zijn zij de perverten waarvoor zij aangezien worden? Om een antwoord op deze vragen te krijgen, deed ik twee jaar een kwalitatief exploratief onderzoek.

Van opwinding over vertrouwen tot geborgenheid en liefde

Beoefenaars situeren zich op een continuüm van kinky seks over lidmaatschap van een vereniging tot een 24/7-levensstijl, en komen uit alle lagen van de bevolking. Elke bdsm’er is immers iemands kind, (groot)ouder, buurman, collega, kassajuf in de plaatselijke supermarkt, enzovoort. Clichébeelden die aan het woord ‘bdsm’ gekoppeld worden zoals verwerpelijke orgieën en folteringen in groezelige kelders, slaan nergens op. Op een openbaar bdsm-feestje zie je amper seksuele handelingen en zowel onderdanigen, switches als dominanten geven naast opwinding vooral vertrouwen, respect, openheid, geborgenheid, veiligheid, vrijheid, geluk, en liefde aan als kernaspecten van wat bdsm voor hen betekent. Bdsm’ers vertrouwen de ander vaak écht hun leven toe.

Compulsiviteit en habituatie als recept voor extremiteiten?

Dat fysieke pijniging fijn bevonden wordt, valt neurologisch te verklaren. De gebieden in de hersenen die pijn en plezier beoordelen, hebben immers een soortgelijke werking. Ook klassieke conditionering helpt om de combinatie pijn-genot als lustvol te ervaren. Pijnbeleving wordt langzaam opgebouwd en de sadist of dominant zal daarbij een arsenaal aan seksueel prikkelende attributen aanwenden, gaande van zwepen en tepelklemmen tot vibrators. Masochisten of onderdanigen kunnen in een bdsm-spel streven naar het bereiken van subspace, een soort trance waarbij men genot en absolute rust ervaart in plaats van pure kwelling.

Bdsm’ers kunnen hun driften net zoals andere mensen beheersen en een spel uitstellen tot het daarvoor geschikte moment aanbreekt. Slechts een minderheid respondenten voelt bdsm aan als iets compulsiefs dat móét gebeuren om opgewonden te geraken. Dit zijn de mensen voor wie bdsm sterk aanleunt tegen een psychische problematiek waarbij de verlangens in periodes een negatieve weerslag hebben op hun persoonlijk, sociaal en/of beroepsmatig functioneren. Maar zelfs bij deze groep is er zelden sprake van een vooropgesteld scenario. Het niet weten wat je te wachten staat, is net een van de aspecten aan bdsm die respondenten als lustvol ervaren.

Ook in een bdsm-relatie kan er sleur komen. Hoewel er – zeker wat de pijnbeleving betreft – ontegensprekelijk habituatie optreedt en grenzen continu verlegd worden, betekent dit niet dat bdsm’ers steeds extremer hoeven te gaan om eenzelfde niveau van bevrediging te bereiken. Men zet soms ook stapjes terug en gebruikt nieuwe technieken die door het verrassende effect eveneens weten te plezieren. Extremer spelen hangt niet noodzakelijk samen met leeftijd, maar eerder met de mate waarin iemand op zoek is naar kicks, sadomasochistische gevoelens koestert en beschikt over een partner die mee wil in dat verhaal. Echte buitensporigheden worden in het verenigingsleven sowieso niet getolereerd.

Fetisjisme: ‘Your kink is not my kink, and your kink is pretty fucked up’

Fetisjisme heeft betrekking op veel meer dan opgewonden geraken van objecten. Denk aan een specifieke situatie, een type persoon, een handeling, geluid, geur of gevoel: sowieso bestaat er iemand die daar een fetisj voor heeft. Men wil het fetisjobject zelf aanraken, likken, ruiken, strelen of gebruikt zien worden door iemand anders. Verschillende fetisjen kunnen met elkaar samenhangen. Een meesteres in hoge laarzen lijkt nog groter, vrouwelijker en onbereikbaarder voor de onderdanige. Wanneer zij die laarzen vervolgens gebruikt om ermee op het geslachtsdeel te gaan staan in het kader van CBT ofte cock & ball torture, wordt het gewenste machtsverschil tussen beiden nog meer benadrukt.  Bij veel fetisjen speelt de esthetiek van objecten een grote rol. Mensen hebben een fetisj voor specifieke soorten neuzen, schoenen, voeten, latex, enzovoort. We kunnen niet zozeer spreken van ‘mooie’ objecten. Iemand kan zich namelijk net aangetrokken voelen tot datgene wat anderen lelijk of beangstigend vinden, zoals geamputeerde ledematen of het besmeurd worden met uitwerpselen. Onder het motto ‘Your kink is not my kink, but your kink is ok’ wordt binnen de bdsm-wereld zo goed als alles op zijn minst bespreekbaar geacht. Wat minder vaak voorkomende fetisjen betreft, lijkt de uitspraak ‘Your kink is not my kink, and your kink is pretty fucked up’ helaas eerder van toepassing te zijn. Zelfs binnen de bdsm-wereld blijven taboes bestaan.

Bdsm als een geaardheid?

Je kunt iemand de technieken leren om bdsm te beoefenen, maar je kunt niemand leren om ervan te houden. Een man stelde droog dat hij zijn vrouw anders wel al lang een spoedcursus had gegeven. Er is niet zoiets als een ‘oorzaak’ die kan verklaren waarom men van bdsm houdt. De gedachtegang dat iemand een traumatische jeugd gehad moet hebben om seksualiteit zo te beleven, valt zeker niet te veralgemenen naar deze steekproef respondenten.

Fantasiespelen als cowboy en indiaantje of politie en boef, de blinkende hoge sandalen van de juf, een stripverhaal met als thema slavernij of een schooluitstap naar het Gravensteen in Gent: de eerste herinnering aan bdsm-gevoelens blijkt vaak getriggerd te zijn door beelden, situaties of personen in de kindertijd, en is niet zelden eveneens de eerste seksuele herinnering van respondenten. Bdsm’ers rapporteerden dat lustvolle gevoel terug op te zoeken als puber of volwassene.

Bdsm lijkt voor velen niet enkel iets wat zij doen, maar eveneens een deel van hun zijn. Liefhebbers ervaren deze gevoelens als een inherent deel van hun identiteit. Meer dan de helft van de respondenten voelt het zelfs aan als een geaardheid. Zoals een hetero houdt van een partner van het andere geslacht, houdt een onderdanige dan van een partner die dominant is. Benoemt men bdsm als een geaardheid bij een gebrek aan een andere gepaste term? Binnen de bdsm-wereld is hierover weinig consensus.

Keerzijden aan bdsm

“Ik wil mensen pijn doen. Betekent dit dat ik een tweede Dutroux zal worden?”, “Hoe vertel ik mijn vrouw dat ik verlang naar pijn?”, “Waarom word ik niet opgewonden van liefdevolle seks?”, “Hoe ver kan ik nog gaan voordat het gevaarlijk wordt?”, “Ben ik psychisch ziek, abnormaal?”

De psychische klachten die gelinkt kunnen worden aan iemands bdsm-voorkeur, hebben voornamelijk te maken met het proces van de ontdekking en aanvaarding van de bdsm-gevoelens en -gedachten, alsook met vragen over de absolute grens van de bdsm-gedragingen die kunnen neigen naar een verslaving, en ten slotte met de afkeuring van bdsm door de omgeving. Zelfs binnen het gezondheidssysteem zouden er nog mythes heersen met betrekking tot bdsm. Ook in Vlaanderen worden mensen soms meteen doorverwezen bij het uitspreken van hun bdsm-voorkeur. Maar waar kan je heen met vragen rond afwijkende gedragingen, gevoelens en geaardheden als zelfs psychologen of huisartsen deze onderwerpen liever vermijden?

Men is zich in Vlaanderen niet alleen bewust van de geestelijke en lichamelijke gevolgen, maar ook van de sociale en zelfs juridische risico’s van bdsm-beoefening. Respondenten verloren bijvoorbeeld al hun kinderen in een echtscheiding, hun job, of werden omwille van hun bdsm-voorkeur naar de psychiater gestuurd met de bedoeling zich te laten omvormen tot het ‘heteronormatieve’ model. De oorsprong van de algemene negatieve opvattingen over bdsm ligt bij een aantal factoren, waarvan religie, feminisme, de media, de wetgeving en de categoriale manier van diagnosticeren de voornaamste blijven. Onderzoek suggereert nochtans dat aan bdsm doen niet noodzakelijk een uitdrukking is van een onderliggende psychopathologie. Bdsm heeft ook niets te maken met geweldpleging. Het aspect vrijwilligheid is voor bdsm’ers van cruciaal belang, net zoals het op de hoogte zijn van de risico’s die beide partijen nemen. Alles wat gebeurt, moet verantwoord en veilig voorbereid zijn. Mensen die aan geweldpleging doen, houden geen rekening met de ander. Maar hoe bewijs je na een relatiebreuk dat de blauwe plekken op het lichaam van je ex niets te maken hebben met intrafamiliaal geweld? En hoe leg je als bdsm’er aan de politie uit waarom je een tas vol zwepen en touw hebt staan in je kofferbak?

Conclusie

Er is weinig evidentie om te besluiten dat bdsm’ers doorgaans een perverse structuur hebben. Er bestaat echter geen twijfel over dat er veel perverse trekken zitten in bdsm’ers hun interacties met elkaar en naar derden toe. Niettegenstaande respondenten aangeven dat bdsm hun leven verrijkt, wordt het anno 2013 nog steeds ten onrechte beschimpt, juridisch afgestraft en gepathologiseerd. Wordt bdsm zoals het door de beoefenaars daarvan beleefd wordt, verward met de ziektebeelden die in de categoriale manier van diagnosticeren terug te vinden zijn? Het is daarom belangrijk dat degenen die deze diagnoses toekennen op de hoogte zijn van wat bdsm inhoudt voor de beoefenaars ervan. Mensen van wie de seksuele verlangens afwijken van het heteronormatieve model, blijven anders de klinische diagnoses krijgen die het idee dat leeft bij de grote massa beïnvloeden. En dat beïnvloedt op zijn beurt weer de wetenschap. Zou het kunnen dat niet de wetenschappelijke evidentie, maar de publieke opinie de hoofdreden is waarom bdsm-gerelateerde parafilieën nog steeds weinig genuanceerd vermeld staan in de DSM-5? Onderzoek naar de perceptie van buitenstaanders – en in het bijzonder hulpverleners – lijkt zinvol, zowel voor bdsm’end Vlaanderen als voor hen die bdsm’ers door een gebrek aan correcte informatie nog steeds als vreemde perverten beschouwen.

Bronnen

  • Federoff, J. P. (2008). Sadism, sadomasochism, sex, and violence. The Canadian Journal of Psychiatry, 53 (10), 637-646.
  • Newmahr, S. (2010). Rethinking kink: sadomasochism as serious leisure. Qualitative Sociology, 33, 313-331.
  • Taylor, G. W., Ussher, J. M. (2001). Making sense of S&M: a discourse analytic account. Sexualities, 4, 293-314.
  • Weinberg, S., Williams, C. J, Moser, C. (1984). The social constituents of sadomasochism. Social Problems, 31 (4), 379-389.
  • Yost, M. R. (2010). Development and validation of the attitudes about sadomasochism scale. Journal of Sex Research, 47 (1), 79-91.

Download hier de volledige Masterproef ‘Meer dan vijftig tinten. Een exploratieve studie naar bdsm in Vlaanderen.’

Auteur: Jantien Seeuws

Jantien Seeuws studeerde af als master in de klinische psychologie met een exploratieve studie over bdsm in Vlaanderen, en dit aan de Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de UGent. Sinds 2012 is ze werkzaam bij Gerechtelijk Opgelegde Hulpverlening in het CAW Regio Brugge. Aan de HUB geeft ze als gastdocent het vak Psychopathologie. Ze wil zich graag verder verdiepen in alternatieve vormen van seksualiteitsbeleving en de forensische psychologie.

 

Euromillions spelen is goed voor je: onrealistisch optimisme

Het is bon ton om hoofdschuddend te lachen met de naïeve lottospeler. Telkens opnieuw worden er omstandige kansrekeningen voorgelegd om tot de ontegensprekelijk verwarde geest door te dringen. Nochtans, de meeste mensen weten wel dat de kans groter is dat je op een zonnige dag door een bliksem wordt getroffen maar gedachten als “je weet toch maar nooit!” verleiden ons vaak toch tot meespelen.

Onrealistisch optimisme

Waarom spelen er zoveel mensen hun hele leven mee met de Lotto, goed wetende wat de winstkansen maar zijn? Je zet geld in omdat je de kans groot genoeg acht dat jouw cijfercombinatie zal winnen. Elke andere speler heeft natuurlijk deze zelfde overtuiging. De menselijke geest is uitgerust met een subliem overlevingsmechanisme de pay. Het heet onrealistisch optimisme. De meeste mensen hebben de neiging om te geloven dat ze meer kans hebben om positieve gebeurtenissen mee te maken dan de gemiddelde medemens en minder kans dan anderen dat hen onfortuinlijke zaken zullen overkomen.

Onrealistisch optimisme is wat u elke morgen uit bed haalt. Alle statistieken mogen tegen ons pleiten, toch geloven we dat deze niet op ons van toepassing zullen zijn. Met volle overtuiging beginnen we een eigen restaurant, hoewel startende restauranthouders slechts 33 procent kans hebben om na 5 jaar nog te bestaan. We beloven elkaar oprecht eeuwige trouw voor het altaar, hoewel twee op de drie huwelijken in België eindigen met een scheiding. Aanstaande ouders schatten hun kans op een hoogbegaafd kind veel hoger in dan de kans op een minderbegaafd kind, hoewel een beetje statisticus u natuurlijk vertelt dat die kansen even groot zijn. We geloven dat onze eigen toekomst beter wordt dan het heden. The future’s bright. Voor ons, maar niet voor de anderen.

Mentale gezondheid

Onrealistisch optimisme is een teken van een goede mentale gezondheid. Mochten we die positieve illusie kwijt spelen, is de kans groot dat we depressief worden. Een realistische inschatting van alle gevaren en ongevallen die ons kunnen overkomen, zou beangstigend en verlammend werken. Meestal zijn de optimisten gevonden onder mensen die gek zijn van casino en andere gokken.

Onderzoek toont zelfs aan dat mensen met een lichte depressie veel realistischere kansberekeningen maken van potentiële bedreigingen in hun leven. Niet gezond, dat realisme. Mensen met HIV die hun eigen kansen op overleven hoger inschatten dan andere patiënten, bleken in één studie effectief gemiddeld 9 maanden langer te leven.

Vermijden van spijt

Een andere incentive die u geld doet inzetten – naast de miljoenen die u graag op de bankrekening zou zien staan – is dat u spijt wil vermijden. U wil het namelijk niet geweten hebben dat uw vaste cijfers net getrokken worden in de week dat u niet meespeelt. In Nederland maakt de Postcodeloterij hier handig gebruik van. In de pot zitten alle postcodes van Nederland, onafhankelijk van het feit of de eigenaar meespeelt of niet. Meespelen wil zeggen dat je recht hebt op je geld wanneer je postcode als winnende uit de bus komt. Jij (en ook je omgeving) weten dus perfect wanneer je het groot lot hebt gewonnen, stel je voor dat je dan moet zeggen dat je niet mee hebt gespeeld. Niet verrassend is het dit soort feedback die ervoor zorgt dat meer mensen geneigd zijn mee te spelen met de Postcodeloterij dan met de Nederlandse Nationale Loterij, die met het systeem van zelfgekozen cijfercombinaties werkt zoals we hier in België kennen.

Conclusie

Koester dus uw positiviteit en speel op de lotto. Er moet toch altijd iemand winnen, nee?

Referenties

  • Gilovich, T., Griffin, D. & Kahneman, D. (2002). Heuristics and biases:  The psychology of intuitive judgment, 334-347.
  • Zeelenberg, M. & Pieters, R. (2004). Consequences of regret aversion in real life: the case of the Dutch postcode lottery. Organizational behavior and Human Decision Processes, 93, 155-168.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Blind auditions: ook een goed idee als sollicitatiegesprek.

Denk eens terug aan uw tienerjaren, aan uw eerste date. U was wat zenuwachtig en vroeg zich af of u een goede indruk ging kunnen maken. Toen u nog een laatste keer in de spiegel keek merkte u ineens een kleine oneffenheid op in uw gezicht. Een jeugdpuistje wellicht. Paniek maakte zich meester want wat zou uw date immers denken? Zou ze u minder aantrekkelijk vinden, zijn uw kansen op een 2e date verkeken? Stel u nu voor dat het jeugdpuistje van zoëven een wijnvlek is in uw gezicht, en uw date een interviewer voor een fulltime functie. Wat zou de reactie dan zijn?

Deze situatie komt dagelijks voor, mede door de populariteit van het selectie interview. Er zijn vele fysieke, en dus waarneembare, kenmerken van de sollicitant (bijv. huidskleur, overgewicht, wijnvlek) die leiden tot discriminatie in beoordelingen na een sollicitatiegesprek.

Reacties op Stigma

Reacties ten aanzien van deze eigenschappen (of stigma), zoals een wijnvlek, verlopen in twee fasen. Beeld u in dat u een gesprek aangaat met een persoon die een wijnvlek heeft in het gezicht. In eerste instantie (stap 1) zal uw aandacht zich richten op de wijnvlek, u gaat hier veelvuldig naar kijken en mist wellicht delen van een gesprek. Dan herpakt u zich (stap 2) en richt uw aandacht weer op het gesprek, u kijkt de persoon in de ogen, en probeert onbevooroordeeld over te komen. De afleiding in stap 1 zou, in een interview, samenvallen met de kennismakingsfase, waarin de interviewer al een eerste indruk vormt van de sollicitant. Deze eerste indruk blijkt een belangrijke voorspeller van de uiteindelijke selectie beslissing, en verstoring van dit proces zou de basis kunnen zijn van discriminatie. Met andere woorden, de aanwezigheid en zichtbaarheid van het stigma heeft een impact op de eerste indruk en zou dus mogelijk een discriminatie in de hand kunnen werken.

Reeds in de jaren 80 werd geopperd voor een herziening van het interview proces om discriminatie te verminderen, iets wat reeds in de muziekindustrie is doorgevoerd. De evolutie zien we ook in talentenjachten. Zo zagen in het Tv-programma “Idool” de juryleden vanaf seconde 1 de sollicitant, terwijl in het programma “The Voice” de juryleden met hun rug naar de sollicitant toe zaten.

Blinde selectie

Huidig onderzoek

In navolging van deze ontwikkeling hebben we een nieuwe interview procedure ontwikkeld, namelijk het gedeeltelijk-blinde interview. Bij traditionele interviews is er continu visueel contact, zowel bij de kennismaking als bij het eigenlijke gesprek. Bij het gedeeltelijk-blinde interview is het visueel contact afwezig gedurende de kennismaking. Dit zou de negatieve effecten van een stigma op het vormen van de eerste indruk moeten tegengaan.

De effecten van de nieuwe procedure zijn getest in een face-to-face studie waarbij 193 interviewers een sollicitant interviewde voor een functie als junior consultant. Interviewers werden random toegewezen aan een interview procedure (gedeeltelijk blind, of traditioneel), en de sollicitant had wel of geen wijnvlek in het gezicht. Zij rapporteerde na de kennismaking (T1) en na het interview (T2) hoe geschikt zij de sollicitant vonden voor de functie.

Resultaten

Resultaten bevestigen dat het traditionele sollicitatiegesprek vatbaar is voor discriminatie op basis van de aanwezigheid van een wijnvlek. De sollicitant kreeg dan ook een lagere eindbeoordeling op het moment dat hij een wijnvlek had dan wanneer hij geen wijnvlek had. Het gedeeltelijk-blinde interview zorgde er voor dat dit effect vervaagde, aangezien we hier geen significant verschil vinden in de beoordeling op basis van de aanwezigheid van het stigma.

Tevens vinden we bewijs voor de stelling dat discriminatie begint bij een verstoorde eerste indruk. Zo kwam naar voren dat in traditionele interviews de kloof tussen de beoordelingen op basis van stigma (i.e., discriminatie), groter wordt. Dit wil zeggen dat de interviewer blijft bij zijn eerste beoordeling van de gestigmatiseerde sollicitant, en dat informatie die hij krijgt in het eigenlijke interview hier nauwelijks iets aan verandert. Bij het gedeeltelijk-blinde interview zien we dat de kloof niet vergroot, en dus dat interviewer de beoordeling aanpast gedurende het interview, net zoals deze doet op het moment dat de sollicitant geen stigma heeft. Op deze manier vinden we dat het gedeeltelijk-blinde interview succesvol is in het verminderen van discriminatie op basis van een aanwezig stigma (zie figuur, op de y-as de beoordeling van de sollicitant: hoe hoger de score, hoe beter).

Conclusie

In de muziekindustrie heeft men blinde audities ingevoerd om discriminatie op basis van uiterlijk te voorkomen. Het is daarom tijd om eens te kijken naar de mogelijkheden in het selectie interview. Het huidige onderzoek toont aan dat de traditionele procedure wellicht een deel van het probleem is en dat aanpassingen een eerlijkere kans geven aan mensen met een zichtbare afwijking.

Referenties

  • Barrick, M. R., Swider, B. W., & Stewart, G. L. (2010). Initial Evaluations in the Interview: Relationships with Subsequent Interviewer Evaluations and Employment Offers. Journal of Applied Psychology, 95, 1163-1172. doi: 10.1037/a0019918
  • Cohen, A. (1987). Extending handicap law to employment discrimination on the basis of physical appearance. Harvard Law Review, 100, 2035 – 2052.
  • Pryor, J. B., Reeder, G. D., Yeadon, C., & Hesson-McInnis, M. (2004). A dual-process model of reactions to perceived stigma. Journal of Personality and Social Psychology, 87, 436-452. doi: 10.1037/0022-3514.87.4.436

Auteurs

Alexander Buijsrogge is doctoraatsonderzoeker aan de Universiteit Gent op de vakgroep Personeel, Arbeid, en Organisatie psychologie. Zijn onderzoek focus ligt op discriminatie in selectie en rekrutering.

Viktorien Banic werkte als thesis student mee aan dit project. Zij behaalde hiermee de 2 plaats op de ADMB awards 2013.