Browse Tag: prestaties

Gespiegelde organen, gespiegelde hersenen?

In ongeveer 1 op 10.000 mensen liggen de inwendige organen niet op hun gebruikelijke plaats met het hart aan de linkerzijde en de lever aan de rechterkant, maar zitten ze precies omgekeerd.

Tot hiertoe werd aangenomen dat de atypische orgaanlocatie van deze zeldzame groep weinig invloed had op de organisatie van hun brein, maar onderzoekers van de Universiteit Gent hebben recent aangetoond dat dit niet helemaal klopt. Continue Reading

 

KAA Gent en het belang van het collectief.

Weg titel. Weg Champions League. KAA Gent beleeft momenteel niet zijn beste weken. Pech blijft bovendien de club achtervolgen: Kums zijn seizoen zit er mogelijks op en het is dus niet onwaarschijnlijk dat KAA Gent zonder zijn sterspeler voor plaats drie zal moeten strijden. Vanuit de wetenschap kunnen we echter een gouden tip geven aan KAA Gent: voetbal als een collectief – met een ploeg die niet afhankelijk is van vedette(s).

Continue Reading

 

Ons digitaal geheugen. Maakt Google ons echt dommer?

Of ik nog weet wanneer de eerste mens op de maan landde. Dat googelen we even vlug. Maken we het onszelf en ons geheugen te gemakkelijk? Paradoxaal genoeg niet. Hoe meer we informatie opslaan op externe schijven hoe beter we informatie kunnen vasthouden in ons eigen geheugen. Dit blijkt uit een artikel dat onlangs verscheen in het toonaangevende tijdschrift Psychological Science. Een duo jonge wetenschappers verdiepte zich in het baten en schaden van ons geheugen door technologie. Een vooruitgang waar we elke dag mee geconfronteerd worden, en, toch niet te ontkennen, die ons af en toe een helpend handje biedt (1961!). Hoe kan dit ons niet interesseren? Laat ons de bevindingen even kort toelichten.

“[I do not] carry such information in my mind, since it is readily available in books… The value of a college education is not the learning of many facts but the training of the mind to think.” Einstein when answering the question “What is the speed of sound?” – Isaacson, 2007, p 229

Beter één boek in de hand of tien ipads in de lucht?

De auteurs baseerden zich op eerdere bevindingen dat het herinneren van informatie moeizamer verloopt als dit via digitale bronnen wordt geleerd. Anders gezegd, er zijn kosten verbonden aan de technologie. Maar om het vanuit een evolutionair oogpunt te bekijken: elke kost heeft ook een adaptieve functie. Vermoedelijk, aldus de onderzoekers, wordt door het opslaan van digitale informatie plaats gemaakt voor  het onthouden van andere nieuwe informatie (men spreekt van “cognitieve hulpbronnen”). Op deze manier vermijden we dat teveel informatie onnodig verstrengeld geraakt met nieuwe informatie en dus het opslaan van de nieuwe informatie bemoeilijkt. Men spreekt hier van proactieve interferentie, een woord dat niet goed in de mond valt dus.  Om deze mogelijkheid te onderzoeken, werden een paar eenvoudige opdrachten voorgeschoteld aan een groep studenten van de universiteit van Californië waarbij twee verschillende woordenlijsten, in pdf formaat, vanbuiten geleerd moesten worden. Dit zou later getest worden. Soms kregen de studenten echter te horen dat de eerste woordenlijst gedurende het ganse experiment beschikbaar bleef op de harde schijf van de computer.

To save or not to save?

In een eerste experiment werd gekeken naar het effect van het al dan niet digitaal opslaan van een lijst met pas geleerde woorden op het leren van nieuwe woorden erna. Alle studenten kregen te horen dat ze zesmaal twee woordenlijsten in PDF formaat zouden leren, waarbij ze ofwel de eerste lijst mochten opslaan op de computer voor latere her-studie, of niet. De laatste woordenlijst zou eerst getest worden. De eerste woordenlijst werd pas op het laatst getest. Dit “proces” werd zesmaal doorlopen. Of ze de eerste lijst al dan niet mochten opslaan op de computer, vernomen ze pas na het leren ervan. Zoals verwacht waren de studenten veel beter in het onthouden van de woorden uit de tweede lijst als ze de eerste lijst opgeslagen hadden op de computer dan als ze het niet hadden opgeslagen. To save dus.

To believe or not to believe?

In een tweede experiment, waren de onderzoekers geïnteresseerd of het belangrijk is dat de studenten geloven dat de eerste lijst beschikbaar blijft. Hiervoor werd een groep nieuwe studenten onder de loep genomen. Het experiment was nagenoeg hetzelfde als het voorgaande, met het enige cruciale verschil dat de studenten ofwel vernomen dat ze voor een betrouwbare computer zaten, ofwel voor een onbetrouwbare computer. Het opslaan van de woordenlijst was dus niet gegarandeerd. En inderdaad, het effect in het vorige experiment verdween met de noorderzon. To believe dus.

To interfere or not to interfere?

In een laatste experiment werd onderzocht of het effect van opslaan van digitale informatie afhangt van het gehalte waarmee het zou kunnen interfereren met nieuwe informatie. Dit werd onderzocht door voorgaande experiment opnieuw af te nemen aan een groep studenten maar deze keer bevatte de eerste lijst slechts 2 woorden (in plaats van 8 woorden). Een lijst van twee woorden is makkelijker te leren dan een lijst van acht woorden. Het risico op interferentie is dus klein, en opslaan op een externe schijf zou dus niet veel mogen uitmaken. En inderdaad, het effect verdween. To interfere dus.

Conclusie

Dit recent onderzoek toont aan dat het gemakkelijker is om nieuwe kennis in ons geheugen op te slaan als we voorgaande kennis digitaal opslaan. In ons dagelijks leven, wordt meer en meer informatie digitaal opgeslagen en komt dus meer en meer informatie alom beschikbaar. Dit komt ons geheugen, paradoxaal genoeg, ten goede. Er komen immers meer “hulpbronnen” vrij om nieuwe kennis op te doen.

Er zijn echter wel twee voorwaarden aan verbonden: We moeten er op kunnen rekenen dat de digitalisering betrouwbaar verloopt en dat er een risico is op vermenging met nieuwe kennis. Een eerste stap naar een vergoelijking van een almaar meer digitaliserende maatschappij is gemaakt. Het is bijlange niet zo slecht voor de menselijke cognitie als gevreesd was. Om het in Sherlock Holmes’ woorden samen te vatten “a man should keep his little brain-attic stocked with all the furniture that he is likely to use, and the rest he can put away in the lumber-room of his library, where he can get it if he wants it” (p. 488 ; The five Orange Pips). Mijn boodschap? Laat die smartphone voorlopig nog maar in je broekzak steken.

Referentie

  • Storm, B.C. and Stone, S.M. (2014). Saving-Enhanced Memory: The benefits of saving on th elearning and remembering of new information. Psychological Science, 26(2), p. 182-188.

Auteur

Eleonore Smalle is doctoraatsonderzoekster in de cognitieve psychologie. Ze is verbonden aan het Instituut voor Psychologisch Wetenschappelijk Onderzoek (IPSY) en het Instituut voor Neurowetenschap (IoNS) van de Université Catholique de Louvain (Louvain-la-Neuve). Daar bestudeert ze geheugenmechanismen aan de basis van taalverwerving. Aan de Universiteit van Oxford deed ze tevens onderzoek naar invloeden van de motorische cortex op spraakperceptie, door middel van Transcraniale Magnetische Stimulatie van het brein.

 

Na het ontslag van een trainer komt het schokeffect… of toch niet?

Nu ook John Van den Brom de laan werd uitgestuurd, is de Jupiler Pro League aan zijn achtste trainerswissel toe. Niet uitzonderlijk, zo kopte sporza.be deze week nog, elk seizoen worden immers zo een 5 tot 11 trainers bedankt voor hun diensten en krijgen evenveel trainers de voor hen dankbare opdracht om de ontspoorde ploeg terug op de rails te zetten. Deze ingreep moet zorgen voor het in de media vaak geschreven en gehoorde ‘schokeffect’: de trainerswissel moet en zal het tij tijdig doen keren. Maar zorgt het ontslag van een trainer daadwerkelijk voor een schokeffect?

Theorieën over trainerswissel

In de wetenschappelijke literatuur kan men enkele theorieën terugvinden over ‘managerial turnover’. Volgens de ‘common sense’ theorie is de trainer verantwoordelijk voor de matige prestaties  van zijn team.  Het aanstellen van een nieuwe trainer zal er toe leiden dat foute keuzes en verkeerde tactieken geidentificeerd en hersteld worden door de nieuw aangestelde trainer. Deze  aanpak zal de club er bovenop helpen met onmiddellijk resultaat. De ‘vicious circle’ theorie stelt dat een slecht presterend team een trainerswissel uitlokt. Het ontslaan van de trainer ontwricht het team echter verder en de gehoopte positieve resultaten blijven uit. Ten slotte is er de theorie van ‘ritual scapegoating’. Volgens deze theorie hangt de prestatie van een team in grote mate af van de kwaliteit van de spelers. Een nieuwe trainer die met dezelfde kern moet werken, zal dus niet voor het verschil kunnen zorgen. De trainer wordt opgeofferd om tegemoet te komen aan de verlangens van supporters, directie, media of sponsors.

Trainerswissels in de Premier en Football League

Audas, Dobson en Goddard analyseerden in 2002 gegevens van alle Premier en Football League (de Engelse eerste klasse tot en met de vierde klasse) wedstrijden over 28 seizoenen, lopende van 1972 tot 2000. In hun analyse hielden ze naast een trainerswissel ook rekening met mogelijke covariaten of factoren die een impact kunnen hebben op de resultaten: speelt het team een thuiswedstrijd of speelt het op verplaatsing, wat is het belang van de wedstrijd (bv. kan de club promoveren/degraderen), zit het team nog in de FA cup of niet*, wat is de gemiddelde winratio van het team/tegenstander over een langere periode, enz. De onderzoekers vonden evidentie voor de vicieuze cirkel theorie: gemiddeld presteren teams na het ontslag van hun trainer zwakker voor de resterende matchen van het seizoen. Waar de geschatte kans – over alle andere factoren gemiddeld – nog 46% was om thuis te winnen, daalt deze kans naar 43% – niet veel, wel significant. Na enkele matchen herstelt dit effect zich en wordt de kans op een thuisoverwinning gelijk aan de overwinningskans van andere teams die geen trainerswissel doorvoerden.

*Het ‘antwoord’ van een team na een bekeruitschakeling blijkt gemiddeld genomen een negatief antwoord: ook hier daalt de verwachte overwinningskans.

Trainerswissels in de Eredivisie

Bruinshoofd en ter Weel rapporteerden in 2003 de resultaten van een studie over het effect van trainerswissels in de Nederlandse Eredivisie tussen 1988 en 2000. Deze onderzoekers onderzochten het effect door de prestaties van het team over vier matchen voor de wissel te vergelijken met de prestaties in evenveel matchen na de wissel. Daarnaast vergeleken ze de geobserveerde effecten met ploegen die zich in een gelijkaardige situatie bevonden, maar besloten hun trainer niet te ontslaan (de controleconditie). Resultaten wijzen erop dat een trainerswissel wel een effect heeft en het team gemiddeld iets beter presteert na de wissel. Echter, dit effect blijkt niet veroorzaakt te worden door de trainerswissel: een gelijkaardig effect vonden ze terug in de controleconditie. Sterker, voor clubs die het vertrouwen hielden in hun trainer, was de prestatie beter dan ploegen met een nieuwe trainer.

Trainerswissels in de Primera Division

Een derde onderzoek nuanceert de negatieve effecten van een trainerswissel. de Dios Tena en Forrest onderzochten de impact van trainerswissels in de Spaanse competitie en dat over drie seizoenen (van 2002 tot 2005). Hoewel vorig onderzoek evidentie vond voor de vicieuze cirkel theorie, blijkt er in deze studie eerder evidentie te zijn voor de zondebok theorie. Ondanks dat de resultaten in uitwedstrijden niet verbeteren, presteert het team met een andere trainer gemiddeld genomen iets beter voor thuiswedstrijden. Maar ook hier is de conclusie dat het effect van een nieuwe trainer op de prestatie eerder beperkt is. De auteurs stellen de hypothese voorop dat het vooral de supporters zijn die voor de ommekeer zorgen: doordat een ploeg maatregelen genomen heeft na een slechte periode, zullen supporters met meer enthousiasme hun team steunen – als deze achter de beslissing van het bestuur staan.

Conclusie

Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat het gehoopte schokeffect van een trainerswissel eerder mythe dan feit is. Gemiddeld genomen zullen de winstkansen na een trainerswissel niet toenemen.

Het ontslaan van de trainer blijft dan ook een ‘gok’: soms win je, soms verlies je, en soms speel je gelijk.

Luisteren naar de supporters kan alleszins helpen om de neerwaartse spiraal te doorbreken. Het was alvast een terechte keuze van nieuwbakken coach Riga om de supporters van Charlton uitgebreid te bedanken voor het behalen van zijn eerste punt.

Referenties

  • Audas, R. Dobson, S. & Goddard, J. (2002). The impact of managerial change on team performance in professional sports. Journal of Economics and Business, 54, 633-650.
  • Bruinshoofd, A., & ter Weel B. (2003). Manager to go? Performance dips reconsidered with evidence from Dutch football. European Journal of Operational Research, 148, 233-246.
  • de Dios Tena, J., & Forrest, D. (2007). Within-season dismissal of football coaches: Statistical analysis of causes and consequences.  European Journal of Operational Research, 181, 362-373.

Auteur: Maarten De Schryver

Maarten De Schryver, bedrijfspsycholoog van opleiding, is wetenschappelijk medewerker bij hetLearning and Implicit Processes Lab van de Universiteit Gent. Daarnaast geeft hij als consultant methodologisch en data-analytisch advies aan zowel profit als non-profit organisaties. Als vrijwilliger geeft hij statistische ondersteuning voor het Centre for Children in Vulnerable Situations.

 

Is zelfcontrole te trainen?

Iedereen heeft het wel al eens meegemaakt dat hij of zij een taak moest afwerken, maar iets nutteloos begint te doen in de plaats. Achteraf voelen we ons dan schuldig omdat we zoveel tijd verspild hebben en wensen we dat we konden weerstaan aan de verleidingen des levens. Hetzelfde scenario als we ’s avonds na het avondeten thuiskomen en nog twee taartjes verorberen die in de koelkast staan ondanks ons voornemen om gezonder te eten. De dag nadien voelen we ons een zwak persoon en nemen we ons voor om de hele dag zelfcontrole te oefenen en geen gesuikerde dingen te eten.

Hoe komt het toch dat we soms niet doen wat we moeten doen ook al weten we wat het beste is voor ons? Is het zo dat zelfcontrole iets is wat we kunnen trainen, waarin we beter kunnen worden naarmate we het meer doen?

Ons vat vol zelfcontrole raakt leeg

De wetenschap geeft aan van niet. Meer nog, hoe meer we onze zelfcontrole zouden oefenen, hoe minder we er in staat toe zouden zijn. Laat ik dit verduidelijken met een experiment.

Baumeister en collega’s deden een experiment waarin de deelnemers koekjes en radijsjes kregen aangeboden. De ene helft mocht niet van de radijsjes eten en wel van de koekjes. De andere helft mocht enkel van de radijsjes eten en dus niet van de koekjes. Deze tweede groep moest in hun taak dus veel meer zelfcontrole uitoefenen omdat het nu eenmaal veel moeilijker is om de weerstaan aan lekkere koekjes dan aan gezonde radijsjes. Na deze opdracht, moesten de deelnemers een onoplosbare puzzel proberen oplossen. Welke invloed had de zelfcontroletaak op hun doorzettingsvermogen?

De resultaten wezen uit dat de deelnemers uit de tweede groep zich veel minder lang op de puzzel concentreerden dan de eerste groep. Dit betekent dat zelfcontrole een beperkte bron is. Wanneer je die inzet voor één taak, blijft er minder over voor andere taken. Volgens Baumeister en collega’s zouden mensen minder zelfcontrole kunnen uitoefenen na een inspannende taak, omdat de toegang tot hun zelfbeeld hierdoor verminderd zou zijn en ze op dat moment dus niet meer aan hun ideale zelf kunnen werken.

Miller en collega’s vonden dit een zeer interessant experiment, maar vroegen zich af of de verklaring met betrekking tot toegang tot je zelfbeeld niet wat te vergezocht was en of de resultaten niet konden verklaard worden door een meer basaal mechanisme. Om dit te testen deden ze een experiment met honden, waarvan we uit eerder onderzoek weten dat zij geen zelfconcept hebben omdat ze zichzelf niet kunnen herkennen in de spiegel.

Deze onderzoekers vroegen dertien honden met hun baasjes naar de Universiteit van Kentucky. De honden werden at random in twee groepen onderverdeeld. De eerste groep honden kreeg de opdracht om tien minuten op dezelfde plek te blijven zitten, terwijl de andere groep dieren tien minuten in een kennel werden gezet. Iedereen die een hond heeft, weet dat het voor honden heel moeilijk is om tien minuten op dezelfde plaats te blijven en dat het dus veel zelfcontrole van de honden vereist om toch aan het bevel van hun baasje te gehoorzamen. Na deze opdracht, kregen de honden een speeltje waar een beloning in verstopt was. De honden kenden dit speeltje en wisten dat als ze het voorwerp op de juiste manier draaiden, dat dan een beloning tevoorschijn zou komen. Echter, zonder dat de honden dit wisten werd de beloning geblokkeerd, waardoor de puzzel onoplosbaar was. Net zoals in het experiment met mensen, werd gevonden dat de honden die eerst zelfcontrole hadden moeten uitoefenen, zich veel minder lang met het speeltje bezighielden dan de honden die in de kennel hadden gezeten. Dit bevestigt dus de bevinding dat zelfcontrole een beperkte bron is die op raakt. Echter, aangezien bij de honden dezelfde resultaten gevonden werden als bij mensen, wijst dit erop dat ons zelfconcept niet aan de basis ligt van zelfcontrole. Er moet dus een meer eenvoudige verklaring zijn. Zo zou het kunnen dat de voedingsstoffen die instaan voor zelfcontrole, namelijk glucose, opgebruikt zou zijn na een inspannende taak.

Om dit te testen deden Miller en collega’s een tweede experiment waarbij de honden opnieuw tien minuten op afstand moesten blijven zitten. Dit maal kreeg de helft van de honden na deze opdracht een drankje met glucose in, terwijl de andere helft een zoet, maar ongesuikerd drankje opdronk. De honden die het zoet, maar ongesuikerd drankje kregen, gedroegen zich gelijkaardig aan de honden uit het eerste experiment. De honden die het glucose drankje kregen, probeerden ditmaal even lang om het speeltje open te krijgen als de honden die in de kennel gezeten hadden. Dit wijst erop dat de glucose ervoor zorgde dat de zelfcontrole van de honden opnieuw aangevuld werd.

Samengevat, tonen deze resultaten dus aan dat zelfcontrole zowel bij mensen als honden een beperkte bron is die op kan raken, maar opnieuw kan aangevuld worden door glucose in te nemen.

Use with caution

Moraal van het verhaal: oefen je zelfcontrole dus niet te vaak als het niet nodig is! Anders zal je op momenten dat het nodig is geen zelfcontrole meer kunnen uitoefenen om dat lekkere stukje taart niet op te eten. Het lijkt erop dat je zelfcontrole niet volledig bepaald wordt door je (al dan niet sterk) karakter, maar ook voor een deel afhangt van je voedingspatroon. Een goede tip die de auteurs van dit onderzoek geven is om te anticiperen op het suikertekort. Als je weet dat je veel zelfcontrole zal moeten uitoefenen, opteer dan voor een maaltijd met veel trage suikers, die je lang de nodige energie zullen geven om zelfcontrole te blijven uitoefenen.

Referenties

  • Baumeister, R.F., Bratslavsky, E., Muraven, M., & Tice, D.M. (1998). Ego depletion: Is the active self a limited resource? Journal of Personality and Social Psychology, 74,1252-1265.
  • Miller, H.C., Pattison K.F., DeWall C.N., Rayburn-Reeves R., & Zentall, T.R. (2010). Self-control without a “self”? Common self-control processes in humans and dogs. Psychological Science, 21, 534-538.

Deze blogpost verscheen eerder op Studio Brein, een initiatief van Breinwijzer vzw.

Auteur: Sarah Beurms

Sarah Beurms is doctoraatsstudente in de Leerpsychologie aan de KUL.

 

Perfectionisme: een gave of een vergiftigd geschenk?

Perfectionisme: wat is dit eigenlijk?

Perfectionisme is een persoonlijkheidskenmerk, iets wat de ene persoon dus meer heeft dan de andere. Iedereen kent wel iemand uit zijn of haar omgeving die alles tot in de puntjes in orde wil hebben, zelden tevreden is met een bepaald resultaat, en zeer kritisch is voor zichzelf of anderen. Binnen deze opsomming zien we een diversiteit aan kenmerken die we toeschrijven aan perfectionisten. Momenteel is er binnen de literatuur meer en meer consensus omtrent het feit dat perfectionisme een multidimensionaal kenmerk is, wat wil zeggen dat het uit diverse componenten bestaat. Enerzijds onderscheiden we ‘prestatiegericht perfectionisme’, anderzijds onderscheiden we ‘zelfkritisch perfectionisme’ (Boone, Soenens, & Braet, 2011).

Prestatiegericht perfectionisme versus zelfkritisch perfectionisme: wat is het verschil?

Wie hoog scoort op prestatiegericht perfectionisme legt typisch de lat vrij hoog en heeft hoge standaarden en verwachtingen voor zichzelf. Men zou kunnen zeggen dat dit de ambitieuze mensen zijn die ernaar streven om het ‘te maken’ in hun leven.

Wie hoog scoort op zelfkritisch perfectionisme is vrij kritisch tegenover zichzelf, heeft vaak het gevoel dat wanneer men iets doet, het niet goed genoeg is en het beter zou moeten, en maakt zich zorgen over fouten. Typisch zullen deze mensen hun zelfwaarde heel sterk laten afhangen van hun prestaties: wanneer ze goed presteren, voelen ze zich goed en waardevol als persoon. Echter, wanneer ze slecht presteren, dan voelen ze zich gefaald als persoon. Het breekbare zelfbeeld dat kenmerkend is voor deze vorm van perfectionisme werd reeds in een eerdere post besproken (zie “hoe tevreden ben jij met jezelf”).

Onderzoek toont aan dat zelfkritisch perfectionisme zeer sterk geassocieerd is met een diverse range aan negatieve gevolgen, zoals laag zelfbeeld, depressie, angst, eetstoornissen (Shafran & Mansell, 2001). Veel minder duidelijk is of prestatiegericht perfectionisme nu geassocieerd is met negatieve, dan wel met positieve gevolgen. Prestatiegericht perfectionisme lijkt een mes te zijn dat aan twee kanten kan snijden.

“I’m a perfectionist, so I can drive myself mad – and other people, too. At the same time, I think that’s one of the reasons I’m successful. Because I really care about what I do.”
(Michelle Pfeiffer)

Wie de lat hoog legt, kan diep vallen

Het gevaar van het stellen van hoge standaarden situeert zich op diverse vlakken:

  1. Zolang je in staat bent om je hoge standaarden te bereiken, zal je niet noodzakelijk problemen ondervinden. Het is vooral wanneer je geconfronteerd wordt met falen dat problemen aan de oppervlakte kunnen komen.
  2. Perfectionisten zijn gevoelig om een succeservaring te gaan herevalueren (‘Ik scoorde wel goed, maar eigenlijk was dat examen ook niet echt moeilijk’). Het gevolg hiervan is dat ze de lat de volgende keer nog wat hoger gaan leggen, waardoor ze hun kans om te falen in de hand werken.
  3. Wanneer standaarden onrealistisch zijn en op een zeer rigide, niet flexibele, manier worden nagestreefd, is het meer waarschijnlijk dat men negatieve gevolgen zal ondervinden van deze perfectionistische houding.
  4. Er schuilt een gevaar voor het ontwikkelen van zelfkritiek wanneer hoge standaarden worden gesteld. Inderdaad, onderzoek wees uit dat wanneer men gedurende de loop van de dag hoge standaarden stelt, men dan ook meer zelfkritisch is en meer twijfelt aan het eigen kunnen (Boone et al., 2012).

“Perfectionism is not a quest for the best. It is the pursuit of the worst in ourselves, the part that tells us that nothing we do will ever be good enough – that we should try again.”
(Julie Cameron)

Referenties

  • Boone, L., Soenens, B., & Braet, C. (2011). Een kritische analyse van het begrip perfectionisme in relatie tot eetstoornissen. Tijdschrift voor Klinische Psychologie, 41, 117-128.
  • Boone, L., Soenens, B., Thanasis, M., Vansteenkiste, M., Verstuyf, J., & Braet, C. (2012). Daily fluctuations in perfectionism and their relation to eating disorder symptoms. Journal of Research in Personality, 46, 678-687.
  • Shafran, R., & Mansell, W. (2001). Perfectionism and psychopathology: A review of research and treatment. Clinical Psychology Review, 21, 879-906.

Auteur: Liesbet Boone

Dr. Liesbet Boone is klinisch psycholoog en momenteel als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust zich voornamelijk op perfectionisme en eetstoornissen bij adolescenten. In haar doctoraatswerk (2012) vond ze in diverse studies evidentie voor het feit dat perfectionisme zeer nauw verweven is met eetstoornissymptomen. Bovendien vond ze via longitudinaal en experimenteel onderzoek dat perfectionisme de ontwikkeling van eetstoornissymptomen voorspelt. Ze is tevens als klinisch psycholoog werkzaam in het Universitair Psychologisch Centrum Kind en Adolescent waar zij adolescenten met eetstoornissen en geassocieerde problematieken begeleidt.