Browse Tag: leren

Waarom leren kinderen vlotter een nieuwe taal dan volwassenen?

Hoewel zich uitdrukken in taal heel evident lijkt, is het verwerven van taal best een uitdagend opdracht. Denk maar eens aan een nieuwe taal leren. Het is goed mogelijk dat je nog steeds twijfelt over de subjonctives van être – Bescherelle ten spijt. Laat staan dat je incognito een baguette bij de lokale bakker bestelt. Quand les poules auront des dents. Tenzij je jong geleerd bent. Dan gaat het precies vanzelf – of althans zónder traceerbaar accent.
Kinderen zijn meer succesvol in het leren van taal dan volwassenen. Dit geldt zowel voor het leren van de moedertaal als het leren van een tweede taal. Een sprekend voorbeeld is de casus van Victor de l’Aveyron, het wolfskind dat opgroeide zonder taal en daarna nooit meer in staat was een moedertaal te verwerven. In 1967 definieerde Eric Lenneberg een “kritische” periode waarin je taal kan leren. Deze periode eindigt op het moment dat de taalfuncties in de (linker)hersenen zijn verankerd, met name rond de puberteit. Later werd dit genuanceerd, voornamelijk wat betreft het leren van een tweede taal. Volwassenen zijn nog steeds in staat om een nieuwe taal te leren, al het gaat niet meer zo vanzelf en zelden tot op moedertaalniveau. Men spreekt over een sensitieve periode voor taalverwerving die verdwijnt rond de puberteit.

Dit lijkt contra-intuïtief. Volwassenen blinken uit op tal van cognitieve vaardigheden. Ze hebben een grotere aandachtspanne, meer capaciteit in het geheugen en een complexer redeneervermogen dan kinderen. En toch leren ze taal niet zo vlot zoals kinderen dat doen. Dit paradox werd in 2005 door het tijdschrift Science uitgeroepen tot één van de belangrijkste maar nog steeds onopgeloste vragen in de wetenschappen. Meer dan tien jaar later zijn wetenschappers nog steeds op zoek naar antwoorden.

Een taal leren dat doe je niet zomaar. Of net wel?
In 1996 ontdekten Amerikaanse wetenschappers dat baby’s van amper 8 maanden oud in staat zijn om woorden te isoleren uit een continue stroom van spraakklanken enkel en alleen door te luisteren [1]. Hun brein pikt onbewust statistische regelmatigheden op die verstopt zitten in onze taal. In iedere taal komen bepaalde elementen (klanken, woorden, etc.) relatief vaak in combinatie voor. Een kind dat leert dat “grote”, en niet “degro” of “tehond” in “de grote hond” een apart woord is, heeft te maken met overgangswaarschijnlijkheden tussen de verschillende lettergrepen: de syllaben “gro” en “te” komen veel vaker samen voor dan “de” en “gro”. Bovendien zullen woorden in het Nederlands nooit eindigen met de klank ‘h’ en dus waarschijnlijk het begin van het volgend woord aanduiden [ook wel fonotactische regels genoemd]. Een kind ziet ook net vaker een grote hond dan een poes of een kleine hond wanneer deze klanken aangeboden worden. Soortgelijke statistiek kan ook gebruikt worden om grammaticaregels te leren. Bijvoorbeeld, de overgangswaarschijnlijkheid tussen een enkelvoudig onderwerp en -t (vb., hij loopt, zij fietst) is hoog en dus leert het kind dat het niet “broer loop” of “ik fietst” is. Steeds meer en recenter onderzoek laat zien dat statistisch leren een fundamenteel basismechanisme is in het jong brein dat helpt bij het leren van taal en andere vaardigheden zoals sport of muziek.

Hoe zit het dan als we ouder worden?
Ons vermogen tot statistisch leren verdwijnt niet met ouder worden. In tegendeel. We maken nog steeds onbewust gebruik van statistische regelmatigheden in onze omgeving om iets te bij te leren – denk bijvoorbeeld aan conditionering. Wat wel verandert is onze ervaring, de plasticiteit van ons brein en ons cognitief vermogen [2].
Hoe vertrouwder men wordt met de statistiek binnen één taalsysteem, hoe moeilijker het wordt om zich aan te passen aan de statistiek van een ander taalsysteem. Ervaring is een mes dat snijdt aan twee kanten. Door het oppikken van statistische regelmatigheden winnen we kennis in de ene taal maar ontnemen we tegelijk ons vermogen tot aanpassen aan de andere taal – zeker als deze taal er andere fonotactische of grammaticale regels op nahoudt. Dit kan echter niet verklaren waarom er ook een kritische periode lijkt te bestaan voor het leren van een eerste taal.

Tijdens het leren worden synaptische verbindingen gevormd tussen neuronen. De meeste neuronen worden aangemaakt voor het tweede levensjaar. Deze sterven geleidelijk af met ouder worden. Een jonger brein is hierdoor plastischer en daardoor ook beter uitgerust om taal te leren. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat kinderen sneller herstellen van traumatische schade aan de linkerhersenhelft (betrokken bij taalverwerving) dan volwassenen. Echter, verlies aan plasticiteit kan niet verklaren waarom volwassenen slechter worden in het leren van taal maar net beter in het leren van andere cognitieve vaardigheden.
Hoe ouder, hoe intelligenter – althans, het is maar hoe je het bekijkt. Door de groei van de prefrontale cortex, de voorste delen van het brein, krijgen volwassenen een beter cognitief vermogen. Deze groei start in de pubertijd en ontwikkelt zich verder tot en met het 25e levensjaar. Hierdoor leren volwassenen taal niet meer uitsluitend op een onbewuste manier, maar door actief en expliciet op zoek te gaan naar het onderliggend regelsysteem. Ze zoeken het te ver en zien door de bomen het bos niet meer. Of ze slaan te veel informatie tegelijk op en vergeten daarom sneller en slagen zaken door elkaar. Onderzoek met volwassenen toont bijvoorbeeld aan dat het brein sneller statistische regelmatigheden oppikt en minder snel vergeet wanneer men afgeleid is of wanneer de prefrontale activiteit onderdrukt wordt aan de hand van slaapmedicatie (benzodiazepines) en/of transcraniële magnetische stimulatie [3]. Less is more.

Wat nu?
In de loop der jaren zijn er al heel wat educatieve methoden gebaseerd op bovenstaande inzichten. Denk bijvoorbeeld aan de stijgende populariteit van immersie-scholen waar taal niet wordt onderwezen maar aangeboden (d.i., zo natuurlijk mogelijk) – en liefst zo vroeg mogelijk [4]. Er zitten echter nog steeds haken en ogen aan het wetenschappelijk debat rond sensitiviteit in taalverwerving. Er blijken ook verschillende sensitieve periodes te zijn voor verschillende aspecten van taal (fonologie, morfologie, syntax…) en sommige aspecten van taal hebben wel voordeel van expliciete onderwijsvormen (vb. onregelmatige vervoegingen, semantiek). Individuele verschillen in persoonlijkheid, motivatie, aanleg alsook sociale factoren spelen ook een rol.

Referenties
[1] Saffran, J. R., Aslin, R. N., & Newport, E. L. (1996). Statistical learning by 8-month-old infants. Science, 274(5294), 1926-1928.
[2] Thiessen, E.D., Girard, S. & Erickson, L.C. (2016). Statistical learning and the critical period: how a continuous learning mechanism can give rise to discontinuous learning. Cognitive science, 7:276-288.
[3] Smalle, E.H.M., Panouillères, M., Szmalec, A., & Möttönen, R. (2017). Language learning in the adult brain: Disrupting the dorsolateral prefrontal cortex facilitates word-form learning. Scientific Reports, 7: 13966.
[4] Simonis, M, Van der Linden, L, Galand, B, Hiligsmann, P, & Szmalec, A (2019). Executive control performance and foreign-language proficiency associated with immersion education in French-speaking Belgium. Bilingualism: Language and Cognition, 1-16.

 

Ingrijpende vernieuwing van de opleiding voor klinisch psychologen aan de UGent

“Onze studenten moeten beter voorbereid zijn op een diverse samenleving, waarin de vraag naar hulp toeneemt”, zegt professor Ann Buysse.

Daarom werkten diverse actoren binnen en buiten de universiteit samen aan een radicale vernieuwing van de opleiding voor klinisch psychologen.

Eén op drie Belgen heeft problemen met de geestelijke gezondheid. We weten echter dat wetenschappelijk onderbouwde psychologische interventies effectief zijn. Minister De Block realiseerde onlangs een aanpassing van de Wet opdat klinisch psychologen een meer prominente plaats zouden krijgen binnen de gezondheidssector. Ook de Hoge Gezondheidsraad deed aanbevelingen die aangeven wat een psycholoog moet kennen en kunnen om effectief hulp te bieden.

Alles zit nu verwerkt in de vernieuwde opleiding.

Continue Reading

 

Leer iets nieuws in 2016: leer leren.

Nieuwjaarsdag, tijd om plannen te maken voor 2016! Misschien is dit het jaar waarin je eindelijk tijd kan vrijmaken om saxofoon te leren bespelen, om je te verdiepen in astrofysica of om je eerste woorden Chinees te spreken. Droom lekker groot dit jaar want wij helpen je alvast efficiënter te leren.

Leren in de 21ste eeuw

In deze razendsnel evoluerende wereld is het belangrijker dan ooit om snel nieuwe kennis en vaardigheden te kunnen oppikken. We leren om een diploma te halen, om bij te blijven op onze job of om onze kleinkinderen te kunnen bijbenen in dit digitale tijdperk. Gebrek aan tijd of onregelmatige werkuren zijn niet langer een excuus om leren uit te stellen. Online cursussen hebben het voor iedereen mogelijk gemaakt om zowat alles op je eigen tempo te leren, van je eigen robots bouwen tot diepgaande analyses van middeleeuwse poëzie.

Tussen droom en daad…

En toch aarzelen we voor we eraan beginnen. Zal ik zo’n online cursus wel aankunnen na al die tijd weg van de schoolbanken? Hoe kan ik zo efficiënt mogelijk leren zodat het in mijn weekschema past? Gelukkig kan onderzoek naar hoe de hersenen leren ons iets vertellen over hoe we zo efficiënt mogelijk kunnen leren. Het principe is heel eenvoudig: je leert enkel bij wanneer je hersenen verrast worden door de leerstof. De hersenen hebben een soort buffersysteem om zichzelf te beschermen tegen het onnodig leren van informatie die ze al kennen. Enkel wanneer er iets onverwachts gebeurt worden de geheugensporen tijdelijk plastisch en kunnen we leren door die geheugensporen aan te passen.

Evidence-based leren

Dat klinkt aannemelijk, maar wat betekent dat nu precies in de praktijk? Laten we een paar klassieke leermethodes onder de loep nemen en aftoetsen of ze leiden tot efficiënt leren. Onderlijnen, trefwoorden oplijsten en samenvatten zijn vast de bekendste strategieën. Ze creëren structuur, maar laten de hersenen de leerstof niet ervaren op een verrassende manier. Wat met fancy mindmaps? Helaas, ook mindmapping is weinig verrassend en onderzoek wijst uit dat het leerrendement beperkt is.

Hoe kunnen we dan wel efficiënt leren? Heel eenvoudig: door het oplossen van oefeningen of (meerkeuze)vragen. We hebben het niet toevallig allemaal wel eens meegemaakt dat we pas tijdens een examen plots tot een bepaald inzicht kwamen. Door over een vraag na te denken worden we uitgedaagd de leerstof op een andere manier te bekijken en kan er opnieuw leren plaatsvinden. Zijn er geen vragen of oefeningen in de cursus ingebouwd, dan kan je trachten aan een vriend de leerstof uit te leggen en zo de gaten in je kennis op te sporen.

  • Klassieke leerstrategieën (ofwel, hoe het niet moet): samenvatten, onderlijnen, trefwoorden oplijsten, mindmaps maken.
  • Leren in de 21ste eeuw (ofwel, hoe het wel moet): vragen oplossen, de leerstof uitleggen.

Waarom blijven we de klassieke leerstrategieën gebruiken?

Een interessante vraag blijft wel: waarom bleven we na al die jaren leren toch vasthouden aan suboptimale leerstrategieën? Helaas zijn er heel wat redenen om tests te vermijden: oefeningen maken is vermoeiend en fouten maken is demotiverend. Inderdaad, de beste leerstrategieën zijn meestal degene die het minst goed aanvoelen op het moment zelf. De klassieke leerstrategieën daarentegen geven je het (valse) gevoel dat je de leerstof beheerst. Gelukkig is ook hier de oplossing eenvoudig: hou je vooruitgang bij en beloon jezelf voor je vorderingen.

En nu aan de slag!

Ben je warm gemaakt om je goede voornemens in de praktijk te brengen? Neem dan zeker eens een kijkje naar de Coursera-cursus learning how to learn en ontdek alles over evidence-based leren. Veel leerplezier in 2016!

Referenties

  • Dunlosky, J., Rawson, K. A., Marsh, E. J., Nathan, M. J., & Willingham, D. T. (2013). Improving Students’ Learning With Effective Learning Techniques: Promising Directions From Cognitive and Educational Psychology. Psychological Science in the Public Interest, 14(1), 4–58. doi:10.1177/1529100612453266
  • Karpicke, J. D., & Roediger, H. L. (2008). The critical importance of retrieval for learning. Science (New York, N.Y.), 319(5865), 966–968. doi:10.1126/science.1152408

https://www.coursera.org/learn/learning-how-to-learn

Auteur: Esther De Loof

Esther De Loof is FWO doctorandus aan de vakgroep Experimentele Psychologie van de Universiteit Gent. Ze doet onderzoek naar hoe de hersenen leren uit voorspellingsfouten.

 

Huiswerk: (veel) waar voor weinig geld.

Het VRT-programma Koppen en Het Nieuwsblad berichtten vorige week uitvoerig over huiswerk. Het nut zou beperkt zijn, ouders zijn ertegen (al was dat een minderheid), en je kon het maar beter afschaffen.

Dat zou zonde zijn. Onderzoek wijst uit dat het leereffect van huiswerk reëel, betrouwbaar en voldoende groot is. Als je het ook nog eens afweegt tegen de beperkte investering die het vergt, is huiswerk een winner.

De internationale onderwijsexpert John Hattie maakte een samenvatting van bijna tweehonderd wetenschappelijke studies over die vraag, goed voor meer dan 100.000 geteste leerlingen. De conclusie is dat huiswerk wel degelijk tot betere schoolprestaties leidt (voor de wetenschappers: d = 0.29) Het effect is niet zeer groot (wat in de psychologie overeenstemt met d = 0.80), maar betekenisvol, betrouwbaar en ook niet heel klein (d = 0.20 wordt als een betekenis, maar klein effect gezien). Met huiswerk alleen, net zoals met alle andere ingrepen in het onderwijs, kun je inderdaad geen wonderen verrichten.

Het Vlaams onderwijs doet het zeer goed in internationaal vergelijkend onderzoek zoals Pisa, maar de trend is neerwaarts, en vooral het aandeel zeer sterke leerlingen is dalend. Daar mogen we ons niet bij neerleggen, maar huiswerk afschaffen zal geen zoden aan de dijk brengen, integendeel.

Huiswerk mag dan geen gigantische leeropbrengst hebben, het blijft wel te verantwoorden. Ter vergelijking: het effect van huiswerk op leerprestatie is van dezelfde grootteorde als het effect van antidepressiva op depressie (d = 0.30). Niemand zou pleiten voor de afschaffing van die medicijnen, en terecht. Ook de bewering dat slechts een vierde van de leerlingen baat zou hebben bij huiswerk, blijkt helemaal niet uit dit onderzoek.

Belangrijk vanaf vierde leerjaar

Huiswerk wordt nog interessanter als je rekening houdt met de leeftijd. Het gemiddelde effect verbergt immers een leeftijdsverschil. De eerste drie jaar van het lager onderwijs is het effect van huiswerk zeer klein, maar vanaf het vierde jaar wordt het belangrijk, en in het secundair is het effect al dubbel zo groot (d = 0.64), en bijvoorbeeld dubbel zo groot als dat effect van antidepressiva. Zeer weing onderwijsmaatregelen hebben een even groot effect.

Alleen in de eerste leerjaren is het effect op schoolprestaties dus klein, maar dat is geen reden om te pleiten voor een algemene afschaffing van huiswerk. De gemiddelde impact ervan komt neer op een verbetering van het leren met 15 procent. Door één enkele maatregel. Dat is veel voor een onderwijspraktijk die voor de overheid zo goed als gratis is (behalve de tijd die de leerkrachten eraan spenderen), en geen bijkomende middelen of investeringen vergt. Om een vergelijkbaar positief surplus te verkrijgen met een andere ingreep zou men allicht diep in de buidel moeten tasten. Wil je dat bereiken door klassen te verkleinen bijvoorbeeld, dan moet je van klassen van 23 naar 15 leerlingen. Dat zou heel veel extra leerkrachten vergen. Idem voor computerondersteunend leren en media-ondersteuning verstrekken. Effecten van testen, schoolbeleid, huisbezoeken of geïndividualiseerd onderwijs zijn evenmin groter. Huiswerk heeft dus meer dan een verwaarloosbare impact, en een groter effect dan veel dingen die wel unaniem belangrijk gevonden worden en veel geld kosten (misschien dat we ze net daarom zo belangrijk inschatten).

Dat betekent overigens niet dat je zo veel mogelijk huiswerk moet geven. Het positieve effect wordt kleiner met elk bijkomend kwartier. Onderwijsexpert Harris Cooper suggereert voor het lager onderwijs maximaal vier opdrachten per week van een kwartier (6-9 jaar) of een halfuur (9-12 jaar). Voor het secundair onderwijs maximaal vijf opdrachten per week, elk één (12-15 jaar) of anderhalf uur (15-18 jaar). Dat komt ongeveer overeen met wat onze 15-jarigen volgens het Pisa-onderzoek opgelegd krijgen (5,5 uur per week). Belgische kinderen doen daarmee iets meer huiswerk dan het Oeso-gemiddelde, maar tegelijk is de tijd die aan huiswerk gespendeerd wordt de laatste twaalf jaar met een tiende gedaald. De weerstand tegen huiswerk groeit dus ook bij leerkrachten. Nochtans, ook in het Pisa-onderzoek heeft de tijd die aan huiswerk gespendeerd wordt een meer dan dubbel zo groot effect op prestaties dan schoolinfrastructuur of lerarenondersteuning.

Conclusie: huiswerk wérkt. Het is een kostenefficiënte manier om leerprestaties te bevorderen.

De ouders die tegen huiswerk zijn (één op vijf) kunnen we nog dit meegeven: trek er u niets van aan en zet uw kleine spruit of puber ondertussen een glaasje water voor. Ouderhulp bij huiswerk heeft geen enkel effect op schoolresultaten. Echt niet.

(verschenen in De Standaard, 1 juni 2015)

 

Ons digitaal geheugen. Maakt Google ons echt dommer?

Of ik nog weet wanneer de eerste mens op de maan landde. Dat googelen we even vlug. Maken we het onszelf en ons geheugen te gemakkelijk? Paradoxaal genoeg niet. Hoe meer we informatie opslaan op externe schijven hoe beter we informatie kunnen vasthouden in ons eigen geheugen. Dit blijkt uit een artikel dat onlangs verscheen in het toonaangevende tijdschrift Psychological Science. Een duo jonge wetenschappers verdiepte zich in het baten en schaden van ons geheugen door technologie. Een vooruitgang waar we elke dag mee geconfronteerd worden, en, toch niet te ontkennen, die ons af en toe een helpend handje biedt (1961!). Hoe kan dit ons niet interesseren? Laat ons de bevindingen even kort toelichten.

“[I do not] carry such information in my mind, since it is readily available in books… The value of a college education is not the learning of many facts but the training of the mind to think.” Einstein when answering the question “What is the speed of sound?” – Isaacson, 2007, p 229

Beter één boek in de hand of tien ipads in de lucht?

De auteurs baseerden zich op eerdere bevindingen dat het herinneren van informatie moeizamer verloopt als dit via digitale bronnen wordt geleerd. Anders gezegd, er zijn kosten verbonden aan de technologie. Maar om het vanuit een evolutionair oogpunt te bekijken: elke kost heeft ook een adaptieve functie. Vermoedelijk, aldus de onderzoekers, wordt door het opslaan van digitale informatie plaats gemaakt voor  het onthouden van andere nieuwe informatie (men spreekt van “cognitieve hulpbronnen”). Op deze manier vermijden we dat teveel informatie onnodig verstrengeld geraakt met nieuwe informatie en dus het opslaan van de nieuwe informatie bemoeilijkt. Men spreekt hier van proactieve interferentie, een woord dat niet goed in de mond valt dus.  Om deze mogelijkheid te onderzoeken, werden een paar eenvoudige opdrachten voorgeschoteld aan een groep studenten van de universiteit van Californië waarbij twee verschillende woordenlijsten, in pdf formaat, vanbuiten geleerd moesten worden. Dit zou later getest worden. Soms kregen de studenten echter te horen dat de eerste woordenlijst gedurende het ganse experiment beschikbaar bleef op de harde schijf van de computer.

To save or not to save?

In een eerste experiment werd gekeken naar het effect van het al dan niet digitaal opslaan van een lijst met pas geleerde woorden op het leren van nieuwe woorden erna. Alle studenten kregen te horen dat ze zesmaal twee woordenlijsten in PDF formaat zouden leren, waarbij ze ofwel de eerste lijst mochten opslaan op de computer voor latere her-studie, of niet. De laatste woordenlijst zou eerst getest worden. De eerste woordenlijst werd pas op het laatst getest. Dit “proces” werd zesmaal doorlopen. Of ze de eerste lijst al dan niet mochten opslaan op de computer, vernomen ze pas na het leren ervan. Zoals verwacht waren de studenten veel beter in het onthouden van de woorden uit de tweede lijst als ze de eerste lijst opgeslagen hadden op de computer dan als ze het niet hadden opgeslagen. To save dus.

To believe or not to believe?

In een tweede experiment, waren de onderzoekers geïnteresseerd of het belangrijk is dat de studenten geloven dat de eerste lijst beschikbaar blijft. Hiervoor werd een groep nieuwe studenten onder de loep genomen. Het experiment was nagenoeg hetzelfde als het voorgaande, met het enige cruciale verschil dat de studenten ofwel vernomen dat ze voor een betrouwbare computer zaten, ofwel voor een onbetrouwbare computer. Het opslaan van de woordenlijst was dus niet gegarandeerd. En inderdaad, het effect in het vorige experiment verdween met de noorderzon. To believe dus.

To interfere or not to interfere?

In een laatste experiment werd onderzocht of het effect van opslaan van digitale informatie afhangt van het gehalte waarmee het zou kunnen interfereren met nieuwe informatie. Dit werd onderzocht door voorgaande experiment opnieuw af te nemen aan een groep studenten maar deze keer bevatte de eerste lijst slechts 2 woorden (in plaats van 8 woorden). Een lijst van twee woorden is makkelijker te leren dan een lijst van acht woorden. Het risico op interferentie is dus klein, en opslaan op een externe schijf zou dus niet veel mogen uitmaken. En inderdaad, het effect verdween. To interfere dus.

Conclusie

Dit recent onderzoek toont aan dat het gemakkelijker is om nieuwe kennis in ons geheugen op te slaan als we voorgaande kennis digitaal opslaan. In ons dagelijks leven, wordt meer en meer informatie digitaal opgeslagen en komt dus meer en meer informatie alom beschikbaar. Dit komt ons geheugen, paradoxaal genoeg, ten goede. Er komen immers meer “hulpbronnen” vrij om nieuwe kennis op te doen.

Er zijn echter wel twee voorwaarden aan verbonden: We moeten er op kunnen rekenen dat de digitalisering betrouwbaar verloopt en dat er een risico is op vermenging met nieuwe kennis. Een eerste stap naar een vergoelijking van een almaar meer digitaliserende maatschappij is gemaakt. Het is bijlange niet zo slecht voor de menselijke cognitie als gevreesd was. Om het in Sherlock Holmes’ woorden samen te vatten “a man should keep his little brain-attic stocked with all the furniture that he is likely to use, and the rest he can put away in the lumber-room of his library, where he can get it if he wants it” (p. 488 ; The five Orange Pips). Mijn boodschap? Laat die smartphone voorlopig nog maar in je broekzak steken.

Referentie

  • Storm, B.C. and Stone, S.M. (2014). Saving-Enhanced Memory: The benefits of saving on th elearning and remembering of new information. Psychological Science, 26(2), p. 182-188.

Auteur

Eleonore Smalle is doctoraatsonderzoekster in de cognitieve psychologie. Ze is verbonden aan het Instituut voor Psychologisch Wetenschappelijk Onderzoek (IPSY) en het Instituut voor Neurowetenschap (IoNS) van de Université Catholique de Louvain (Louvain-la-Neuve). Daar bestudeert ze geheugenmechanismen aan de basis van taalverwerving. Aan de Universiteit van Oxford deed ze tevens onderzoek naar invloeden van de motorische cortex op spraakperceptie, door middel van Transcraniale Magnetische Stimulatie van het brein.

 

Fysiek straffen in de opvoeding: een actuele duiding.

“Opvoeding” is een populair gespreksonderwerp. De huidige generatie ouders hanteren vaker een beschermende opvoedingsstrategie waarbij ze de ontwikkeling van het kind zelf proberen te sturen. Deze ‘helikopterouders’ maken graag gebruik van de nieuwe technologieën om op de hoogte te blijven van het doen en laten van hun kind. Algemeen gesproken, hanteren ouders een opvoedingsstijl die voortkomt uit een combinatie van hun eigen persoonlijke opvoedingsgeschiedenis, de persoonskenmerken van het kind en socio-contextuele factoren. Over het belang van deze laatste factor valt in de opvoedingsliteratuur niet te discussiëren, maar wel over de kwaliteit. Er wordt geredetwist over wat ouders specifiek moeten doen waardoor de druk op de opvoeding vergroot. Een gekend topic binnen de opvoedingsliteratuur is het gebruik van fysieke straffen.

Actuele duiding

De actuele discussie rond ‘de pedagogische tik’ verkent gaandeweg andere wegen. Tegenstanders krijgen stilaan meer versterking door wetenschappelijke evidentie, terwijl de positie van de voorstanders nog niet volledig mag geëlimineerd worden. Juridisch is er in ons land nog geen vooruitgang in een wettelijk verbod op het fysiek straffen van kinderen. Naast Australië, Tsjechië en Italië ziet België geen reden om hun wetgeving inzake het slaan van kinderen in de privésfeer te wijzigen. Een verbod op het gebruik van fysieke straffen in het onderwijs is al actief sinds 1949. Tevens is de vraag of deze wetgeving werkelijk iets zou opbrengen. Vooraleerst deze stap ondernomen kan worden, moet het sociale debat tussen voor- en tegenstanders centraal gesteld worden.

Fysiek straffen = fysiek misbruik?

Fysiek straffen is een vorm van gedragsmatige controle die ouders gebruiken om het gedrag van het kind te sturen en het kind op zijn plaats te zetten. Uit de definitie van Gershoff blijkt dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen “fysieke straf” en “fysiek misbruik”. Een fysieke straf houdt in dat de intentie aanwezig is om het kind pijn te doen, zonder lichamelijke blessure te veroorzaken. Bij fysiek misbruik is dit laatste wel aanwezig. Een kind dat een ander kind slaat en waarbij de opvoedingsfiguur met de open hand op het achterwerk kletst, wordt gestraft. Een kind dat door de ouders heftig wordt aangepakt met bijvoorbeeld blauwe plekken of gebroken ledematen als gevolg, is fysiek misbruikt.

Cijfers

Uit de resultaten van de grote opvoedingsenquête die de krant “Het Nieuwsblad” in 2013 afnam, bleek dat 57% van de bevraagden positief achter de stelling stond dat een pedagogische tik moet kunnen. In datzelfde jaar voerde Gershoff onderzoek uit waaruit bleek dat in totaal 85% van de Amerikaanse adolescenten een fysieke straf had meegemaakt. Dit is vrij merkwaardig omdat het begrip op zich negatief geladen is en andere ouders als ‘slecht’ worden bestempeld, te weten dat ze hun kinderen slaan.

Effecten

Een bekend onderzoek naar de negatieve uitkomsten is dat van Talwar en Lee (2011). Zij vonden opmerkelijke verschillen tussen twee scholen in West-Afrika. In de ene school, waar men de kinderen fysiek strafte, bleek dat er 12 keer meer gelogen werd dan in de school met de afwezigheid van fysieke straffen. Ook werden deze leugens langer en meer vastgehouden.

Longitudinaal onderzoek kan gebruikt worden om de gevolgen van fysieke straffen in de kindertijd te bekijken op latere leeftijd. De ‘collateral damage’, ook wel ‘zijdelingse’ of ‘onbedoelde schade’ genoemd, bestaat uit sterke en blijvende kwalijke uitkomsten op lange termijn. Tot op jongvolwassen leeftijd uit dit zich voornamelijk in meer agressie, een verminderde moraliteit, een lager welzijn, meer gedragsproblemen en een grote kans om dit zelf als ouder toe te passen in de opvoeding. Positief is dit niet. Door deze ouderlijke ironie, waarbij agressie met agressie bestreden wordt, zet dit zich voort van generatie op generatie. Verder kan het begrip ‘modellering’ uit de sociale leertheorie van Bandura meer inzicht bieden. Kinderen nemen naast normen en waarden ook gedrag over en kijken op welke manier hun ouders omgaan met problemen. Overbescherming speelt hier een remmende rol in. Kinderen krijgen niet de kans om als een ontdekkingsreiziger zichzelf en de omgeving te leren kennen. Een andere verklaring steunt op de drie basisbehoeften die door de Zelfdeterminatie Theorie wordt voorgelegd: autonomie, competentie en verbondenheid. Als gevolg van fysieke straf geraken deze niet bevredigd, treedt er behoeftefrustratie op en wordt het welzijn van het kind tegengewerkt. Er wordt geen ruimte voor het kind gecreëerd om zelf de basis te leggen aan het handelen (autonomie), zelf de uitkomst te bepalen van het gedrag (competentie) en er is belemmering in de relationele factoren (verbondenheid).

Toekomstig onderzoek

Tegenstanders van het fysiek straffen krijgen aan de hand van wetenschappelijke evidentie meer onderbouwde argumenten voor hun overtuiging. Onderzoeksresultaten leggen een basis voor de argumentatie waarom fysiek straffen beperkend is voor de ontwikkeling van het kind. Doch blijft het gebruik ervan bestaan en is het voor velen gelegitimeerd in bepaalde omstandigheden. Zo’n situatie wordt in de literatuur een ‘moderator’ genoemd. Een voorbeeld hiervan is de frequentie: wat is het verschil tussen regelmatige basis of sporadisch gebruik? Een ander voorbeeld is de intensiteit: is er een onderscheid in het straffen als gevolg van emotionele explosie of wanneer het rationeel gepland is? Deze argumentatie, gebruikt door voorstanders, heeft meer en diepgaander onderzoek nodig. Vooraleer de wenselijkheid van een pedagogische tik in de opvoeding in toekomstig onderzoek onder de loep wordt genomen, moet er eerst naar de wenselijkheid van het onderzoek zelf gekeken worden. Problematisch is dat fysieke straf een bekende ethische kwestie is die hierdoor niet gaandeweg experimenteel geactiveerd kan worden. Het is wel nodig om enerzijds een causale uitspraak te kunnen formuleren en om anderzijds de richting te kunnen bepalen.

Conclusie

Het fenomeen van fysiek straffen is een ethische kwestie die vaak over het hoofd wordt gezien of als ‘normaal’ wordt bevonden onder ouders. Door maatschappelijke en wetenschappelijke evoluties bestaat er onderbouwde evidentie voor de negatieve effecten van het gebruik van fysiek straffen bij het kind. Aanvullend onderzoek is vast en zeker nodig, ook om meer duidelijkheid te scheppen rond de situaties waarin de meerderheid van de mensen niet al te veel graten ziet in de ‘pedagogische tik’. Een overzichtelijke en resolverende conclusie is er nog niet, maar zeker is dat het gebruik van fysiek straffen geen positieve gevolgen met zich meebrengt en de groei van het kind beknot.

Geef in de reactie weer wat jouw visie op het gebruik van fysiek straffen is.

Referenties

  • Vansteenkiste M., Soenens B., (2013). H7 1.2.3. Eén aspect van extern controlerend opvoeden: Lichamelijk straffen. Vitamines van Groei
  • Kim-Spoon J., E. Haskett M., S.Longo G., Nice R., (2012). Longitudinal study of self-regulation, positive parenting, and adjustment problems among physically abused children. Child Abuse & Neglect 36, Pages 95 – 107

Auteur

Joachim Waterschoot is student 2de bachelor Psychologie aan de UGent en interesseert zich in het domein van de Ontwikkelingspsychologie. Hij houdt zich naast zijn basisopleiding Psychologie bezig met het lezen van de literatuur en probeert zo op de hoogte te blijven van het onderzoek in het veld van ‘opvoeding’.

 

Prezi of PowerPoint: van welke presentatie leert een publiek het meest?

“We kennen de vijand, en hij heet PowerPoint!” Dat beweerde een Amerikaanse generaal tijdens de oorlog in Afghanistan, toen hij daar een nietszeggende presentatie moest aanhoren.

Blijkbaar moet het Amerikaanse leger niet de Taliban maar deze presentatietechnologie doden om de strijd te kunnen winnen. Zulke klachten over PowerPoint hoor je spijtig genoeg ook op de universiteitsbanken en in de vergaderzalen van bedrijven. In 2009 werd er echter Prezi als alternatief voor PowerPoint gelanceerd, maar kan deze software de hoge verwachtingen wel inlossen?

PowerPoint: De wetenschap achter een goede presentatie

Hoewel veel sprekers nog vaak hun dia’s vol tekst proppen, bestaan er toch enkele duidelijke richtlijnen over hoe je een goede PowerPointpresentatie ontwerpt. Na jarenlang experimenteel onderzoek ontwikkelden Richard Mayer en zijn collega’s de Cognitive Theory of Multimedia Learning (CTML). Hoewel deze theorie niet expliciet voor presentaties bestemd is, kan je de principes ervan toch probleemloos vertalen naar PowerPoint.

  • Tekst en beeld zijn beter dan tekst alleen.
  • Tekst en beeld worden beter tegelijk dan na elkaar gepresenteerd.
  • Tekst staat best zo dicht mogelijk bij het bijbehorende beeld.
  • Overbodige informatie die de boodschap vertroebelt, wordt best verwijderd. Bijvoorbeeld, extra geluid. Beperk dus wat je aan een publiek toont.
  • Informatie wordt beter mondeling dan via tekst gecommuniceerd.
  • De combinatie animatie en audio werkt beter dan de combinatie animatie en tekst.

Deze richtlijnen zijn vooral succesvol, als de informatie complex is en als die snel gecommuniceerd wordt. Bovendien hebben deze regels een grotere impact als de toehoorders weinig voorkennis van de materie hebben, en als ze eerder ruimtelijk dan tekstueel denken.

Prezi: De impact van design

Wie een presentatie ontwerpt, moet de richtlijnen van CTML toepassen, maar deze principes zijn beperkt tot een enkele dia. Via Prezi kan je echter die dia open trekken tot een oneindig canvas waarop je de informatie kan schikken. Prezi stimuleert ook het gebruik van boomstructuren die veel gelijkenissen met graphic organizers vertonen. Dit zijn combinaties van woorden met niet-tekstuele elementen zoals pijlen, lijnen en cirkels. De bekendste voorbeelden hiervan zijn mindmaps, concept maps en knowledge maps. Onderwijskundig onderzoek toont aan dat dit een goede manier is om informatie te verwerken, maar niemand heeft dit al onderzocht in de context van een presentatie (druk op F5 mocht de video niet onmiddellijk zichtbaar zijn).

Prezipresentatie van Chris Anderson op Ted Global

De resultaten

In het kader van mijn doctoraatsonderzoek bestudeerde ik onder andere de impact van deze graphic organizers op een publiek. Eerst kregen twee groepen van elk ongeveer 75 universiteitsstudenten een video te zien waarin de docent een onderdeel van de cursus behandelde. De studenten konden alleen de visuele ondersteuning bekijken want de spreker was niet te zien, maar het geluidsbestand was bij elke groep hetzelfde. De ene groep kreeg een klassieke PowerPointpresentatie voorgeschoteld, die volgens de richtlijnen van CTML opgebouwd was. De andere groep bekeek een presentatie die graphic organizers ten volle benutte. Dat was het enige verschil tussen de twee groepen; het lettertype, de kleur, en zelfs de woorden bleven dezelfde. We onderzochten dus de impact van het design van de informatie.

Uit de kennistesten bleek dat elke groep evenveel informatie uit de presentatie gehaald had. Ook vonden beide groepen het even moeilijk (of gemakkelijk) om de presentatie te volgen. Het verschil bestond erin dat de Prezigroep de presentatie meer apprecieerde dan de PowerPointgroep.

We hebben ook een gelijkaardig onderzoek bij leerlingen uit het secundair onderwijs uitgevoerd. Daar gebruikte de leraar aardrijkskunde een PowerPoint- en Prezipresentatie. Dit leverde hetzelfde resultaat als bij de universiteitsstudenten, maar daar werd de Prezipresentatie minder zinvol bevonden. Waarschijnlijk komt dit omdat deze leerlingen het niet gewoon zijn om een PowerPointpresentatie bij te wonen.

Conclusie, en het belang van de spreker

Men kan dus nog niet besluiten dat Prezi een beter communicatiemiddel voor presentaties is dan PowerPoint. Waarschijnlijk wordt Prezi momenteel meer geapprecieerd, maar we vermoeden dat dit ‘novelty effect’ binnenkort zal verdwijnen. Toch betekent dit niet dat men nooit Prezi mag gebruiken. Het zou kunnen dat er nog andere gestandaardiseerde graphic organizers moeten ontstaan die communicatie vooruit helpen of dat Prezi wel tot langetermijneffecten leidt, die niet naar boven kwamen in het huidige onderzoek.

Daarnaast is presenteren een enorme complexe vaardigheid, die spreken, schrijven, visuele communicatie met eigenschappen van geavanceerde software combineert. We mogen de invloed van nieuwe media niet overschatten. Uit een ander onderdeel van mijn doctoraatsonderzoek blijkt namelijk dat de visuele ondersteuning wel belangrijk voor een presentatie is, maar dat de spreker zelf waarschijnlijk een grotere impact op het succes van een presentatie heeft.

Referenties

  • Mayer, R. (2009). Multimedia Learning (2nd ed). New York: Cambridge University Press.
  • Casteleyn, J., Mottart, A., & Valcke, M. (2013). The impact of graphic organizers on learning from presentations. Technology, Pedagogy & Education. DOI: 10.1080/1475939X.2013.784621.
  • Casteleyn, J. (2013). New Media and the Rhetoric of Presentations. Explorations in Education. [Phd-thesis]. Ghent: Ghent University.

Auteur: Jordi Casteleyn

Jordi Casteleyn schreef een proefschrift over de impact van nieuwe media op de retoriek van het presenteren. Daarnaast is hij praktijkassistent communicatievaardigheden bij de vakgroep Onderwijskunde (UGent) en doceert hij bedrijfscommunicatie bij de opleiding Bedrijfsmanagement (Arteveldehogeschool Gent). Hij publiceerde verschillende boeken over presenteren, coacht sprekers voor o.a. de conferentie TedxGhent, en speelt improcomedy bij de Lunatics. 

 

Leren uit ervaringen: Durf de lat hoog te leggen

Zowel in het onderwijs als in het bedrijfsleven wint ervaringsleren aan belang. Formele opleidingsprogramma’s die plaatsvinden in een traditionele klascontext worden steeds vaker aangevuld met informele leermethodes, zoals ‘werkplekleren’, ‘on-the-job learning’, stages en ‘learning by doing’. Ook wetenschappers doen de laatste jaren meer en meer onderzoek naar hoe mensen kunnen leren uit ervaringen.

Uit welke ervaringen leer je het meest?

Uit onderzoek wordt stilaan duidelijk dat uitdagende ervaringen het hoogste leerpotentieel hebben. Uitdagende ervaringen –zoals het krijgen van onbekende verantwoordelijkheden– motiveren ons om uit de comfortzone van de dagdagelijkse routine te treden en om te experimenteren met alternatieve werkmethodes. Deze creatieve experimenten leiden vaak tot een verandering in kennis, vaardigheden of gedrag.

Leren uit ervaringen: een kwestie van de juiste balans

Niet iedereen is echter in staat om met eenzelfde niveau van uitdaging om te gaan. Eenmaal de balans tussen uitdaging en verwerkingspotentieel van het individu uit evenwicht is, dreigen de leereffecten af te nemen. Streetwize en de vakgroep Personeelsbeleid, Arbeids- en Organisatiepsychologie van de UGent besloten de handen in elkaar te slaan om na te gaan welke persoonlijke factoren het verwerkingspotentieel van een individu bepalen.

Wie leert het best uit uitdagingen?

Vertrekkend vanuit inzichten uit de positieve psychologie werd vooropgesteld dat iemands psychologisch kapitaal (PsyCap) bepaalt hoe omgegaan wordt met uitdagende (werk)situaties. PsyCap is de verzamelnaam voor een aantal basiscapaciteiten van mensen, waaronder optimisme, hoop en veerkracht.

Op basis van de onderzoeksresultaten bij een 100-tal respondenten werd vastgesteld dat PsyCap effectief een invloed heeft op hoe goed we kunnen omgaan met uitdagende situaties op het werk: mensen met veel psychologisch kapitaal bleken beter in staat om te gaan met en lessen te trekken uit uitdagende situaties op het werk.

Referentie

  • Luthans, F., Youssef, C. M., & Avolio, B. J. (2007). Psychological capital. New York: Oxford UniversityPress. Klik hier om het boek online door te nemen.

Auteur: Bernd Carette

Bernd Carette is doctoraatsstudent in de Bedrijfspsychologie aan de Universiteit Gent (FPPW). Zijn onderzoek situeert zich hoofdzakelijk in het veld van Training & Development. Hij bestudeert het proces van ervaringsleren en besteedt hierbij onder meer aandacht aan de faciliterende rol die de organisatie hierin kan spelen.