Browse Tag: depressie

Waarom piekeren we en kan dit kwaad?

Stel je eens het volgende scenario voor: je hebt overdag een kleine botsing gehad met de wagen. ‘s Avonds lig je in bed en geraak je maar niet in slaap. Je gedachten blijven afdwalen naar de botsing. Er zijn een aantal verschillende gedachten die je kan hebben. Zo kan het zijn dat je je afvraagt of de botsing vermeden had kunnen worden, dat je de komende dagen heel wat moet regelen om dit af te handelen, of waarom zo’n zaken altijd juist jou moeten overkomen.

Deze gedachten zijn piekergedachten: herhalende, ongewenste gedachten die blijven terugkomen, en die je niet zomaar kan stopzetten. Deze gedachten kunnen gaan over het verleden, het heden of de toekomst, en gaan typisch over negatieve gebeurtenissen of mogelijke problemen. Piekeren is een proces dat bij vrijwel iedereen eens voorkomt. Onderzoek toonde aan dat twee op de vijf mensen zelfs elke dag piekeren.

Hoe komt dit?
Piekeren helpt ons omgaan met vervelende situaties. We weten dat mensen meer piekeren wanneer stress aanwezig is. Piekeren kan helpen door enerzijds een oplossing te bedenken van een (toekomstig) probleem, of anderzijds reflectief te zijn over je eigen acties, zodat gelijkaardige situaties in de toekomst vermeden kunnen worden. Echter, soms blijven de piekergedachten aanwezig, leiden deze niet tot positieve uitkomsten en worden mensen gehinderd in hun dagelijks functioneren door het afleidend karakter van die gedachten die te pas en vooral te onpas opduiken. In het voorbeeld hierboven zijn de gedachten over de oorzaak en de toekomstige handelingen probleemoplossend. De vraag “waarom moet mij dit nu weer overkomen?” is dat echter niet.

Is dit gevaarlijk?
Af en toe piekeren is op zich onschuldig. Echter, wanneer dit te vaak en te langdurend voorkomt, zonder probleemoplossend te zijn, blijft men vaak hangen in angstige anticipatie. De hersenen worden getraind om die denkpatronen te gebruiken en na een tijdje zal dit de vaste manier van denken worden. Dit is minder onschuldig: we weten vanuit onderzoek dat overmatig negatief gepieker kan leiden tot een grotere kans op het ontwikkelen van verschillende mentale problemen waaronder depressie, angst, psychose en slapeloosheid. Piekeren is ook gelinkt aan slaapproblemen en lichamelijke klachten.

Wat kan je eraan doen?
Stoppen met piekeren is makkelijker gezegd dan gedaan. Door veelvuldig te piekeren, wordt dit zowat de standaard setting van je hersenen. Elke keer je piekert, wordt dit patroon verstevigd. Denk maar aan hoe het is om te wandelen doorheen een grasveld. Na een aantal passages zal je altijd datzelfde pad nemen, omdat de uitgesleten weg het makkelijkste is. Om van dat pad af te wijken – en dus om minder te piekeren – is soms wat moeite nodig. Piekergedachten onder controle te krijgen kan je dus leren door minder vaak gebruikte hersengebieden te gaan versterken, wat je kan zien als mentale fitness. Dat is precies wat de nieuwe computertraining van de Universiteit Gent probeert te doen. In die training word je verplicht om je aandacht te houden bij een moeilijke taak, waarbij er veel fouten worden gemaakt. Echter, je mag niet stilstaan bij die fouten want dan kan je de taak niet verder uitvoeren. Dat proces, het blijven focussen op datgene wat moet gebeuren, en het leren om niet te denken aan negatieve onbelangrijke zaken, maakt gebruik van de hersengebieden die piekeren tegengaan. De training bestaat uit een herhaling en combinatie van al die vermelde processen, binnen een stresserende context aangezien er dan vaker gepiekerd wordt. Door specifieke hersengebieden te versterken, zullen deze in het dagelijks leven ook een belangrijke rol kunnen gaan spelen. Hierdoor kan men uiteindelijk meer vat krijgen op piekergedachten.

Ook zijn er vormen van psychotherapie die pogen piekergedachten onder controle te houden. Je kan opteren om individueel te werken met een psychotherapeut, of een piekercursus volgen, wat je meestal in groep of online doet. Daar kan bijvoorbeeld het onderscheid tussen aanvaardbare en problematische vormen van gedachten aangeleerd worden of leren mensen zelf te herkennen wat hen mogelijk aanzet tot piekeren.

Ten slotte kan, indien een begeleidende arts dit nodig acht, ook medicatie gebruikt worden, al dan niet in combinatie met therapie.

Conclusie
Af en toe eens piekeren is heel menselijk en niets om je over zorgen te maken. Het kan tijdelijk een geschikte manier zijn om met gebeurtenissen om te gaan. Echter, wanneer de piekergedachten aanwezig blijven en storend worden voor het dagelijks functioneren kan dit wel problematisch zijn. Overmatig piekeren zorgt voor een grotere kans op het ontwikkelen van mentale problemen zoals depressie of angst, en kan ook reeds aanwezige problemen ernstiger maken. Er bestaan een aantal manieren om piekergedachten onder controle te houden: individuele psychotherapie, piekercursussen in groep, medicatie of de nieuwe piekertraining van de Universiteit Gent.

Wens je zelf de online piekertraining te proberen, of wil je vrijblijvend meer info? Stuur dan een e-mail naar cogtraining@ugent.be

Bronnen
Koster, E. H. W., De Lissnyder, E., Derakshan, N., & De Raedt, R. (2011). Understanding depressive rumination from a cognitive science perspective: The impaired disengagement hypothesis. Clinical Psychology Review, 31, 138–145. doi:10.1016/j.cpr.2010.08.005

Koster, E. H. W., Hoorelbeke, K., Onraedt, T., Owens, M., & Derakshan, N. (2017). Cognitive control interventions for depression: A systematic review of findings from training studies. Clinical Psychology Review, 53, 79–92. doi:10.1016/j.cpr.2017.02.002

Auteur
Jasmien Vervaeke: doctoraatstudent verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie en de onderzoeksgroep imec-mict-ugent. Momenteel werkt ze aan een doctoraat over de effectiviteit van cognitieve controle training als hervalpreventie bij voorheen depressieve personen in de context van een Toegepast BioMedisch onderzoek project.

Gerelateerde artikelen
Durf denken
Mensenkennis

 

Protocol of maatwerk? Wetenschappelijke protocollen geen garantie voor succes in therapie

Zet vier willekeurige Belgen aan een tafel, en minstens één van hen zal bekend zijn met psychische klachten: ruim een kwart van de mensen krijgt er in het leven mee te maken. Wie hulp zoekt, komt steeds vaker in aanraking met zogenaamde ‘geprotocolleerde’ behandelplannen. Zeg maar: een strikt stappenplan. Zo’n stappenplan is afgestemd op specifieke diagnoses, zoals depressie, angst of burn-out, en geeft de therapeut een overzicht van specifieke interventies om dergelijke klachten mee aan te pakken. Het komt voort uit wetenschappelijk onderzoek en wordt dus ‘evidence-based’ genoemd. Continue Reading

 

Piekeren is misschien toch niet zo onschuldig?

Depressie is een stemmingsstoornis die wereldwijd meer dan 300 miljoen individuen treft en dit aantal lijkt zorgwekkend te blijven stijgen. Op 10 jaar tijd is de prevalentie van depressie namelijk toegenomen met meer dan 18 %.

Eenmaal mensen een eerste depressie hebben meegemaakt, verhoogt dit bovendien de kans op een nieuwe.

Men is erdoor gevoeliger geworden voor negatieve gebeurtenissen. Kleine stresserende gebeurtenissen zijn vaak al voldoende om een nieuwe depressie te activeren. Continue Reading

 

Vastzitten in depressieve gedachten.

Stel je voor, tijdens een sollicitatiegesprek voor een felbegeerde baan merk je dat een commissielid de wenkbrauwen fronst en een ander commissielid knikkend met jouw verhaal instemt. Deze dubbelzinnige situatie kan je op een verschillende manieren interpreteren, gaande van “ik maak een slechte indruk” tot “ze vinden me een degelijke kandidaat”. Terwijl niet-depressieve personen eerder positieve gedachten hebben, flitsen er bij depressieve personen negatieve gedachten door hun hoofd. Aan de basis negatieve gedachten ligt er een vicieuze cirkel waarbij depressieve individuen in toenemende mate negatieve prikkels verwerken, zo blijkt uit onderzoek door drs. Jonas Everaert en prof. dr. Ernst Koster (Universiteit Gent).

De vicieuze cirkel

Depressieve personen merken meer negatieve en minder positieve signalen op uit hun dagelijkse leven. Zo zullen zij bijvoorbeeld meer kijken naar het fronsende dan naar het instemmende commissielid. Depressieve personen zullen deze negatieve signalen vervolgens veel vaker op een negatieve manier interpreteren. In plaats van de interpretatie “het norse commissielid heeft een slechte dag”, zullen depressieve personen eerder denken “ik maak geen goede indruk, laat staan een kans op de baan”. Op deze manier worden er negatieve herinneringen gevormd: “mijn vorig sollicitatiegesprek liep helemaal mis”. Zulke negatieve herinneringen kunnen op hun beurt er weer voor zorgen dat er negatieve signalen nog sneller en vaker worden opgemerkt, ook in andere situaties (vb.: de geeuwende persoon in het publiek tijdens jouw presentatie), waardoor de cirkel rond is.Deze processen verlopen nagenoeg onbewust en het is niet eenvoudig om deze negatieve spiraal te doorbreken, die in de ogen van de depressieve persoon continu bevestigd wordt: “zie je wel…ik kan het niet”. Vastzitten in depressieve gedachten, dus.

De zwakste schakel

Toekomstige depressiesymptomen kunnen worden voorspeld op basis van hoe iemand de aandacht richt, dubbelzinnige situaties interpreteert, en herinneringen ophaalt. Hoe meer gericht op het negatieve, hoe groter de kans dat iemand depressieve gevoelens zal ervaren. De beste voorspeller van depressie verschilt wel van persoon tot persoon. Een persoon zijn of haar ‘zwakste schakel’, of het meest negatief vertekende proces kan depressiesymptomen voorspellen over een periode van een jaar en soms zelfs langer.

Toekomstmuziek

Deze nieuwe inzichten openen de weg voor behandelingen gericht op het doorbreken van deze vicieuze cirkel. Door intensieve training beogen deze nieuwe methoden de negatieve focus in de snelle denkprocessen te verminderen, waardoor iemand meer positieve prikkels opmerkt (bv. het instemmende jurylid), vaker positieve interpretaties overweegt (bv. “die fronsende persoon voelt zich niet lekker”), en ook positieve herinneringen kan ophalen (bv. “het was zo slecht nog niet”). Het verfijnen van deze methodieken vormt een boeiende uitdaging voor de klinische wetenschap. Het moet ons in de toekomst ook in staat stellen om een betere preventie en behandelmodellen te ontwikkelen.

Auteur

Jonas Everaert is als doctorandus, onder supervisie van prof. dr. Ernst Koster, verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Deze vakgroep is een onderdeel van PSYNC, het consortium klinische psychologie.

 

Depressie en emotionele herinneringen: Het is maar hoe je het bekijkt.

Aandacht, interpretatie en geheugen vormen bouwstenen van de menselijke denk- en gevoelswereld. Afhankelijk van welke aspecten we uit de omgeving opmerken, welke betekenissen we hieraan geven en wat we ons vervolgens herinneren, ervaren we verschillende gedachten en andere emoties. Stel je voor, je bevindt je in een sollicitatiegesprek voor een felbegeerde baan. Terwijl je op vragen van de jury antwoordt, merk je dat het ene jurylid glimlacht en knikkend luistert en een ander jurylid fronsend naar achteren leunt met gekruiste armen. Afhankelijk van waar je aandacht naartoe wordt getrokken zal je andere betekenissen of interpretaties als aannemelijk beschouwen. Indien aandacht zich selectief richt op het glimlachende jurylid zullen interpretaties als “ik maak een goede indruk en heb kans op de baan” waarschijnlijk zijn, terwijl interpretaties als “ik maak er helemaal niets van en kan het wel vergeten” eerder geloofwaardig zullen zijn wanneer aandacht zich selectief richt op het fronsende jurylid. De ervaren emoties zullen in beide gevallen zeer verschillend zijn. Alsook hoe de ervaring van het sollicitatiegesprek in het geheugen zal worden opgeslagen en later herinnerd zal worden als een positieve dan wel een negatieve gebeurtenis. Dit eenvoudig voorbeeld illustreert dat aandacht, interpretatie en geheugen nauw gerelateerd zijn aan allerlei emoties. Hoe deze denkprocessen gerelateerd zijn aan het emotionele welbevinden, zoals depressieve gevoelens, werd ook uitvoerig wetenschappelijk onderzocht.

Negatieve vertekeningen

Onderzoek heeft aangetoond dat aandacht, interpretatie en geheugenprocessen van groot belang zijn bij het begrijpen van het ontstaan, voortbestaan en heroptreden van depressiesymptomen. Studies hebben uitgewezen dat bij personen in een depressieve gemoedstoestand er zich negatieve vertekeningen voordoen in deze denkprocessen. Concreet wil dit zeggen dat personen die kampen met depressieve gevoelens moeilijkheden ervaren bij het loskoppelen van hun aandacht voor negatieve aspecten uit de omgeving (vb.: het fronsende jurylid uit het voorbeeld zal meer aandacht trekken, eerder dan het instemmende jurylid), ambigue of dubbelzinnige situaties op een negatieve wijze interpreteren (vb. door de houding van het fronsende en niet het instemmende jurylid te betrekken op de eigen prestatie), en zich meer negatieve dan positieve gebeurtenissen herinneren (vb.: tijdens het sollicitatiegesprek kan men zich een vorige faalervaring en geen succeservaring herinneren waardoor men de moed nog meer verliest). Dergelijke negatief vertekende denkprocessen verlopen doorgaans betrekkelijk automatisch en kunnen toekomstige depressieve episodes voorspellen.

Ondanks een sleutelrol voor deze processen bij het begrijpen van depressie, bevinden de wetenschappelijke inzichten over interacties tussen deze denkprocessen zich nog in een vroeg stadium. Vandaar dat we zijn nagegaan hoe aandachtsprocessen interpretatie beïnvloeden en hoe deze vervolgens een impact hebben op wat personen met verhoogde depressiesymptomen zich herinneren.

Ik ben een geboren…

Deelnemers voerden een computertaak uit waarbij ze vervormde zinnen (vb.: ben verliezer ik geboren winnaar een) hervormen naar goed lopende zinnen door het positieve of negatieve woord weg te laten. Deze hervormde oplossing kan telkens leiden tot een positieve (vb.: ik ben een geboren winnaar) of een negatieve (vb.: ik ben een geboren verliezer) betekenis. Telkens rapporteren deelnemers de eerste oplossing die in gedachten opkomt wat een maat voor interpretatie oplevert. Om emotionele vertekeningen in de aandacht te meten werden oogbewegingen geregistreerd tijdens het uitvoeren van de interpretatietaak. Na de taak werden de deelnemers gevraagd om zich zoveel mogelijk betekenissen te herinneren die men gevormd heeft. Dit geeft zicht op geheugenvertekeningen.

Analyse toonde aan dat de manier waarop iemand aandacht naar emotionele woorden richt, de aard van de interpretaties voorspelde. Personen die vaker hun aandacht richtten naar negatieve woorden (vb.: verliezer) rapporteerden meer negatieve interpretaties (vb.: ik ben een geboren verliezer). Meer negatieve herinneringen werden gerapporteerd naarmate iemand langer keek naar negatieve woorden en men eerder meer negatieve betekenissen verkoos. Omgekeerd, positieve vertekeningen in aandacht en interpretatie voorspelden meer positieve herinneringen.

Vicieuze cirkel

In lijn met voorgaand onderzoek, werd gevonden dat dergelijke negatieve vertekeningen in aandacht, interpretatie en geheugenprocessen gerelateerd zijn aan een verhoogde mate van depressiesymptomen. Hoe ernstiger de depressiesymptomen, hoe meer de denkprocessen op een negatieve manier vertekend zijn. Dit zorgt er dus voor dat positieve signalen in het dagelijkse leven minder worden opgepikt – wat aan depressieve personen de indruk kan geven dat ze er niet zijn – en dat dubbelzinnige signalen veelal negatief worden geïnterpreteerd en zo ook worden herinnerd. Dit kan depressieve gevoelens in stand houden, waardoor de cirkel rond is. Zoals gezegd gebeurt dit vrijwel automatisch en is het niet eenvoudig om deze negatieve ingesteldheid te doorbreken, die daarbovenop in de ogen van de depressieve persoon continu bevestigd wordt (“zie je wel…”).

Op heden werden veelbelovende methoden – de cognitieve bias modificatie methoden – ontwikkeld om de negatieve vertekeningen in deze denkprocessen bij te sturen. Het verfijnen deze methodieken vormt een boeiende uitdaging voor de hedendaagse klinische wetenschap.

Referenties

  • Everaert, J., Duyck, W., & Koster, E. H. W. (2013). Attention, interpretation, and memory biases in subclinical depression: A proof-of-principle test of the combined cognitive biases hypothesis. Emotion.
  • Everaert, J., Koster, E. H. W., & Derakshan, N. (2012). The combined cognitive bias hypothesis in depression. Clinical Psychology Review, 32(5), 413-424. doi: 10.1016/j.cpr.2012.04.003
  • Koster, E. H. W., Everaert, J., Bruyneel, L., & Onraedt, T. (2013). Cognitieve training bij depressie: Een stand van zaken. Directieve Therapie, 33, 136-150.

Auteur: Jonas Everaert

Jonas Everaert is als assisterend academisch personeel verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van Universiteit Gent en doet doctoraatsonderzoek naar interacties tussen aandacht, interpretatie en geheugenprocessen in depressie (promotor: prof. dr. Ernst Koster).

 

Interview met Elke Geraerts over virtuele therapie – deel 1

Elke Geraerts is hoofddocente in de klinische psychologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar ze het clinical cognition lab runt. Haar onderzoek focust zich voornamelijk op de werking van het geheugen na traumatische ervaringen en daarbinnen doet ze ook baanbrekend onderzoek naar virtuele therapie. Elke Geraerts is lid van de Jonge Akademie en ze nam deel aan het World Economic Forum in Davos. Onlangs nog werd ze uitgeroepen tot ‘Slimste vrouw van Nederland’. Redenen genoeg dus voor Mensenkennis.be om Elke Geraerts op te zoeken voor een interview.

Laat ons beginnen met de hamvraag: werkt online therapie, en hoe ver staat het onderzoek ernaar?

Momenteel doet mijn onderzoeksgroep voornamelijk onderzoek naar virtual reality therapie voor slachtoffers van kindermisbruik , in samenwerking met de Technische Universiteit Delft. Deze slachtoffers ontwikkelen na het voorval vaak een PTSS (post-traumatisch stress syndroom) of een depressie. De voorlopige resultaten bieden een indicatie voor de werkzaamheid van virtuele therapie:

Na 4 weken virtuele therapie zijn in dit pilootonderzoek 60-70% van de cliënten verlost van het PTSS en 50% van de cliënten verlost van hun depressie.

In de toekomst zullen we meer gaan kijken naar de stabiliteit van de effecten van virtuele therapie op langere termijn. Ook zullen we de effecten van virtuele therapie onderzoeken in combinatie met face-to-face therapie, zoals de cognitieve gedragstherapie, om te zien of deze therapievormen elkaar versterken of eerder los van elkaar kunnen bestaan.

Wat moeten wij ons precies voorstellen bij een virtuele therapie?

De virtuele therapievorm voor slachtoffers van kindermisbruik duurt 4 weken. Binnen die periode logt de cliënt een 2-tal keren per week in op het online systeem. Voorgaand onderzoek heeft aangetoond dat mensen met PTSD sneller herstellen wanneer hun herinnering aan het misbruik specifieker is. Daarom proberen we in het begin van de therapie vooral om de herinnering aan het misbruik concreter te maken. Bv. wordt eerst gevraagd aan de cliënt om eerst positieve herinneringen op te halen. Na verloop van tijd worden er ook negatieve herinnering opgevraagd. Deze herinneringen kunnen op verschillende manieren online verzameld worden, zoals bv.:

  • via een online dagboek dat de tijdlijn van de gebeurtenissen weergeeft
  • door een concrete beschrijving van de locatie van het misbruik (bv. door de locatie toe te voegen via Google Maps)
  • door het toevoegen van foto’s en links naar websites die relevant zijn voor de herinnering

In de voorlaatste sessie wordt aan de cliënt gevraagd om via het systeem een 3-D voorstelling te maken van het moment van het misbruik (zie figuur). Wat we zien bij cliënten is dat ze hier beseffen, doordat ze een soort helikopter-perspectief nemen op de gebeurtenissen, dat het misbruik ‘toch niet hun schuld was’. Vaak denken slachtoffers immers dat ze zelf schuld hebben aan het misbruik.

Een voorbeeld van een 3-D voorstelling van het moment van het misbruik

Samengevat, door de combinatie van het verhogen van de specificiteit van de herinnering, en de virtuele component (die drempelverlagend werkt en een veilige omgeving creëert) blijkt deze virtuele therapie voor positieve resultaten te zorgen.

Welke andere toepassingen van virtuele therapie bestaan er momenteel?

We zijn onder andere bezig met het ontwikkelen en testen van een online training voor mensen met depressie of burn-out. Uit onderzoek blijkt immers dat het werkgeheugen, wat een rol speelt bij actieve denkprocessen, van mensen met depressie minder goed functioneert. Vaak verloopt de verwerking van informatie minder goed bij mensen met een depressie en hebben ze vooral aandacht voor negatieve dingen. Wat interessant is, is dat onderzoekers uit Stockholm gevonden hebben dat het werkgeheugen van mensen trainbaar is. We zijn dus een dergelijke werkgeheugen-training aan het ontwikkelen en testen voor mensen met een depressie of burn-out.

Voor welke symptomen lijkt virtuele therapie minder geschikt?

Het ontwikkelen van virtuele therapie staat momenteel nog in haar kinderschoenen. Waar wij vooral op letten bij het onderzoek naar virtuele therapie, zijn volgende criteria:

  1. De therapievorm moet evidence-based zijn. De wetenschap speelt dus een zeer belangrijke rol in de ontwikkeling van virtuele therapieën.
  2. We letten erop dat de cliënt emotioneel stabiel is. Bv. voor cliënten die suïcidaal zijn is er supervisie door een therapeut nodig. In ons onderzoek naar virtuele therapie zorgen wij er trouwens voor dat deelnemers aan het onderzoek ons 24/24u kunnen bereiken in geval van nood. Ook is er vóór de start van de virtuele therapie en na de 4 weken telkens een gesprek met een psycholoog.

Tenslotte, staan cliënten en therapeuten al voldoende open voor virtuele therapie?

Wat opvalt, is dat mensen (zowel therapeuten als cliënten) over het algemeen erg openstaan voor virtuele therapie. Enerzijds is er bij sommige therapeuten wel wat argwaan (als zou virtuele therapie hun rol wegnemen). Anderzijds beseffen vele therapeuten hoe nuttig virtuele therapie kan zijn gegeven de lange wachtlijsten voor psychologische hulp. Ook van de deelnemers aan ons onderzoek horen wij vooral positieve ervaringen. Als ze afhaken is het vaak omdat er toch een basis computerkennis vereist is, en zelden omwille van emotionele problemen gelinkt aan de virtuele therapie.

Referentie

  • Klingberg, T. (2010). Training and plasticity of working memory. Trends in Cognitive Science,14(7): 317-324.
 

Psychoanalyse: van de zetel naar de scanner

Ruim een eeuw nadat Sigmund Freud de psychoanalyse als ‘spreekkuur’ uit de grond stampte, wordt vanuit Freuds oorspronkelijke discipline, namelijk de neurologie, vernieuwend onderzoek gedaan naar de effecten van psychoanalyse op onze hersenen. Recent verscheen immers een studie in het hoog gerankte Amerikaanse tijdschrift ‘PLoS ONE’. Deze onderzocht voor de allereerste keer het effect van langdurige psychodynamische therapie op de hersengebieden die voor depressieve patiënten betrokken zijn bij hun emotionele reacties op persoonlijk relevant materiaal.

Depressie gevisualiseerd in de hersenen

In de studie werden zestien chronisch depressieve patiënten onderzocht, die twee tot vier maal per week gedurende vijftien maanden deelnamen aan een psychodynamische psychotherapie. Bij wijze van controle werden deze patiënten vergeleken met niet-depressieve personen die qua leeftijd, geslacht en opleiding met hen overeenstemden.

In de lijn met voorgaand onderzoek toonde deze studie aan dat depressieve patiënten, in vergelijking met de controlegroep, intenser emotioneel reageerden op persoonlijk gevoelig materiaal. Bv. werd er bij een van de betrokken patiënten een afbeelding getoond met als bijschrift: “This child cries for love and the mother does not react”, een thema dat in een voorafgaand interview met deze patiënt een centrale rol innam. Deze ‘emotionele reactiviteit’ en het reguleren ervan wordt aangestuurd door verschillende hersenbanen, waarvan de activiteit via moderne beeldvormingstechnieken, zoals fMRI (functional Magnetic Resonance Imaging), gevisualiseerd kan worden. Veranderingen in activatieniveaus kunnen op die manier zichtbaar gemaakt worden.

Opmerkelijke neurobiologische veranderingen

In de studie werden de hersenscans van de betrokken depressieve patiënten, zowel bij aanvang als bij beëindiging van de psychodynamische psychotherapie, vergeleken met de scans van de controlepersonen. De resultaten wezen uit dat de aanvankelijk overgevoelige emotie- en regulatiecentra van de depressieve individuen na de behandeling beduidend minder prikkelbaar waren geworden. Daar waar de patiënten bij aanvang van de therapie nog intens emotioneel reageerden op gevoelig materiaal, was deze intensiteit aan het einde van de behandeling opmerkelijk gedaald. De vastgestelde neurobiologische veranderingen gingen hierbij zowel gepaard met een vermindering in depressiviteit als met een algemene symptoomverbetering. Bij de controlepersonen vond men deze trend echter niet terug.

Tenslotte: we zijn meer dan ons brein

Net zoals voor langdurige psychodynamische therapie, brachten fMRI-gebaseerde studies ook de effecten van kortdurende cognitieve gedragstherapie op de emotionele regulatie van depressieve patiënten in kaart. Alhoewel de waarde van dergelijk onderzoek niet onderschat mag worden, moeten we er ons van bewust zijn dat het slechts een deel van het plaatje kleurt en hersenonderzoek niet “de waarheid” uitbeeldt. Een recent nummer van ‘De Groene Amsterdammer’ waarschuwt voor “neurononsens” en “het simplisme van de breincultuur”. We zijn immers veel meer dan ons brein, luidt het, en problemen kunnen niet worden gereduceerd tot een kwestie van neuronen in ons hoofd. Kritische stemmen die pleiten voor een meer contextuele benadering klinken steeds luider. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Referenties

  • Buchheim, A., Viviani, R., Kesller, H., Kächele, H., Cierpka, M., Roth, G., George, C., Kernberg, O.F., Bruns, G., & Taubner, S. (2012). Changes in Prefrontal-Limbic Function in Major Depression after 15 Months of Long-Term Psychotherapy. PLoS ONE, 7 (3).

Auteur: Shana Cornelis

Shana Cornelis is klinisch psychologe en doctoreert aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de UGent. Vanuit een fascinatie voor de link tussen psychische en biologische processen onderzoekt ze hoe het lichaam in het spreken van patiënten verschijnt gedurende het verloop van een psychodynamische therapie, en hoe door het spreken hierover ook de lichamelijke klachten zelf evolueren. Ter illustratie van de uitkomst van deze therapieën maakt ze onder andere gebruik van schommelingen in specifieke hormonen (waaronder cortisol, een stresshormoon) die in het speeksel van de patiënten gemeten werden.