Browse Tag: angst

Pas op voor die hond! Hoe we angst leren via traumatische ervaring, sociale observatie en waarschuwingen

Angst is een basisemotie die mensen universeel herkennen en ook al bij heel jonge kinderen voorkomt. Het vertonen van angst is ook functioneel. We zijn angstig in het bijzijn van een grommende hond waardoor ons lichaam zich gaat voorbereiden om een aangepast gedrag te stellen (de ‘vecht-of-vlucht-reactie’).  In een bepaalde situatie is dat ook verstandig: je rent best weg van een misschien gevaarlijke hond.

Angst kan echter ook onaangepast zijn, zoals wanneer iemand stottert en beeft wanneer hij of zij een presentatie moet geven voor een groep van mensen of wanneer iemand begint te gillen bij het zien van een spin. Angst maakt in dat geval je leven onnodig lastig. In sommige gevallen zien we het dan ook als een stoornis. Angststoornissen komen heel vaak voor: 14% tot 29% van de mensen in het Westen heeft er tijdens zijn of haar leven last van. Daarom is het voor psychologen en psychiaters belangrijk om te weten waar angst vandaan komt en hoe zij (pathologische) angst kunnen behandelen.

Continue Reading

 

Wat kan ouders helpen met een kind dat pijn heeft?

Pijn beschouwen we vaak als een strikt persoonlijke ervaring, maar dat is het eigenlijk zelden. Pijn trekt immers, bijvoorbeeld door een pijnlijke grimas, de aandacht van anderen wiens reactie, op zijn beurt, een invloed kan hebben op hoe wij zelf omgaan met pijn. Onderzoek suggereert dat emoties die ontstaan bij het zien van een ander in pijn centraal zijn in het begrijpen van hoe wij zorg dragen voor elkaar.

Ouders beschermen, soms zelfs te veel

Het zien van een ander in pijn motiveert ons om pijn bij de ander onder controle te proberen houden. Dat is natuurlijk ook zo wanneer het over je eigen kind gaat. Als reactie op het zien van je kind in pijn gaan ouders de pijn zoveel mogelijk proberen te beperken door bijvoorbeeld deelname aan mogelijks risicovolle pijnuitlokkende activiteiten te ontmoedigen. Bij acute pijn, zijn deze reacties zinvol omdat ze het kind kunnen beschermen. Echter, bij chronische pijn, wanneer ontsnappen aan de pijn vaak onmogelijk is, zijn deze reacties eerder negatief omdat ze het kind waardevolle dagelijkse activiteiten ontnemen. Daardoor kunnen de pijnproblemen zelfs nog verergeren. Ouders kunnen hun kind vaak beter helpen wanneer ze hun eigen emoties onder controle houden. In labo-onderzoek aan de Universiteit Gent gingen onderzoekers na hoe de aandacht van ouders, het onder controle houden van emoties en pijncontrolerend gedrag samengaan. De studie werd gepubliceerd in het gerenommeerde vakblad ‘Pain’.

Het experiment: de koudwatertaak

Tijdens het experiment moest het kind een ‘koudwatertaak’ uitvoeren. Onderzoekers vragen het kind om zijn of haar hand onder te dompelen in een box gevuld met zeer koud water waardoor een pijnlijke sensatie ontstaat. Voor hun kind de koudwatertaak moest uitvoeren, kregen de ouders een ‘kijktaak’ als opdracht. Tijdens deze taak kregen de ouders op een computerscherm fotoparen te zien, telkens met een kind met een pijnlijk gezicht en één met een neutraal gezicht. Eén groep ouders kreeg de instructie om weg te kijken van het pijnlijke gezicht, de andere groep diende er net de aandacht op te vestigen.

Ouders met en zonder angst hebben andere noden

Voor en na de kijktaak werd onder andere hartslag en variatie in hartslag gemeten. Deze kunnen immers een teken zijn van verhoogde stress. Na de kijktaak observeerde de ouder zijn of haar eigen kind die deelnam aan de koudwatertaak. De onderzoekers gingen ook na of de ouders pogingen deden om de pijn van het kind te controleren. De verwachtingen van het onderzoek werden grotendeels bevestigd: ouders die als opdracht kregen om naar het pijnlijke gezicht te kijken, piekerden meer en voelden zich meer betrokken wanneer hun eigen kind de koudwatertaak moest uitvoeren. Maar er was ook een verschil al naargelang ouders nog voor het experiment meer of minder angstig waren: laag angstige ouders die de opdracht kregen naar het pijnlijke gezicht te kijken hadden meer vrees en poogden meer de pijn van hun kind onder controle te krijgen. Wanneer hoog angstige ouders de opdracht kregen om hun aandacht weg te richten van pijn, gingen ze hun emoties net minder onder controle proberen te houden en meer pijncontrolerend gedrag stellen.

One size does not fit all!

Wanneer ouders geconfronteerd worden met hun kind dat pijn heeft dan is het onder controle houden van emoties belangrijk. Maar hoe dat precies verloopt is dus anders voor angstige of minder angstige ouders. Voor weinig angstige ouders lijkt het goed te zijn om de aandacht weg te houden van de pijn, voor angstige ouders is het net beter om te focussen op de pijn. Ouders zijn dan ook gebaat bij hulp op maat van hun specifieke behoeften.

Meer informatie over deze studie: klik hier om het artikel te downloaden.

Referenties

  • Caes, L., Vervoort, T., Eccleston, C., & Goubert, L. (2012). Parents who catastrophize about their child’s pain prioritize attempts to control pain. Pain, 153, 1695-1701.
  • Schoth, D.E., Georgallis, T., & Liossi, C. (2013). Attentional bias modification in people with chronic pain: a proof of concept study. Cognitive Behaviour Therapy, 42, 233-243.
  • Vervoort, T., Trost, Z., Sutterlin S., Caes, L., & Moors, A. (2014a). The emotion regulatory function of parent attention to child pain and associated implications for parental pain control behaviour. Pain,155, 1453-1463.

Auteur: Prof. Dr. Tine Vervoort

Prof. Tine Vervoort werkt binnen de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent waar ze onderzoek verricht naar onder andere pijn bij kinderen. In 2014 kreeg ze de prestigieuze ‘IASP Ulf Lindblom Young Investigator Award’.

 

Angst bij jongeren: gevoelens de baas?!

Het kleine meisje dat graag bij haar mama in bed wil slapen, de tiener die gilt omdat ze een spin gezien heeft, de adolescent die niet naar school wil omdat hij een belangrijke presentatie moet geven… Herkenbaar?

Alle jongeren ervaren weleens angst. Is dat echter een probleem? En zo ja, kunnen we daar iets aan doen?

Angst bij jongeren

Angst is op zich een adaptieve en nuttige reactie, het zorgt ervoor dat je alert ben voor mogelijke gevaren. Dit maakt dat je op tijd en gepast kan reageren indien nodig. Angst kan echter ook dermate groot zijn dat het voor problemen zorgt in het dagelijkse leven. Onderzoek in Nederland toont aan dat tot 28% van de jongeren te kampen krijgen met een angststoornis (Ormel et al., 2014). Dit is niet alleen erg veel, voorgaand onderzoek vertelt ons helaas ook dat deze jongeren een 2 tot 3 keer meer kans hebben om als volwassene terug emotionele problemen te ervaren (Pine et al., 1998). Dit maakt het erg belangrijk om onderzoek te doen naar de mechanismen die een rol kunnen spelen bij angst bij jongeren en naar beloftevolle interventies.

Angst in de hersenen

In de hersenen bevindt zich een angstnetwerk dat actief wordt bij het ervaren van een bedreiging. Een heel belangrijke hersenregio hierin is de amygdala. Dit gebied is eigenlijk onze angstthermometer en gaat sterk reageren op gevaarlijke situaties. De amygdala is verbonden met hypothalamus die (met behulp van adrenaline en cortisol) een hele reeks van lichamelijke reacties opstart. Zo kan angst ervoor zorgen dat je begint te zweten, je hart sneller gaat kloppen, je hersenen meer bloed krijgen, etc. Hierbij is het echter belangrijk om te weten dat de amygdala geen onderscheid kan maken tussen feit en fictie. Dit maakt dat als je denkt dat je in gevaar bent, je lichaam ook zo gaat reageren! Dit maakt dat gedachten, interpretaties en herinneringen dus ook angst kunnen uitlokken.

Emotieregulatie

Het feit dat gedachten onze gevoelens kunnen veranderen, kunnen we echter ook in ons voordeel gebruiken! Een ander belangrijk deel van de hersenen, de prefrontale cortex, is onder meer verantwoordelijk voor cognitieve controle processen zoals emotieregulatie: het reguleren of trachten te veranderen van onze gevoelens. Er zijn erg veel verschillende emotieregulatiestrategieën die mensen gebruiken in een poging controle te krijgen over hun gevoelens (bijv. Ochsner, Silvers  & Buhle, 2012). Hoewel het afhankelijk is van de situatie of een bepaalde strategie voordelig dan wel nadelig is, worden sommige strategieën in het algemeen toch als adaptiever gezien dan anderen. Een voorbeeld van een maladaptieve strategie is supressie, waarbij je gevoelens of de uiterlijke tekenen ervan gaat onderdrukken. Een voorbeeld van een adaptieve strategie is cognitieve herinterpretatie. Bij deze strategie ga je met behulp van gedachten je gevoelens proberen te controleren. Wanneer je bijvoorbeeld erg bang bent van een spin, kan het behulpzaam zijn om te denken dat jij vele malen groter bent dan de spin en dat de spin waarschijnlijk ook bang is van jou. Bij sociale angst, zoals het spreken voor een klas, kan het bijvoorbeeld helpen om te denken dat je goed voorbereid bent en je leerstof goed kent.

Baas over eigen gevoel!

Het herkennen van en goed omgaan met gevoelens kan een waardevol deel van therapie zijn. Nele De Witte heeft dan ook in samenwerking met haar promotor en copromotor een werkboekje ontwikkeld dat gericht is op omgaan met gevoelens. In dit boekje wordt er stil gestaan bij de ervaring van gevoelens, de wisselwerking tussen gevoelens en gedachten en hoe gedachten gebruikt kunnen worden om gevoelens te veranderen. Momenteel wordt er onderzocht of jongeren met verhoogde angst via dit boekje cognitieve herinterpretatie kunnen aanleren. Daarnaast gaat men ook kijken of de jongeren bij het gebruiken van deze strategie erin slagen hun lichamelijke reactie (hartslag, zweetproductie, etc.) bij negatieve afbeeldingen onder controle kunnen krijgen.

 

Auteur

Nele De Witte is als doctorandus, onder supervisie van prof. dr. Sven Mueller en Prof. Dr. Caroline Braet, verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Deze vakgroep is een onderdeel van PSYNC, het consortium klinische psychologie.

Referenties

  • Ormel, J., Raven, D., van Oort, F., Hartman, C. A., Reijneveld, S. A., Veenstra, R., . . . Oldehinkel, A. J. (2014). Mental health in Dutch adolescents: a TRAILS report on prevalence, severity, age of onset, continuity and co-morbidity of DSM disorders. Psychol Med, 1-16. doi: 10.1017/S0033291714001469
  • Pine, D. S., Cohen, P., Gurley, D., Brook, J., & Ma, Y. (1998). The risk for early-adulthood anxiety and depressive disorders in adolescents with anxiety and depressive disorders. Arch Gen Psychiatry, 55(1), 56-64.
  • Ochsner, K. N., Silvers, J. A., & Buhle, J. T. (2012). Functional imaging studies of emotion regulation: a synthetic review and evolving model of the cognitive control of emotion. Year in Cognitive Neuroscience, 1251, E1-E24. doi: DOI 10.1111/j.1749-6632.2012.06751.x
 

Leiders hebben meer stress, toch?

Je hoort het soms: hoe hoger men zich bevindt in de organisatiehiërarchie, hoe meer stress men ervaart. Maar is dat ook zo? In deze blogpost bespreken we onderzoek dat aantoont dat dit niet zo is: leiderschap blijkt immers geassocieerd met lagere, in plaats van hogere, stressniveaus.

Leiders: hogere vereisten, maar ook meer controle

Je zou twee perspectieven kunnen innemen om de relatie tussen leiderschap en stress te begrijpen. Langs de ene kant worden de jobvereisten vaak hoger wanneer men klimt in de hiërarchie. Men krijgt meer verantwoordelijkheid, ervaart hogere tijdsdruk, moet meer uren werken, enz. Langs de andere kant ervaren leidinggevenden ook meer controle. Ze kunnen zelf bepalen waaraan gewerkt wordt, wie wat doet, hoe ze bepaalde projecten aanpakken, enz. Deze controle kan een belangrijke buffer vormen tegen stress.

2 studies nemen stress onder de loep

De deelnemers aan dit onderzoek waren werknemers die een opleiding volgden aan Harvard. Ze kwamen uit de publieke sector (overheidspersoneel en militairen). Om na te gaan of men een leidinggevende positie had, moesten deelnemers aangeven of ze al dan niet verantwoordelijk waren voor het managen van andere medewerkers.

In de eerste studie werden bij leidinggevenden, in vergelijking met niet-leidinggevenden, lagere cortisolniveaus (stresshormoon) en lagere angstniveaus gemeten. In de tweede studie werd ook gekeken naar het hiërarchisch niveau (de rang) van de leidinggevenden. In deze studie bleek dat leidinggevenden in een hogere posities lagere cortisol- en angstniveaus vertoonden dan leidinggevenden in lagere posities. Deze relatie werd bovendien significant verklaard door verschillen in het gevoel van controle: leidinggevenden in hogere posities ervoeren een groter gevoel van controle en dit verklaarde hun lagere stressniveau.

Conclusie: leiders en stress

In tegenstelling tot wat velen denken, is leiderschap geassocieerd met lagere stressniveaus. dit verschil blijkt te verklaren door een groter gevoel van controle.

Referentie

  • Sherman, G. D., Lee, J. J., Cuddy, A. J. C., Renshon, J., Oveis, C., Gross, J. J., & Lerner, J. S. (2012). Leadership is associated with lower levels of stress, Proceedings of the National Academy of Sciences, 109 (44), p. 17903–17907.

Meer lezen?

Auteur

Michiel Crommelinck behaalde zijn doctoraat in de bedrijfspsychologie aan de UGent, is mede-oprichter van de Gentse Alumni Psychologie en initiatiefnemer van Mensenkennis.be, en werkt als Innovation Partner bij HR-dienstverlener Securex.

 

Is de rechtse kiezer een angstige persoon?

Je hoort het wel eens zeggen: rechtse kiezers voelen zich vaak bedreigd of angstig, en daarom stemmen ze voor een rechtse partij. Rechtse partijen lijken die bedreiging ook doelbewust in de hand te werken via de formulering van hun verkiezingsslogans. Maar klopt dit beeld wel?

Een studie van studies over rechtse kiezers

Ook bij onderzoekers leeft het idee dat rechtse kiezers angstiger zijn. Om dit idee op de korrel te nemen, werd een meta-analyse uitgevoerd door onderzoekers aan de Universiteit Gent. Een meta-analyse is een studie van studies, en vat dus de resultaten van verschillende voorgaande studies samen.

Vooral kwestie van maatschappelijke dreiging

Op basis van 76 studies en de gegevens van meer dan 20.000 respondenten, bleek dat rechtse overtuigingen vooral gerelateerd zijn aan het ervaren van externe bedreigingen. Externe bedreigingen zijn angsten die te maken hebben met de maatschappij waarin men leeft, zoals bv. de economische dreiging wanneer een land in een crisis geraakt, de dreiging die uitgaat van terrorisme, of de dreiging dat immigratie onze cultuur ten gronde richt.

Het ervaren van interne bedreigingen, die zich situeren op het vlak van iemands persoonlijke leven, bleek veel minder sterk gerelateerd te zijn aan rechtse overtuigingen. Mensen die vaak angstig zijn (bv. voor een test of vanuit een neurotische aanleg) vertonen dus niet speciaal rechtse attitudes.

Conclusie: rechtse kiezers zijn inderdaad angstiger, maar deze angst heeft vooral te maken met de maatschappij en minder met iemands persoonlijk leven.

Volgende week gaan we dieper in op de vraag of rechtse kiezers ook ongelukkiger zijn.

Referenties

  • Onraet, E. (2012). The role of cognition and affect in right-wing ideology: Relationships of cognitive style, threat proneness and psychological well-being. Doctoral dissertation.
  • Onraet, E., Van Hiel, A., Dhont, K., & Pattyn, S. (in press). Internal and external threat in relationship with right-wing attitudesJournal of Personality.

Auteur: Emma Onraet

Dr. Emma Onraet behaalde haar doctoraat in de psychologie in 2012. Momenteel is ze post-doctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent. Haar onderzoeksinteresses situeren zich binnen de politieke psychologie.