Browse Category: Algemene psychologie

Vooroordelen en racisme bij ouders en kinderen: De appel valt niet ver van de boom

Vooroordelen in al hun vormen lijken helaas aan een opmars bezig te zijn, zowel in West-Europa als daarbuiten. Verhalen over sexisme, gay-bashing, en aanslagen tegen mensen op basis van religieuze of etnische achtergrond halen meer dan geregeld de pers en wijzen erop dat er mogelijks een toenemend maatschappelijk probleem van onverdraagzaamheid is.

Hoe meer vooroordelen bij ouders, hoe meer vooroordelen bij kinderen

Om de vraag naar hoe vooroordelen zich ontwikkelen te beantwoorden hebben ontwikkelingspsychologen het verband onderzocht tussen vooroordelen bij ouders en vooroordelen bij hun kinderen. In een recente meta-analyse werd de stand van zaken van dit onderzoek opgemaakt. Tot nu toe werden over dit thema 131 studies uitgevoerd, goed voor gegevens over meer dan 45000 ouder-kind relaties. De meta-analyse brengt al deze resultaten samen, en bekijkt de effecten over de studies heen.

De conclusie van de studie was duidelijk. Er bestaat inderdaad een robuust verband tussen de vooroordelen van ouders en die van kinderen. Bovendien werd dit verband gevonden over diverse vormen van vooroordelen en verschillende manieren om vooroordelen te meten heen. Hoe meer vooroordelen bij ouders, hoe meer vooroordelen bij kinderen. De spreekwoordelijke appel lijkt dus inderdaad niet ver van de boom te vallen.

Onderzoek naar vooroordelen in Vlaanderen

Onderzoek in Vlaanderen (bijvoorbeeld Duriez, 2011; Duriez, Soenens, & Vansteenkiste, 2008; Duriez, Vansteenkiste, Soenens, & De Witte, 2007) suggereert dat ouders met een neiging tot vooroordelen bepaalde doelen meer centraal stellen in opvoeding: ze beklemtonen bijvoorbeeld vaker het belang van materialisme en financieel succes of het belang van conformisme en behoudsgezindheid. Naarmate deze doelen sterker in de opvoeding beklemtoond worden vertonen adolescenten ook een grotere neiging tot vooroordelen.

  • Wanneer materialisme beklemtoond wordt ontwikkelen adolescenten meer bepaald een ‘dog-eat-dog’ overtuiging waarbij zij het grootste deel van de koek willen en anderen als te bekampen en misprezen concurrenten zien.
  • Wanneer conformisme en conservatisme worden beklemtoond ontwikkelen adolescenten de overtuiging dat de wereld een gevaarlijke plek is waarin sommige mensen en groepen weigeren om zich conform de regels van de meerderheid te gedragen. Deze gevoelens van bedreiging kunnen zich dan manifesteren in vooroordelen.

Dit is een bevinding die tot nadenken stemt in een maatschappij waarin, als we de recente verkiezingsuitslagen mogen geloven, conservatisme aan een opmars lijkt bezig te zijn.

Referenties

  • Degner, J., & Dalege, J. (in press). The apple does not fall far from the tree, or does it? A meta-analysis of parent-child similarity in intergroup attitudes. Psychological Bulletin.
  • Duriez, B. (2011). Adolescent ethnic prejudice: Understanding the effects of parental extrinsic versus intrinsic goal promotion. Journal of Social Psychology, 151, 441-454.
  • Duriez, B., Soenens, B., & Vansteenkiste, M. (2008). The intergenerational transmission of authoritarianism: The mediating role of parental goal promotion. Journal of Research in Personality, 42, 622-642.
  • Duriez, B., Vansteenkiste, M., Soenens, B., & De Witte, H. (2007). The social costs of extrinsic relative to intrinsic goal pursuits: Their relation with social dominance and racial and ethnic prejudice. Journal of Personality, 75, 757-782.

Auteurs: Bart Soenens en Kristof Dhont

Bart Soenens is docent in de Vakgroep Ontwikkelings-, Sociale, en Persoonlijkheidspsychologie. Hij doceert inleidende vakken ontwikkelingspsychologie. Zijn onderzoek handelt voornamelijk over de ouder-kind relatie tijdens de adolescentie. Een centraal thema in zijn onderzoek is de rol van controlerend en autonomie-ondersteunend opvoeden in de persoonlijkheidsontwikkeling, motivatie, en aanpassing van kinderen en adolescenten. Hij doet ook onderzoek over identiteitsontwikkeling, hechting, vooroordelen, perfectionisme, en processen van intergenerationale transmissie.

Kristof Dhont is postdoctoraal onderzoeker bij het FWO en verbonden aan de vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie van de Universiteit Gent. Zijn onderzoek situeert zich in het domein van de sociale en politieke psychologie en focust op de situationele en dispositionele oorzaken van vooroordelen en racisme. Hij bestudeert onder andere de invloed van intergroepscontact en de maatschappelijke groepscontext, alsook de rol van sociaal-ideologische attitudes en cognitieve stijl.

 

Waarom we onze trouwjurk of oma’s gebreide sokken niet weg kunnen gooien

Materiële herinneringen

Back through the years/ I go wonderin’ once again/ Back to the seasons of my youth/ I recall a box of rags that someone gave us / [—]

Momma sewed the rags together/ Sewin’ every piece with love/ She made my coat of many colors/ That I was so proud of

In 1971 begint de countryster Dolly Parton met deze woorden haar autobiografische hitsingle ‘Coat of many colors’. De titel refereert naar het Bijbelverhaal van Jozef, een jongere zoon van Jacob die van zijn vader ‘een prachtig kleed’ (Gen 37:3) krijgt dat getuigt van zijn vaderliefde. Parton’s tekst illustreert hoe kledij, in de betekenis van alle materiële objecten die het menselijke lichaam bedekken en opsmukken, een uitgelezen drager is van herinneringen. De ster achtte haar originele jas alvast belangrijk genoeg voor expositie in het door haar uitgebate attractiepark Dollywood.

Dagdagelijks omringen wij ons allemaal met ‘coats of many colors’, of dit nu jassen, jurken of juwelen zijn. Hierin staat het menselijke lichaam centraal en wel in een dubbele relatie tot de gedragen kledij: het lichaam geeft zowel vorm als wordt erdoor gevormd. En toch, zoals de volgende persoonlijke voorbeelden illustreren, is het net in de afwezigheid van het lichaam dat de herinnering doorheen de kledij werkelijk ingang vindt.

De trouwjurk

Zoals Parton’s jas, is de trouwjurk op de foto genaaid door een moeder. Een schoonmoeder weliswaar, de mijne. De ochtend na het feest wilde zij de jurk terugbrengen naar haar voorhuwelijkse, ongedragen staat. Zonder vlekken, rimpels en scheuren dus. Na een aantal verwoede pogingen, bleek echter dat rode wijn, modder en tranen van geluk voor altijd hun print zouden behouden. Mijn eigen fysieke aanwezigheid had de jurk getransformeerd tot een onuitwisbare materiële herinnering van een dag, nog maar net voorbij. Een moment dat deze foto vastlegt.

Oma’s gebreide sokken

Vaak is de historische afstand tussen kledij-als-herinnering en belichaamde kledij echter groter. Zo ben ik bijzonder gehecht aan het laatste paar sokken dat mijn grootmoeder breide voor ze stierf, nu toch al vijftien jaar geleden. En ondanks een aantal kwaliteiten die in hun voordeel spreken – functionaliteit, technisch uitdagend kabelpatroon en flatterende kleur – zijn het niet deze die mijn speciale waardering voor de sokken voornamelijk uitdrukken. De herinneringen die ik heb aan mijn grootmoeder en die hun meest directe materialisatie vinden in de objecten die ze ooit creëerde en die haar nu overleven doen dit echter wel.

Afwezigheid van het menselijk lichaam

‘Coats of many colours’ hebben inderdaad verscheidene verschijningen. Maar de afwezigheid van het menselijk lichaam is vereist vooraleer herinnering ingang kan vinden. Indien mijn grootmoeder nog zou leven, zou ik haar koesteren door haar te omhelzen, niet door s’ nachts in bed te stappen met haar gebreide sokken en deze s’ ochtends veilig weg te bergen. Essentieel aan deze herinneringspraktijken is kortom het fragmentarische aspect ervan (Gumbrecht, 2004).

Mijn oma’s gebreide sokken illustreren dat een volledig contact met het verleden onmogelijk is. Wél zijn deze sokken een fragment uit dat verleden, namelijk een klein deeltje dat ons ermee verbindt en ons tegelijkertijd wijst op het nooit terugkerende karakter ervan.

De oorsprong van ‘fashion’

Deze manier van omgaan met kledij heeft zijn oorsprong in een begrip van het concept ‘fashion’ als ‘to fashion’, het maken, creëren en scheppen van iets; of facere in het Latijn. Al in de Bijbel was Gods werk er één van ‘fashioning’: “Mij maakten, mij vormden uw handen”, staat in de Psalmen (119:73), in het Engels, “Your hands have made and fashioned me”.

Vanaf de Renaissance verstrengelde de betekenis van mode zich echter steeds meer met verhandelbare kledingobjecten in een constante verandering van stijlen (Wilson 2003: 3). Verscheidene auteurs halen dan ook aan dat de industrialisatie van de laat 18de eeuw verantwoordelijk is voor een mode waarin het scheppende en herinnerende begrip steeds minder plaats kreeg.

En toch?

Ook vandaag de dag blijven we gehecht aan oma’s gebreide sokken. Zowel hedendaagse modeontwerpers als het academische debat over mode voelen dus de noodzaak deze materiële herinneringspraktijken te begrijpen in de context van een modesysteem dat sinds de betekenisverschuiving naar ‘constante verandering’, net als Jozefs broers in de Bijbel, haar ‘coats of many colors’ met argwaan bekijkt, omdat deze een waarde symboliseren die moeilijk te commodificeren valt. Liefde, herinnering, bezieling als je wil. Ook hier herinnert Dolly Parton ons weer aan:

In my coat of many colors / I hurried off to school / Just to find the others laughing / And making fun of me /

In my coat of many colors / My momma made for me / And oh I couldn’t understand it / For I felt I was rich /

And I told them of the love / My momma sewed in every stitch / And I told em all the story / Momma told me while she sewed /

And how my coat of many colors / Was worth more than all their clothes

Referenties

  • Gumbrecht, H.G. 2004. Production of Presence: What meaning cannot convey. Stanford University Press, Stanford, CA.
  • Wilson, E. 2003. Adorned in Dreams: Fashion and modernity. I.B. Tauris: London.

Auteur: Aurélie Van de Peer

Aurélie Van de Peer is als PhD Fellow (FWO) verbonden aan de vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen van de Universiteit Gent. In haar doctoraatsonderzoek bestudeert ze hoe modeprofessionals doorheen de 20ste en vroeg 21ste eeuw aankeken tegen de definitie van mode als een constante verandering van stijlen.

 

De ernst van humor: 1 april kan je leven verbeteren!

Duitsers zijn de minst grappige mensen in de wereld. Dat was de conclusie van een stemming bij lagere schoolkinderen in South Park, Colorado. De Duitsers konden hier uiteraard niet om lachen en in een reactie daarop bouwden ze de XJ-212 Funnybot, een robot die succesvol moppen genereert.

Mooie fictie van de makers van South Park. Maar eigenlijk is Funnybot niet echt fictie meer. The Joking Computer bestaat wel degelijk en is door wetenschappers ontworpen om de geheimen van humor te helpen ontrafelen. En inderdaad, de computer genereert zelf moppen. Niet echt van top kwaliteit, maar het is een begin. En wie weet worden wetenschappers binnen enkele jaren de top-comedians onder ons, gesteund door immense humor computers.

Wetenschappers zijn zo hard op zoek naar het geheim van humor, omdat grappig zijn bijzonder belangrijk blijkt. Een grapje op 1 april kan echt het verschil maken en een positieve werkcultuur tot gevolg hebben. Het geheim zelf hebben we nog niet ontrafeld, maar we weten er al wel heel erg veel over.

Emotionele besmetting

Grappen zijn letterlijk besmettelijk. Een grap zorgt ervoor dat je een positief affect in iemand anders induceert. Affect refereert naar het effect dat een gebeurtenis heeft op je gemoed of emoties. Daarvan is aangetoond dat het besmettelijk is. Het positieve affect slaat dus over op anderen in de groep. Wanneer dit herhaald wordt, krijg je op lange termijn een groepscultuur waarin humor ondersteund en geappreciëerd wordt. Dat is kort uitgelegd het Wiel Model van Humor van Robert & Wilbanks (2012). Een model dat aantoont dat één grap, dankzij emotionele besmetting, een positieve spiraal en uiteindelijk een hele cultuur van humor kan teweeg brengen.

Daarom is 1 april zo belangrijk. Als je vandaag een gepaste grap op het werk weet uit te halen, verhoog je de kans op een leukere sfeer aanzienlijk en wie weet een echte humor cultuur. Let wel, een gepaste grap op een gepast moment… niet zoals dit bijvoorbeeld.

P(grappig): kans op grappig zijn

Humor is echt een sociaal wondermiddel, op voorwaarde dat je het correct hanteert. Grappig zijn zorgt voor een betere groepscohesie, betere communicatie, productiviteit, creativiteit en effectiviteit van leiderschap. Onrechtstreeks zorgt het ook voor meer job tevredenheid, engagement en flow. Meer hulp van en voor anderen op het werk, meer creatieve oplossingen in je werk, betere beslissingscapaciteiten en minder absenteïsme en ontslag en zelfs een risico vermindering van 10 jaar op hart ziektes. Tot slot, als je grappig bent, heb je ook meer kans op seks (zowel voor mannen als vrouwen). Je hebt er dus baat bij om grappig te zijn, maar je moet wel weten hoe.

Je kans om succesvol grappig te zijn wordt onder andere bepaald door de mate waarin je open staat voor nieuwe ervaringen en je intelligentie. Maar die bepalen ook een negatieve vorm van humor. Want zoals In de Gloria wonderwel aantoonde, kan humor ook heel verkeerd gebruikt worden met ernstige averechts effecten tot gevolg. Om te genieten van de vele positieve gevolgen van grappig zijn, moet je ook in staat zijn om sociale en emotionele cues in anderen te lezen. Je moet dus ook emotioneel intelligent en begaan zijn met sociale omstandigheden.

Samengevat:

P(grappig) = (Intelligentie + Openheid)

P(grappig)+ = (Intelligentie + Openheid) + (Emotionele Intelligentie + Sociaal inzicht)

Hoe humor werkt

Je kan je kans verhogen op grappig zijn door je associatief denkvermogen te trainen. Volgens de incongruentie theorie komt humor voort uit het oplossen van een conflict tussen cognitieve representaties van verwachtingssystemen. Eigenlijk een soort van cognitief spelletje, waarbij associëren de basiseenheid vormt. Hoe beter je bent in het leggen van unieke associaties en daar linken tussen te zien, hoe groter je kans op een grap. Dat geldt niet alleen voor humor, maar ook voor creativiteit in het algemeen. Mensen die goed kunnen associëren zijn significant beter in divergent denken, de basis voor het bedenken van creatieve oplossingen (en ook voor humor). Vandaar ook de sterke relatie tussen creativiteit en humor.

Associëren kan je trainen. Het is nog niet rechtstreeks onderzocht, maar het is bijvoorbeeld wel iets waarop getraind wordt bij improcomedy. Vermoedelijk kan je dus leren om sneller unieke associaties te leggen door het regelmatig bewust te doen. Bijvoorbeeld op jezelf regelmatig bewust associatiekettingen maken: je start met ‘koe’ en laat je fantasie de vrije loop. Er zijn ook oefeningen om dit in groep te trainen, zoals associatie cirkels. Op die manier kan je je kans op grappig zijn verhogen.

Dus, als de Joking Computer toch net niet helpt om je inspiratie te leveren voor een grapje vandaag, dan kan je zelf even je associatief denkvermogen bijschaven. Of als je echt zeker wilt zijn, het internet biedt bijzonder veel (foute) inspiratie. Neem alvast is een kijkje op humoratwork.tv en misschien dat het voorstel van onze vriend Mike met deze “veilige practical joke” wel eens kan leiden tot hilarische grappen en grollen tijdens je volgende meeting.

Referenties

  • Benedek, M., Könen, T., & Neubauer, A. C. (2012). Associative Abilities Underlying Creativity. Psychology of Aesthetics, Creativity, and the Arts, 6, 273-281.
  • Greengross, G., & Miller, G. (2009). The Big Five personality traits of professional comedians compared to amateur comedians, comedy writers, and collegde students. Personality and Individual Differences, 47, 79-83.
  • Greengross, G., & Miller, G. (2011). Humor ability reveals intelligence, predicts mating success, and is higher in males. Intelligence, 39, 188-192.
  • Mesmer-Magnus, J., Glew, D. J., & Viswesvaran, C. (2012). Emerald Article: A meta-analysis of positive humor in the workplace. Journal of Managerial Psychology, 27, 155-190.
  • Robert C., & Wilbanks J. E. (2012). The wheel Model of humor: Humor events and affect in organizations. Human Relations, 65, 1071-1099.

Auteur: Michaël Van Damme

Michaël Van Damme is wetenschappelijk medewerker bij het Centrum voor de Ontwikkeling van het Creatief Denken (COCD) en doctoreert aan de UGent bij het VIGOR innovatie-onderzoeksteam. Hij verricht onderzoek naar creativiteit, brainstormen en idee selectie. Daarnaast heeft hij heel wat humor ervaring opgedaan als stand up comedian en speelt hij al een tiental jaar improcomedy bij de Lunatics.

 

Maakt dagdromen jou gelukkiger?

Dagdromen (mind wandering)

Iedereen kent het gevoel wel: hoewel je je eigenlijk zou moeten focussen op je werk, dwalen je gedachten af. Je begint te dagdromen over wat je die avond nog gepland hebt, hapjes en een leuke film of toch je gaan moeten haasten om nog boodschappen te doen of de kinderen ophalen bij het kinderdagverblijf. Het laten afdwalen van gedachten, weg van de activiteit waar je eigenlijk mee bezig bent, is een belangrijke vaardigheid: het laat mensen toe te leren, te redeneren, en te plannen. Dat het met momenten functioneel is daar zijn we het wel over eens, maar wat wij ons in deze blog post afvragen is of dagdromen mensen ook gelukkiger maakt.

Dagdromen en geluk

Onderzoekers aan de Harvard Universiteit hebben dit fenomeen onderzocht met de specifieke vragen:

  1. Hoe veel wordt er afgedwaald?
  2. Waaraan denken mensen het meest?
  3. Maakt het afdwalen van gedachten mensen gelukkiger of net ongelukkiger?

Deze vragen werden onderzocht bij meer dan 5000 mensen uit 8 verschillende landen via een iPhone applicatie. Tijdens de dag rapporteerden de personen waar ze op dat moment mee bezig waren, waaraan ze dachten, en hoe gelukkig ze hun op dat moment voelden.

mind wandering

Uit het onderzoek bleek dat de deelnemers bijna de helft van de tijd (46.9%) aan iets dachten waar ze niet mee bezig waren. Bovendien vond men dat mensen, gemiddeld genomen, een lager geluksgevoel rapporteren op het moment dat hun gedachten aan het afdwalen zijn.

In de figuur wordt de relatie van het afdwalen van gedachten en het subjectieve geluksgevoel duidelijk. De X-as geeft het gerapporteerde geluksgevoel weer, en de items (of bollen) verwijzen naar de activiteit die deelnemers rapporteerden (hoe groter de bol, hoe vaker deze gerapporteerd werd). Uit de figuur kan men afleiden dat deelnemers tijdens het werk en het reizen de laagste geluksgevoelens rapporteerden. Sociale activiteiten zoals praten/kletsen maakten hen het meest gelukkig. De auteurs concluderen dan ook dat het afdwalen van gedachten eigen is aan de mens, maar dat het ook een zware kost meebrengt in de vorm van een lager geluksgevoel.

Geluksgevoel vooral bepaald door waar je aan denkt, niet wat je doet

Graag wil ik ook het positieve uit het onderzoek benadrukken. Het onderzoek toont namelijk ook aan dat je geluksgevoel niet zo zeer wordt bepaald door wat je doet (slechts 3,2% van de verschillen in geluksgevoel tussen mensen werd verklaard door de gerapporteerde activiteit), maar meer afhangt van waar je aan denkt (verklaarde 17,7% van de verschillen in geluksgevoel tussen mensen). Dus geef je eigen geluksgevoel een boost en leef in het moment, geef je volle aandacht aan datgene waar je mee bezig bent, en trakteer jezelf af en toe eens op een momentje wegdromen over een goed glas wijn, een fijn gesprek, of dat parelwitte zandstrand met kristal blauwe zee.

Referentie

  • Killingsworth, M. A., & Gilbert, D. T. (2010). A Wandering Mind is an Unhappy Mind. Science, 330, p. 932.

Auteur: Alexander Buijsrogge

Alexander Buijsrogge is doctoraatsonderzoeker aan de Universiteit Gent op de vakgroep Personeel, Arbeid, en Organisatie psychologie. Zijn onderzoek focus ligt op discriminatie in selectie en rekrutering, en in zijn onderzoek probeert Alexander verschillende domeinen van de psychologie (sociale-, cognitieve-, en A&O psychologie) te combineren. Daarnaast is Alexander op dit moment bestuurslid van pHResh, het netwerk voor PhD studenten met interesse in Human Resource Management en/of Organisational Behavior, en organiseert workshops en meetings. Als zelfbenoemde professionele positivist pakt Alexander de kansen en mogelijkheden die op zijn pad komen, en raadt hij iedereen aan dit ook te doen.

 

Zijn rechtse kiezers ook ongelukkiger?

Vorige week beantwoordden we de vraag of rechtse kiezers angstiger zijn. Rechtse attitudes bleken inderdaad meer gelinkt te zijn aan het ervaren van bedreigingen in de maatschappij, eerder dan bedreigingen in iemands persoonlijk leven. Deze week gaan we dieper in op de vraag of rechtse kiezers ook ongelukkiger zijn. Vaak denkt men immers dat rechtse kiezers meer negatieve emoties ervaren, zoals ontevredenheid. Daarenboven zouden mensen die extreem rechtse attitudes aanhangen bijvoorbeeld vaker persoonlijkheidsstoornissen en depressies vertonen.

Rechtse kiezers blijken niet ongelukkiger

Op basis van 74 studies waaraan bijna 70.000 mensen deelnamen, bleek dat mensen die rechtse attitudes aanhouden geen slechter psychisch welzijn hebben:

  • ze ervaren niet meer negatieve emoties
  • ze zijn niet minder tevreden met hun leven
  • ze zijn niet minder tevreden met zichzelf

Referenties

  • Onraet, E. (2012). The role of cognition and affect in right-wing ideology: Relationships of cognitive style, threat proneness and psychological well-being. Doctoral dissertation.
  • Onraet, E., Van Hiel, A., & Dhont, K. (in press). The relationship between right-wing ideological attitudes and psychological well-being. Personality and Social Psychology Bulletin.

Auteur: Emma Onraet

Dr. Emma Onraet behaalde haar doctoraat in de psychologie in 2012. Momenteel is ze post-doctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent. Haar onderzoeksinteresses situeren zich binnen de politieke psychologie.

 

Leren uit ervaringen: Durf de lat hoog te leggen

Zowel in het onderwijs als in het bedrijfsleven wint ervaringsleren aan belang. Formele opleidingsprogramma’s die plaatsvinden in een traditionele klascontext worden steeds vaker aangevuld met informele leermethodes, zoals ‘werkplekleren’, ‘on-the-job learning’, stages en ‘learning by doing’. Ook wetenschappers doen de laatste jaren meer en meer onderzoek naar hoe mensen kunnen leren uit ervaringen.

Uit welke ervaringen leer je het meest?

Uit onderzoek wordt stilaan duidelijk dat uitdagende ervaringen het hoogste leerpotentieel hebben. Uitdagende ervaringen –zoals het krijgen van onbekende verantwoordelijkheden– motiveren ons om uit de comfortzone van de dagdagelijkse routine te treden en om te experimenteren met alternatieve werkmethodes. Deze creatieve experimenten leiden vaak tot een verandering in kennis, vaardigheden of gedrag.

Leren uit ervaringen: een kwestie van de juiste balans

Niet iedereen is echter in staat om met eenzelfde niveau van uitdaging om te gaan. Eenmaal de balans tussen uitdaging en verwerkingspotentieel van het individu uit evenwicht is, dreigen de leereffecten af te nemen. Streetwize en de vakgroep Personeelsbeleid, Arbeids- en Organisatiepsychologie van de UGent besloten de handen in elkaar te slaan om na te gaan welke persoonlijke factoren het verwerkingspotentieel van een individu bepalen.

Wie leert het best uit uitdagingen?

Vertrekkend vanuit inzichten uit de positieve psychologie werd vooropgesteld dat iemands psychologisch kapitaal (PsyCap) bepaalt hoe omgegaan wordt met uitdagende (werk)situaties. PsyCap is de verzamelnaam voor een aantal basiscapaciteiten van mensen, waaronder optimisme, hoop en veerkracht.

Op basis van de onderzoeksresultaten bij een 100-tal respondenten werd vastgesteld dat PsyCap effectief een invloed heeft op hoe goed we kunnen omgaan met uitdagende situaties op het werk: mensen met veel psychologisch kapitaal bleken beter in staat om te gaan met en lessen te trekken uit uitdagende situaties op het werk.

Referentie

  • Luthans, F., Youssef, C. M., & Avolio, B. J. (2007). Psychological capital. New York: Oxford UniversityPress. Klik hier om het boek online door te nemen.

Auteur: Bernd Carette

Bernd Carette is doctoraatsstudent in de Bedrijfspsychologie aan de Universiteit Gent (FPPW). Zijn onderzoek situeert zich hoofdzakelijk in het veld van Training & Development. Hij bestudeert het proces van ervaringsleren en besteedt hierbij onder meer aandacht aan de faciliterende rol die de organisatie hierin kan spelen.

 

Is de rechtse kiezer een angstige persoon?

Je hoort het wel eens zeggen: rechtse kiezers voelen zich vaak bedreigd of angstig, en daarom stemmen ze voor een rechtse partij. Rechtse partijen lijken die bedreiging ook doelbewust in de hand te werken via de formulering van hun verkiezingsslogans. Maar klopt dit beeld wel?

Een studie van studies over rechtse kiezers

Ook bij onderzoekers leeft het idee dat rechtse kiezers angstiger zijn. Om dit idee op de korrel te nemen, werd een meta-analyse uitgevoerd door onderzoekers aan de Universiteit Gent. Een meta-analyse is een studie van studies, en vat dus de resultaten van verschillende voorgaande studies samen.

Vooral kwestie van maatschappelijke dreiging

Op basis van 76 studies en de gegevens van meer dan 20.000 respondenten, bleek dat rechtse overtuigingen vooral gerelateerd zijn aan het ervaren van externe bedreigingen. Externe bedreigingen zijn angsten die te maken hebben met de maatschappij waarin men leeft, zoals bv. de economische dreiging wanneer een land in een crisis geraakt, de dreiging die uitgaat van terrorisme, of de dreiging dat immigratie onze cultuur ten gronde richt.

Het ervaren van interne bedreigingen, die zich situeren op het vlak van iemands persoonlijke leven, bleek veel minder sterk gerelateerd te zijn aan rechtse overtuigingen. Mensen die vaak angstig zijn (bv. voor een test of vanuit een neurotische aanleg) vertonen dus niet speciaal rechtse attitudes.

Conclusie: rechtse kiezers zijn inderdaad angstiger, maar deze angst heeft vooral te maken met de maatschappij en minder met iemands persoonlijk leven.

Volgende week gaan we dieper in op de vraag of rechtse kiezers ook ongelukkiger zijn.

Referenties

  • Onraet, E. (2012). The role of cognition and affect in right-wing ideology: Relationships of cognitive style, threat proneness and psychological well-being. Doctoral dissertation.
  • Onraet, E., Van Hiel, A., Dhont, K., & Pattyn, S. (in press). Internal and external threat in relationship with right-wing attitudes. Journal of Personality.

Auteur: Emma Onraet

Dr. Emma Onraet behaalde haar doctoraat in de psychologie in 2012. Momenteel is ze post-doctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent. Haar onderzoeksinteresses situeren zich binnen de politieke psychologie.