Browse Category: Algemene psychologie

The Cheerleader Effect: waarom mensen mooier zijn in groep.

Bij de How I Met Your Mother kijkers zal de titel van deze blogpost misschien al een belletje doen rinkelen. Barney legt namelijk hoogstpersoonlijk uit waar The Cheerleader Effect over gaat: vrouwen in groep lijken aantrekkelijk, maar de kans is groot dat ze individueel niet veel soeps zijn. In de jaren ’90 is dit effect ook al omschreven als “The Spice Girls Conspiracy”. Het lijkt erop dat de wetenschap recent bevestigd heeft dat dit fenomeen inderdaad bestaat, zowel voor mannen als vrouwen die zich in een groep van hetzelfde geslacht bevinden.

Een gemiddeld gezicht

Het is namelijk zo dat onze mindere kantjes ‘uitgemiddeld’ worden als we in een groep bekeken worden. Kleine onvolmaaktheden, imperfecties of asymmetrieën worden gecombineerd met die van de andere groepsleden en zo eindigen we met een gebalanceerd groepsgemiddelde. Is dit ‘gemiddelde groepsgezicht’ dan een Mila Kunis of Scarlett Johansson? Absoluut niet, maar het zit in de menselijke natuur om symmetrie mooi te vinden en daarom zal een uitbalancering van verschillende gezichten ons bijna altijd meer aanstaan.

Daarenboven ziet ons visueel systeem zaken graag als een geheel. Dit is bijvoorbeeld ook waarom we zo snel gezichten zien in een willekeurige opstelling. Ook een groep mensen is voor je hersenen een geheel, en dus straalt een naar ons aanvoelen mooier groepsgezicht af op de individuele leden (in de plaats van ermee te contrasteren, wat ervoor zou zorgen dat we net lelijker zijn in groep).

Dit effect hangt niet af van de hoeveelheid gezichten in de groep en werkt al vanaf kleine aantallen. In het experiment maakte het niet uit of de groepsfoto een collage was van pasfoto’s (zoals hieronder) of dat de individuele foto uit de groepsfoto werd geknipt – louter het toevoegen van gezichten is dus voldoende, je hoeft er niet mee in een betekenisvolle positie te staan. Het is ook zeker geen pleidooi om je enkel te omringen met mooie mensen. Als je actief wil profiteren van dit effect, is de beste strategie vrienden te zoeken wiens gezichtskenmerken, positief en negatief, dejouwe complimenteren.

Groepen zijn goed voor je

Er is natuurlijk een belangrijke mogelijke alternatieve verklaring voor deze bevindingen: misschien zien we er wel beter uit in groep omdat we ons onder vrienden waarschijnlijker gelukkiger voelen en meer plezier maken dan op momenten waarbij we in isolement ‘gekeurd’ worden. Maar laat de waarschijnlijkheid van een Cheerleader Effect dan een extra stimulans betekenen om wat meer onder de mensen te zijn.

Referentie

  • Walker, D, & Vul, E. (2013). Hierarchical Encoding Makes Individuals in a Group Seem More Attractive. Psychological Science, 1-6.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemerschap aan de Vlerick Business School. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

 

 

 

Euromillions spelen is goed voor je: onrealistisch optimisme

Het is bon ton om hoofdschuddend te lachen met de naïeve lottospeler. Telkens opnieuw worden er omstandige kansrekeningen voorgelegd om tot de ontegensprekelijk verwarde geest door te dringen. Nochtans, de meeste mensen weten wel dat de kans groter is dat je op een zonnige dag door een bliksem wordt getroffen maar gedachten als “je weet toch maar nooit!” verleiden ons vaak toch tot meespelen.

Onrealistisch optimisme

Waarom spelen er zoveel mensen hun hele leven mee met de Lotto, goed wetende wat de winstkansen maar zijn? Je zet geld in omdat je de kans groot genoeg acht dat jouw cijfercombinatie zal winnen. Elke andere speler heeft natuurlijk deze zelfde overtuiging. De menselijke geest is uitgerust met een subliem overlevingsmechanisme de pay. Het heet onrealistisch optimisme. De meeste mensen hebben de neiging om te geloven dat ze meer kans hebben om positieve gebeurtenissen mee te maken dan de gemiddelde medemens en minder kans dan anderen dat hen onfortuinlijke zaken zullen overkomen.

Onrealistisch optimisme is wat u elke morgen uit bed haalt. Alle statistieken mogen tegen ons pleiten, toch geloven we dat deze niet op ons van toepassing zullen zijn. Met volle overtuiging beginnen we een eigen restaurant, hoewel startende restauranthouders slechts 33 procent kans hebben om na 5 jaar nog te bestaan. We beloven elkaar oprecht eeuwige trouw voor het altaar, hoewel twee op de drie huwelijken in België eindigen met een scheiding. Aanstaande ouders schatten hun kans op een hoogbegaafd kind veel hoger in dan de kans op een minderbegaafd kind, hoewel een beetje statisticus u natuurlijk vertelt dat die kansen even groot zijn. We geloven dat onze eigen toekomst beter wordt dan het heden. The future’s bright. Voor ons, maar niet voor de anderen.

Mentale gezondheid

Onrealistisch optimisme is een teken van een goede mentale gezondheid. Mochten we die positieve illusie kwijt spelen, is de kans groot dat we depressief worden. Een realistische inschatting van alle gevaren en ongevallen die ons kunnen overkomen, zou beangstigend en verlammend werken. Meestal zijn de optimisten gevonden onder mensen die gek zijn van casino en andere gokken.

Onderzoek toont zelfs aan dat mensen met een lichte depressie veel realistischere kansberekeningen maken van potentiële bedreigingen in hun leven. Niet gezond, dat realisme. Mensen met HIV die hun eigen kansen op overleven hoger inschatten dan andere patiënten, bleken in één studie effectief gemiddeld 9 maanden langer te leven.

Vermijden van spijt

Een andere incentive die u geld doet inzetten – naast de miljoenen die u graag op de bankrekening zou zien staan – is dat u spijt wil vermijden. U wil het namelijk niet geweten hebben dat uw vaste cijfers net getrokken worden in de week dat u niet meespeelt. In Nederland maakt de Postcodeloterij hier handig gebruik van. In de pot zitten alle postcodes van Nederland, onafhankelijk van het feit of de eigenaar meespeelt of niet. Meespelen wil zeggen dat je recht hebt op je geld wanneer je postcode als winnende uit de bus komt. Jij (en ook je omgeving) weten dus perfect wanneer je het groot lot hebt gewonnen, stel je voor dat je dan moet zeggen dat je niet mee hebt gespeeld. Niet verrassend is het dit soort feedback die ervoor zorgt dat meer mensen geneigd zijn mee te spelen met de Postcodeloterij dan met de Nederlandse Nationale Loterij, die met het systeem van zelfgekozen cijfercombinaties werkt zoals we hier in België kennen.

Conclusie

Koester dus uw positiviteit en speel op de lotto. Er moet toch altijd iemand winnen, nee?

Referenties

  • Gilovich, T., Griffin, D. & Kahneman, D. (2002). Heuristics and biases:  The psychology of intuitive judgment, 334-347.
  • Zeelenberg, M. & Pieters, R. (2004). Consequences of regret aversion in real life: the case of the Dutch postcode lottery. Organizational behavior and Human Decision Processes, 93, 155-168.

Auteur

Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be

 

Geweld in videogames: verloedert het onze jeugd?

Af en toe, bij de release van een controversiële videogame, laait de discussie weer in alle hevigheid op: zijn gewelddadige spellen nefast voor jongeren. Bij de release van Grand Theft Auto 5, de jongste telg in de GTA-reeks, hoorden we opnieuw veel ongerustheid over de populariteit van dit spel, waarin de speler de vrijheid heeft alle grenzen van de legaliteit te overschrijden. Ook de steeds grotere herkenbaarheid van de virtuele wereld – GTA speelt zich af in Los Santos, een stad die zeer sterk lijkt op Los Angeles – baart velen zorgen. Traumapsycholoog Erik De Soir riep in Hautekiet en Reyers Laat nog op tot een verbod op dergelijke games. Occasioneel krijgen we zelfs in de media te horen dat daders van schietpartijen zich baseren op gewelddadige games of dat criminelen een (GTA) gaming verleden hebben. Hoewel Grand Theft Auto expliciet gericht is naar en geschikt is voor mensen van 18 jaar of ouder en het verboden is ze aan minderjarigen te verkopen, komen ook veel van hen ermee in contact. Hetzij thuis van oudere broer of zus, hetzij bij vrienden, hetzij door de massale media aandacht en het herhalen van de ruwste scènes die net zo nefast zouden zijn. Verder is GTA nog steeds de populairste game bij jongens en 1 van de populairste game bij meisjes. Het is natuurlijk zo dat een correlatie geen causaliteit is en dat er minstens evenveel jongeren zijn die ettelijke uren slijten achter de console zonder uiteindelijk criminele feiten te plegen. Hoog tijd dus om even te kijken naar wat de wetenschap ons hierover kan vertellen.

Aantrekkingskracht

1 van de vele redenen waarom jongeren videospelletjes spelen is de aantrekkingskracht van “the unreal”, zaken kunnen doen en beleven die in de realiteit niet mogelijk zijn. Games zoals GTA vallen perfect onder deze omschrijving. Ook zichzelf iets eigen willen maken is een motief, net als stress of kwaadheid ventileren of het plezier van competitiviteit. De ‘hunker’ naar geweld in videogames is niet zo deviant als ouders soms vrezen. Sterker nog, het bleek dat wanneer een game deze noden kan beantwoorden, geweld slechts miniem bijdraagt tot de aantrekking van een spel of het plezier van het te spelen. Een Formule 1 spel kan bijvoorbeeld even aantrekkelijk zijn, omdat een speler de motivatie kan hebben een bepaalde race feilloos af te leggen.

Agressie op het scherm is agressie voor de speler

Er werd inderdaad een positieve, significante correlatie gevonden tussen geweld in videogames en agressief gedrag in verschillende studies (voor de liefhebbers, resultaten lagen meestal rond r=.45). Deze correlatie werd minder sterk – maar bleef significant – wanneer men controleert voor geslacht, antisociale persoonlijkheid of de tijd die men aan eender welke videogame spendeerde. Meestal vergeleek men in dit onderzoek een groep tieners/jongvolwassenen die gedurende een bepaalde tijd een gewelddadig videogame speelden met een controlegroep die ofwel geen videogame speelde, ofwel een geweldvrij spel.

Op deze studies kwam echter snel methodologische kritiek. Onderzoekers waren bijvoorbeeld niet bepaald secuur met het meten van agressie, maar pikten ook algemeen activiteitsniveau op. Men liet ook wel eens na andere, relevante controlevariabelen op te nemen zoals de mate waarin proefpersonen competitief zijn. Men kan verwachten dat een verlieservaring na eender welk spel hen geïrriteerder zal maken. Ook de moeilijkheidsgraad van een spel beïnvloedt het gevoel van spelers, of dat nu Battlefield is of een te lange slang in Snake. Desalniettemin werden er nog steeds linken gevonden tussen agressieve games en agressief gedrag, soms vrij sterk (effect size .26) en ook op langere termijn, maar al bij al is het bewijs dat gewelddadige spellen agressiviteit uitlokken eerder bescheiden, doch bestaande.

Publication bias

Recent deden onderzoekers echter melding van een duidelijke “publication bias” rond het thema. Een publication bias houdt in dat een studie (veel) meer kans heeft om gepubliceerd te worden als ze een bepaald resultaat hebben kunnen aantonen. Het zou kunnen dat we daarom gewoon geen weet hebben van studies die het negatieve effect van geweld in videogames tegenspreken. Het debat rond videogames wordt in de populaire media en in de samenleving erg gekleurd gevoerd. De menselijke neiging om bevestiging te zoeken voor wat we verwachten, is ook wetenschappers of de mensen die beslissen of een studie gepubliceerd wordt niet vreemd. The Moral Panic Wheel illustreert dit.

 

De “morele paniek” wordt gevoed door allerlei zaken. Zo zijn er bij de release van controversiële games steevast enkele mensen met een zekere autoriteit die een veroordelende uitspraak doen (bijvoorbeeld David Grossman in de VS die zichzelf een “killologist” noemt) of wordt dit meteen als oorzaak gelinkt met incidenten daarna, ookal heeft de dader een verleden van criminele feiten. Omdat dit zo opvallende gebeurtenissen zijn, blijft de informatie wel goed hangen bij het grote publiek. Verder worden er ook onwaarheden verkondigd. Daders van schietpartijen worden als gebruikelijke gamers bestempeld wanneer dit niet zo is, of er worden scènes uit games beschreven die gewoonweg niet bestaan.

Voorbij de bias

Het is daarom natuurlijk nog niet gezegd dat er ook studies bestaan die het tegendeel aantonen. Dit bleek wel het geval: er werd onderzoek gepubliceerd waarin enkel nul effecten konden vastgesteld worden op korte en lange termijn, of waar de experimentele groep na het spelen van een gewelddadig spel lagere niveaus van agressiviteit liet optekenen. Er zijn sterke aanwijzingen dat videogames in het algemeen een positieve invloed hebben op cognitieve (informatieverwerking, verbanden leggen,…) en motorische (oog/hand coördinatie) vaardigheden van de speler. Bij videogames met geweld kunnen deze positieve effecten nog uitgesprokener zijn omdat ze over het algemeen een hogere druk op de speler leggen om snel informatie te verwerken en voor langere tijd aandachtig te zijn. Ander onderzoek vond dat mensen na het spelen van een gewelddadig spel beter scoorden op zaken als een positieve mentale gezondheid, vriendennetwerk en gehoorzaamheid ten opzichte van ouders dan vrienden die dit niet deden.

Conclusie

Het lijkt dus niet makkelijk of juist om gewelddadige videogames zwart/wit te beoordelen. Natuurlijk is het belangrijk onderscheid te maken tussen een kwetsbare groep jongeren en de algemene populatie.

Wetenschappers weten de dag van vandaag niet of agressief gedrag na het spelen van gewelddadige spelletjes het gevolg is van de game, van een vijandigheid die ervoor al bestond of van een samenspel van deze en andere factoren.

Als laatste kan ik nog meegeven dat er géén causale relatie werd gevonden tussen gewelddadige videogames en schietpartijen op scholen in Amerika. Ondermeer privaat wapenbezit en de gigantische media aandacht die dergelijke voorvallen krijgen, kwamen naar voor als beïnvloedende factoren.

Referenties

  • Plener, P.L. & Fegert, J.M. (2010). What’s going on here? Video games and school shooting. Nervenheilkunde, 29 (7-8),  446-450.
  • Olsen, C.K. (2010). Children’s Motivations for Video Game Play in the Context of Normal Development. Review of General Psychology, 14 (2), 180-187.
  • Anderson, C.A., Berkowitz, L., Donnerstein, E., & Huesmann, L. R. (2003). The Influence of Media Violence on Youth. Psychological Science in the Public Interest, 4(3), 81-110.
  • Durkin, K., & Barber, B. (2002). Not so doomed: computer game play and positive adolescent development. Applied Developmental Psychology, 23, 373-392.
  • Ferguson, C. J. (2010). Blazing Angels or Resident Evil? Can Violent Video Games Be a Force for Good? Review of General Psychology, 14(2), 68-81.
  • Anderson, C. A. (2003). An update on th effects of playing violent video games. Journal of Adolescence, 27, 113-122.
  • Fraser, A. M., Padilla-Walker, L. M., Coyne, S. M., Nelson, L. J., & Stockdale L. A. (2012). Associations between violent gaming empathic concern, and prosocial behaviour toward strangers, friends and family members. Journal of Youth Adolescence, 41, 636-649.
  • Ferguson, C. J. (2007). The Good, The Bad, and the Ugly: A Meta-analytic Review of Positive and Negative Effects of Violent Video Games. Psychiatric Quarterly, 78, 309-316.
  • Ferguson, C. J., Garza, A., Jerabeck, J., Ramos, R., & Galindo M. (2013). Not Worth the Fuss After All? Cross-sectional and Prospective Data on Violent Video Game Influences on Aggression, Visuospatial Cognition and Mathematics Ability in a Sample of Youth. Journal of Youth Adolescence, 42, 109-122.
  • Schulzke, M. (2010). Defending the morality of violent video games. Ethics of Informational Technology, 12, 127-138.
  • Ivory, A. H., & Kaestle, C. E. (2013). The Effects of Profanity in Violent Video Games on Players’ Hostile Expectations, Agressive Thoughts and Feelings, and Other Responses. Journal of Broadcasting & Electronic Media, 57, 224-241.
  • Porter, G., & Starcevic, V. (2007). Are violent vide games harmful? The Royal Australian and New Zealand College of Psychiatrists.
  • Bushman, B. J. & Rothstein, H. R. (2010). Much Ado About Something: Violent Video Game Effects and a School of Red Herring: Reply to Ferguson and Kilburn (2010). Psychological Bulletin, 136, 182-187.
  • Ferguson, C. F., & Kilburn, J. (2010). Much Ado About Nothing: The Misestimation and Overinterpretation of Violent Video Game Effects in Eastern and Western Nations: Comment on Anderson et al. (2010). Psychological Bulletin, 136, 174-178.
  • Prot, S., McDonald, K. A., Anderson, C. A., & Gentile, D. A. (2012). Video Games: good, bad or other?
  • Ferguson, C. J, Rueda, S., M, Cruz, A. M., Ferguson, D. E., Fritz, S., & Smith, S. M. (2008). Violent video games and aggression: causal relationship or byproduct of family violence and intrinsic violence motivation? International Association for Correctional and Forensic Psychology.
  • Przybylski, A. K; & Rigby, C. S. (2009). The motivating role of violence in video games. Society for Personality and Social Psychology, 35, 243-259.
  • Ferguson, C. J. (2007). Evidence for publication bias in video game violence effect literature: a meta-analytic review. Aggression and Violent Behaviour.
  • Adachi, P. J. , & Willoughby, T. (2011). The effect of violent video games on aggression: is it more than just the violence? Aggression and Violent Behaviour, 16, 55-62.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemersschap aan de Vlerick Business School. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

 

Waarom 3D films minder en minder populair worden

Wie geregeld filmrecensies leest, heeft het zeker al gemerkt: filmrecensenten houden niet van 3D. Los van het feit of de film goed of slecht was, wordt steevast vermeld dat de derde dimensie overbodig was en de kijker doet smachten naar aspirine. Wat is er nu eigenlijk aan de hand met de 3D film? In onderstaande tekst zal ik argumenteren dat de argwaan tegenover 3D films te wijten is aan drie factoren. Ten eerste heeft de kijker vaak onrealistische verwachtingen over 3D, wat waarschijnlijk te wijten is aan misverstanden. Ten tweede slagen veel regisseurs en filmproducenten er niet in om 3D ‘correct’ te gebruiken in hun films. Ten slotte botst de huidige 3D technologie op inherente problemen die niet zomaar op te lossen zijn.

Elke film is een 3D film

In de cinema draag je een brilletje met twee gepolariseerde filters. Deze filters zorgen ervoor dat het linker- en rechteroog een lichtjes verschillend beeld ontvangen. Wanneer onze hersenen het beeld in de linker visuele cortex (gepercipieerd door het rechteroog) integreren met het beeld in de rechter visuele cortex (gepercipieerd door het linkeroog), ontstaat het stereoscopisch effect. Net zoals in de echte wereld zien we dan diepte door het simpele feit dat een object bekeken wordt vanuit twee verschillende ooghoeken.

Een belangrijk misverstand over 3D is de idee dat enkel dit stereoscopisch effect bijdraagt tot de perceptie van diepte. Stereoscopie is een zogenaamde binoculaire dieptecue, aangezien de diepte enkel tot stand komt wanneer beide ogen perfect samenwerken. Er zijn echter ook zeer veel monoculaire dieptecues die diepte suggereren, bv.:

  • grootteperspectief : het feit dat een object veraf kleiner zal afgebeeld worden op de retina
  • detailperspectief : het feit dat dichtbijzijnde objecten meer detail zullen vertonen
  • bewegingsparallax : het feit dat dichtbijzijnde objecten sneller zullen bewegen dan verderliggende objecten (kijk maar eens naar buiten wanneer je in de trein zit)

Al deze monoculaire dieptecues resulteren in een perceptie van diepte en je hebt er helemaal geen 3D brilletje voor nodig! Het is dus niet verwonderlijk dat filmrecensenten vaak schrijven dat 3D “maar een kleine bijdrage levert aan de film” en kijkers ontgoocheld naar huis terugkeren: het stereoscopisch effect is maar één van de zovele dieptecues waar onze hersenen gebruik van maken. Je zou zelfs kunnen stellen dat élke film een 3D film is, maar dat de huidige stereoscopische 3D films gewoon één dieptecue extra hebben. De toegevoegde waarde van een 3D-film is dus zeer beperkt, maar veel kijkers lijken dit niet te beseffen.

Mate van hoofdpijn afhankelijk van filmbudget?

Als het stereoscopisch effect maar een kleine bijdrage levert tot de dieptewaarneming, waarom ervaar ik dan schele koppijn bij een 3D film en niet bij een gewone film? Dit is volgens onderzoek vooral te wijten aan de manier waarop stereoscopische beelden gefilmd worden door regisseurs van 3D films. Regisseurs en bij uitbreiding filmproducten hebben tot hoofddoel de kijkers van hun stoel te blazen met 3D effecten, in de veronderstelling dat de kijkers naastig zullen napraten over die ene kogel die uit het scherm naar het gezicht kwam gevlogen.

Onderzoek heeft echter het bestaan aangetoond van een ‘zone of comfort’. Dit is een beperkte, afgebakende zone in het visuele veld waarin ons perceptueel systeem verschillen in het beeld op de linker- en rechter retina aanvaardt. Wanneer de verschillen buiten deze comfortzone echter te groot zijn, moeten het visueel systeem te hard werken om de beelden te integreren tot één geheel en krijgen we hoofdpijn. Objecten uit het scherm laten komen is dus not done vanuit een cognitief-perceptueel standpunt, maar maak dat uiteraard de filmproducenten eens wijs… Ondanks er nog geen onderzoek is om het te staven, is er waarschijnlijk een grote inverse correlatie tussen budget en know-how van de film en gepercipieerde hoofdpijn.

Verschillen tussen 3D en de echte wereld

Een derde factor die bijdraagt tot de lage waardering voor 3D films is niet te wijten aan de kijker of producent/regisseur, maar is eerder inherent aan de technologie. Dankzij de hoge beeldresolutie en stereoscopische dieptecues in huidige 3D films krijgen we het gevoel dat we naar de echte wereld aan het kijken zijn. Het scherm fungeert als het ware als een venster. Er zijn echter nog steeds fundamentele verschillen. Wanneer we in de echte wereld ons hoofd bewegen van links naar rechts, zal het beeld dat op de retina valt veranderen. Wanneer we voor een computerscherm zitten en ons hoofd naar links bewegen, zullen we plotseling de zijkant van het scherm ook waarnemen. Dit is bij de huidige 3D technologie niet het geval: het beeld blijft hetzelfde en beweegt gewoon mee met het hoofd. Ons visueel systeem detecteert deze mismatch en we krijgen het gevoel dat er iets niet klopt.

Een ander verschil tussen diepteperceptie in 3D en de echte wereld heeft te maken met focus. Wanneer we naar een object kijken in de realiteit, zal de afstand waarop de ogen zich scherpstellen (i.e. focussen) gelijk zijn aan de afstand tot het eigenlijke object (zie linkerkant van de figuur; uit Reichelt et al., 2010). In een 3D film zal deze afstand echter verschillen: de ogen focussen steeds op het scherm, terwijl het object voor of achter het scherm wordt gepercipieerd. Deze mismach ervaart ons visueel systeem óók en verschillende studies toonden aan dat deze incongruentie bijdraagt tot gerapporteerde hoofdpijn.

Conclusie

De dalende populariteit van 3D films valt te wijten aan een combinatie van factoren. 3D kán een meerwaarde zijn voor film indien de producent de technologie correct en cognitief-perceptueel verantwoord gebruikt en indien de kijker de beperkte bijdrage van het stereoscopisch effect begrijpt en in zijn context kan plaatsen.

Referenties

  • Mendiburu, B. (2009). 3D Movie making: stereoscopic digital cinema from script to screen. Oxford, England: Focal Press.
  • Patterson, R. (2007). Human factors of 3-D displays. Journal of the Society for Information Display 15(11), 861-871.
  • Reichelt, S., Häussler, R., Fütterer, G., & Leister, N. (2010). Depth cues in human visual perception and their realization in 3D displays. Three‐Dimensional Imaging, Visualization, and Display 2010, Proc. SPIE 7690.
  • Shibata, T., Kim, J., Hoffman, D. M., Banks, M. S. (2011). The zone of comfort: Predicting visual discomfort with stereo displays. Journal of Vision, 11(8), 1-28.

Auteur: Klaas Bombeke

Klaas Bombeke is als doctoraatsstudent in de Experimentele Psychologie verbonden aan de UGent. Voordien was hij wetenschappelijk medewerker bij onderzoeksgroep MICT (www.mict.be), waar hij onderzoek uitvoerde naar stereoscopisch 3D en subjective image quality assessment designs.

 

Is te veel van iets echt zelden goed?

Trop is te veel en te veel is trop

U heeft het zich wellicht al eens afgevraagd: bestaat er zoiets als té veel keuzemogelijkheden, té optimistische mensen, of té hoog opgeleide werknemers? Het wetenschappelijke antwoord is een duidelijke ja. Heel wat positieve eigenschappen van personen of initiatieven van organisaties kunnen leiden tot onverwachte negatieve gevolgen wanneer ze te ver worden gedreven. Onderzoekers noemen dit het ‘too-much-of-a-good-thing’ effect, en dit effect blijkt veel onderzoeksresultaten in de psychologie en management te doordringen. Trop is dus te veel, en te veel is trop.

Wat dacht u van deze om te beginnen: extreem vrolijke mensen leven minder lang. Mensen die extreem vrolijk zijn, stellen immers risicovoller gedrag. Extreem optimisme is eveneens slecht voor de gezondheid. Zo evolueert het HIV-virus minder snel bij gematigde optimisten dan bij extreme optimisten. Te veel optimisme leidt er immers toe dat patiënten onrealistische verwachtingen gaan hebben over het verloop van een ziekte en vaak grotere risico’s nemen. Ter illustratie: toen bij Steve Jobs pancreaskanker werd vastgesteld, koos hij – tegen het advies van dokters in – voor een alternatieve therapievorm waarin hij zelf steevast geloofde, maar waarvan de effectiviteit ter discussie stond. Te optimistisch zijn kan dus de gezondheid schaden.

Op het werk

Ook in de werksfeer zijn voorbeelden van het ‘too-much-of-a-good-thing’ effect legio. Als je bv. creatieve uitmuntendheid wilt bereiken, stop dan best tijdig met studeren. Extreme opleidingsduur staat flexibel denken namelijk in de weg. Voor managers en ondernemers kan ik volgende conclusies meegeven: te veel formele planning bij startende ondernemers leidt gemiddeld tot lagere bedrijfsprestaties, te snel groeien verhoogt de kans op falen, en te veel diversifiëren als organisatie (bv. qua aantal producten) kan de financiële bedrijfsprestaties verminderen. En tenslotte: hoewel assertiviteit een belangrijke eigenschap is bij leidinggevenden, zijn heel assertieve managers vaak minder effectief. Té assertief zijn heeft immers een negatieve impact op de relatie met teamleden.

Hoeveel is te veel?

Onderzoekers gaan nu op zoek naar het punt waarop prestatie, geluk, of gezondheid piekt. Laten we keuzevrijheid als voorbeeld nemen. In een studie bleken consumenten veel meer geneigd om confituur te kopen wanneer men kon kiezen tussen 6 in plaats van 24 soorten confituur. Op basis van meerdere studies kon men het optimaal aantal keuzeopties identificeren: dit ligt tussen de 2 en de 4 opties. Boven dat aantal weten mensen niet meer goed wat te kiezen en blijken ze nadien ook minder tevreden met hun keuze.

Referenties

  • Grant, A. M., & Schwartz, B. (2011). Too Much of a Good Thing: The Challenge and Opportunity of the Inverted U. Perspectives on Psychological Science, 6(1), 61-76.
  • Pierce, J. R., & Aguinis, H. (2013). The Too-Much-of-a-Good-Thing Effect in Management. Journal of Management, 39(2), 313-338.
  • Een versie van deze blogpost verscheen eerder in De Gentenaar (31/08/2013): klik hier voor het artikel.

Auteur: Michiel Crommelinck

Michiel Crommelinck is als doctoraatsstudent in de Bedrijfspsychologie (UGent) verbonden aan de innovatie-onderzoeksgroep VIGOR. Hij is tevens initiatiefnemer van Mensenkennis.be, de wetenschapsblog over psychologie.

 

Defriending op facebook: Het gaat verder dan het scherm

Sociale netwerken zoals Facebook of Twitter bieden psychologen een schat aan informatie. De dynamieken die in het echte leven bestaan, zijn soms erg anders in de virtuele wereld. Maar het werkt ook omgekeerd: wat online gebeurt, kan offline zijn gevolgen hebben. Zo is gevonden dat wanneer we iemand defrienden op facebook, de kous niet af is met het zetten van een paar klikjes. Soms kan dit zelfs erg grote proporties aannemen en leiden tot een dubbele moord. Gezien er een trend bestaat naar een verminderd aantal vrienden op Facebook, wordt het misschien wel erg gevaarlijk.

Ruminatie

Ook de academische wereld heeft intussen zijn oog al eens geworpen op sociale media. In een studie werd gevonden dat negatieve gevoelens en rumineren vaak het gevolg zijn van gedefriend worden door één van je Facebookvrienden. Rumineren? Rumineren is het herhaaldelijk langdurig denken over (of herkauwen van) je gevoelens en problemen. Het verschilt van piekeren, omdat piekeren meer op de toekomst is gericht, terwijl rumineren gaat over zaken die al gebeurd zijn. Rumineren is eigenlijk een antwoord proberen vinden op het ‘waarom’, terwijl piekeren vooral gericht is op een ‘wat als’.

Rumineren is dus een manier van omgaan met slechte gevoelens, maar ze is niet erg constructief. Je blijft gefocust op het probleem, zonder iets te ondernemen om het op te lossen of zonder het echt te gaan verwerken. Je blijft het herbeleven. Het mag duidelijk zijn dat dit niet zeer bevordelijk is voor het psychisch welzijn. Vrouwen zijn trouwens iets meer geneigd tot rumineren dan mannen.

Defriending

Het bleek ook dat de negatieve reactie bij gedefriend worden sterker is naarmate je Facebook actiever gebruikt. Dit in het bijzonder wanneer je in eerste instantie Facebook gebruikt om contact te leggen met mensen die je daarbuiten al kent. Je bent dan iets gevoeliger voor een teken van afwijzing, wat defriending eigenlijk is, dan wanneer je vooral nieuwe contacten legt. We kunnen over het algemeen beter om met mensen die ons defrienden als we die mensen online hebben leren kennen – al roept ook dat een wrang gevoel op.

Opmerkelijk hierbij is dat je niet exact moet weten wie je uit zijn vriendenlijst heeft geschrapt. Zien dat je wat vrienden verloren bent, lokt dit onaangename gevoel al uit. Ontdekken wie je heeft gedefriend, maakt het alleen maar erger. Wanneer die persoon als close friend wordt beschouwd, ga je meer rumineren, maar je voelt je er niet noodzakelijk nog slechter bij. Je bent er dus wel meer mee bezig, omdat deze defriending verrassender is dan een andere, maar het slechte gevoel is even aanwezig als bij iemand anders.

Tot slot lijkt het ook uit te maken wie het oorspronkelijke vriendschapsverzoek heeft verzonden. Wanneer je zelf ooit de eerste stap hebt gezet, zal je je slechter voelen bij een defriending dan wanneer je (ex)vriend dit zelf heeft gedaan.

Conclusie

Het is misschien heel wat makkelijker dan in het echte leven, maar weet dat het bijna gelijkstaat aan een face-to-face afwijzing, wanneer je op dat ene defriendknopje klikt.

Referentie

  • Bevan, J. L., Pfyl, J., & Barclay, B. (2012). Negative emotional and cognitive responses to being unfriended on Facebook: An exploratory study. Computers In Human Behavior, 28(4), p 1458-1464.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemersschap aan de Vlerick Business School. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

 

Treintje komt zo? Dit is hoe je best treinvertragingen aankondigt

Vraag een frequente treingebruiker wat hem/haar het meest stoort aan de NMBS en de kans is groot dat het antwoord “de vertragingen” is. Dat stiptheid geen sterkhouder is van onze spoorwegmaatschappij blijkt ook uit de stiptheidscijfers van 2012 (www.infrabel.be). Deze tonen ons namelijk dat maar liefst 13.8% van de treinen vorig jaar met meer dan zes minuten vertraging reden. Spitsen we ons toe op een drukke lijn, zoals Oostende – Eupen, dan stijgt dit aantal zelfs naar 29.3%! Het hoeft dan ook niemand te verbazen dat de tevredenheid van de reizigers met betrekking tot de stiptheid van de treinen op een laag pitje staat. In een jaaroverzicht geplaatst in de Metro van 23 april werd bijvoorbeeld onthuld dat slechts 29.2% van de treingebruikers tevreden is over de stiptheid van de treinen.

Wat kan de NMBS doen om de tevredenheid van de reizigers te verhogen?

Het meest voor de hand liggende antwoord is uiteraard om te voorzien in een structurele oplossing. Dit vraagt echter tijd en, niet onbelangrijk in tijden van crisis, geld. Het is dus aangewezen dat de NMBS daarnaast ook op zoek gaat naar tussentijdse strategieën om de schade te beperken. Met dit in gedachten lijkt het alvast een goede zaak dat de spoorwegmaatschappij vaak de reden voor de vertraging laat omroepen in het station. Elke gebruiker van het spoor heeft bijvoorbeeld wel eens een variant op de volgende boodschap gehoord: “Aandacht, spoor 1. Wegens een geval van vandalisme heeft de trein naar Antwerpen-Centraal 15 minuten vertraging. Hiervoor onze verontschuldigingen”. Net zoals in het voorbeeld ligt de reden voor de vertraging immers vaak buiten de controle van de NMBS en de reiziger wijzen op deze oncontroleerbare omstandigheden lijkt dan ook een valide strategie om in diens gunst te blijven. In de literatuur wordt deze methode een excuus genoemd en in lijn met bovenstaand idee heeft een grote hoeveelheid onderzoek het nut ervan reeds aangetoond.

De studie

Dat de NMBS dergelijke excuses toepast is dus een positief punt, maar zijn er ook manieren om ze effectiever te maken? Uit ons onderzoek blijkt alvast van wel.

We kozen er in onze studie voor om ons toe te spitsen op twee aspecten van excuses, met name de hoeveelheid verstrekte informatie en het al dan niet aanbieden van verontschuldigingen. Om deze factoren te onderzoeken, selecteerden we, op basis van een pilootstudie, een vaag excuus (“Aandacht, spoor 1. Vanwege problemen op het spoor heeft de trein van Gent-Sint-Pieters naar Antwerpen-Centraal van 16u05 een vertraging van ongeveer 20 minuten.”) en een specifiek excuus (“Aandacht, spoor 1. Vanwege een koperdiefstal ter hoogte van Lokeren heeft de trein van Gent-Sint-Pieters naar Antwerpen-Centraal van 16u05 een vertraging van ongeveer 20 minuten.”). Deze excuses werden vervolgens gepaard met ofwel geen verontschuldiging, een verontschuldiging voor de oorzaak van de vertraging (“…Onze verontschuldigingen voor het voorval.”), of een verontschuldiging voor het gevolg van de vertraging (“…Onze verontschuldigingen voor het ongemak.”).

129 mensen kregen daarna een scenario voorgelegd waarin ze werden gevraagd om zich in te beelden dat ze na een lange lesweek op perron 1 van het station Gent-Sint-Pieters stonden te wachten op de trein, wanneer ze plots een boodschap uit de luidsprekers hoorden omroepen. Hierbij kreeg elke deelnemer één van de zes mogelijke boodschappen voorgeschoteld, waarna er gevraagd werd een reeks vragen in te vullen omtrent de situatie.

De resultaten

Wanneer we vervolgens terugkomen op de vraag betreffende de manier waarop excuses verbeterd kunnen worden, dan kunnen we op basis van onze studie alvast besluiten dat excuses die meer informatie bevatten beter zijn dan vage excuses. Het specifieke excuus werd niet alleen als adequater beoordeeld door de deelnemers, het zorgde er ook voor dat de verantwoordelijkheid van de vertraging minder bij de NMBS werd gelegd, dat de NMBS makkelijker werd vergeven voor de vertraging en dat deelnemers minder geneigd waren om de NMBS te vermijden in de toekomst. Daarenboven was er in mindere mate ook een verhoogde welwillendheid ten opzichte van de NMBS en een verminderde intentie om wraak te nemen na een specifiek excuus.

Wat met betrekking tot de verontschuldigingen? Die hadden geen effect. Of er een verontschuldiging werd aangeboden en welk soort verontschuldiging dit was, had hoegenaamd geen enkele invloed op de verschillende indicatoren van effectiviteit.

Conclusie: het aankondigen van treinvertragingen

Ons onderzoek toont aan dat de reiziger niet staat te wachten op een verontschuldiging wanneer er treinvertraging is, maar wel gerichte, duidelijke informatie verlangt omtrent de oorzaak ervan. Relatief kleine aanpassingen aan de inhoud van de omgeroepen boodschappen kunnen reeds tot positieve gevolgen leiden voor zowel de reiziger als de spoorwegmaatschappij. Waar specifieke excuses de reizigers vele frustraties kunnen besparen, lijken ze de NMBS te kunnen behoeden voor inkomstenverlies via hun effect op vermijdingsgedrag.

En u? Weet u ook graag waarom er rode cijfers verschijnen naast het vertrekuur?

Referenties

  • Shaw, J.C., Wild, E., & Colquitt, J.A. (2003). To justify or excuse?: A meta-analytic review of the effects of explanations. Journal of Applied Psychology, 88, 444-458. Zie deze link voor de volledige paper.

Auteurs: Nicolas Dirix en Emiel Cracco

Nicolas en Emiel zijn Masterstudenten in de Experimentele Psychologie aan de Universiteit Gent. Ze voerden dit onderzoek uit in het kader van hun minor Sociale Psychologie.

 

Wat onze ogen horen en onze oren zien

Ooit vroeg een collega, nadat hij het licht in het auditorium had gedimd, aan zijn studenten: “Kunt u mij nog steeds horen?” Het schampere gelach van de toehoorders niettegenstaande, had mijn collega echter wel een punt, zo blijkt uit recent onderzoek op het gebied van de meervoudige zintuiglijke waarneming. Hoewel we traditioneel altijd leren dat we onze ogen gebruiken voor het zien en onze oren om te horen, wordt het langzaam maar zeker steeds duidelijker dat onze individuele zintuigen niet op zichzelf staan, maar dat er een veelvoud van interacties tussen op kunnen treden. In sommige gevallen kunnen deze zelfs tot opvallende illusies leiden.

Buikspreken

De meeste bekende van deze illusies is ongetwijfeld die van de buikspreker. Wanneer je ziet dat de pop van de buikspreker zijn of haar lippen beweegt dan hoor je ook daadwerkelijk de pop spreken en niet de buikspreker. Omdat beeld en geluid een vergelijkbaar patroon bevatten verplaatsen we het geluid als het ware naar de mond van de pop. Hoewel we de buiksprekersillusie feitelijk uit het theater kennen, zien we het effect van deze illusie ook in meer subtiele vormen terugkomen in ons dagelijks leven. Wanneer we bijvoorbeeld een film bekijken dan ervaren we meestal ook dat de stem van de acteur afkomstig is van de plek op het scherm waar we deze persoon zien. In werkelijkheid wordt het geluid echter gegenereerd door luidsprekers die zich niet op deze plek bevinden. De illusie is meestal zo sterk dat we ons niet eens bewust zijn van het feit dat de werkelijke geluidsbron zich ergens anders bevindt. De bewustwording vindt vaak pas plaats wanneer er iets mis is met één van de signalen, bijvoorbeeld wanneer het geluid flink uit de pas loopt met het beeld, zoals bijvoorbeeld het geval is bij een slecht nagesynchroniseerde film op de Duitse televisie.

Liplezen

Zelfs wanneer het beeld en geluid niet met elkaar overeenkomen kan het zijn dat we het niet eens opmerken dat de verschillende zintuigen ons conflicterende informatie verschaffen. Hoewel we liplezen vaak beschouwen als een techniek die door doven en slechthorenden worden gebruikt om spraak te kunnen verstaan blijkt uit onderzoek dat we eigenlijk allemaal profiteren van liplezen. Wanneer het lipbeeld overeenkomt met de spraakklank dan zal spraak over het algemeen beter verstaan worden dan wanneer het lipbeeld afwezig is. Een interessant fenomeen treedt echter op wanneer het lipbeeld en de spraakklanken niet met elkaar overeenkomen. Dit fenomeen werd in 1976 voor het eerst beschreven door de Britse onderzoekers Harry McGurk en John MacDonald. Het bestaat er uit dat wanneer we bijv. de klank “ba” gepresenteerd krijgen, maar we zien iemand een lipbeweging maken die overeenkomt met de klank “ga”we feitelijk een tussenvorm horen; namelijk “da”.

Botsende Ballen

Een nog extremer voorbeeld van hoe beeld en geluid elkaar kunnen beïnvloeden bestaat uit het zogenaamde bots/passeer experiment van Sekuler en collega’s. Deze onderzoekers lieten proefpersonen filmpjes bekijken van twee bollen die naar elkaar toe bewogen en elkaar kruisten. Vaak kunnen we dit beeld op twee mogelijke manieren interpreteren. Ofwel denken we dat de twee bollen door elkaar schuiven en vervolgens gewoon hun weg vervolgen ofwel denken we dat ze op elkaar botsen en vervolgens terugkaatsen. Nu blijkt dat een simpel geluidje, gepresenteerd op het moment dat de bollen elkaar raken, veel meer de indruk wekt dat de ballen botsen dan zonder het geluidje het geval is. Kortom, afhankelijk van het al dan niet horen van een geluid kunnen we exact dezelfde visuele scène op twee verschillende manieren interpreteren.

Aandacht

Hoewel de fenomenen op zich interessant genoeg zijn is het natuurlijk belangrijk de  onderliggende cognitieve mechanismen te kennen. Een groot deel van de vragen hierover is nog onbeantwoord en daarom is er veel onderzoek gaande. Wel is al gebleken dat we baat hebben bij zintuigen die elkaar aanvullen. We moeten dagelijks een enorme hoeveelheid zintuigelijke prikkels verwerken. Wanneer twee of meer zintuigen een prikkel van het zelfde object ontvangen dan kan dit ons helpen dit object beter te verwerken en zullen we daar automatisch meer aandacht aan schenken.

Inbeelding

Maar, het lijkt er op dat we zelf ook invloed kunnen uitoefenen op onze waarneming en de mate waarin we informatie van onze zintuigen combineren. Zelf heb ik dat onderzocht door proefpersonen verschillende combinaties van beeld en geluid aan te bieden en ze te vragen specifieke combinaties aandachtig waar te nemen en andere te negeren. EEG metingen lieten zien dat combinaties waar wel aandacht aan werd geschonken sterker aan elkaar gekoppeld werden dan  de combinaties die genegeerd werden. Het kan echter nog verder gaan. Recentelijk lieten de Zweedse onderzoekers Christopher Berger en Henrik Ehrson zien dat je de hierboven beschreven illusies ook kunt vinden wanneer proefpersonen zich bepaalde geluiden inbeelden. Zo herhaalden ze het bots/passeer experiment, maar in plaats van zelf een geluid aan te bieden vroegen ze hun proefpersonen het zich in te beelden. Ook nu vond er een toename plaats van het aantal botsingen wat werd gerapporteerd. Bij een versie van het buiksprekerseffect en bij het lipleesexperiment werd ook gevonden dat het inbeelden van een lipbeeld een invloed kan hebben op de waarneming van zowel de locatie als de klank van het geluid.

Conclusie

We kennen tegenwoordig een veelheid van manieren waarop beeld en geluid elkaar kunnen beïnvloedden. In de meeste gevallen zullen de zintuigen elkaar aanvullen en elkaars functie verbeteren. Afhankelijk van de aard van de interactie tussen de zintuigen kan echter onze interpretatie van een scène totaal veranderen. Kan geluid ons dus helpen om beter te zien? Meestal wel, maar het kan onze waarneming ook verstoren.

Referenties

  • Berger and Ehrsson, Mental Imagery Changes Multisensory Perception, Current Biology (2013), http://dx.doi.org/10.1016/j.cub.2013.06.012
  • Connor,S.(2000) Dumbstruck:A cultural history of Ventriloquism, Oxford UniversityPress
  • McGurk, H., & MacDonald, J. (1976). Hearing lips and seeing voices. Nature, 264(5588), 746-748.
  • Sekuler, R., Sekuler, A.B., and Lau, R. (1997). Sound alters visual motion perception. Nature 385, 308.
  • Talsma, D., Senkowski, D., Soto-Faraco, S., & Woldorff, M. G. (2010). The Multifaceted interplay between attention and multisensory integration. Trends in Cognitive Sciences, 14, 400-410.

Auteur

Durk Talsma is docent Geheugen & Cognitie bij de vakgroep experimentele psychologie. Hij is vooral geïnteresseerd in de wisselwerking tussen hogere cognitieve processen, zoals aandacht, inbeelding en geheugen op de perceptie. Met name de wisselwerking tussen de verschillende zintuigen (gehoor, gezicht, gevoel) staat hierbij centraal. Hij ontving zijn doctoraat in de psychofysiologie in 2001 van de Universiteit van Amsterdam en is met name gespecialiseerd in het gebruik van EEG en in iets mindere mate MRI gebaseerde meettechnieken.

 

Bepaalt je persoonlijkheid je carrière of is het andersom?

 

Universitaire opleiding biedt brede mogelijkheden

‘Een universitaire opleiding blijkt vooral een brede opleiding, met veel mogelijkheden’, zegt onderzoeker Bart Wille, die doctoreerde over het onderwerp aan de universiteit van Gent. ‘We zagen filosofen terechtkomen bij banken, criminologen aan de top van telecombedrijven, of ingenieurs die ervoor kozen om leerkracht te worden. Rekruteerders denken steeds meer in termen van competenties, en minder van vooropleidingen. Vaak liggen die competenties – stressbestendig, klantgericht, resultaatgedreven – verankerd in iemands karakter. Een geschikte opleiding is slechts een eerste stap om die te ontplooien.’

In 1994 ondervroeg men aan de universiteit van Gent bijna duizend laatstejaars uit verschillende afstudeerrichtingen over hun persoonlijkheid. Een jaar later werd die oefening nog een keer overgedaan, en vijftien jaar later nog een laatste keer. Bedoeling was zicht te krijgen op het professionele traject dat iedere alumnus had afgelegd, en op de verandering in hun persoonlijkheid.

‘Eens fuifnummer, altijd fuifnummer’

Veel mensen zien een eerste job als een soort try-out. Dat klopt niet helemaal’, zegt Bart Wille. ‘Voor veel van onze respondenten was hun eerste job voorspellend voor hun latere carrière. Vijftien jaar later zijn ze wel verschillende keren van bedrijf veranderd, of is hun jobtitel anders, maar het initiële idee blijft dezelfde. Mensen kiezen ook voor het sociale of bijvoorbeeld het extraverte van de verkoop omdat dat nu eenmaal in hun karakter zit. Ze dragen dat mee in de rest van hun loopbaan.’

Andere conclusie uit het onderzoek: tussen hun 22ste en 38ste was de persoonlijkheid van de afgestudeerden weinig veranderd. ‘Mensen bleven over het algemeen wie ze zijn. Wie tijdens zijn studententijd als eerste op de tafels stond, was vijftien jaar later nog altijd een gangmaker op feestjes. Wie bekend stond om zijn ordelijke notities, was nog altijd die georganiseerde collega.’

Meer verdienen

Gemiddeld waren de alumni wel iets terughoudender, plichtsbewuster en minder zelfzuchtig geworden. ‘We noemen dat maturatie-effecten. Je wordt milder ten opzichte van anderen, minder competitief wanneer je volwassen wordt. Interessant om te zien was dat dit voor hoge managers veel minder het geval was. Wie in een competitieve omgeving werkte, bleef wel competitief.’ Uit een tweede studie bleek dat binnen die groep van hoogopgeleiden vooral je persoonlijkheid het verschil maakt in hoe succesvol je wordt.

Drie persoonlijkheidskenmerken bleken toekomstig loopbaansucces te beïnvloeden. ‘Extraverte alumni hadden vijftien jaar later meer kans op een hoge managementfunctie en vertelden dat ze meer verdienden dan hun introverte studiegenoten. Ook mensen met een aantal narcistische trekjes – ze horen zichzelf graag bezig, staan graag in het middelpunt van de belangstelling – hadden meer kans op een hogere functie.’ Maar liefst een derde van de inkomensverschillen bleek te verklaren door persoonlijkheidskenmerken. ‘Binnen de groep hoogopgeleiden maakt persoonlijkheid dus echt een verschil in hoe succesvol je wordt.’ Daarnaast waren ook consciëntieusheid (positief) en altruïsme (negatief) voorspellers voor het latere inkomen. ‘Loopbaansucces is natuurlijk ook maar hoe je het zelf invult’, zegt Bart Wille. ‘Een sterke professionele gedrevenheid zorgt dan misschien voor meer financieel succes, het vergroot ook de kans op een onevenwicht in de balans tussen werk en privé. Zo was er ook een alumnus die uiteindelijk zijn eigen loopbaan op een lager pitje zette voor de carrière van zijn vrouw.’

Referenties

  • Wille, B., De Fruyt, F., & De Clercq, B. (2013). Expanding and reconceptualizing aberrant personality at work: Validity of Five-Factor Model aberrant personality tendencies to predict career outcomes. Personnel Psychology, 66, 173-223.
  • Wille, B., De Fruyt, F., & Feys, M. (2013). Big Five traits and intrinsic success in the new career era: A 15 year longitudinal study on employability and work-family conflict. Applied Psychology: An International Review, 62, 124-156.
  • Wille, B., Beyers, W., De Fruyt, F. (2012). A transactional approach to person-environment fit: Reciprocal relations between personality development and career role growth across young to middle adulthood. Journal of Vocational Behavior, 81, 307-321.
  • Feys, M., Anseel, F., & Wille, B. (2011). Improving feedback reports: The role of procedural information and information specificity. Academy of Management Learning & Education, 10, 661-682.
  • Wille, B., De Fruyt, F., & Feys, M. (2010). Vocational interests and Big Five traits as predictors of job instability. Journal of Vocational Behavior, 76, 547-558.

Een eerdere versie van deze blogpost verscheen ook in Het Nieuwsblad van 29 juni onder de titel ‘Baas worden? Wees extravert en een tikje narcistisch, geschreven door Kaatje De Coninck.

 

Work it out! Feiten en fictie over werkgeheugentraining

Het werkgeheugen is de regiekamer van het menselijk geheugen die ervoor zorgt dat ons denken en handelen gecontroleerd en doelgericht verloopt. Het is de zetel van onze intellectuele vaardigheden en de vijand van het ouder worden. Problemen op niveau van het werkgeheugen zijn de oorzaak van talloze stoornissen zoals dyscalculie, ADHD of depressie. Werkgeheugentraining heeft dus een enorm potentieel om academische prestaties te stimuleren, geheugenverlies te compenseren en pathologieën te behandelen. Geen wonder dus dat het aantal wetenschappelijke studies naar werkgeheugentraining in de laatste 5 jaar is geëxplodeerd en dat commerciële toepassingen zoals ‘Cogmed Werkgeheugen Training’ het grote publiek bereiken.

Werkgeheugentraining: geen reden tot euforie

De potentiële impact van werkgeheugentraining op ons leven is zo groot dat de wijde belangstelling voor het concept en het succes van de toepassingen zeer begrijpelijk zijn. De onderzoeksresultaten, die uitgebreid worden samengevat in o.a. Shipstead, Redick, & Engle (2012), geven ons tot op heden echter weinig reden tot euforie. Om de effecten van geheugen training te begrijpen, moeten we het onderscheid maken tussen 3 niveaus van werkgeheugentraining: taakspecifieke training, dichte transfer training en verre transfer training. Om dit onderscheid goed te vatten nemen we u even mee naar de fitness zaal.

Work it out!

De hersenen zijn uiteraard geen spier maar om de effecten van werkgeheugentraining te meten is het wel handig om zich de vraag te stellen of het werkgeheugen trainbaar is, naar analogie met de spier. In de fitness zaal kan iemand biceps trainen op een aangepast toestel en door toename van het handelbare gewicht kan vastgesteld worden dat de persoon op dit toestel vooruitgang maakt: dit is in werkgeheugen termen taakspecifieke training. Zal dezelfde persoon dankzij de biceps training ook voordelen ondervinden op een toestel voor borstspieren, alhoewel dit toestel niet identiek dezelfde spiergroep traint? Dit is de vraag naar dichte transfer training in werkgeheugen-termen. Dezelfde persoon kan vooruitgang boeken op verschillende toestellen, maar zal deze training ook zijn vruchten afwerpen op een sportactiviteit zoals fietsen? Dit is in werkgeheugen-termen de vraag naar verre transfer training. Alhoewel niemand zal betwisten dat verschillende spiergroepen betrokken zijn bij het fietsen, zullen weinig mensen beweren dat een goede fietser in de fitness zaal wordt gevormd. In welke mate kan men deze realiteit extrapoleren naar werkgeheugentraining?

De data

Wat taakspecifieke werkgeheugentraining betreft zijn de resultaten éénduidig: een persoon die traint op een werkgeheugentaak (vb. span taak: reeksen letters onthouden) zal onder normale omstandigheden beter worden in die taak. Dus taakspecifieke werkgeheugentraining werkt. Zal diezelfde persoon ook beter worden in andere werkgeheugentaken? Wel, het hangt ervan af hoe gelijkend de taken zijn. Transfer van training naar een vrij gelijkende werkgeheugentaak (vb. reeksen van cijfers onthouden) zal positief zijn, terwijl transfer naar een verschillende werkgeheugentaak (vb. Stroop taak: zo snel mogelijk de inktkleur benoemen van kleurwoorden, zoals het woord groen in rode inkt) negatief zal zijn. Dus dichte transfer training van het werkgeheugen werkt gedeeltelijk. Zal diezelfde persoon na langdurige training op deze taken nu ook beter scoren op een intelligentie test, zal hij met stijgende leeftijd minder vlug vergeetachtig worden of zal hij minder vatbaar worden voor depressie? Daar is het antwoord op dit moment jammer genoeg negatief.

Er zijn toch studies die…

Er zou geen controverse bestaan in de literatuur mochten er niet enkele studies bestaan die toch beweren evidentie te hebben voor verre transfer effecten van werkgeheugentraining. Sommige van die studies rapporteren een positieve invloed van werkgeheugentraining op algemene intelligentie (verre transfer), maar dit echter terwijl de prestatie op werkgeheugentaken (dichte transfer) niet blijkt te veranderen. Dit lijkt te suggereren dat mensen beter worden op de intelligentie test (i.e. test-hertest effecten) maar zonder dat het werkgeheugen verantwoordelijk is voor deze verbetering. Andere studies maken systematisch gebruik van passieve controle groepen, dit zijn deelnemers die de werkgeheugentraining niet ondergaan maar die ook op geen enkele manier betrokken zijn in de onderzoeksprocedure. Nochtans weten we sinds 1953 dat mensen beter gaan presteren eenvoudigweg wanneer ze weten dat ze deelnemen aan een onderzoek (i.e. het Hawthorne effect). Zonder gebruik te maken van actieve controlegroepen die een ‘valse’ werkgeheugentraining ondergaan (naar analogie met placebo) kan men dus het Hawthorne effect niet uitsluiten en zijn bovengenoemde conclusies op zijn zachts gezegd voorbarig.

Conclusie

Kan men het werkgeheugen trainen? Wanneer mensen het werkgeheugen trainen, verbetert in de eerste plaats hun prestatie op de batterij van taken die gebruikt worden om het werkgeheugen te trainen. Maar tot op heden is er nog geen evidentie die aantoont dat het werkgeheugen in het algemeen daar een positieve invloed van ondervindt, laat staan dat deze trainingseffecten zouden transfereren naar de dagelijkse cognitieve, emotionele en sociale activiteiten die door ons werkgeheugen worden ondersteund. Toekomstig onderzoek zal moeten uitmaken of dit louter een kwestie is van het ontwikkelen van meer geschikte trainingsprocedures of dit eerder een gevolg is van het feit dat het werkgeheugen mogelijks beperkt trainbaar is. In afwachting mag u gerust uw werkgeheugen trainen – baat het niet, het schaadt niet – maar maak u voorlopig geen illusies over de uitkomsten.

Referentie

  • Shipstead, Z., Redick, T.S., & Engle, R.W. (2012). Is working memory training effective? Psychological Bulletin, 138(4), 628-654.

Auteur: Arnaud Szmalec

Arnaud Szmalec is professor in de psychologie aan de Université Catholique de Louvain. Zijn onderzoeksinteresses gaan uit naar taalontwikkeling, taalstoornissen, tweetaligheid, en het geheugen.