Nooit meer genocide? Waarom plegen sommige mensen geweld op bevel maar anderen niet?
In 1994 vond in Rwanda een genocide plaats tegen de Tutsi-bevolking. In ongeveer honderd dagen tijd werden naar schatting 800.000 mensen vermoord. Wat deze periode extra aangrijpend maakt, is dat het geweld vaak werd gepleegd door gewone burgers: buren, collega’s, zelfs gezinsleden. Maar niet iedereen deed mee. Sommige mensen weigerden bevelen op te volgen. Ze verborgen slachtoffers, hielpen hen vluchten of misleidden milities om levens te redden. Zij worden vandaag vaak “redders” genoemd.
Dat roept een fundamentele vraag op: Waarom volgen sommige mensen schadelijke bevelen op terwijl anderen het risico nemen om die bevelen te weigeren? Een nieuwe studie, gepubliceerd in American Psychologist zocht het antwoord in het brein.

Met een draagbaar EEG door Rwanda
De studie werd geleid door prof. dr. Emilie Caspar. Haar team reisde door landelijke gebieden in Rwanda met een draagbaar EEG-toestel (elektro-encefalogram). Dat apparaat meet elektrische activiteit in de hersenen via sensoren op het hoofd. De onderzoekers werkten met drie groepen mensen die de genocide van dichtbij hadden meegemaakt: voormalige daders, omstanders en redders.
Het was geen eenvoudig onderzoek. Voor veel deelnemers waren de herinneringen nog steeds beladen. Er was tijd nodig om vertrouwen op te bouwen voordat mensen bereid waren deel te nemen aan hersenmetingen. Het is de eerste keer dat neurowetenschappers hersenactiviteit onderzochten bij mensen die een genocide meemaakten om te begrijpen wat morele weerstand onderscheidt van gehoorzaamheid.
Een moreel experiment
De deelnemers kregen een taak waarin een onderzoeker hen opdroeg om geld af te nemen van een andere persoon – of dat net niet te doen. De vraag was duidelijk: zou iemand een bevel uitvoeren dat een ander schaadt? Tijdens die beslissingen werd hun hersenactiviteit gemeten. Zo konden onderzoekers nagaan wie gehoorzaamde, wie weigerde en wat er in het brein gebeurde tijdens die keuze.

Redders voelen het leed sterker
Een belangrijke bevinding: redders vertoonden sterkere hersenreacties wanneer ze zagen dat een ander verdrietig werd doordat geld werd afgenomen. Die hersenreactie, de zogenaamde Late Positive Potential (LPP) gaat samen met emotionele betrokkenheid en empathie. Met andere woorden: redders lijken het verdriet van anderen intenser te voelen.
En dat had gevolgen voor hun gedrag. Hoe sterker hun emotionele reactie, hoe groter de kans dat ze weigerden het schadelijke bevel uit te voeren. De verhoogde empathische betrokkenheid lijkt dus samen te hangen met morele ongehoorzaamheid. Volgens de onderzoekers kan dit helpen verklaren waarom sommige mensen tijdens de genocide besloten anderen te helpen ondanks de risico’s.
Daders en omstanders: geen “gewelddadig brein”
Voormalige daders volgden in het experiment vaker schadelijke bevelen en rapporteerden minder gevoelens van persoonlijke verantwoordelijkheid. Toch vonden de onderzoekers geen stabiele hersenverschillen tussen daders en omstanders. Dat is een belangrijke bevinding.
In het dagelijkse denken gaan we er vaak van uit dat mensen die deelnemen aan genocide fundamenteel anders zijn – dat ze een “gewelddadige persoonlijkheid” hebben of een soort defect in hun brein. Maar de resultaten ondersteunen het idee van de “banaliteit van het kwaad”, een concept van de filosofe Hannah Arendt. Zij stelde dat extreem kwaad niet altijd voortkomt uit extreme persoonlijkheden maar uit gewone mensen die onder sterke sociale druk verschrikkelijke daden stellen. De studie suggereert dat factoren zoals propaganda, ontmenselijking, groepsdruk en angst een cruciale rol spelen. Het gaat dus niet alleen om wie iemand “is” maar ook om de context waarin die persoon zich bevindt.
Meer ongehoorzaamheid dan verwacht
Opvallend was dat meer dan de helft van alle deelnemers – over de drie groepen heen – het immorele bevel weigerde. Dat percentage ligt veel hoger dan in eerdere gehoorzaamheidsonderzoeken bij jongere generaties die na de genocide zijn geboren. In die studies was de mate van ongehoorzaamheid veel lager. Dit wijst erop dat gehoorzaamheid geen vast persoonlijkheidskenmerk is. Ervaringen, en zeker ingrijpende historische gebeurtenissen, kunnen beïnvloeden hoe mensen autoriteit en morele verantwoordelijkheid tegen elkaar afwegen. Maar de studie suggereert ook iets anders: enkel kennis over het verleden is niet automatisch genoeg om weerstand te bieden aan schadelijke invloed. Ervaringen lijken een diepere impact te hebben dan abstracte informatie.
Wat maakt redders anders?
Naast de hersenmetingen zagen de onderzoekers nog andere verschillen. Redders dachten langer na voor ze gehoorzaamden en noemden meer uiteenlopende redenen om bevelen te weigeren. Ze verwezen bijvoorbeeld naar empathie, opvoeding, morele waarden en de geschiedenis van Rwanda. Veel redders gaven ook aan dat ze als kind rolmodellen hadden die anderen hielpen. Dat wijst op een hoopvolle gedachte: morele moed kan groeien. Ze ontstaat mogelijk uit een combinatie van empathie, reflectie en voorbeelden in de omgeving.
Voorbij Milgram
Decennialang baseerden wetenschappers hun kennis over gehoorzaamheid op de experimenten van Stanley Milgram. Die toonden aan dat gewone mensen onder druk van een autoriteit ver kunnen gaan in het toebrengen van schade. Maar Milgrams studies vonden plaats in laboratoria met deelnemers die geen genocide hadden meegemaakt. Bovendien werd toen niet gemeten wat er in het brein gebeurde. De nieuwe studie bouwt hierop voort en brengt de vraag naar gehoorzaamheid dichter bij de realiteit van massaal geweld.
Waarom dit vandaag belangrijk is
De belofte “Nooit meer” klinkt vaak na genocides. Toch komen massaal geweld en ontmenselijking nog steeds voor in verschillende delen van de wereld. Als we willen begrijpen hoe gewone mensen weerstand kunnen bieden aan schadelijke bevelen, moeten we begrijpen hoe empathie, verantwoordelijkheid en sociale druk samenwerken in het brein. Deze studie laat zien dat extreme wreedheid niet noodzakelijk voortkomt uit een uitzonderlijk “slecht” brein. Maar ze toont ook dat morele moed geen mysterieus talent is van enkelen. Ze lijkt samen te hangen met hoe sterk iemand het leed van anderen voelt – en hoeveel ruimte die persoon neemt om na te denken voor hij of zij handelt. Dat is confronterend maar ook hoopgevend. Want als morele weerstand voortkomt uit menselijke eigenschappen zoals empathie en reflectie dan kunnen we die misschien ook versterken.
Auteur
Emilie Caspar is universitair hoofddocent aan de Universiteit Gent (Vakgroep Experimentele Psychologie). Haar werk in de sociale en cognitieve neurowetenschappen bouwt voort op een doctoraat aan de Université libre de Bruxelles, onderzoekservaring aan University College London en een door Marie Curie gefinancierde postdoctorale positie aan het ‘Netherlands Institute for Neurosciences’.
Referentie
Seyll, L., Sezibera, V., Masabo, F., & Caspar, E. A. (2026). Neural processing of obedience and resistance among former genocide perpetrators and rescuers. American Psychologist. Advance online publication. https://doi.org/10.1037/amp0001666. Available via this link.



















