Virtueel aangestaard: de invloed van een virtueel publiek op taakprestatie, leren en stress

Het is eindelijk zo ver: na maanden repeteren speelt het theatergezelschap de nieuwste voorstelling voor het eerst voor een uitverkochte zaal. Dennis voelt meteen de kick wanneer hij in de schijnwerpers staat en overtreft zichzelf met zijn fantastische monoloog. Kim daarentegen verstijft bij het zien van de volle zaal en struikelt over zowat elke zin. Herkenbaar? Hoe denk je dat je zelf zou reageren wanneer alle ogen op jou zijn gericht?

Echt?! De invloed van een reëel versus virtueel publiek
Al meer dan een eeuw geleden stelden wetenschappers vast dat mensen beïnvloed worden door de aanwezigheid van toeschouwers wanneer ze een taak uitvoeren. Doorgaans stijgt onze stress in het bijzijn van een publiek. Ook worden we over het algemeen beter in het uitvoeren van makkelijke taken, maar slechter in het uitvoeren van moeilijke en nieuwe taken wanneer we deze uitvoeren voor een publiek. Een interessant verschil met 100 jaar geleden is echter dat de opkomst van nieuwe technologieën zoals virtual reality (VR) het mogelijk maakt om taken te oefenen en uit te voeren in een virtuele wereld met virtuele toeschouwers. In plaats van elke avond in de keuken teksten te herhalen, zouden Dennis en Kim bijvoorbeeld een VR bril kunnen opzetten en zich in een uitverkocht theater kunnen wanen. Maar zouden deze virtuele toeschouwers ook een gelijkaardig effect hebben in vergelijking met een echt publiek? Dat wilden we testen in onze studie.

De impact van het horen en zien van een virtueel publiek
In onze studie kregen de deelnemers acht bollen te zien in VR. Deze bollen lichtten een voor een op, en de taak was om de oplichtende bol zo snel en juist mogelijk aan te raken met een van de controllers. Aangezien de bollen steeds in terugkerende patronen oplichtten, konden deelnemers de volgordes aanleren. Taakprestatie maten we op basis van reactiesnelheid en het aantal fouten, leren maten we door naar de evolutie in reactiesnelheid en het aantal fouten doorheen de taak te kijken. Ook het ervaren van stress brachten we in kaart via zelfrapportage en fysiologische metingen (nl. pupilgrootte en hartslag). De deelnemers voerden de taak uit in een lege virtuele ruimte of in de aanwezigheid van een virtueel publiek. We verwachtten dat mensen meer stress zouden ervaren en dat ze het moeilijker zouden hebben met het leren en uitvoeren van de nieuwe taak in de aanwezigheid van het virtuele publiek. Verder waren er tijdens de taak ofwel omgevingsgeluiden (bv. een printer) ofwel menselijke geluiden (bv. hoesten) te horen. Aangezien de menselijke geluiden zorgen voor een extra hint naar de aanwezigheid van het virtuele publiek, vermoedden we dat het effect van een virtueel publiek op taakprestatie, leren en stress meer uitgesproken zou zijn bij het horen van de menselijke geluiden.


In tegenstelling tot voorgaand onderzoek met een echt publiek, werden taakprestatie en leren niet beïnvloed door de aanwezigheid van het virtuele publiek. Deelnemers gaven wel aan meer stress te ervaren wanneer ze de taak moesten uitvoeren voor een virtueel publiek. De fysiologische stressmetingen ondersteunden deze bevinding slechts gedeeltelijk. Waar hartslag niet beïnvloed werd door het virtuele publiek, was de pupil groter in het bijzijn van de virtuele toeschouwers. Een belangrijke kanttekening is echter dat een vergroting van de pupil niet enkel veroorzaakt kan worden door hogere stressniveaus, maar ook door een donkerdere omgeving. Vervolgonderzoek moet daarom uitwijzen of dergelijke veranderingen in pupilgrootte ook terug te vinden zijn onder gecontroleerde lichtomstandigheden. Tot slot had het laten horen van omgevingsgeluiden of menselijke geluiden geen invloed op de resultaten.

Hoe realistisch is virtual reality?
Waarom worden effecten van een echt publiek op taakprestatie en leren niet teruggevonden met een virtueel publiek? Een mogelijke verklaring is dat mensen zich ervan bewust zijn dat de virtuele toeschouwers hen toch niet kunnen beoordelen. Anderzijds kan het zijn dat de kwaliteit van de virtuele omgeving niet overtuigend genoeg was. Voorgaand onderzoek vond namelijk enkel een invloed op taakprestatie wanneer deelnemers het virtuele publiek realistisch vonden. Deelnemers aan de huidige studie beoordeelden het virtuele publiek echter als slechts matig realistisch. Gezien de continue verbeteringen in de kwaliteit van VR, is het dus mogelijk dat effecten van een virtueel publiek op taakprestatie en leren wel gevonden worden in toekomstige studies die een meer realistische VR ervaring kunnen bieden.

Wordt vervolgd?
Deelnemers aan onze huidige studie gaven aan meer stress te ervaren wanneer ze een taak uitvoerden voor een virtueel publiek. Dit was echter niet het geval voor alle fysiologische stressmetingen: de pupilgrootte nam toe maar de hartslag niet. Verder vonden we geen verschillen in taakprestatie of leren wanneer de taak uitgevoerd werd met of zonder een virtueel publiek. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of een meer realistisch virtueel publiek wel een invloed kan hebben op taakprestatie en leren. En jij, hoe denk je dat je zelf zou reageren wanneer alle virtuele ogen op jou zijn gericht?

Auteur
Lune Coorevits behaalde haar diploma Theoretische en Experimentele Psychologie aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen (UGent). Ze ontving de Best Internship Award voor het onderzoek dat ze uitvoerde tijdens haar stage bij imec-mict-UGent.

Bronnen
Bond, C. F., & Titus, L. J. (1983). Social facilitation: A meta-analysis of 241 studies. Psychological Bulletin, 94(2), 265–292. https://doi.org/10.1037/0033-2909.94.2.265


Durnez, W., Bombeke, K., Joundi, J., Zheleva, A., Cracco, E., Copman, F., Brass, M., Saldien, J., & De Marez, L. (2020). Fake people, real effects: The presence of virtual onlookers can impair performance and learning. In J. Y. C. Chen & G. Fragomeni (Eds.), Virtual, augmented and mixed reality. Design and interaction (pp. 440–452). Springer. https://doi.org/10.1007/978-3-030-49695-1_29


Strojny, P. M., Dużmańska-Misiarczyk, N., Lipp, N., & Strojny, A. (2020). Moderators of social facilitation effect in virtual reality: Co-presence and realism of virtual agents. Frontiers in Psychology, 11, Article 1252. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2020.01252

 

Waarom zwarte senatoren ook niet per se pro immigratie zijn

Dit is het levensverhaal van Toni, inwoner van het Italiaanse Spirano en directeur van een klein IT-bedrijfje. In 1993 trok Toni de lokale politiek in en werd gemeenteraadslid in zijn dorp voor de Lega Nord, de beruchte Italiaanse uiterst-rechtse anti-immigratie partij. Partijleider Matteo Salvini zelf droeg hem meer dan een decennium later aan om de harde lijn van de partij inzake migratie te mee te helpen uitzetten, en voerde hem in 2014 ook op als senator. Sindsdien kom je hem regelmatig tegen op partijbijeenkomsten met een grote affiche met daarop “STOP DE INVASIE”. O ja, belangrijk detail: senator Toni is zwart, en zelf afkomstig uit Nigeria [1].


Neen tegen de kinderen van buitenlanders
De volledige naam van Toni is namelijk Toni Chike Iwobi; en hij werd geboren op 26 april 1955 in het Nigeriaanse Gusau. In de jaren 70 trok hij naar Italië om er te studeren, maar bleef er uiteindelijk hangen. Hij richtte er een bedrijf op, stichtte er een gezin, en verwierf uiteindelijk ook de Italiaanse nationaliteit. En, last but not least, sinds 1993 is hij dus een uithangbord voor de Lega Nord en zelf ook niet vies van krasse uitspraken over migratie [2]. Enkele jaren geleden kreeg hij het aan de stok met voetballer Mario Balotelli – zelf zwart en Italiaan. Die laatste nam het Iwobi kwalijk dat hij tegen wetsvoorstellen had gestemd die het voor in Italië geboren kinderen van buitenlandse ouders makkelijker zouden maken om de Italiaanse nationaliteit te verwerven. “Waarom zouden de kinderen van buitenlanders zomaar Italiaan mogen worden? Dat is helemaal niet eerlijk”, had Iwobi opgeworpen [3].


Incorporatie en afkeer voor migatie
Het zal vreemd klinken, maar senator Iwobi is niet de enige Europeaan met een migratieachtergrond die er zo over denkt. In de migratieliteratuur duikt enkele jaren geleden het “incorporation effect” op. Deze term verwijst naar de vaststelling dat wanneer immigranten de nationaliteit van hun nieuwe thuisland verwerven – en met andere woorden “genaturaliseerd” worden – zij de neiging vertonen om hun politieke overtuigingen in overeenstemming te brengen met de nationale meerderheidsgroep [4-5]. In landen waar (extreem-)rechts in het zadel zit – zoals het geval is in het Italië van senator Iwobi – houdt dat dus onder meer een afkeer voor illegale immigratie en een negatieve kijk op de multiculturele samenleving in.
It’s the procedure, stupid!

Alhoewel dit zogenaamde “incorporation effect” gerepliceerd werd in meerdere landen en relatief goed gedocumenteerd is, hebben wetenschappers nog geen sluitende psychologische verklaring gevonden voor dit bizarre verschijnsel. Wat zet mensen aan om negatief te denken en te handelen tegen het belang in van een groep waar zij tot voor kort nog “officieel” deel van uitmaakten? Recent onderzoek van ons lab suggereert dat één van de drijfveren van dit gedrag wel eens de naturalisatieprocedure zelf zou kunnen zijn. We bevroegen namelijk een grote groep recent genaturaliseerde burgers in Zwitserland. Ter info, het Zwitserse naturalisatieproces is één van de langste en strengste in Europa, en deze procedure wordt dan ook geacht symbool te staan voor de op zijn zachtst gezegd sceptische houding van het Zwitserse volk. Dat maakt Zwitserland dus, vanuit sociaalpsychologisch perspectief, een context die bij uitstek geschikt is om het “incorporation effect” verder te onderzoeken. Uit onze bevraging bleek dat, hoe fairder onze respondenten de naturalisatieprocedure percipieerden, hoe meer zij geneigd waren er een negatieve kijk op immigratie op na te houden (e.g., meer steun voor restrictieve wetten, etc.) – en dus, hoe meer zij het “incorporation effect” vertoonden [6].

Om deze op het eerste gezicht bevreemdende bevinding te verklaren, moeten we teruggrijpen naar een wat in de wetenschappelijke literatuur bekendstaat als het “fair process effect”. Dit heeft betrekking op de observatie dat wanneer mensen een beslissing evalueren, zij hierbij evenzeer de beslissingsprocedure in rekening nemen als de uitkomst. Wanneer we namelijk het gevoel hebben dat beslissingen op een eerlijk manier tot stand komen, zijn we veel meer geneigd om de uitkomst van de beslissing te accepteren – zelfs als die in ons nadeel is. Bovendien zal wie zich fair behandeld voelt door een autoriteit, niet alleen de banden aanhalen met die autoriteit zelf, maar ook met de groep waar de autoriteit symbool voor staat [7-8]. Toegepast op de naturalisatiecontext – waar de beslissende autoriteiten de overheid, of “het gastland”, representeren – kunnen we dus verwachten dat de perceptie van een faire naturalisatieprocedure positief afstraalt op het gastland. Of, in psychologie jargon, de perceptie van een faire naturalisatieprocedure verhoogt de “identificatie” met het gastland.


De één zijn brood…
Dat is allemaal goed en wel, maar er is dus ook een keerzijde aan de medaille. Want, zo toont de sociale psychologie aan, betrokkenheid en verbondenheid met één groep gaat nu eenmaal vaak ten koste van hoe men staat ten opzichte van andere groepen waar men geen deel van is [9]. Met andere woorden, bij onze genaturaliseerde Zwitserse burgers ging die identificatie met het gastland deels gepaard met een verminderde betrokkenheid bij de sociale groep waar ze sinds de naturalisatie (officieel) geen deel meer van uitmaakten, namelijk het bevolkingssegment van niet-genaturaliseerde immigranten. En die verminderde betrokkenheid verklaarde dus deels hun verharde kijk op migratie.

Wil dit dan zeggen dat faire naturalisatieprocedures in se slecht zijn en moeten vermeden worden? Helemaal niet. We mogen tenslotte niet vergeten dat er eveneens een positieve noot aan ons verhaal zit, namelijk dat door zulke procedures de banden tussen het gastland (i.e., de “traditionele” inwoners) en de “nieuwe” burgers worden aangehaald. Alleen tonen onze resultaten spijtig genoeg aan dat faire procedures, gecombineerd met een enge kijk op migratie, ook tot minder mooie resultaten kan leiden. Zo kunnen ze ook de relaties tussen genaturaliseerde burgers en etnisch-culturele minderheidsgroepen verzuren.

Auteur
Kim Dierckx is als assistent bij de Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids-, en Sociale Psychologie (Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen) verbonden aan de Universiteit Gent. In het kader van zijn doctoraat hield hij de “super-diverse” samenleving tegen het licht. Specifiek onderzocht hij hoe maatschappelijke instellingen via de toepassing van procedurele rechtvaardigheid sociale harmonie kunnen realiseren in diverse maatschappijen. Zijn huidige onderzoek spitst zich toe op de onderlinge relaties tussen etnisch-culturele minderheden en de factoren die deze verhoudingen op een positieve manier kunnen beïnvloeden.

Referenties
[1] Toni Iwobi, The Black Face of Italy’s Far-Right. (2018, March 8) The Guardian. Retrieved from https://today.rtl.lu/news/world/1147144.html
[2] https://www.knack.be/nieuws/wereld/maak-kennis-met-toni-iwobi-de-italiaanse-anti-immigratie-immigrant/
[3] https://www.bbc.com/news/world-europe-43315686
[4] Kolbe, M., & Crepaz, M. M. (2016). The Power of Citizenship: How immigrant Incorporation Affects Attitudes Towards Social Benefits. Comparative Politics, 49(1), 105-123. https://doi.org/10.5129/001041516819582937
[5] Just, A., & Anderson, C. J. (2015). Dual Allegiances? Immigrants’ Attitudes toward Immigration. The Journal of Politics, 77(1), 188-201. https://doi.org/10.1086/678388
[6] Dierckx, K., Politi, E., Valcke, B., Van Assche, J., & Van Hiel, A. (2022). The “ironic” fair process effect: A perceived fair naturalization procedure spurs anti-immigration attitudes through increased host national identification among naturalized citizens. Group Processes & Intergroup Relations, 25(2), 379-398. https://doi.org/10.1177/1368430220975480
[7] De Cremer, D., & Van Knippenberg, D. (2002). How Do Leaders Promote Cooperation? The Effects of Charisma and Procedural Fairness. Journal of Applied Psychology, 87(5), 858-866. https://doi.org/10.1037//0021-9010.87.5.858
[8] Lind, E. A., & Tyler, T. R. (1988). The Social Psychology of Procedural Justice. New York, NY: Plenum. https://doi.org/10.1007/978-1-4613-3087-5_2
[9] Tajfel, H., & Turner, J. (1979). An Integrative Theory of Intergroup Conflict. In: W. Austin and S. Worchel (Eds.), The Social Psychology of Intergroup Relations (pp. 33-47). Montery, CA: Brookes-Cole.

 

Je depressie de baas? Cognitieve training vermindert hervalrisico

Robuust herstellen van depressie is een belangrijke uitdaging. Recente bevindingen tonen aan dat cognitieve training een interessante strategie is om het risico op het heroptreden van een depressie te reduceren. Maar wat weten we juist over dergelijke vorm van training en waarom zou zoiets interessant kunnen zijn als je in het verleden een depressie hebt meegemaakt?

Kwetsbaarheid voor (heroptredende) depressie: De rol van verstoorde cognitieve processen
Bij ‘depressie’ denkt men typisch aan de aanwezigheid van een aanhoudende negatieve stemming en/of het verlies van interesse in zaken die eerder als positief ervaren werden. Een relatief onderbelicht – maar daarvoor niet minder belangrijk – aspect van depressie is dat dit vaak gepaard gaat met heel wat cognitieve moeilijkheden. Zo wijzen overzichtsartikelen op de aanwezigheid van significante verstoringen in executieve functies bij depressie, waaronder verstoorde aandacht- en werkgeheugenprocessen (1). Deze staan het nastreven van dagelijkse doelen en activiteiten in de weg. Dit uit zich mogelijks in ervaren moeilijkheden om de aandacht bij gesprekken of andere taken te houden. Je bent bijvoorbeeld niet langer in staat om een gesprek of tv-programma te volgen, of een boek te lezen. Je hoofd voelt daarbovenop ‘vol’ negatieve gedachten, waarbij je er niet in slaagt om je aandacht hiervan los te koppelen. Het spreekt voor zich dat dit alles in sterke mate bijdraagt tot een negatieve stemming.

Ondanks de beschikbaarheid van effectieve psychologische en medicamenteuze behandelingen voor depressie, blijven heel wat mensen na het opklaren van een depressieve episode kampen met gelijkaardige klachten (2). Bovendien vormen deze bij uitstek een bron van hinder in het dagelijkse leven (3). Cognitieve klachten staan namelijk het (her)opnemen van activiteiten op verschillende levensdomeinen in de weg (bijv. op de werkvloer), of maken deze bijzonder uitdagend. Daarnaast verhogen ze de kans op het vastlopen in gepieker. Zo vormen cognitieve klachten een belangrijke voorspeller voor het heroptreden van depressie (4). Daarbovenop nemen deze klachten vaak toe naarmate men meer depressieve episoden heeft meegemaakt (5), wat een toenemende kwetsbaarheid voor depressie inhoudt. Een belangrijke vraag is dus wat je zelf kunt ondernemen om bij (gedeeltelijk) herstel van een depressie die cognitieve kwetsbaarheid aan te pakken? Een recent ontwikkelde en uiterst beloftevolle optie is ‘mentale fitness’ (werkgeheugentraining).


Train je brein en voorkom herval in depressie
Recent onderzoek toont namelijk aan dat aandacht- en werkgeheugenprocessen getraind kunnen worden aan de hand van gerichte computertaken. Het herhaaldelijk uitvoeren van dergelijke taken heeft bijvoorbeeld een gunstig effect op cognitief functioneren, depressief gepieker en depressieve klachten (6). Een belangrijke vraag is echter of dergelijke training tevens de kans op het heroptreden van een depressie kan verkleinen?

Om deze vraag te beantwoorden, hebben we in een recente klinische studie (7) 92 individuen die in het verleden een depressie meegemaakt hebben, toegewezen tot twee weken werkgeheugentraining of een alternatieve minder intensieve trainingstaak (controlegroep). Vervolgens werd het functioneren van deze individuen over een periode van één jaar online gemonitord. Op het einde van dat jaar evalueerden we of er tijdens die periode een nieuwe depressieve episode was opgetreden. Individuen die de werkgeheugentraining uitvoerden, vertoonden één jaar na de training gemiddeld een hoger niveau van cognitief functioneren (zoals gemeten a.d.h.v. een cognitieve taak) dan individuen uit de controlegroep. Daarbovenop was de kans op het optreden van een depressieve episode doorheen dat jaar significant lager. Zo observeerden we slechts 25.58% herval na voltooiing van de werkgeheugentraining, terwijl 47.50% van de individuen die tot de controlegroep behoorden een nieuwe depressieve episode meemaakten. De effectgrootte van deze interventie was bovendien gelijkaardig aan deze van andere gangbare preventieve interventies (waaronder voortgezet gebruik van antidepressiva).

Bovenstaande bevindingen wijzen op het potentieel van werkgeheugentraining als preventieve interventie voor depressie (6-7), waarbij dit type interventie omwille van de lage onderhoudskost en grote inzetbaarheid, mede door de online toegankelijkheid, relatief eenvoudig ingeschakeld zou kunnen worden binnen het bestaande behandelaanbod. Tegelijkertijd dienen verschillende vragen nog beantwoord te worden vooraleer werkgeheugentraining geïmplementeerd kan worden in de klinische praktijk. Hiertoe zijn we steeds op zoek naar kandidaten die in het verleden een depressie hebben meegemaakt en graag de werkgeheugentraining zouden uitvoeren.


Voor meer informatie omtrent lopende studies, kan je contact opnemen via volgend adres: cogtraining2@UGent.be. Zo kan jij binnenkort mogelijks ook gebruik maken van de werkgeheugentraining en help je meteen ook de wetenschap vooruit zodat we samen kunnen komen tot een betere preventie van depressie!


Auteur
Kristof Hoorelbeke werkt als docent aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van UGent en is daarnaast tevens klinisch werkzaam als gedragstherapeut.

Contactgegevens
Prof. dr. Kristof Hoorelbeke
Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie
Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, UGent
Henri-Dunantlaan 2, 9000 Gent
Kristof.Hoorelbeke@UGent.be

Ben jij geïnteresseerd in eventuele deelname aan lopend onderzoek? Aarzel niet en contacteer ons vrijblijvend voor meer informatie via: cogtraining2@UGent.be


Referenties

  1. Rock, P.L., Roiser, J.P., Riedel, W.J. & Blackwell, A.D. (2014). Cognitive impairment in depression: A systematic review and meta-analysis. Psychological Medicine, 44, 2029-2040. doi: 10.1017/S0033291713002535
  2. Semkovska, M., Quinlivan, L., O’Grady, T., Johnson, R., Collins, A., O’Connor, J., Knittle, H., Ahern, E., & Gload, T. (2019). Cognitive function following a major depressive episode: A systematic review and meta-analysis. The Lancet Psychiatry, 6, 851-861. doi: 10.1016/S2215-0366(19)30291-3
  3. Knight, M.J., Air, T., & Baune, B.T. (2018). The role of cognitive impairment in psychosocial functioning in remitted depression. Journal of Affective Disorders, 235, 129-134. doi: 10.1016/j.jad.2018.04.051
  4. Demeyer, I., De Lissnyder, E., Koster, E. H. W., & De Raedt, R. (2012). Rumination mediates the relationship between impaired cognitive control for emotional information and depressive symptoms: A prospective study in remitted depressed adults. Behaviour Research and Therapy, 50, 292-297. doi: 10.1016/j.brat.2012.02.012
  5. Vanderhasselt, M-A., & De Raedt, R. (2009). Impairments in cognitive control persist during remission from depression and are related to the number of past episodes: An event related potentials study. Biological Psychology, 81, 169-176. doi: 10.1016/j.biopsycho.2009.03.009
  6. Hoorelbeke, K., & Koster, E. H. (2017). Internet-delivered cognitive control training as a preventive intervention for remitted depressed patients: Evidence from a double-blind randomized controlled trial study. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 85, 135-146. doi: 10.1037/ccp0000128
  7. Hoorelbeke, K., Van den Bergh, N., De Raedt, R., Wichers, M., & Koster, E. H. W. (2021). Preventing recurrence of depression: Long-term effects of a randomized controlled trial on cognitive control training for remitted depressed patients. Clinical Psychological Science, 9, 615-633. doi: 10.1177/2167702620979775
 

De kracht van een crisis

Heb je het gevoel dat je niet echt uitgerust maar eerder uitgeblust gestart bent aan dit nieuwe jaar? Of voelt je borstkas regelmatig gevuld met angst, alsof er onderhuids een trein vol emoties blijft razen die amper te stoppen valt? Crises zijn katalysators. Ze leggen ons bloot. We weten dan meestal niet goed wat we met deze kwetsbaarheid moeten doen en zoeken naar controle. Over onszelf en over anderen. Maar die krijgen we niet. In de plaats daarvan zijn we verkrampt bezig met overleven, heftig heen en weer schommelend, van een hyper- naar een zombietoestand, en terug. En hoe meer we van hetzelfde doen, hoe meer we van hetzelfde krijgen, met nog meer onrust als gevolg.


Er wordt ons zelden geleerd hoe we met onrust kunnen omgaan. Alsof het Leven ons niet te veel mag raken. De meesten van ons hebben ook niet geleerd om ongemak gewoon uit te zitten of erover te spreken. Eerder hoe ervan af te komen of te doen alsof het niet gebeurd is. Emoties ontsnappen aan onze controle, ze komen gewoon zomaar op. We vinden dat meestal onprettig en weten niet goed wat we moeten met het ongemak dat ze met zich meebrengen. We zoeken opnieuw controle, zetten anderen snel in hokjes maar hebben er zelf een hekel aan als wij diegenen zijn die in zo’n hokje worden weggezet. Wat als we vol vuur van mening mogen verschillen en tegelijk ook zoeken naar wat ons innig verbindt? Want we delen meer overeenkomsten dan verschillen.


Alles in het universum bestaat uit tegenpolen: warm en koud, pijn en plezier, licht en donker. Tegenpolen hebben elkaar nodig, ze houden elkaar in stand als twee uitersten op hetzelfde continuüm. Hoe zouden we weten of het goed met ons gaat als het nooit slecht met ons gaat? Hoe weten we wat we belangrijk vinden als we nooit meer ergens bang voor zouden zijn? De tegenpool van controle is dus niet loslaten maar nieuwsgierigheid, naar binnen en naar buiten. Het is de bereidheid om open te staan voor wat er is. Met een open, onderzoekende geest die met interesse reageert op onrust. Wat als we onszelf wat vaker het voordeel van de twijfel gunnen en niet meteen alles geloven wat we denken?

Met gemengde gevoelens leren omgaan
En als het gaat over het omgaan met pijn stuiten we opnieuw op een schijnbare tegenstelling: hoe beter we ons slecht durven voelen, hoe eerder we ons beter kunnen voelen. Pijn die je niet mag voelen, blijft namelijk langer hangen dan pijn die er wel mag zijn. Het gaat erom dit te kunnen ervaren zonder er volledig in op te gaan, om met gepaste aandacht niet te blijven vechten, vluchten of bevriezen, maar voelen. De oplossing is dat er vaak op dat moment geen oplossing is maar dat die vanzelf groeit, doordat we onszelf toestaan over tegenstrijdige dingen na te denken. Met gemengde gevoelens. Wat als we meer durven voelen wat er te voelen valt, ook als dat verwarrend of oncomfortabel is? Negatieve emoties houden niet op met bestaan als we ze onderdrukken. Ze vinden gewoon een andere manier om zich te uiten. En littekens zijn gevoelig maar ook sterker dan gewone huid.

Wat we accepteren, transformeert. Dat geldt voor een crisis, voor onrust, en voor onszelf. Veerkracht verwijst naar het tijdelijk verliezen van onze vorm én het herstel daarna. Naar het zo flexibel mogelijk omgaan met vaak verpletterende omstandigheden. In dat proces zit eveneens de enorme kracht van een metamorfose verborgen: wie zullen we zijn als we uit deze pijn tevoorschijn komen? Wat ons eerst achtervolgt, kan later kracht geven. Als acceptatie daarvan moeilijk is, is dat vaak omdat ons hoofd vertelt dat we de situatie niet aankunnen. Of het niet durven loslaten. De situatie kan ons echter pas loslaten als we zeggen: ‘Het is zoals het is, het raakt me enorm, maar ik kan daar nu niets aan veranderen.’ Dan pas komt er ruimte voor iets anders. Als een reservetank die we kunnen aanboren. Vooral als we denken dat we aan het einde van onze krachten zijn. En we krijgen niet wat we aankunnen maar we kunnen aan wat we krijgen. Beloofd.

Vertel jouw verhaal
En eigenlijk weten we diep vanbinnen best wel dat we goed genoeg zijn. Meer nog, we zijn de som van al onze schijnbare tegenstrijdigheden. We zijn aarzelend, rommelig, onvoorspelbaar, bang, gewoontjes, nonchalant, chaotisch, egoïstisch, twijfelend en kwetsbaar. Maar ook magisch. Moedig. Vernieuwend. Uniek. Met ruimte om te ontwikkelen. En sowieso genoeg.
Schommel dus liever even uit.
Ontspan je kaken.
Ontspan je geest.
Haal diep adem.
Wees stil.
Ga naar je binnenste binnen.
Zoek zin om je te verdiepen in je eigen verhaal.
Vanaf het begin.
Luister naar wat je jezelf te vertellen hebt.
Wat wil je?
Geef jezelf nu wat je vroeger gemist hebt.
Wees nu wie jij toen nodig had.
Deel deze ervaring met mensen die het gewicht van je verhaal kunnen dragen. Niet de critici die aan de zijlijn met de vinger wijzen als je struikelt. En elk verhaal doet ertoe. Ook dat van jou. En alles wat we tegen elkaar vertellen, drijft op een nog veel grotere stroom van woordeloze verbondenheid. Vanuit intimiteit. En een gedeelde menselijkheid. Want gedeelde verhalen tellen dubbel.

Auteursinfo
Dr. Els Heene is klinisch psycholoog en psychotherapeut, en auteur van het pas uitgebrachte boek “Binnenin beginnen: waar gebeurde verhalen over wat therapie met je doet”. Ze werkt in een klinische praktijk (Mentaal Beter) in Zeeland, en is sinds 1996 als docent en coördinator verbonden aan de Universiteit Gent.

“Binnenin beginnen: waar gebeurde verhalen over wat therapie met je doet.” Uitgeverij Manteau / Standaard Uitgeverij nv, vanaf 8 februari verkrijgbaar.

Referenties
Grant, A. (2021). Weten wat je niet weet. A.W. Bruna Uitgevers B.V, Amsterdam
Hayes, S.C., & Smith, S. (2005). Get out of your mind & into your life: the New Acceptance & Commitment Therapy. New Harbinger, Oakland.
Tallis, F. (2020). Leven. Wat de grootste psychologen ons vertellen over geluk, onbehagen en zingeving. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen.

 

Worden studenten met een migratieachtergrond extra benadeeld door de verengelsing van ons hoger onderwijs?

Engels in het hoger onderwijs: het is een onderwerp dat de laatste jaren voor een levendig debat zorgde in de maatschappij. Sommige academici zien alleen maar voordelen, maar voor anderen is het een ware nachtmerrie.


Een van de argumenten die tegenstanders blijven opwerpen in het debat is de groeiende sociale ongelijkheid tussen autochtone studenten en studenten met een migratieachtergrond. Door het gebruik van Engels zou de moeilijkheidsgraad van ons onderwijs namelijk toenemen en zou ook de drempel om door te stromen naar het hoger onderwijs verhogen. Deze consequenties hebben volgens sommige academici hoofdzakelijk een impact op studenten met een migratieachtergrond. Als gevolg zou de sociale gelijkheid dus in het gedrang komen. Maar waarom zouden deze veranderingen enkel deze specifieke groep treffen? De verklaring die sommige tegenstanders hiervoor geven stelt dat autochtone studenten Engels meestal als tweede taal hebben, terwijl het voor studenten met een migratie achtergrond vaak hun derde of zelfs vierde taal is. Met andere woorden, deze academici gaan ervan uit dat mensen hun tweede taal beter beheersen dan hun derde taal. Het is echter opvallend dat ze deze opinie bijna nooit onderbouwen met onderzoeksgegevens. We kunnen ons dan ook de vraag stellen “houdt dit argument wel steek?”.


Effect Engels op studeerprestatie autochtone studenten

Sommige onderzoekers hebben in het kader van dit debat enkele studies gewijd aan de impact van Engels in het hoger onderwijs. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van Vander Beken en Brysbaert (2018). Deze onderzoekers bestudeerden het effect van Engels als tweede taal op de studeerprestaties van autochtone studenten. Uit de resultaten bleek dat er geen taaleffect is bij examens met meerkeuze vragen, maar wel bij het beantwoorden van open vragen. Met andere woorden, autochtone studenten behalen een hogere score op open vragen na het studeren in het Nederlands in vergelijking met het Engels. Jammer genoeg beperken deze studies zich tot het bestuderen van het effect van Engels op de studeerprestaties van autochtone studenten. In onze studie besteden we echter ook aandacht aan studenten met een migratieachtergrond.


Engels lijkt niet moeilijker voor de migratiegroep
Aan de hand van dit onderzoek wilden we de potentiële negatieve impact van Engels nagaan op de studeerprestaties van studenten met een migratieachtergrond. We vergeleken de resultaten van een groep studenten met een migratieachtergrond (migratiegroep) met die van een groep autochtone studenten (controlegroep). De studenten in de migratiegroep hadden een andere moedertaal dan Nederlands en Engels en spraken deze talen ook niet thuis. Naast Turks, de moedertaal van ongeveer 30% van de deelnemers, waren Pools en Frans de meest voorkomende moedertalen bij de proefpersonen. De groep omvatte zowel eerste als tweede en derde generatie migranten. De studenten in de controlegroep hadden allemaal Nederlands als moedertaal. Tijdens het experiment studeerden de proefpersonen een tekst in het Nederlands of Engels. Na deze studeerfase boden we een distractortaak aan waarna er een testfase was. In de testfase vroegen we de proefpersonen om zoveel mogelijk informatie die ze zich herinnerden uit de tekst te noteren. De deelnemers aan de studie doorliepen deze sequentie voor beide talen. De resultaten geven we weer in Figuur 1.

Uit de resultaten bleek dat, net zoals in de studie van Vander Beken en Brysbaert (2018), de controlegroep een hogere score behaalde op de Nederlandse test in vergelijking met de Engelse test. Voor de migratiegroep is er een bijna significant verschil gevonden tussen beide talen. Naast deze analyses op groepsniveau, keken we ook naar de resultaten op niveau van taal. Deze analyse zorgde voor enkele onverwachte resultaten. Voor Nederlands vonden we namelijk een significant verschil tussen de migratiegroep en controlegroep, maar verassend genoeg bleek er voor Engels geen significant verschil te zijn tussen beide groepen. Met andere woorden, de migratiegroep scoorde significant lager dan de controlegroep, maar enkel op de Nederlandse test. Verder vonden we geen interactie effect tussen groep en taal, wat erop wijst dat Engels niet moeilijker lijkt voor de migratiegroep dan voor de controlegroep.


Nederlands hanteren als onderwijstaal zorgt voor meer ongelijkheid
Concluderend kunnen we stellen dat onze studie geen evidentie biedt voor de stelling dat studeren in het Engels moeilijker is voor studenten met een migratieachtergrond dan voor autochtone studenten. Het argument dat Engels voor meer ongelijkheid zorgt lijkt dus niet op te gaan. Integendeel, het is niet Engels, maar Nederlands dat lijkt te zorgen voor een grotere ongelijkheid. Toekomstig onderzoek dient dus meer aandacht te besteden aan wat daar precies de oorzaken van zijn.

Auteur

Sarah Slabbaert studeerde af als experimenteel psychologe aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen (UGent). Ze won de Best Intership Award op basis van haar wetenschappelijke verdienste en sterke wetenschapscommunicatie.

Referenties

Bardoel, F. (2017, July 12). Verengelsing slecht voor de emancipatie lagere klassen. Univers. https://universonline.nl/nieuws/2017/07/12/verengelsing-slecht-voor-de-emancipatie-lagere-klassen/

D’hamers, E. (2018, September). Is meer Engels in het hoger onderwijs wel een goed idee? Knack. https://www.knack.be/nieuws/belgie/is-meer-engels-in-het-hoger-onderwijs-wel-een-goedidee/article-opinion-825297.html

De Moor, A. (2017). Is de verengelsing van onze maatschappij een veelkoppig monster ? Science Guide, 1–6.

Laureys, G. (2019). Niet tegen Engels, wel voor Nederlands. Vrt Taal. https://vrttaal.net/nieuws/opinie-niet-tegen-engels-wel-voor-nederlands

Maes, H., Van Besien, D., Duchateau, G., Laureys, G., De Moor, A., Storme, M., Becue, P., Roukens, J., Fleerackers, F., Coninx, I., Ponette, E., Daelemans, B., De Haes, D., De Waele, W., & De Wit, W. (2020). “Het is onaanvaardbaar dat er nog maar gedacht kan worden aan het verder verengelsen van het onderwijs.” Knack. https://www.knack.be/nieuws/belgie/het-is-onaanvaardbaar-dat-er-nog-maar-gedacht-kan-worden-aan-het-verder-verengelsen-van-het-onderwijs/article-opinion-1572193.html

Raad Hoger Onderwijs. (2017). Advies taalbeleid in het Vlaamse hoger onderwijs.
Roose, P. (2017). Engelstalig hoger onderwijs is asociaal. Doorbraak.be. https://doorbraak.be/engelstalig-hoger-onderwijs/

Van Besien, D., Duchateau, G., Laureys, G., De Moor, A., Storme, M., Becue, P., Debrabandere, P.,Roukens, J., Fleerackers, F., Ponette, E., De Waele, W., De Wit, W., Coninx, I., Devreese, J.,Maes, H., Roosens, H., & Debruyne, G. (2020). Verengelsing hoger onderwijs is slecht idee. Doorbraak.Be. https://doorbraak.be/verengelsing-slecht-idee/

Vander Beken, H., & Brysbaert, M. (2018). Studying texts in a second language: The importance of test type. Bilingualism, 21(5), 1062–1074. https://doi.org/10.1017/S1366728917000189

 

Waarom valt roodkapje voor de wolf? De valkuilen van narcistische relaties

Hoe is dit kunnen gebeuren? Hoe kan iemand zo blind en goedgelovig zijn? Hoe kan iemand plots zoveel macht hebben? Voor je het weet zit je vast in een relatie met een narcist. Een verborgen narcist nog wel, die zich voordoet als een kwetsbare, charmante, tedere en ontwapenende man. Sommige criteria kunnen je extra gevoelig maken om in de narcistische ban verstrikt te geraken. Om er als een schim van jezelf uit tevoorschijn te komen.

De wolf zonder schaapskleren: achter de façade van de narcist

Narcisten kunnen enkel bewondering en geen echte authentieke liefde voelen. Hierdoor ervaren ze een grote leegte. Achter de charmante liefdevolle façade zit vaak een heel onzekere persoon, die handelt vanuit de behoefte alles te controleren. Diep van binnen voelen ze zich onbemind, vernederd en hebben ze een afschuw van zichzelf. Als overcompensatie zullen ze buitensporig naar erkenning en waardering van anderen streven.

Ze zijn enorm gevoelig voor kritiek van anderen. Elk klein meningsverschil of opmerking zal de narcist als een enorme vernedering en afwijzing ervaren. Ze voelen zich continu te kort schieten en zullen bijgevolg compenseren door de ander naar beneden te halen of de ander weg te duwen i.p.v. open te communiceren. Dit zal hun minderwaardigheidsgevoelens en gevoelens van tekortkoming en eenzaamheid uiteindelijk enkel nog versterken

Heel vaak zullen deze gevoelens ook aanleiding geven tot symptomen van depressie en angst. Om deze pijnlijke gevoelens te vermijden zullen veel narcisten zich apathisch afsluiten door solitaire verslavingsvormen (alcohol, drugs, tv, gamen), dwangmatig compulsief gedrag of het najagen van prikkels (zoals seksuele uitspattingen). Een belangrijk misverstand is dat mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis wel degelijk empathisch kunnen zijn, maar dit vermogen verliezen als ze in hun overcompenserende of vermijdende modus zitten. Het is dus belangrijk dat om het dieperliggende probleem dat achter het destructieve gedrag schuilgaat, te herkennen.

Heel vaak kiezen narcisten daarenboven een partner die zelf emotioneel afstandelijk is, waardoor het gevoel emotioneel tekort te komen nog versterkt wordt. Indien ze echter wel een partner kiezen die emotioneel toegankelijk is, dan zullen ze de neiging hebben om te blijven nemen zonder iets terug te geven. Hierdoor zal een toxische dynamiek ontstaan, waardoor de partner die onvoorwaardelijke liefde wil geven uiteindelijk leeggezogen wordt. In therapie is het dus cruciaal dat er op de houding van de narcist in intieme relaties gefocust wordt, zodanig dat gezondere gelijkwaardige relaties kunnen ontstaan.

De valkuilen

Een relatie met een narcist is dus niet aan te raden. Toch kan iedereen kan in een relatie met een narcist belanden. Sommige mensen zijn hier echter vatbaarder voor. Verschillende valkuilen verklaren hoe een relatie met een narcist kan ontstaan en blijven duren.

De valkuil van passionele romantiek
De passionele hartstochtelijke liefde wordt door de maatschappij geïdealiseerd en geromantiseerd. Het verlangen naar passionele liefde wordt ons via sprookjes, liedjes en romantische films al met de paplepel meegegeven, waardoor het romantisch charmeoffensief van narcisten heel geloofwaardig kan overkomen.

De valkuil van loyaliteit.
Hij vertelt geheimen die hij nog nooit met iemand heeft gedeeld om jou loyaal te houden en jou aan hem te binden. Je voelt je vereerd omdat jij de enige bent die zijn geheimen kent. Je zou dan ook nooit zijn vertrouwen willen schenden.

De valkuil van empathie.
Jij wil geven, zijn pijn proberen verzachten, de liefde geven die hij nooit heeft gekregen. Je wil zijn leegte opvullen omdat hij dat verdient, maar deze leegte zal een bodemloze put blijken te zijn, waarin je enkel jouw energie, vrolijkheid en uiteindelijk ook je eigen identiteit zal verliezen.

De valkuil van naïviteit en onbezonnenheid.
Je ziet altijd het goede en het groeipotentieel in anderen, waardoor je je niet bewust bent van mogelijk gevaar. Omdat je zelf het goede voor anderen wil, kan je je niet inbeelden dat anderen vanuit andere motieven handelen.

De valkuil van gewenning door een onveilige jeugd.
Als je zelf een narcistische vader hebt kan je extra gevoelig worden voor dit soort mannen. Als je onveiligheid en stemmingswisselingen van kleins af aan hebt gekend voelt dit vertrouwd aan. Het voelt vertrouwd om jezelf weg te cijferen en de ander te behagen om te overleven. Als je gewend bent om continu op eieren te lopen, dan ben je gewend om continu een verhoogde aanmaak van het stresshormoon te hebben. Zo zal er ook meer kans zijn dat je in het latere leven, die kick van spanning gaat opzoeken in destructieve relaties als een verslavende gewenning die nog doorspeelt vanuit jouw onveilige jeugd.

De valkuil van de sterke onafhankelijke vrouw – die verlangt naar het eindelijk eens mogen loslaten van controle en verzorgd te worden.
Als je altijd sterk en zelfstandig bent geweest kan je de behoefte hebben om eindelijk eens alle controle te mogen loslaten. Het voelt als een last die van je schouders valt om de verantwoordelijkheid en kracht te mogen loslaten en eens klein en afhankelijk te mogen zijn. Zo hebben sterke vrouwen die een dominante controlerende functie hebben op professioneel gebied vaak het verlangen om zich te onderwerpen in de relatie als overcompensatie.

Narcist van generatie op generatie

Heel veel narcisten zijn als kind zelf misbruikt of gemanipuleerd door een narcistische ouder. Deze ouder idealiseerde het ‘wonder’ kind, maar had terzelfdertijd ook enorm hoge verwachtingen. De behoeftes van het kind zijn telkens verwaarloosd omdat ze zich moesten onderwerpen aan de behoeftes van de ouder die hen manipuleerde en controleerde. Heel vaak zal de narcist vanuit zijn eigen opvoedingstrauma een angstig-vermijdende hechtingstijl hebben ontwikkeld die de bipolaire liefde met hoge toppen van intense liefde en diepe dalen van haat activeert. Gevoelens van eenzaamheid en leegte motiveren hen om dichter bij de ander te komen, maar het continue gevoel tekort te schieten zorgt er terzelfdertijd ook voor dat ze de ander gaan wegduwen. Narcisten zullen ze de partner bijgevolg continu gaan aantrekken en afstoten. Ze kunnen niet met, maar ook niet zonder de ander. Hechtingsstijlen zijn intergenerationeel overdraagbaar. Dit toont aan dat het zo van belang is om dit patroon te herkennen en te doorbreken om kinderen te beschermen en te voorkomen dat persoonlijkheidsstoornissen van generatie op generatie worden overgedragen.

Referenties

Stern, R. (2018). Het gaslighteffect: Verborgen narcisme. AnkhHermes, Uitgeverij.
Kotyanaya, M. (2020). Bridging the evidence-based gap: From pathological narcissism to narcissism survivors. The Science of Psychotherapy.
Young, J., Klosko, J., & Weishaar, M. (2004). Schemagerichte therapie: handboek voor therapeuten.[Scheme based therapy: Manual for therapists]. Houten, the Netherlands: Bohn Stafleu van Loghum.

Auteurs

Eowyn Van de Putte (1990) werkt als postdoctoraal onderzoeker aan de faculteit psychologie van de UGent. Daarnaast werkt zo ook als klinisch psychologe in de huisartsenpraktijk Bijloke. Ze behaalde een doctoraat in de cognitieve neurowetenschappen.
Elif Stepman (1992) is projectleider bij de consumentenorganisatie foodwatch. Ze studeerde Moraalwetenschappen.

 

Hoe ga je om met online posts over zelfverwonding? Vier cruciale tips voor sociale mediagebruikers

Wist je dat
… meer dan 10% van de Vlamingen aangeeft zichzelf ooit te hebben verwond (met de intentie zichzelf pijn te doen)? Vooral jongeren lopen een risico om hiermee te starten, maar het komt voor in alle leeftijdsgroepen. Sociale media kunnen een rol spelen bij zelfverwondend gedrag. Wat doe je wanneer je online in aanraking komt met berichten hierover? We delen graag wat achtergrond over wat zelfverwondend gedrag inhoudt en de rol van die sociale media. Daarna krijg je concrete tips voor gepaste acties en reacties.

Wat je verder moet weten
Over zelfverwondend gedrag
Wie zichzelf verwondt ziet dat vaak als een manier om met moeilijke emoties om te gaan. Iemand brengt het eigen lichaam opzettelijk fysieke schade aan, met de bedoeling zichzelf pijn te doen, en zonder de intentie zichzelf van het leven te benemen (zoals bij een zelfmoordpoging). Zelfverwondend gedrag wijst vaak op emotionele moeilijkheden en moet altijd ernstig genomen worden. Het kan immers ook samengaan met of evolueren naar zelfmoordgedachten of –pogingen.
Over de rol van sociale media
Motivatie om online te posten
Vaak doen jongeren al aan zelfverwonding vooraleer ze daar ook online actief rond worden. Jongeren gebruiken sociale media om twee redenen, namelijk om inzicht te krijgen in hun zelfverwonding en om ervaringen te delen met elkaar. Op die manier willen ze de isolatie en het stigma in de offline wereld doorbreken.
Negatieve effecten
Jongeren die berichten te zien krijgen rond zelfverwonding ervaren vaak angst of ongemak. Bij kwetsbare jongeren bestaat verder ook het risico dat zulke verhalen hen aanzetten om dat gedrag te kopiëren. De uitwisseling onder jongeren brengt dus risico’s met zich mee, maar heeft gelukkig ook voordelen.
Positieve effecten
Online contact met jongeren in een gelijkaardige situatie zorgt namelijk voor emotionele steun en sociale verbondenheid. Een online community kan ook ervaringen delen die de nadruk leggen op herstel. Dat gaat dan bijvoorbeeld over het vermogen om momenten van crisis en zelfverwondend gedrag te boven te komen. Zulke berichten kunnen een positieve invloed hebben op kwetsbare jongeren en beschermend werken.
Hoe reageer je best op online berichten over zelfverwondend gedrag?
Over de rol van sociale media op zelfverwondend gedrag is weinig geweten. Toch kunnen we een aantal aanbevelingen meegeven. Daarmee kan ook jij helpen om te bouwen aan een online omgeving die aandacht heeft voor dit risicogedrag.

  1. Onderschat of minimaliseer zelfverwondend gedrag niet, ook niet online.
  2. Zie je posts rond zelfverwondend gedrag of deelt een jongere zo’n bericht met je? Probeer dan in gesprek te gaan en doe dat steeds op een steunende en constructieve manier. Verwijs door naar betrouwbare kanalen zoals awel.be, jac.be, clbchat.be of zelfmoord1813.be (wanneer er ook sprake is van zelfmoordgedachten of –gedrag).
  3. Reageert iemand niet en maak je je zorgen? Op verschillende sociale netwerken kan je verontrustende inhoud melden.
  4. Verspreid zelf geen berichten van anderen over zelfverwondend gedrag, zelfs niet met een waarschuwing. Ook met zo’n ‘trigger warning’ kan een post schadelijk zijn.

Dit interesseert je misschien ook
Ook rond zelfmoord en sociale media zijn er belangrijke aandachtspunten. In ‘Hoe post je veilig over zelfmoord?’ geeft het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie concrete tips.

Auteurs
Julie Van Gestel (stagiaire) en Tom Van Daele (onderzoeksleider) zijn verbonden aan de Expertisecel Psychologie, Technologie & Samenleving van de Thomas More-hogeschool. Eva Dumon is als wetenschappelijk medewerkster verbonden aan het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie van de Universiteit Gent.

Referenties

  • Lavis, A., & Winter, R. (2020). #Online harms or benefits? An ethnographic analysis of the positives and negatives of peer-support around self-harm on social media. The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 61(8), 842–854. https://doi.org/10.1111/jcpp.13245
  • Biernessera, C., Sewall, C. J. R., Brent, D., Bear, T., Mair, C., & Trauth, J. (2020). Social media use and deliberate self-harm among youth: A systematized narrative review. Children and Youth Services Review, 116, 1-15. https://doi.org/10.1016/j.childyouth.2020.105054
  • Zelfmoord1813. (2019, Februari 10). Zelfverwonding factsheet. Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie. https://www.zelfmoord1813.be/sites/default/files/Zelfverwonding.pdf
  • Zelfmoord1813. (2016, Oktober 13). Omgaan met zelfbeschadiging: Een gids voor ouders en hulpverleners. Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie. https://www.zelfmoord1813.be/publicaties/producten/omgaan-met-zelfbeschadiging-een-gids-voor-ouders-en-hulpverleners
  • Candice, L., Odgers, & Jensen, M.R. (2020). Annual Research Review: Adolescent mental health in the digital age: facts, fears, and future directions. The Journal of Child Psychology and Psychiatry, 61(3), 336–348. https://doi.org/10.1111/jcpp.13190
  • Picardo, J., McKenzie, S.K., Collings, S., & Jenkin, G. (2020). Suicide and self-harm content on Instagram: A systematic scoping review. PLOS ONE, 15(9): e0238603. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0238603
  • Williams, J. (2020, Oktober 15). Social media and self-harm in young people: help or hindrance? The Mental Elf. https://www.nationalelfservice.net/mental-health/self-harm/social-media-self-harm/
  • Jones, P.J., Bellet, B.W., & McNally, R.J. (2020). Helping or Harming? The Effect of Trigger Warnings on Individuals With Trauma Histories. SAGE jounals, 8(5), 905-917. https://doi.org/10.1177%2F2167702620921341
 

Hoe maken mensen met autisme complexe bewegingen?

We hebben allemaal al wel eens aardappelen geschild. Al was het om kroketjes, gebakken patatjes of puree te maken. De eerste schil gaat vaak een beetje moeizaam. Het zijn misschien een ander soort aardappelen dan je gewoon bent of een nieuw mesje. Na een paar schillen, gaat het vlotter en na een paar aardappelen heb je een beweging gevonden die werkt en die je opnieuw en opnieuw kan hergebruiken. Maar dit kan ook wel eens moeilijkheden geven. Stel je nu voor dat er een aardappel is met veel oneffenheden en bochten. Nu moet je je beweging aanpassen en er extra bochten in steken. Dit gaat plots terug veel moeizamer. Zelfs moeizamer dan als het allemaal aardappelen geweest waren met bochten. In je hoofd had je een offline motorplan gecreëerd (een beweging gepland, gebaseerd op je voorgaande bewegingen) dat je opnieuw en opnieuw kon gebruiken maar plots moest je een online aanpassing maken aan het motorplan.

Autisme en bewegen
Mensen met autisme spectrum stoornis (verder vermeld als autisme) hebben moeilijkheden met sociale interactie en vertonen vaak beperkte en repetitieve gedragingen. Daarnaast hebben veel mensen met autisme moeilijkheden met het uitvoeren van verschillende soorten bewegingen. Zo heeft onderzoek bijvoorbeeld gevonden dat ze moeilijkheden hebben bij evenwichtsoefeningen en het maken van arm- en handbewegingen. Er zijn meerdere theorieën over hoe het komt dat mensen met autisme hier problemen mee hebben. Zo kan het zijn dat ze een probleem hebben met het integreren van informatie uit verschillende zintuigen. Een andere theorie is dat ze moeite hebben met het creëren van een offline motorplan en elke beweging opnieuw moeten bedenken zonder voorgaande bewegingen in rekening te brengen. Daarbovenop zouden zo ook nog moeite hebben met het maken van online aanpassingen aan hun motorplan. De vorige onderzoeken die onderzoek deden naar online en offline motorplannen van mensen met autisme hebben hun conclusies vaak gebaseerd op reactietijden (hoe snel iemand iets uitvoert) maar over het algemeen zijn mensen met autisme trager in het uitvoeren van een beweging.

Offline motorplannen
Met dit onderzoek wilden we te weten komen of mensen met autisme nu effectief slechter zijn in het creëren van offline motorplannen. Hiervoor moesten participanten met en zonder autisme een repetitieve beweging uitvoeren op een tablet. Er was een vierkantje onderaan en bovenaan van het scherm. Participanten moesten met een stilus beginnen in het onderste vierkantje en zo snel en accuraat mogelijk naar het bovenste vierkantje bewegen. Af en toe kon het wel zijn dat er plots een obstakel verscheen in het midden van het scherm waar ze rond moesten gaan. Er waren 4 verschillende blokken in het experiment waarbij elke blok 100 trials had. In elk blok was de kans op het verschijnen van een obstakel anders. Ofwel was er 0% kans op het verschijnen van een obstakel (0 trials met een obstakel), 25% kans (25 trials met obstakel), 75% kans (75 trials met obstakel) of 100% kans (100 trials met obstakel). De blokken waarbij er nooit een obstakel of altijd een obstakel verscheen waren toegevoegd aan het experiment als controle om te kijken of mensen in die blokken ofwel altijd in een rechte lijn (0% blok) van het ene naar het andere vierkant gingen ofwel altijd in een boog (100% blok).

Om te weten te komen of de deelnemers een offline motorplan genereerden, keken we naar de trials die volgde op een trial waarbij er een obstakel was (zie afbeelding boven). Als mensen een offline motorplan genereren, zouden ze na een trial met een obstakel al beginnen met het maken van een bocht (zelfs vooraleer ze zien of er een obstakel aanwezig is of niet). Als er dan geen obstakel blijkt te zijn, moeten mensen online aanpassingen maken aan hun motorplan om met een rechtere lijn naar het bovenste vierkantje te gaan. In de 75% blok zou hun bocht rond het obstakel groter moeten zijn dan in de 25% blok omdat ze in de 75% blok vaker een obstakel kunnen verwachten.

Over het algemeen vonden we dat mensen in de 75% blok een grotere bocht maakte dan in de 25% conditie. Wat betekent dat mensen een offline motorplan maken. Hierbij was er geen verschil tussen mensen met autisme en zonder. Mensen met autisme zijn dus in staat om een offline motorplan te genereren. Over het algemeen waren mensen met autisme wel trager dan mensen zonder autisme om van het ene vierkantje naar het andere te gaan. Als we onze resultaten enkel zouden baseren op reactietijden zouden we wel verschillen vinden tussen mensen met en zonder autisme op hoe goed ze zijn in het maken van offline motorplannen.

Tot slot
Mensen met autisme zijn dus wel in staat om offline motorplannen te maken. Het kan wel zijn dat ze meer moeite hebben met het online aanpassen van die motorplannen. Verder onderzoek moet dit uitwijzen.

Auteurs
Hannah De Laet ontving de “best internship award” tijdens haar studie theoretische en experimentele psychologie aan UGent voor het werk dat ze deed tijdens haar stage in King’s College London en werkt op dit moment aan de VUB als wetenschappelijk medewerker. Dr. Tegan Penton deed haar doctoraat aan King’s College London en werkt momenteel als post doctoraal onderzoeker aan Goldsmiths University of London. Dr. Caroline Catmur is hoofddocent aan King’s College London en Prof. dr. Geoff Bird is verbonden aan Oxford University.

Bronnen
Cook, J. L., Blakemore, S., & Press, C. (2013). Atypical basic movement kinematics in autism spectrum conditions. Brain, 136, 2816–2824. https://doi.org/10.1093/brain/awt208


Glazebrook, C. M., Elliott, D., & Szatmari, P. (2008). How do Individuals with Autism Plan Their Movements ? Journal Autism Developmental Disorders, 38, 114–126. https://doi.org/10.1007/s10803-007-0369-1

Gowen, E., & Hamilton, A. (2013). Motor Abilities in Autism : A Review Using a Computational Context. Journal Autism Developmental Disorders, 43, 323–344. https://doi.org/10.1007/s10803-012-1574-0


Jax, S. A., & Rosenbaum, D. A. (2007). Hand Path Priming in Manual Obstacle Avoidance : Evidence That the Dorsal Stream Does Not Only Control Visually Guided Actions in Real Time. Journal of Experimental Psychology, 33(2), 425–441. https://doi.org/10.1037/0096-1523.33.2.425

Nazarali, N., Glazebrook, C. M., & Eliott, D. (2009). Movement Planning and Reprogramming in Individuals With Autism. Journal Autism Developmental Disorders, 39, 1401–1411. https://doi.org/10.1007/s10803-009-0756-x

 

Het welzijn van de studenten versus de werkende mens: elkaar beter begrijpen

Er zijn de afgelopen tijd schrijnende noodkreten verschenen vanuit studenten die aangeven dat de coronacrisis enorm zwaar weegt op psychisch vlak. Dit vernemen we ook dagelijks binnen de praktijk van de klinische psychologie en als studentenpsychologen. De motivatie tot studeren is weg, men is uitgeput van de vele e-mails en het gebrek aan perspectief. Het is duidelijk dat de studentenpopulatie het enorm zwaar heeft. Dit blijkt onder meer uit de noodkreten in de brieven en de toenemende vraag voor zorg vanuit de studentenpsychologen en de reguliere geestelijke gezondheid.

Vaak zien we dan dat oudere generaties dit gemakkelijk relativeren: “vergelijk dat eens met de ouderen die de oorlog hebben meegemaakt”; “de jeugd van tegenwoordig kan precies niets meer af”; “vergelijk je situatie eens met iemand wiens zaak failliet gaat of de ouderen in de woonzorgcentra”. Het is blijkbaar moeilijk om elkaars moeilijkheden te begrijpen in de huidige stressvolle omstandigheden. Toch zou wat wederzijds begrip nochtans wel helpend zijn om elkaar tot steun te zijn in deze lastige tijden.

Vanwaar deze moeilijkheden om elkaars perspectief te begrijpen? We denken dat de sleutel ligt bij de verschillende leefwerelden en doelstellingen die hierbij centraal staan. Dit zetten we hieronder kort uiteen.

Individuele doelen zijn cruciaal bij ons functioneren. Het geeft ons bestaan betekenis, een reden om ’s ochtends op te staan en positieve emoties en motivatie ontstaan vaak bij het toewerken naar relevante doelen. Hoe zit dit bij de huidige studentenpopulatie? Hun doelen hebben vaak te maken met hun studie, vaak gecombineerd met allerhande leeftijdsspecifieke ontwikkelingstaken zoals uitgaan, vrienden maken, experimenteren met romantische relaties en in brede zin op eigen benen staan. De afgelopen maanden zijn velen platgebombardeerd met nieuwe online lesvormen en goedbedoelde e-mails waarbij de bijna volledige online interacties en e-mail stroom hebben geleid tot een enorme e-moeheid waardoor studenten wat zijn gaan afhaken bij het volgen van lessen en studies. Ze geven dan aan dat de studie teveel is en ervaren een sterk gevoel van incompetentie. Het gevolg: het studiedoel is sterk gereduceerd of verwatert tot “operatie kansloos”. Combineer dit met het gegeven dat het geheel van de andere persoonlijke doelen op vlak van psychosociale ontwikkeling veel beperkter of onmogelijk geworden zijn. Dan wordt het duidelijk dat studenten gemakkelijk kunnen afglijden in een patroon van passiviteit, kortstondige afleiding zoeken en de moed verliezen.

Vergelijk dit nu met het merendeel van de werkende, oudere populatie. Dit is de generatie die vaak al veel heeft opgebouwd en die door de crisis heel wat bedreigingen op zich af ziet komen op financieel en familiaal vlak. Ook voor deze populatie is de coronacrisis moeilijk waarbij men vaak moet omgaan met plotse verandering op werk, thuisonderwijs van kinderen, andere vormen van ouders ondersteunen, etc. Het essentiële verschil ligt erin dat deze populatie vaak allerlei mogelijkheden heeft om stevig aan de slag te gaan om de zaak te redden, de kinderen te blijven motiveren om te studeren en de impact van de crisis te minimaliseren. Het grote verschil bestaat erin dat de oudere populatie meer mogelijkheden hebben om actief aan de slag te gaan waardoor zij niet of minder terecht komen in het doe- en doel vacuüm van de studenten. Bij de studentenpopulatie kan de beperkte aanwezigheid van doelen en mogelijkheden een scherp gevoel van falen, piekeren, mislukking, apathie en hopeloosheid teweegbrengen, wat heel wat ingrediënten bevat voor depressieve klachten. De oudere populatie zal zich ook uitgeput voelen door de inzet om de crisis het hoofd te bieden en zal ook het gemis van sociale contacten voelen in de crisis maar ervaart minder het pijnlijk gevoel van persoonlijk falen en leegte.

Hoe zijn deze inzichten helpend? We hopen hiermee een beeld te geven waarom de crisis voor de verschillende generaties erg verschillend kan aanvoelen. Hierbij dienen we voorzichtig om te springen met het beoordelen van andere generaties: zou het niet zijn dat het nu al lastig genoeg is? Deze periode vraagt van elk van ons veel en juist nu dienen we elkaars schouder te zijn en elkaar vooruit te helpen. De verbinding opzoeken en elkaar oprapen wanneer de ander gevallen is, lijkt ons alleszins geen onverstandige doelstelling in de komende periode.

Verder dienen we goed na te denken over hoe we meer perspectief kunnen bieden aan de studenten. Na een moeilijk eerste semester en een lastige examenperiode is de noodzaak aan meer perspectief voor het tweede semester cruciaal.

Auteurs

Ernst Koster (hoogleraar klinische psychologie) en
Sarah Vermeersch (studentenpsycholoog) van de Universiteit Gent.

 

Het premenstrueel syndroom: een ongekende problematiek

Zegt de afkorting PMS je helemaal niets? Wel dan ben je niet alleen. PMS, dat staat voor premenstrueel syndroom, is wereldwijd een zeer ongekende problematiek.

Het Ghep lab van de Universiteit Gent voert daarom een grootschalig onderzoek uit naar hoe stress en emoties beïnvloed worden door de menstruatiecyclus, zowel bij mensen met als zonder PMS.

Het premenstrueel syndroom (PMS)

PMS is een combinatie van zowel fysieke als psychische en gedragsmatige symptomen die één tot twee weken voor de menstruatie beginnen, vervolgens dalen in intensiteit en miniem tot niet meer aanwezig zijn na de menstruatie. De meest voorkomende klachten bij PMS zijn pijnlijke borsten, een opgeblazen gevoel, wisselende stemmingen, gespannen zijn en depressieve gevoelens. De gevolgen hiervan voor het dagelijkse leven kunnen ernstig zijn. Zo zijn vrouwen met PMS vaker afwezig op het werk en hebben ze gemiddeld hogere medische kosten. Ook zou hun levenskwaliteit met betrekking tot gezondheid significant lager zijn. Omtrent prevalentiecijfers van deze aandoening is er weinig consistentie.

Sommige studies vinden een vrij lage prevalentie, terwijl andere studies percentages boven de 50% vermelden. De inconsistente prevalentiecijfers voor PMS zijn te wijten aan de afwezigheid van een eenduidige definitie. De meest ernstige vorm van PMS, ook wel premenstrueel dysfore stoornis of PMDD genoemd, werd wel reeds opgenomen in het officiële diagnostische handboek voor de psychiatrie. Zo’n 3 tot 8% van de vrouwen heeft te kampen met PMDD.

Oorzaak en diagnose

Over de etiologie van deze premenstruele problematieken, weten we nog niet veel. Hoogstwaarschijnlijk liggen veranderingen in hormonen aan de basis. Hoe dit echter exact gebeurt en op welke tijdstippen in de cyclus dit zich vertaalt naar welbepaalde klachten, is onduidelijk. Wat vooral belangrijk is bij de diagnose van PMS, is de timing van de symptomen. Zoals hierboven reeds werd aangegeven, is het cruciaal dat de symptomen miniem tot niet meer aanwezig zijn na de menstruatie. Vaak wordt aan vrouwen gevraagd om gedurende enkele maanden een dagboek bij te houden van hun klachten. Op basis van hoe deze klachten samenhangen met de menstruatiecyclus, kijkt men dan of er sprake is van PMS of niet. De diagnose gebeurt dus niet op basis van hormoononderzoek.

Behandeling

Er bestaan verschillende manieren om PMS te behandelen. Voorbeelden hiervan zijn het nemen van vitamines, supplementen of anticonceptie. Het probleem is dat er weinig onderzoek is naar de effectiviteit van deze behandelingen. Zoals een recente review van de verschillende behandelingen aanhaalde, is er nood aan grotere, placebo-gecontroleerde en gestandaardiseerde studies omtrent PMS. Aan de hand hiervan kunnen dan weer nieuwe geneesmiddelen en behandelingen ontwikkeld worden om de klachten van vrouwen die aan premenstruele problematieken lijden te verhelpen.

Nieuwe studie aan de UGent

Het Ghep lab van de Universiteit Gent vond het tijd voor een nieuwe studie om de hiaten in de literatuur op te vullen. De onderzoekers willen bestuderen hoe emoties en stress beïnvloed worden door de menstruatiecyclus, en dit bij zowel mensen met als zonder PMS. Dit doen ze op grote schaal en met behulp van de nieuwste technieken. Participanten krijgen foto’s te zien van serieuze, enge of leuke zaken. Op hetzelfde moment wordt er een gezichtsopname gemaakt via de webcam van hun computer. Daarna bekijken niet de onderzoekers, maar specifieke algoritmes de beelden. Deze algoritmes zijn erop getraind om emotioneel relevante informatie uit de gezichtsspieren te halen, zelfs al is die informatie onzichtbaar voor het blote oog. Al meer dan 300 vrouwen hebben deelgenomen aan deze studie. Helaas is dat nog niet genoeg om
sluitende conclusies te trekken en de impact van PMS goed te begrijpen. Ben je benieuwd of wil je graag meehelpen met dit wetenschappelijk onderzoek? Check dan snel de website!

Referenties

  • Acikgoz, A., Dayi, A., & Binbay, T. (2017). Prevalence of premenstrual syndrome and its relationship to depressive symptoms in first-year university students. Saudi Medical Journal, 38(11), 1125–1131.
  • DOI: 10.15537/smj.2017.11.20526
  • Freeman, E. W. (2003). Premenstrual syndrome and premenstrual dysphoric disorder: definitions and diagnosis. Psychoneuroendocrinology, 28 Suppl 3, 25–37. DOI: 10.1016/s0306-4530(03)00099-4
  • Hofmeister, S., & Bodden, S. (2016). Premenstrual Syndrome and Premenstrual Dysphoric Disorder. American Family Physician, 94(3), 236–240. PMID: 27479626.
  • Maharaj, S., & Trevino, K. (2015). A Comprehensive Review of Treatment Options for Premenstrual Syndrome and Premenstrual Dysphoric Disorder. Journal of psychiatric practice, 21(5), 334–350. DOI: 10.1097/PRA.0000000000000099
  • Mishell D. R., Jr (2005). Premenstrual disorders: epidemiology and disease burden. The American journal of managed care, 11(16 Suppl), S473–S479. PMID: 16336056.
  • Tenkir, A., Fisseha, N., & Ayele, B. (2003). Premenstrual syndrom: Prevalence and effect on academic and social performances of students in Jimma University, Ethiopia. Ethiopian Journal of Health Development, 17(3), 181–188. DOI: 10.4314/ejhd.v17i3.9838
  • Zondag-Coulier, S., Eekhof, J. & Knuistingh Neven, A. (2002). Premenstrueel syndroomanticonceptie depressie pms . HUWE 45, 184–186. DOI: 10.1007/BF03082829