Browse Tag: stress

What are you looking at? Je ogen verraden je kaarten bij gokken.

De gokindustrie is de dag van vandaag niet meer weg te denken uit onze leefwereld. We kennen allemaal het legendarische gokparadijs in Las Vegas, we worden online en op tv rond de oren geslagen met advertenties voor goksites, en wie speelt er nu niet eens graag een potje poker met vrienden. Er zijn daarnaast ook prestigieuze toernooien, die qua glimmer en glamour soms niet moeten onderdoen voor de gemiddelde film award uitreiking. Onze nationale modestylist Jani Kazaltzis poogde zelfs onlangs nog (tevergeefs) zo’n toernooi op zijn naam te schrijven.

Psychologisch onderzoek naar gokken besteedde tot nu toe meestal aandacht aan de pathologisch kant van deze zaak (gokverslaving), maar er is nu ook een wetenschappelijke studie die het gedrag van gokkers tijdens het spelen bestudeerde.

Continue Reading

 

Littekens op de ziel: Een breder perspectief op trauma

Het taboe dat lange tijd rustte op psychisch trauma is gedurende de afgelopen drie decennia gesmolten als sneeuw voor de zon. Hoewel het nu de meest evidente zaak ter wereld lijkt, is men slechts zeer moeizaam tot het besef gekomen dat verschrikkelijke gebeurtenissen littekens achterlaten op de ziel, en kunnen leiden tot ernstige en persisterende psychische problemen. Een belangrijke factor in de erkenning van deze realiteit was de inclusie van de Post-Traumatische Stress Stoornis (PTSS) in de derde editie van het toonaangevende psychiatrische handboek DSM in 1980. Het PTSS-model van trauma benadrukte voor het eerst dat de externe gebeurtenis, en dus niet een vooraf bestaande persoonlijke factor, de primaire oorzaak is van traumatische pathologie (1). Daardoor werden de mensen die zich met dergelijke klachten aanmelden niet langer bekeken met de achterdocht en verdachtmaking die voorheen zo kenmerkend was bij de behandeling van deze fenomenen (2). De komst van PTSS heeft bovendien een belangrijke stimulans gegeven aan het wetenschappelijke onderzoek rond trauma.

Er slechter aan toe na psychologische hulp?

De diagnose van PTSS biedt clinici concrete handvatten om hulp te bieden in contexten van trauma. Sinds halfweg de jaren 1980 is ook de humanitaire hulpverlening meer en meer gericht op de psychische gevolgen van rampen en gewelddadige conflicten (3). Het verbaast niemand meer dat bij dergelijke humanitaire crisissen naast artsen en verplegers ook psychologen en sociaal werkers worden overgevlogen om daar, ter plaatse, een soort “psychologische eerste hulp” te bieden. In de confrontatie met dit werk is men echter op de beperkingen gebotst van een visie op trauma die uitsluitend uitgaat van een medisch-psychiatrische bril. Mensen die interventies kregen aangeboden zoals debriefing, waarbij men de slachtoffers zo snel mogelijk laat spreken over de schokkende gebeurtenis, waren er tegen de verwachtingen in soms slechter aan toe dan de mensen die geen hulp hadden gekregen (4). Ook het wetenschappelijke onderzoek rond PTSS heeft een aantal bevindingen geproduceerd die, ironisch genoeg, de basisassumpties van dit model ondergraven (5).

Dat brengt ons in een lastig parket: wat we weten over trauma voelt als heel intuïtief en vanzelfsprekend aan, maar wordt niet steeds bevestigd in empirisch onderzoek of in de klinische praktijk. Dergelijke paradoxale bevindingen maken het noodzakelijk dat traumaonderzoekers hun eigen onuitgesproken veronderstellingen expliciteren, en hun modellen aanpassen om deze bevreemde bevindingen een plaats te geven. Dat raakt dikwijls een gevoelige snaar: veel hulpverleners en traumaslachtoffers vrezen dat een discussie over de validiteit van de PTSS-diagnose ons terug kan leiden naar de valkuilen van het verleden (stigmatisering, beschuldiging en verwerping van de traumapatiënt).

Trauma komt veel vaker voor dan we denken

In het huidige PTSS-model van trauma zitten een aantal foute assumpties. Zo blijkt de centrale veronderstelling rond het ontstaansmechanisme van traumatische pathologie niet te stroken met de observaties uit grootschalige studies. Men ging er bijvoorbeeld van uit dat traumatische gebeurtenissen zeer uitzonderlijk waren, terwijl achteraf bleek dat ruim 90% van de populatie vroeg of laat zo’n gebeurtenis meemaakt, zelfs in een westerse context. Ook ging men er van uit dat de blootstelling aan zo’n gebeurtenis op onmiddellijke of quasi-automatische wijze zou lijden tot traumatische pathologie, maar men observeerde dat slechts een minderheid van de blootgestelde mensen daadwerkelijk langdurige problemen ontwikkelde (6). Op de één of andere manier moeten persoonlijke factoren dus een rol spelen, aangezien niet iedereen een trauma ontwikkelde na soortgelijke ervaringen. Een hele resem aan beschermende en risicofactoren werden geïdentificeerd, maar men botste vooral op het onvermogen om te voorspellen wie op welk soort gebeurtenis een trauma zou ontwikkelen (7).

Teveel aandacht voor het individu

Een ander punt van kritiek is dat het huidige biomedische model van trauma de problemen van mensen decontextualiseert en individualiseert. Vanuit een medisch-psychiatrische aanpak ligt het voor de hand om er van uit te gaan dat de gevolgen van een verschrikkelijke gebeurtenis zich in het hoofd en het lichaam van het getroffen individu inschrijven. Om deze te behandelen, moeten we ons dan ook richten op dat individu. Dergelijke strategieën zouden evenwel niet adequaat zijn om collectieve trauma’s het hoofd te bieden (zoals in de context van natuurrampen, burgeroorlog, genocide, etc.) (8). Aansluitend slaagt men er moeilijk in om de rol van de sociale, politieke of economische context in rekening te brengen, zowel voor wat betreft het ontstaan als het herstel van trauma. Sommige critici beweren dat, in de nasleep van collectief trauma, de nadruk op het psychisch welbevinden van het individu meer collectieve vormen van actie in de weg staat. Men vreest met andere woorden dat de nadruk op een individualistisch traumamodel leidt tot een verwaarlozing van meer politiek gerichte acties, zoals pogingen om de sociopolitieke of economische contexten van waaruit trauma ontstaat te wijzigen (9).

Kort samengevat: de biomedische aanpak van trauma opent enkele concrete sporen om mensen te helpen, maar gaat tegelijk voorbij aan belangrijke andere dimensies van dit complexe probleem. Zo is er een grote noodzaak om uit te werken hoe we subjectieve en contextuele dimensies kunnen verrekenen in klinische interventies. Om dit te bereiken, is conceptueel of theoretisch onderzoek noodzakelijk. Het vormt immers de basis van waaruit men meer concrete acties op het terrein kan vormgeven.

Vanuit dergelijk onderzoek wint het idee aan kracht dat herstel van (collectieve) trauma’s ook sociopolitieke veranderingen vraagt. Een voorbeeld kan dit beter tastbaar maken: in Ecuador werd de bevolking door de eigen overheid gedurende decennia geterroriseerd. Onschuldige burgers verdwenen plots, werden beroofd van hun vrijheid en gemarteld, of zelfs geëxecuteerd zonder proces. Al deze wandaden werden systematisch ontkend en zorgvuldig verborgen gehouden door de regering. Hoewel de toestand sterk verbeterd is met de verkiezing van Rafael Correa Delgado in 2007, heerst er nog steeds een klimaat van angst en stilzwijgen. Dit staat een herstel van de ondergane trauma’s in de weg (10). Onderzoek toont aan dat processen op een collectief niveau (de graduele erkenning van het door de staat georganiseerde geweld en de begane misdaden; de politieke hervormingen die worden doorgevoerd om hier paal en perk aan te stellen; het aansprakelijk houden en bestraffen van hooggeplaatste betrokkenen) samengaan met verbeteringen in het psychisch welzijn van de slachtoffers en hun herstelproces bevorderen. Het is met andere woorden mede doorheen wijzigingen in de sociopolitieke context dat men in het reine kan komen met een traumatisch verleden. Dit is slechts één van de vele, soms complexe manieren waarop individueel herstel en sociale processen intrinsiek met elkaar verweven zijn.

Auteur

Gregory Bistoen is klinisch psycholoog en onderzoeker aan de Universiteit Gent. In zijn werk vertrekt hij vanuit een aantal problemen met de klassieke, psychiatrische benadering van trauma. Hij tracht hierop een alternatief perspectief te bieden aan de hand van uiteenlopende bronnen uit de filosofie, de psychoanalyse en de politieke theorie. Daarnaast werkt hij tevens als klinisch psycholoog in een privépraktijk.

Lees meer in de publicatie van deze auteur die eind februari verschijnt bij Palgrave Macmillan “Trauma, Ethics and the Political beyond PTSD: The Dislocations of the Real”.

Referenties

  1. McFarlane, A., & de Girolamo, G. (2007). ‘The Nature of Traumatic Stressors and the Epidemiology of Posttraumatic Reactions’ in B. van der Kolk, A. McFarlane, & L. Weisaeth (eds) Traumatic Stress: The Effects of Overwhelming Experience on Mnd, Body and Society (New York: The Guilford Press), 129-154.
  2. Young, A. (1995). The Harmony of Illusions: Inventing Post-Traumatic Stress Disorder (Princeton: Princeton University Press).
  3. Pupavac, V. (2004). ‘Psychosocial Interventions and the demoralization of humanitarianism’, Journal of Biosocial Science, 36(4), 491-504.
  4. Rose, S., Bisson, J., Churchill, R., & Wessely, S. (2002). ‘Psychological Debriefing for Preventing Post Traumatic Stress Disorder (PTSD)’, Cochrane Database of Systematic Reviews, 2. Art. No.: CD000560.
  5. Rosen, G. M., & Lilienfeld, S. O. (2008). ‘Posttraumatic Stress Disorder: An Empirical Evaluation of Core Assumptions’, Clinical Psychology Review, 28, 837-68.
  6. Kilpatrick, D. G., Resnick, H. S., Freedy, J. R., Pelcovitz, D., Resick, P. A., Roth, S., & et al. (1998). ‘The Posttraumatic Stress Disorder Field Trial: Evaluation of the PTSD construct – Criteria A through E’ in T. A. Widiger, A. J. Frances, H. A. Pincus, R. Ross, M. First, R. Ross, M. Kline (eds) DSM-IV sourcebook, vol.4 (Washington, D.C.: American Psychiatric Press), pp. 803-44.
  7. Ozer, E. J., Best, S. R., Lipsey, T. L., & Weiss, D. S. (2003). ‘Predictors of Posttraumatic Stress Disorder and Symptoms in Adults: A Meta-Analysis’, Psychological Bulletin, 129, 54-73.
  8. Bracken, P. J. (2002). Trauma, Culture, Meaning and Philosophy (London & Philadelphia: Whurr Publishers).
  9. Craps, S. (2010). ‘Wor(l)ds of Grief: Traumatic Memory and Literary Witnessing in Cross-Cultural Perspective’, Textual Practice, 24(1), 51-68.
  10. Donoso G. (Forthcoming 2017). “Survival Stories of Political Trauma. The Subjective Implications of Social Recognition in Ecuador” in Adlam J. et al, Jessica Kingsley Publishers (JKP) Eds, Violent States: Individual to International Creative States: Overcoming Violence.
 

Leiders hebben meer stress, toch?

Je hoort het soms: hoe hoger men zich bevindt in de organisatiehiërarchie, hoe meer stress men ervaart. Maar is dat ook zo? In deze blogpost bespreken we onderzoek dat aantoont dat dit niet zo is: leiderschap blijkt immers geassocieerd met lagere, in plaats van hogere, stressniveaus.

Leiders: hogere vereisten, maar ook meer controle

Je zou twee perspectieven kunnen innemen om de relatie tussen leiderschap en stress te begrijpen. Langs de ene kant worden de jobvereisten vaak hoger wanneer men klimt in de hiërarchie. Men krijgt meer verantwoordelijkheid, ervaart hogere tijdsdruk, moet meer uren werken, enz. Langs de andere kant ervaren leidinggevenden ook meer controle. Ze kunnen zelf bepalen waaraan gewerkt wordt, wie wat doet, hoe ze bepaalde projecten aanpakken, enz. Deze controle kan een belangrijke buffer vormen tegen stress.

2 studies nemen stress onder de loep

De deelnemers aan dit onderzoek waren werknemers die een opleiding volgden aan Harvard. Ze kwamen uit de publieke sector (overheidspersoneel en militairen). Om na te gaan of men een leidinggevende positie had, moesten deelnemers aangeven of ze al dan niet verantwoordelijk waren voor het managen van andere medewerkers.

In de eerste studie werden bij leidinggevenden, in vergelijking met niet-leidinggevenden, lagere cortisolniveaus (stresshormoon) en lagere angstniveaus gemeten. In de tweede studie werd ook gekeken naar het hiërarchisch niveau (de rang) van de leidinggevenden. In deze studie bleek dat leidinggevenden in een hogere posities lagere cortisol- en angstniveaus vertoonden dan leidinggevenden in lagere posities. Deze relatie werd bovendien significant verklaard door verschillen in het gevoel van controle: leidinggevenden in hogere posities ervoeren een groter gevoel van controle en dit verklaarde hun lagere stressniveau.

Conclusie: leiders en stress

In tegenstelling tot wat velen denken, is leiderschap geassocieerd met lagere stressniveaus. dit verschil blijkt te verklaren door een groter gevoel van controle.

Referentie

  • Sherman, G. D., Lee, J. J., Cuddy, A. J. C., Renshon, J., Oveis, C., Gross, J. J., & Lerner, J. S. (2012). Leadership is associated with lower levels of stress, Proceedings of the National Academy of Sciences, 109 (44), p. 17903–17907.

Meer lezen?

Auteur

Michiel Crommelinck behaalde zijn doctoraat in de bedrijfspsychologie aan de UGent, is mede-oprichter van de Gentse Alumni Psychologie en initiatiefnemer van Mensenkennis.be, en werkt als Innovation Partner bij HR-dienstverlener Securex.

 

Hoe meer seks, hoe gelukkiger?

Wat we al wisten: er bestaat een positieve correlatie tussen de frequentie waarmee je seks hebt en je geluksgevoel. Hoe meer seks, hoe contenter, voor beide geslachten en over verschillende culturen heen. Wat we nog niet wisten: hoe zit dat verband precies in elkaar? Want hoewel sommigen misschien denken in dit wetenschappelijke feit hét argument te hebben gevonden dat ze zochten, wil dit niet noodzakelijk zeggen dat een verhoging van de seksfrequentie ook meer geluk in de hand werkt. Daarvoor zou je eigenlijk koppels moeten verzamelen, onderzoeken hoeveel keer ze nu seks hebben en hoe gelukkig ze zijn, hen dan verplichten meer seks te hebben en na een tijdje opnieuw hun geluk te meten. Pas als men dan ook echt gelukkiger is, kan je (met relatieve zekerheid) zeggen dat het komt omdat hun seksfrequentie werd verhoogd. En dat is precies hoe dit onderzoek is aangepakt.

For science!

Enkele koppels die zo altruïstisch waren hun seksleven ten dienste van de wetenschap te stellen, werden verzameld en in 2 groepen verdeeld: een controlegroep (bestaande uit 28 koppels) en een groep die gevraagd werd dubbel zoveel seks als normaal te hebben, hoe laag of hoog die frequentie ook lag (35 koppels, die allen minstens 1 keer per maand maar maximum 3 keer per week seks hadden voorafgaand aan het experiment). De controlegroep kreeg geen specifieke instructies en deden dus gewoon verder zoals ze bezig waren. Dit experiment duurde 90 dagen, en alle participanten werd gevraagd om elke ochtend een korte online survey in te vullen. De resultaten spraken de verwachtingen volledig tegen: de experimentele groep werd minder gelukkig naarmate het experiment vorderde.

Not quantity but quality?

Wat weten we nu meer? Wanneer je koppels oplegt om dubbel zoveel seks te hebben als normaal, worden ze daar niet gelukkiger van, zelfs integendeel. Wil dat zeggen dat er dus geen causaal verband is? Niet noodzakelijk. De opgelegde verdubbeling zorgde er namelijk voor dat de kwaliteit van de seks afnam, en men ook niet meer verlangde naar seks. Ook in voorgaand onderzoek leek kwaliteit van de seks vaak verweven met het geluksgevoel. Wie weet is die kwaliteit dus wel de ongekende causale schakel: als twee mensen goede seks hebben, zijn ze geneigd meer seks te hebben en worden ze daar gelukkiger van. We kunnen dit nu niet met zekerheid zeggen, maar het is een plausibele verklaring. Je zou dit experiment opnieuw moeten opzetten, maar in plaats van seksfrequentie, sekskwaliteit moeten kunnen verdubbelen. Meteen een pak moeilijker om te bereiken (wat Goedele Liekens er ook van mag zeggen) en zeker ook moeilijker om objectief vast te stellen: wanneer is seks significant verbeterd (voor beide partners)?

Andere verklaringen

Ook kunnen we ervanuit gaan dat koppels toegroeien naar een seksfrequentie waar ze samen zo gelukkig mogelijk van worden. Elke manipulatie van die ‘optimale frequentie’, maakt hen dus per definitie minder gelukkig. Daarbovenop is het vaak het geval dat de seksfrequentie afneemt wanneer koppels langer samenzijn en een hogere seksfrequentie dus ook vaker gepaard gaat met de gelukzalige gevoelens die een prille verliefdheid met zich meebrengt. Puur de seksfrequentie verhogen zou dan ook geen invloed hebben op het geluksgevoel, omdat het precies die verliefdheid is die daarvoor zorgt. Ook die valt (helaas) moeilijk te beïnvloeden. Uit het onderzoek kwam trouwens ook naar voor dat koppels die in de experimentele conditie zaten de volledige 3 maanden slechter gezind waren dan de controlegroep. Getrouwd zijn was hier een buffer voor, maar opnieuw: zijn zij die getrouwd zijn langer beter gezind, of zijn mensen die lang goed gezind blijven vaker getrouwd?

Conclusie

De vaststelling dat mensen die vaker seks hebben, meestal ook gelukkiger zijn, is correct. Dit wil niet zeggen dat mensen meer seks doen hebben, hen gelukkiger zal maken. Investeren in elkaar en de vlinders zoveel mogelijk in tact houden heeft waarschijnlijk meer effect op je geluksniveau – en op je seksleven. Dat, of aan de juiste studies deelnemen.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als research consultant bij Profacts. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

Referentie

  • Loewenstein, G., Krishnamurti, T., Kopsic, J. & McDonald, D (2015). Does increased sexual frequency enhance happiness? Journal of Economic Behavior & Organization, 206-218.
  • Blanchflower, D., sward, A. (2004). Money, sex and happiness: an empirical study.
 

Morgen solliciteren. Help, ik lijd aan extreme testangst.

Het is jou wellicht ook al overkomen. Sollicitatiestress. Je voelt de spanning, je slaapt niet goed die nacht, je piekert en je zweet wat meer dan anders. Volkomen normaal. Voor sommigen is solliciteren en getest worden echter een ware nachtmerrie. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen met extreme testangst niet evenveel kansen zouden hebben om hun vaardigheden te tonen, wat kan leiden tot inaccurate voorspellingen. Maar ook voor organisaties die een testangstige sollicitant (ten onrechte) afwijzen, kan het uitmonden in een nachtmerrie…

Angstgevoelens versus angstgedachten

Testangst manifesteert zich als een combinatie van fysiologische, gedragsmatige, en cognitieve reacties die ontstaan in testsituaties. Het is een subjectieve emotionele en cognitieve toestand voor of tijdens een evaluatie-moment (bv. een examen doen, het afleggen van een IQ-test, een sollicitatie, …), waarbij iemand hevige angst ervaart voor de test zelf, voor het falen en voor de eventuele negatieve gevolgen van het falen. Onderzoek heeft  uitgewezen dat testangst zowel een affectieve als een cognitieve component heeft.

De affectieve, emotionele, fysiologische component (“tension”) heeft te maken met spanningssymptomen, zoals hartkloppingen, zweten (“angstzweet”), duizeligheid, misselijkheid en beven.

De cognitieve component (“worry”) omvat negatieve gedachten over falen (“ik zal het niet kunnen”, “ik ben slecht aan het presteren”). Deze component zou verder bestaan uit zelf-gerefereerde cognities, namelijk vrezen voor het negatief oordeel van zichzelf (“ik zal me dom voelen”), versus ander-gerefereerde cognities (“de anderen zullen me dom vinden”). Vooral deze laatste zouden leiden tot slechtere testprestaties.

Beide componenten zijn natuurlijk sterk aan elkaar gerelateerd en kunnen elkaar ook wederzijds versterken. De negatieve gedachten zorgen ervoor dat men hartkloppingen krijgt en het feit dat men zich bewust is van die hartkloppingen en erover nadenkt, leidt op zijn beurt tot meer spanningssymptomen.

Testangst tijdens een sollicitatieproces: inaccurate voorspellingen

‘Test anxiety’ is al een oud onderzoeksonderwerp. In de jaren  ‘80 en ‘90 was al vaak aangetoond – vooral in een onderwijscontext – dat testangst een negatief effect had op testprestaties. De laatste 10 jaar pas werd testangst ook onderzocht in de context van sollicitaties, ook een setting waar er toch wel veel op het spel staat (‘high-stakes situaties’).

Vroeger ging binnen het domein van selectie de aandacht vooral naar de validiteit van selectie-instrumenten (interviews, cognitieve testen, assessment oefeningen): voorspellen deze instrumenten toekomstige jobprestaties? Gelukkig is er nu ook aandacht naar andere elementen zoals reacties van sollicitanten op die instrumenten (“Vinden sollicitanten het eerlijke en/of jobrelevante instrumenten?”) en mogelijke bias (“Leiden bepaalde instrumenten tot het benadelen van bepaalde groepen sollicitanten?”). Bias kan ertoe leiden dat bepaalde groepen minder goed scoren op een test, terwijl ze wel in de job goed zouden presteren. Veel aandacht ging echter naar bias op basis van demografische factoren zoals geslacht en ras en minder naar bias op basis van psychologische factoren. Ondertussen heeft onderzoek uitgewezen dat mensen met extreme testangst niet evenveel kansen zouden hebben om hun vaardigheden te tonen, wat kan leiden tot inaccurate voorspellingen.

Reden: Testangst zorgt voor cognitieve verstoring

Vanuit het ‘interferentie-perspectief’ stelt men dat zorgelijke gedachten, de preoccupatie om de storende fysiologische reacties de baas te kunnen (bv. proberen om de ademhaling onder controle te krijgen) ertoe leiden dat er geen aandacht meer gegeven kan worden aan de inhoud van de test. Men kan zich helemaal niet meer concentreren. Mensen met extreme testangst kunnen bijvoorbeeld aan niets anders meer denken dan aan het feit dat ze beter moeten nadenken, dat ze moeten stoppen met ‘flippen’, dat ze volledig aan het afgaan zijn, …

Schade voor de organisatie: testangst kan leiden tot negatieve reclame of indienen van een klacht        

De gevolgen voor de sollicitant zijn evident: zeer bekwame maar zeer testangstige sollicitanten worden fout ingeschat en worden ten onrechte afgewezen. Als kers op de taart: bij een volgende sollicitatie kan anticipatie-angst alles nog erger maken. “Ik zal me weer angstig voelen, ik zal weeral ‘flippen’ en falen.”

Maar ook als organisatie kan je hieronder lijden. Niet alleen heb je eventueel een talentvolle kandidaat afgewezen, onderzoek toont ook dat sollicitanten die testangst ervaren vaak het gevoel hebben minder vriendelijk en respectvol behandeld te zijn geweest (‘interpersoonlijke onrechtvaardigheid’), daardoor negatieve percepties ervaren over de organisatie, negatieve reacties uiten over de organisatie tegenover anderen, geen producten meer kopen van die organisatie en/of eerder geneigd zijn een klacht in te dienen wegens onrechtvaardige behandeling.

Testen in thuisomgeving een oplossing?

De laatste jaren is ‘Unproctored Internet Testing’ volop in opmars. Testen (ook cognitieve testen) worden vanop afstand, online, afgenomen, zodat de sollicitant thuis de test kan invullen waar en wanneer hij wil. Niet alleen heeft dit tal van efficiëntievoordelen en leidt het tot een positief imago, ook zou het de angst bij sollicitanten kunnen reduceren. Ze voelen zich thuis meer op hun gemak, meer ‘relax’. Omwille van veiligheidsredenen worden dan echter vaak verificatietesten afgenomen, waarbij sollicitanten nogmaals een deel van de test of een evenwaardige korte versie moeten afleggen in de organisatie zelf. Maar leidt dit niet tot nog meer angst? Niet alleen de angst om beduidend slechter te scoren op de verificatietest , maar ook de angst om gezien te worden als een mogelijke fraudeur (“ze zullen denken dat iemand anders de test thuis heeft ingevuld”).

Dan maar een ‘kalmeerpilleke’ nemen? Hmm, je zal je misschien rustiger voelen, maar tranquilizers leiden tot vermoeidheid, geheugenproblemen, verminderde concentratie, en … ook tot slechtere prestaties.

Ben jij zo iemand die lijdt aan extreme vormen van testangst? Dan ben je waarschijnlijk gebaat bij cognitieve gedragstherapie. Weet ook dat men meestal niet enkel op basis van testen een uitspraak zal doen over je geschiktheid. Uit het interview zal dan wellicht blijken dat je meer in je mars hebt dan dat de testen doen uitschijnen.

Referenties

  • Bonaccio, S., Reeve, C.L., & Winford, E.C. (2012). Test anxiety on cognitive ability test can result in differential predictive validity of academic performance. Personality & Individual differences, 52, 497-502.
  • Proost, K. (2008). Fearing the evaluative context of personnel selection: How bad can it get? Doctoraatsproefschrift.

Auteur

Helga Peeters is doctor in de Psychologie en sinds 2011 als docent en onderzoeker verbonden aan de opleiding Toegepaste Psychologie van Howest. Ze doceert onder andere Rekrutering & Selectie en Arbeids- en Organisatiepsychologie. Haar onderzoeksinteresses situeren zich ook in het domein van Rekrutering & Selectie (innovatieve selectiemethoden, reacties van sollicitanten, …).

Ze behaalde in 2006 haar doctoraat aan de vakgroep Personeelsbeleid, Arbeids- en Organisatiepsychologie van UGent. Haar doctoraatsonderzoek handelde over situationele testen, situationele en gedragsgerichte interviews en de effecten van faking en impression management.

Tussen 2006 en 2011 werkte ze als HR Research Expert bij Securex, waar ze vooral onderzoek deed naar werknemerstevredenheid, -motivatie, leiderschap en personeelsverloop.

 

Seksuele minderheden en stigma: masters of impression management?

Onszelf beter voordoen dan we zijn, we doen het allemaal. Er is geen beter bewaard publiek geheim dat tegelijkertijd zo natuurlijk is aan onszelf. Ettelijke liters inkt vloeiden reeds over de mogelijke nefaste invloeden van gepolijste facebookprofielen die ons een werkelijkheid voorspiegelen die eigenlijk niet bestaat: perfecte levens waar we altijd knap zijn, uitbundig lachen, fancy restaurants bezoeken en de mooiste vakantiekiekjes presenteren.

In de wetenschappelijke literatuur heeft men het over “Impression management” waarvan we de origine reeds in 1959 terugvinden bij de Canadese socioloog Erving Goffman (1959). In zijn boek “The Presentation of Self in Everyday Life” benadrukt hij de rol van zelfpresentatie als een manier van het individu om zichzelf te plaatsen binnen de sociale orde en sociale interacties te faciliteren. In een gesprek met een ander, passen we ons uiterlijk en manieren aan aan de context. De samenleving is immers niet homogeen. We moeten ons adapteren aan verschillende sociale contexten.

Impression management kan in het bijzonder voor gestigmatiseerde groepen een aantal voordelen opleveren. Wanneer je je minderheidskenmerk kan verbergen, levert dat misschien voordelen op in specifieke situaties zoals op een sollicitatiegesprek. Dat is natuurlijk nogal moeilijk als je een Marokkaanse jongen bent of als je een fysieke en zichtbare handicap hebt. Voor holebi’s behoort het verbergen van hun seksuele oriëntatie wel tot de mogelijkheden. Dat heeft zo zijn voor- en nadelen.

Coming out en zichtbaarheidsmanagement

We zijn ondertussen allemaal wel vertrouwd met het concept “coming out”: het kenbaar maken van een homo- of biseksuele oriëntatie aan de buitenwereld.  Het concept heeft echter zijn beperkingen. Ten eerste lijkt het alsof een coming out een éénmalig gegeven is: na de publieke bekentenis is iedereen voor eeuwig en altijd ingelicht over je seksuele oriëntatie. Dat is natuurlijk niet het geval. Telkens wanneer je nieuwe mensen ontmoet of toetreedt tot nieuwe sociale kringen (een nieuwe job, opleiding, op reis,…) moeten holebi’s opnieuw voor zichzelf de keuze maken om al dan niet zichzelf te outen. Daarnaast wordt coming out vaak begrepen als een doelbewuste actie: in een gesprek maakt men duidelijk dat men holebi is. Ook dat is niet altijd het geval. Er zijn immers heel wat impliciete, onbewuste of symbolische manieren om jezelf als holebi kenbaar te maken. Denk maar aan het dragen van het (destijds in Antwerpen veel besproken) regenboog T-shirt achter het loket. Ook het stellen van gender-nonconform gedrag (zich als jongen “verwijfd” of als meisje erg mannelijk gedragen) kan een manier zijn om zichzelf kenbaar te maken. Het wordt in ieder geval ook door anderen zo herkend: verwijfde jongens worden vaak gepercipieerd als homo, mannelijke vrouwen als lesbienne. Een homotiener getuigt in een diepte-interview: “Bij mij valt dat nogal hard op hé (lacht). Bijvoorbeeld hier, mijn handtas. Die is wel voor mannen, maar toch. (lacht). Dat is wel gemakkelijk dat ’t opvalt. Dan moet ik het niet zeggen hé, dan weten ze ’t ineens.”  Het cliché is hier dan ook geen verwijt maar net een dankbaar instrument.

Om aan de beperkingen van het concept “coming out” tegemoet te komen, gebruiken we vandaag eerder het concept zichtbaarheidsmanagement: het continue proces waarbij holebi’s zorgvuldige beslissingen maken over het al dan niet zichtbaar maken van hun seksuele oriëntatie in een verscheidenheid van sociale situaties. Omgaan met deze openheid kan dan samengaan met het (minder) ervaren van mentale stress voortvloeiend uit het ervaren van stigma. Holebi’s doen het immers niet zo goed op vlak van mentaal welbevinden en dat geldt in het bijzonder voor holebi-jongeren: ze scoren hoog op het ervaren van depressieve gevoelens en worstelen vaker dan heterojongeren met zelfmoordgedachten. Daarbij zijn ze ook vaak geneigd om zelf negatief te denken over homo- en biseksualiteit (i.e. geïnternaliseerde homonegativiteit): ze schamen zich erover of zien vooral de negatieve kanten ervan in. Sinds de start van de moderne holebi-emancipatiebeweging aan het eind van vorige eeuw, is coming out altijd gedefinieerd als een belangrijke mijlpaal in het leven van holebi’s. Hoe meer open, hoe meer met zichzelf in het reine en hoe gelukkiger. Maar is dat ook zo? Meer open zijn kan immers ook leiden tot meer ervaringen van discriminatie en vooroordelen. Wat zijn de voor- en nadelen die samengaan met openheid? Dat hebben we onderzocht.

Meer discriminatie, minder openheid, meer stress

2378 holebi’s vulden een uitgebreide vragenlijst in. We gingen daarbij in het bijzonder na of er een verband was tussen zichtbaarheidsmanagement (al dan niet open zijn in een diversiteit aan situaties) en het ervaren van mentale stress. Dit bleek in sterke mate het geval: minder openheid ging samen met meer geïnternaliseerde homonegativiteit. Meer discriminatie ervaren ging samen met minder openheid. Dat laatste ging dan weer samen met meer mentale stress. Deze relaties vonden we zowel bij homo- en biseksuele mannen als bij lesbische en biseksuele vrouwen terug. Lesbische en biseksuele vrouwen rapporteerden wel meer dan mannen reacties op gender-nonconform gedrag (i.e. dat ze zich te mannelijk gedragen) en hadden ook meer mentale stress.

De manier waarop holebi’s zichzelf presenteren aan de buitenwereld doet er dus wel degelijk toe. Het kan zelfs een manier zijn om met minderheidsstress om te gaan: discriminatie vermijden door jezelf onzichtbaar te maken maar daarvoor wel een hoge tol betalen: het ervaren van meer mentale spanningen. Het toont ook de veerkracht aan van individuen om op een actieve manier met hun sociale wereld om te gaan. Bepaalde gedragingen, symbolen, kledingsstijl,… kunnen actief ingezet word om een duidelijk signaal te geven aan de buitenwereld en om interne spanningen te kanaliseren. Het is dus niet altijd een “doen alsof” maar eerder het spelen van een bepaalde rol en daarmee zelf actief vorm geven aan sociale interacties. Holebi’s zijn dus niet uitsluitend slachtoffers van de heersende stereotiepen, soms zetten ze die ook gewoon naar hun hand.

Referenties

  • Dewaele, A., Van Houtte, M., Cox, N., & Vincke, J. (2013). From Coming Out to Visibility Management—A New Perspective on Coping With Minority Stressors in LGB Youth in Flanders. Journal of homosexuality, 60(5), 685-710.
  • Dewaele, A., Van Houtte, M., & Vincke, J. (2014). Visibility and Coping with Minority Stress: A Gender-Specific Analysis Among Lesbians, Gay Men, and Bisexuals in Flanders. Archives of sexual behavior, 43(8), 1601-1614.
  • Erving, G. (1959). The presentation of self in everyday life. Garden City, NY: Anchor.

Auteur: Alexis Dewaele

Alexis Dewaele behaalde een master in de psychologie en een doctoraat in de sociologie. Gedurende acht jaar werkte hij voor het Steunpunt Gelijkekansenbeleid (Universiteit Antwerpen – Universiteit Hasselt) waar hij onderzoek deed naar de maatschappelijke context van seksuele minderheden in Vlaanderen. Momenteel werkt hij als coördinator van PSYNC, het consortium klinische psychologie van de Universiteit Gent. Zijn meest centrale onderzoeksthema’s zijn (seksuele) identiteit, sociale netwerken, minderheidsstress, mentaal welbevinden en seksuele gezondheid.

 

Workplace pets: dieren in huis, waarom niet op het werk.

Het idee dat dieren op het werk goed zijn voor de productiviteit is waarschijnlijk contraintuitief voor de meeste mensen. Dieren houden zich niet in stilte bezig tot je even een pauze neemt, maar lopen rond, maken lawaai, vragen aandacht, willen eten, willen een knuffel, moeten op tijd en stond uitgelaten worden en dergelijke meer. Als er al een effect zou zijn van dieren op het werk, dan lijkt het dus eerder afleidend te zullen werken dan ons productiever te maken. Hoe zou je je nog deftig kunnen concentreren op je werk?

Het lijkt erop dat een aantal bedrijven hier toch anders over denken. Bij Google bijvoorbeeld mogen werknemers hun huisdieren meenemen naar het werk, mits ze enkele basisregels in acht nemen: opruimen wat huisdier in kwestie achterlaat en attent zijn voor collega’s met een allergie. Ben & Jerry’s is een hondvriendelijke werkplaats. Werknemers mogen zonder problemen hun hond meebrengen, net zoals bij Amazon. Daar moeten werknemers eerst hun hond ‘inschrijven’ als workplace pet en ervoor zorgen dat hij alle nodige vaccinaties heeft gekregen. Eens op de werkvloer moet de hond wel altijd aan de leiband worden gehouden, tenzij hij in een kantoor is met een gesloten deur. In een onderzoek bij Amerikanen van 18 jaar of ouder van The American Pet Products Manufacturers Association gaf 20% aan dat ze van hun werkgever hun huisdieren mochten meenemen naar het werk. Sowieso is er jaarlijks een “bring your pet to work”-day. Zes op 10 Amerikanen geeft verder aan dat ze bereid zijn meer uren te presteren, als ze hun hond mochten meenemen naar het werk.

Voordelen

Het lijkt er dus op dat er toch enkele voordelen moeten zijn aan het meebrengen van kat, hond of konijn naar het werk. Dat is inderdaad het geval. Er is ook geen enkele wet die het verbiedt. We zetten de voordelen even op een rijtje.

Stress is in de beste bedrijven aanwezig, er moeten deadlines en KPI’s gehaald worden en je moet klanten, collega’s en bazen plezieren. Een dier in de buurt kan opbeurend werken en hernieuwt je energie. Naast de mentale effecten, hebben (werk)dieren ook een positieve invloed op onze fysieke gezondheid: zelfs naar een goudvis kijken kan een buffer zijn tegen symptomen van depressie en onderzoek geeft verder aan dat interageren met een dier je bloeddruk doet dalen.

Maar daar blijft het niet bij:

  • Dieren zijn een uitstekende manier om het ijs te breken bij klanten, leveranciers en zelfs tussen collega’s. Onderzoek van de University of Central Michigan wijst uit dat de cohesie van een team en de betrouwbaarheid van de teamleden verbetert als er een hond in de buurt is.
  • Op tijd en stond pauze nemen is belangrijk voor creativiteit, focus en productiviteit. Met een dier in de buurt breng je je pauze ook ‘beter’ door, je maakt bijvoorbeeld een kleine wandeling of bent tenminste eventjes helemaal met iets anders bezig.
  • De werkomgeving ziet er gezelliger en cooler uit met een rondwandelende hond of kat, voor sollicitanten springt dit bijvoorbeeld meteen in het oog.

Zoals niet iedereen een dier in huis zou nemen, wil niet iedereen een dier op het werk, om over allergieën nog maar te zwijgen. Ook klanten worden mogelijks afgeschrikt door de workplace pets, hoe schattig ze ook mogen zijn. Desalnietemin lijkt het erop dat een dier op het werk een aantal positieve effecten met zich meebrengt, maar er moet natuurlijk altijd rekening gehouden worden met de specifieke context.

Auteur: Yora Vandenhaute

Yora Vandenhaute is Grafisch Vormgever en werkt als Research Assistant bij Profacts.

 

De psychologie bij het nemen van een penalty

In een voetbalmatch is een penalty de ultieme kans om een goal te scoren. Eender welke speler van het team mag vanaf 11 meter zijn kans wagen en hoeft enkel de keeper te passeren. Diezelfde speler heeft al van veel moeilijker posities kunnen scoren en zo’n penalty kan dus geen al te grote uitdaging zijn… in theorie. In de praktijk zien we dat een penalty scoren toch geen vanzelfsprekendheid is, zelfs al ben je regerend landskampioen. Supporters hebben hier vaak weinig begrip voor. Wetenschappers hebben een verklaring gezocht voor dit fenomeen.

Psychologie

Zij stelden vast dat er een aantal factoren meespelen bij het nemen van een penalty: geluk (bijvoorbeeld de keeper die naar de verkeerde hoek duikt), conditie (bijvoorbeeld hoe goed de geleverde inspanningen verteerd zijn door de speler), vaardigheden en ervaring (bijvoorbeeld een goeie traptechniek hebben) en de psychologische factoren (bijvoorbeeld stressbestendig zijn). Het zal je misschien niet verbazen dat de psychologische factoren de grootste invloed hebben.

Wanneer we kijken naar alle penalties die genomen zijn in de wereldbeker, de Europese kampioenschappen en de Copa America tussen 1976 en 2004, zien we duidelijk dat er meer penalties gemist worden naar het einde van het kampioenschap toe dan in het begin, wanneer er meer op het spel staat. Ook in het algemeen legt een wereldkampioenschap meer druk op de spelers dan in hun nationale competitie: gemiddeld 71% van de penalties wordt gescoord tegenover 85%. Waarom speelt de stress nu zo’n grote rol?

Stress

Het is niet zo dat een mens bij definitie slecht presteert onder druk. In tegendeel, er is een stabiele relatie gevonden tussen prestatie (zowel fysiek als mentaal) en arousal die de vorm van een omgekeerde U aanneemt: bij een ‘gemiddelde arousal’ wordt onze prestatie zelfs naar een hoger niveau getilt. Arousal kan geïnterpreteerd worden als de energie die je krijgt door bijvoorbeeld een deadline. Je kan een bepaald niveau van stress omzetten in positieve energie die een boost geeft aan je prestatie. Wanneer de druk en de arousal te groot worden, klappen we dicht, gaan we vermijdingsgedrag vertonen of geven we op. Het spreekt voor zich dat de prestatie daaronder zal lijden. Onderstaande figuur illustreert dit fenomeen.

Waarom tast een teveel aan stress waarschijnlijk onze prestatie aan? Enerzijds weten we dat spanning een effect heeft op lichaam en geest. We kunnen ons niet zo goed concentreren als we zouden willen en stress kan verlammend werken. Dit zijn twee zaken die voor een penaltynemer fataal zijn. Anderzijds zorgt stress ervoor dat we ons oncomfortabel voelen in een situatie en dat we die liefst zo snel mogelijk willen beëindigen. Op WK’s, EK’s en Champions Leagues van de voorbije jaren zagen we dat hoe sneller een speler naar de bal toeloopt na het fluitsignaal van de scheidsrechter, hoe groter zijn kans op falen was. Spelers die in minder dan 200 miliseconden reageerden, scoorden slechts in 57% van de gevallen. Bij spelers die meer dan 1 seconde de tijd namen, raakt de bal in 80% van de gevallen de netten. Naast de hoger omschreven effecten van stress, heeft het hier dus nog een bijkomende invloed: hoe belangrijker de penalty, hoe meer spanning op de schouders van de speler rust, hoe groter zijn onbehaaglijk gevoel zal zijn en hoe groter dus ook de impuls om de penalty zo snel mogelijk te zetten om er vanaf te zijn.

Je aandacht richten op wat je wil bereiken

Dus, louter wat meer tijd nemen is het geheim voor een goeie penalty? Niet echt. Het is niet puur het verstrijken van tijd dat het positieve effect lijkt te hebben. We zien namelijk ook dat het nadelig is wanneer de scheidsrechter de reden is voor uitstel van het trappen en niet de speler – zelfs als de totale vertreken tijd even lang is. Het causale verband ligt vermoedelijk andersom: meer tijd zorgt niet voor een betere penalty, een betere penalty zetten vereist waarschijnlijk iets meer tijd.

Onderzoekers vonden dat er meer kans is op een penaltygoal als de speler even bewust focust op de plaats in de goal waar hij de bal wil schieten. Logisch, zegt u? In tegendeel: in de praktijk kijken spelers naar de bal of, vaker, naar de keeper. Dit zorgt ervoor dat je je acties ook onbewust naar de keeper zal richten, en niet naar de vrije ruimte in de goal. Daarom geeft men bijvoorbeeld bij slip- en rijvaardigheidscursussen ook de raad altijd te fixeren op het punt waar je auto moet belanden, en niet op de boom of het ongeval voor je. Eenvoudig gezegd registreren hersenen geen negatieve informatie, “Niet tegen de boom rijden!”, “Het ongeval ontwijken!”, “Naast de keeper schieten!” wordt motorisch vertaald naar “Boom!” “Ongeval!” en “Keeper!”. Deze reflex is des te aanwezig in een stresserende situatie. Er zijn natuurlijk spelers die dermate stressbestendig zijn dat ze boven deze automatismen staan. Eden Hazard kijkt quasi altijd naar de keeper om de bal vervolgens in de andere hoek te plaatsen, zelfs bij een beslissende penalty in de 95ste minuut zoals dit weekend. Voor de mindere goden onder ons kan het fixatietruckje een goeie houvast zijn om de stress niet de bovenhand te laten nemen.

Het lijkt de speler voorts een gevoel van controle te geven wanneer hij zich voorstelt waar hij de bal zal plaatsen en daar zijn aandacht naartoe laat gaan. De bal er ook effectief trappen voelt minder aan als een uitdaging, in zijn hoofd is de goal al zo goed als gemaakt.

Conclusie

Hoewel penalties tot op bepaalde hoogte een loterij zijn, is erop trainen geen verloren moeite. Het simpele fixatietrukje kan al een impact hebben op de kansen van een speler die een penalty neemt. Ook durven trainers al eens het argument gebruiken dat de stress in de match niet kan nagebootst worden op training. Je kan daarom overwegen op penalties te trainen voor een zo groot mogelijk publiek of om de resultaten van penalty shoot-outs op training achteraf te communiceren.

Referenties

  • Jordet, G., Hartman, E., Visscher, C. & Lemmink, K.A.P.M. (2007). Kicks from the penalty maker in soccer: the role of stress, skill and fatiguefor kick outcomes. Journal of Sport Sciences, 25, 121-129.
  • Wood, G., & Wilson, M. R. (2012). Quiet-Eye training, perceived control and performing under pressure. Psychology of Sport and Exercise.
  • Hartman, J., G. & Sigmunstad, E. (2009). Temporal links to performing under pressure in international socces penalty shootouts. Psychology of Sport and Exercise.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als researcher in ondernemerschap aan de Vlerick Business School. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

 

Tien tips om zelf stress aan te pakken

Wereldwijd ervaren mensen meer en meer stress, ook in Vlaanderen. Op zich is stress hebben geen probleem: een zeker niveau van stress is onvermijdelijk en kan je zelfs helpen om optimaal te presteren. Langdurige, chronische stress die blijft aanslepen, kan echter wel kwaad. In zo’n situatie heb je een sterk verhoogde kans op verschillende fysieke aandoeningen, zoals hartklachten en beroertes, en ook op psychische problemen zoals depressieve klachten.

Draagkracht vs. draaglast

Word je dus langdurig met stress geconfronteerd, dan is het hoog tijd om daar wat aan te doen. Maar voor we stress aanpakken, is het natuurlijk belangrijk om te begrijpen wat het precies is. Wat is stress nu eigenlijk? Vaak wordt de vergelijking met een weegschaal gemaakt met aan de ene zijde draagkracht en aan de andere zijde draaglast. Er is sprake van stress wanneer de weegschaal uit balans is en draaglast en draagkracht niet meer in evenwicht zijn. De oplossing om stress aan te pakken, is dan ook tweeledig. We kunnen enerzijds de draaglast verlichten en anderzijds onze draagkracht verhogen.

Aan de slag

Hier zomaar mee aanvangen, ligt natuurlijk niet voor de hand. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat initiatieven zoals cursussen stressbeheersing (psycho-educatie) populair zijn bij het brede publiek. In zo’n cursus volgen mensen in groep een aantal lessen om met hun stress om te leren gaan. Dit helpt om stapsgewijs inzicht te verwerven in het eigen stressniveau, de patronen die stress bij jou veroorzaken en de vaardigheden die je best bijspijkert om stress aan te pakken. Cursussen stressbeheersing blijken zeker op korte termijn effectief in het reduceren van stressklachten. Op lange termijn is er ook al positieve evidentie, al is die iets minder sterk.

In deze blogpost lijsten we tien technieken op uit een psycho-educatieve cursus die werd ontwikkeld door dr. Jim White. Deze technieken zijn vrij eenvoudig toepasbaar en kunnen je helpen in het omgaan met stress. Ze zullen natuurlijk niet miraculeus je stress doen verdwijnen en dienen zeker ook niet als alternatief voor professionele begeleiding of hulp. Niettemin zijn het technieken en gedachten die je mogelijk wel kunnen helpen om beter om te gaan met dagdagelijkse stress. Probeer ze dus gerust even uit en zie of ze voor jou werken.

Tien tips om stress aan te pakken

1. Pak problemen meteen aan

Krop je gevoelens niet op. Ze zullen zich alleen maar opstapelen tot je als het ware ontploft. Stellen er zich problemen, bijvoorbeeld op het werk, pak ze dan ook meteen aan.

2. Doe het rustig aan

Ga niet te gejaagd door het leven. Probeer rustiger te eten, wandelen, autorijden, … Als je vandaag niet gedaan krijgt wat je wou doen, is dat geen onoverkomelijk probleem. Morgen is er nog een dag.

3. Een ding tegelijk

Stel je iemand voor die aan het werk is terwijl hij krampachtig een telefoon tussen het schouderblad en het oor klemt, met de ene hand notities neemt en met de andere hand door papieren bladert. Tegelijkertijd probeert hij ook nog even snel te lunchen. Deze persoon is zich overduidelijk aan het overbelasten. De boodschap is dan ook simpel: probeert niet te veel ballen tegelijk in de lucht te jongleren.

4. Splits problemen op

Als je met een groot probleem wordt geconfronteerd en je weet niet hoe eraan te beginnen, probeer die op te splitsen in kleine, meer haalbare delen. Pak elk deel vervolgens een voor een aan.

5. Maak relaxatie een onderdeel van je leven

Voorzie elke dag wat tijd enkel voor jezelf. Maak een wandeling, telefoneer met een vriend of een vriendin, werk wat in de tuin, lees een boek, neem een bad, kijk een film of je favoriete serie, luister naar muziek…

6. Stel prioriteiten

Leef je een hectisch leven, dan is het belangrijk om te bepalen wat er eerst moet gebeuren en wat kan wachten. Zet je taken in een volgorde: nummer 1 moet eerst gebeuren, na de middag volgt nummer 2 … en nummer 10 kan wachten tot het einde van de week. Trek tijd uit om je lijst wel regelmatig bij te werken.

7. Doe het ergste eerst

Als je een takenlijst hebt, doe dan als eerste wat je het minst graag doet. Eens dat achter de rug is, zullen de andere taken beter haalbaar lijken. Stel je die taak echter uit, kan deze in je hoofd blijven spoken en na verloop van tijd veel erger lijken dan ze eigenlijk is. Hou dit dan ook in je achterhoofd als je prioriteiten stelt.

8. Andermans schoenen

Als je een probleem hebt, probeer je dan in te beelden hoe je zelf zou reageren, moest een vriend(in) naar jou komen met dit probleem. Welk advies zou je geven? Kan dat advies jou ook helpen?

9. Wees geen superman of –vrouw

Probeer je altijd alles te doen? Kan je elk probleem aan? Ben je altijd de beste? Waarom? Je huis en je job zullen er nog altijd zijn, ook als jij er niet meer bent. (H)erken je sterktepunten en leer leven met je fouten. Probeer zeker niet perfect te zijn, niemand is dat.

10. Neem anderen in vertrouwen

Zoek mensen op die je kan vertrouwen en laat hen weten hoe je je voelt. Zij zien misschien oplossing voor je problemen waar je zelf nog niet aan hebt gedacht. Zelfs als dat niet zo is, dan heb je toch even je hart gelucht. Dit kan je helpen om je minder geïsoleerd te voelen.

Referenties

  • ISW Limits (2006). Stressbeheersing. Leuven: ISW Limits.
  • Van Daele, T., Hermans, D., Van Audenhove, C., & Van den Bergh, O. (2012). Stress prevention through psycho-education: a meta-analytic review. Health Education & Behavior, 39(4), 474-485.
  • White, J. (2000). Treating anxiety and stress: a group psycho-educational approach using brief CBT. Chichester: Wiley.

Auteur: Tom Van Daele

Tom Van Daele (persoonlijke website) is als psycholoog en wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Daar doet hij onderzoek naar de effectiviteit van stressbeheersingscursussen en de mogelijkheden van e-mental health voor de eerste lijn in Vlaanderen.