Browse Tag: stress

Social media gebruik in het dagelijkse leven: bron van stress of sociale steun?

Afgelopen jaren ontpopten sociale netwerking sites zich tot ware hubs van connectiviteit. Nooit eerder was het makkelijker om activiteiten van mensen op te volgen over de grenzen van landen, tijdszones en zelfs continenten heen. Al gaat dergelijke online aanwezigheid niet steeds gepaard met gunstige effecten op mentaal welzijn. Dit doet de vraag rijzen onder welke omstandigheden social media gebruik helpend kan zijn, of eerder gepaard gaat met een verminderd functioneren.

Gebruik van social media onder de loep genomen
Anno 2023 hebben ‘social media’ – zoals Facebook, Instagram of TikTok en bijhorende instant messaging diensten – een centrale plaats verworven in het dagelijks leven, en het lijkt er op dat deze daar nog even zullen blijven. In België wordt het aandeel social media gebruikers in 2023 dan ook geschat op maar liefst 10.31 miljoen (1). Daarbovenop is social media gebruik goed voor een aanzienlijk deel van onze dagelijkse schermtijd. Het zal dus niet verbazen dat afgelopen jaren heel wat onderzoek gevoerd werd naar eventueel ongewenste effecten van social media gebruik.

Zo wijzen verschillende studies op een negatieve impact van social media gebruik op psychologisch welbevinden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan geobserveerde verbanden tussen social media gebruik, en in het bijzonder het passief consumeren van informatie op social media platformen, en verhoogde depressieve-, stress- of angstklachten, of de ontwikkeling van een negatieve lichaamsbeleving (2,3,4,5). Andere studies suggereren dan weer gunstige effecten van social media gebruik, waaronder de mogelijkheid tot de uitbouw van een ondersteunend sociaal netwerk (5,6). Daarbij zijn er sterke verschillen tussen studies inzake geobserveerde effecten van social media gebruik, wat een eenduidig antwoord omtrent de relatie tussen social media gebruik en psychologisch welbevinden bemoeilijkt. Dit is mede het gevolg van een te enge focus binnen onderzoek op de vraag of er een relatie is tussen beide constructen, eerder dan hoe we deze relatie kunnen begrijpen (7). Daarbij werd tot op heden met name onderzoek gedaan naar de impact van intensiteit van (verschillende vormen van) social media gebruik, terwijl de rol van context in het verklaren van deze relatie eerder onderbelicht bleef.

ContextMatters: Contextfactoren bepalen mee de impact van social media gebruik

Ons recent onderzoek (8) ging na in welke mate social media gebruik bijdraagt tot (dis)functioneren én of contextfactoren hier een rol in spelen. Hiertoe maakten we gebruik van een bijzondere situatie, namelijk de periode van lockdown tijdens de eerste golf van de COVID-19 pandemie. Tijdens deze periode waren heel wat mensen omwille van de toen geldende fysieke distancing maatregelen aangewezen op social media om het contact met hun naasten te onderhouden. Daarnaast gebruikten heel wat mensen social media om geïnformeerd te blijven over de op dat moment geldende COVID-19 maatregelen en de mate van besmettingen.

1433 deelnemers uit het Verenigd Koninkrijk voltooiden vragenlijsten omtrent hun gebruik van social media en indicatoren van (dis)functioneren, waaronder ervaren steun, levenskwaliteit, eenzaamheid en ernst van angst-, depressieve- en stressklachten. Om zicht te krijgen op de rol van contextfactoren gingen we na in welke mate het complexe samenspel tussen deze variabelen beïnvloed werd door zaken zoals woonsituatie (bijv. of iemand al dan niet alleen woonde tijdens de lockdown), werksituatie (bijv. of iemand het huis nog mocht verlaten voor professionele redenen), alsook COVID-19 status (bijv. of men al dan niet geïnfecteerd was door COVID-19). Een andere factor die we in rekening brachten, was of men al dan niet tot een risicogroep behoorde voor het ontwikkelen van complicaties ten gevolge van COVID-19.

Onze bevindingen tonen aan dat de unieke associaties tussen gebruik van social media en (dys)functioneren verschilden naargelang COVID-19 status en woonsituatie. Daarbij bevestigen onze resultaten potentieel gunstige én ongunstige effecten van gebruik van social media, beiden met name voor individuen die niet geïnfecteerd waren met COVID-19. Zo observeerden we bijvoorbeeld dat meer intensief gebruik van social media tijdens de lockdown gepaard ging met verhoogde angst voor besmetting met COVID-19 en bijhorende negatieve gevolgen. Tevens vonden we verbanden tussen verschillende vormen van social media gebruik, depressieve klachten en ervaren stress. Tegelijkertijd ging social media gebruik echter ook gepaard met meer ervaren steun vanuit het sociale netwerk.


Social media bleek de grootste rol te spelen bij niet-geïnfecteerde individuen die alleen woonden. Uniek voor deze populatie was dat gebruik van social media om geconnecteerd te blijven direct bijdroeg tot een verhoogde levenskwaliteit. Dit wijst op de potentieel gunstige rol van social media om connecties te onderhouden met anderen wanneer er beperkte mogelijkheden zijn tot echte sociale interactie (bijv. wanneer men fysiek afstand moest houden). Binnen deze groep waren mate van sociale steun en eenzaamheid tevens sterker gerelateerd aan depressieve klachten.

Conclusie
Onze studie benadrukt dat de context waarin mensen zich bevinden van belang is om zowel de positieve als negatieve gevolgen van social media gebruik te verklaren. Zo leken in het voorbeeld van de COVID-19 pandemie een aantal van de veronderstelde gunstige effecten van social media gebruik met name voorbehouden voor wie alleen woonde (8). Het belang van context biedt een mogelijke verklaring voor eerdere inconsistente onderzoeksbevindingen, en illustreert dat social media zowel een potentiële bron van stress kan vormen, alsook dienst kan doen als een mogelijke hulpbron (9). Willen we beter zicht krijgen op hoe social media ons functioneren beïnvloedt, dan dienen we bijgevolg verder te gaan dan het louter verkennen van de rol van intensiviteit en soort social media gebruik, en meer aandacht te spenderen aan (persoonlijk) relevante contextfactoren. We hoeven die smartphone op basis van huidige literatuur dus nog niet volledig aan de kant te leggen! Wel is het goed om alvast even te reflecteren over wanneer en onder welke omstandigheden social media gebruik voor jou een steun betekent of je net stress geeft.

Auteur
Kristof Hoorelbeke werkt als docent aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van UGent. Ernst Koster is hoogleraar aan dezelfde faculteit. Beiden zijn daarnaast tevens klinisch werkzaam als gedragstherapeut.

Contactgegevens
Prof. dr. Kristof Hoorelbeke
Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie
Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, UGent
Henri-Dunantlaan 2, 9000 Gent
Kristof.Hoorelbeke@UGent.be

Referenties

  1. Statista (2022). Number of social network users in Belgium from 2018 to 2027. Retrieved from https://www.statista.com/statistics/568866
  2. Faelens, L., Hoorelbeke, K., Cambier, R., van Put, J., Van de Putte, E., De Raedt, R., & Koster, E.H.W. (2021). The relationship between Instagram use and indicators of mental health: A systematic review. Computers in Human Behavior Reports, 4, 100121. doi: 10.1016/j.chbr.2021.100121
  3. Saiphoo, A.N., & Vahedi, Z. (2019). A meta-analytic review of the relationship between social media use and body image disturbance. Computers in Human Behavior, 101, 259-275. doi: 10.1016/j.chb.2019.07.028
  4. Yoon, S., Kleinman, M., Mertz, J., & Brannick, M. (2019). Is social network site usage related to depression? A meta-analysis of facebook-depression relations. Journal of Affective Disorders, 248, 65-72. doi: 10.1016/j.jad.2019.01.026
  5. Appel, M., Marker, C., & Gnambs, T. (2020). Are social media ruining our lives? A review of meta-analytical evidence. Review of General Psychology, 24, 60-74. doi: 10.1177/1089268019880891
  6. Liu, D., Ainsworth, S.E., & Baumeister, R.F. (2016). A meta-analysis of social networking online and social capital. Review of General Psychology, 20, 369-291. doi: 10.1037/gpr0000091
  7. Kross, E., Verduyn, P., Sheppes, G., Costello, C.K., Jonides, J., & Ybarra, O. (2021). Social media and well-being: Pitfalls, progress, and next steps. Trends in Cognitive Sciences, 25, 55-66. doi: 10.1016/j.tics.2020.10.005
  8. Hoorelbeke, K., Faelens, L., De Raedt, R., & Koster, E.H.W. (2023). #ContextMatters! A network tree approach to model the link between social media use and well-being. Computers in Human Behavior Reports, 100269. doi: 10.1016/j.chbr.2023.100269
  9. Wolfers, L.N, & Utz, S. (2022). Social media use, stress, and coping. Current Opinion in Psychology, 45, 101305. doi: 10.1016/j.copsyc.2022.101305
 

Virtueel aangestaard: de invloed van een virtueel publiek op taakprestatie, leren en stress

Het is eindelijk zo ver: na maanden repeteren speelt het theatergezelschap voor een uitverkochte zaal. Dennis voelt meteen de kick wanneer hij in de schijnwerpers staat en overtreft zichzelf. Kim daarentegen verstijft bij het zien van de volle zaal en struikelt over zowat elke zin. Herkenbaar? Hoe denk je dat je zelf zou reageren wanneer alle ogen op jou zijn gericht? En maakt het verschil of je ‘in het echt’ op een podium staat, of op een virtuele manier met behulp van de nieuwste technologie?

Al meer dan een eeuw geleden stelden wetenschappers vast dat mensen beïnvloed worden door de aanwezigheid van toeschouwers wanneer ze een taak uitvoeren. Doorgaans stijgt onze stress in het bijzijn van een publiek. Ook worden we over het algemeen beter in het uitvoeren van makkelijke taken, maar slechter in het uitvoeren van moeilijke en nieuwe taken wanneer we deze uitvoeren voor een publiek.

Een interessant verschil met 100 jaar geleden is echter dat de opkomst van nieuwe technologie zoals virtual reality (VR) het mogelijk maakt om taken te oefenen en uit te voeren in een virtuele wereld met virtuele toeschouwers. In plaats van elke avond in de keuken teksten te herhalen, zouden Dennis en Kim bijvoorbeeld een VR-bril kunnen opzetten en zich in een uitverkocht theater kunnen wanen. Maar zouden deze virtuele toeschouwers ook een gelijkaardig effect hebben in vergelijking met een echt publiek? Dat wilden we testen in onze studie.

De impact van het horen en zien van een virtueel publiek

In onze studie kregen de deelnemers acht bollen te zien in VR. Deze bollen lichtten een voor een op, en de taak was om de oplichtende bol zo snel en juist mogelijk aan te raken met een van de controllers. Aangezien de bollen steeds in terugkerende patronen oplichtten, konden deelnemers de volgordes aanleren. Taakprestatie maten we op basis van reactiesnelheid en het aantal fouten, en het aanleren maten we door naar de evolutie in reactiesnelheid en het aantal fouten doorheen de taak te kijken.

Ook het ervaren van stress brachten we in kaart via zelfrapportage en fysiologische metingen (namelijk pupilgrootte en hartslag). De deelnemers voerden de taak uit in een lege virtuele ruimte of in de aanwezigheid van een virtueel publiek. We verwachtten dat mensen meer stress zouden ervaren en dat ze het moeilijker zouden hebben met het leren en uitvoeren van de nieuwe taak in de aanwezigheid van het virtuele publiek. Verder waren er tijdens de taak ofwel omgevingsgeluiden (bv. een printer) ofwel menselijke geluiden (bv. hoesten) te horen. Aangezien de menselijke geluiden zorgen voor een extra hint naar de aanwezigheid van het virtuele publiek, vermoedden we dat het effect van een virtueel publiek op taakprestatie, leren en stress meer uitgesproken zou zijn bij het horen van de menselijke geluiden.

In tegenstelling tot voorgaand onderzoek met een echt publiek, werden taakprestatie en leren niet beïnvloed door de aanwezigheid van het virtuele publiek. Deelnemers gaven wel aan meer stress te ervaren wanneer ze de taak moesten uitvoeren voor een virtueel publiek. De fysiologische stressmetingen ondersteunden deze bevinding slechts gedeeltelijk. Waar hartslag niet beïnvloed werd door het virtuele publiek, was de pupil groter in het bijzijn van de virtuele toeschouwers. Een belangrijke kanttekening is echter dat een vergroting van de pupil niet enkel veroorzaakt kan worden door hogere stressniveaus, maar ook door een donkerdere omgeving. Vervolgonderzoek moet daarom uitwijzen of dergelijke veranderingen in pupilgrootte ook terug te vinden zijn onder gecontroleerde lichtomstandigheden. Tot slot had het laten horen van omgevingsgeluiden of menselijke geluiden geen invloed op de resultaten.

Hoe realistisch is VR?

Waarom worden effecten van een echt publiek op taakprestatie en leren niet teruggevonden met een virtueel publiek? Een mogelijke verklaring is dat mensen zich ervan bewust zijn dat de virtuele toeschouwers hen toch niet kunnen beoordelen. Anderzijds kan het zijn dat de kwaliteit van de virtuele omgeving niet overtuigend genoeg was. Voorgaand onderzoek vond namelijk enkel een invloed op taakprestatie wanneer deelnemers het virtuele publiek realistisch vonden. Deelnemers aan de huidige studie beoordeelden het virtuele publiek echter als slechts matig realistisch. Gezien de continue verbeteringen in de kwaliteit van VR, is het dus mogelijk dat effecten van een virtueel publiek op taakprestatie en leren wel gevonden worden in toekomstige studies die een meer realistische VR-ervaring kunnen bieden.

Wordt vervolgd?

Deelnemers aan onze huidige studie gaven aan meer stress te ervaren wanneer ze een taak uitvoerden voor een virtueel publiek. Dit was echter niet het geval voor alle fysiologische stressmetingen: de pupilgrootte nam toe maar de hartslag niet. Verder vonden we geen verschillen in taakprestatie of leren wanneer de taak uitgevoerd werd met of zonder een virtueel publiek. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of een meer realistisch virtueel publiek wel een invloed kan hebben op taakprestatie en leren. En jij, hoe denk je dat je zelf zou reageren wanneer alle virtuele ogen op jou zijn gericht?

Auteur

Lune Coorevits behaalde haar diploma Theoretische en Experimentele Psychologie aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen (UGent). Ze ontving de Best Internship Award voor het onderzoek dat ze uitvoerde tijdens haar stage bij imec-mict-UGent.

Bronnen


Bond, C. F., & Titus, L. J. (1983). Social facilitation: A meta-analysis of 241 studies. Psychological Bulletin, 94(2), 265–292. https://doi.org/10.1037/0033-2909.94.2.265
Durnez, W., Bombeke, K., Joundi, J., Zheleva, A., Cracco, E., Copman, F., Brass, M., Saldien, J., & De Marez, L. (2020). Fake people, real effects: The presence of virtual onlookers can impair performance and learning. In J. Y. C. Chen & G. Fragomeni (Eds.), Virtual, augmented and mixed reality. Design and interaction (pp. 440–452). Springer. https://doi.org/10.1007/978-3-030-49695-1_29
Strojny, P. M., Dużmańska-Misiarczyk, N., Lipp, N., & Strojny, A. (2020). Moderators of social facilitation effect in virtual reality: Co-presence and realism of virtual agents. Frontiers in Psychology, 11, Article 1252. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2020.01252

 

De impact van de COVID-19 pandemie op volwassenen met autisme

De COVID-19-pandemie en de bijbehorende maatregelen beïnvloeden ons allemaal. Onze dagelijkse routines en sociaal leven zoals we die kenden werden ons plots afgenomen. Daar kregen we een heleboel onzekerheid (“wat mag nog wel en wat niet meer?” “hoe lang gaat dit nog duren?”) en zorgen (bijvoorbeeld over de gezondheid van onszelf en anderen) voor terug. Een stressvolle situatie waarin men vaak juist structuur en sociale steun het hardst nodig heeft. Mocht je het moeilijker hebben gevonden om door dit alles je mentale gezondheid op peil te houden, dan ben je niet alleen. Verschillende onderzoeken hebben de negatieve impact van de pandemie op de mentale gezondheid in de algemene bevolking al aangetoond. Maar hoe zit het met mensen met autisme, die van nature al meer behoefte hebben aan structuur?


Mensen met autisme: een kwetsbare groep?
Er waren drie redenen waarom wij, onderzoekers van de onderzoeksgroep EXPLORA, verwachtten dat mensen met autisme de pandemie wellicht op een unieke manier ervaren. (1) Mensen met autisme hebben meer moeite met het omgaan met stressvolle gebeurtenissen dan mensen zonder autisme. (2) Daar bovenop heeft de pandemie een invloed op de twee kerndomeinen van symptomen van autisme. Enerzijds ervaren mensen met autisme moeilijkheden met sociale interactie en communicatie, zo hebben ze bijvoorbeeld moeite om sociale interacties te initiëren of beantwoorden en met het behouden van vriendschappen. Anderzijds tonen mensen met autisme beperkte, repetitieve patronen van gedrag, interesses of activiteiten, zoals het inflexibel vasthouden aan routines en extreme onrust bij kleine veranderingen. (3) Ten slotte hebben mensen met autisme normaal gezien al een verhoogde kans op mentale gezondheidsproblemen zoals een angststoornis of depressie. Om deze redenen hebben wij in de eerste weken van de pandemie een vragenlijststudie opgezet om het effect van de pandemie op het dagelijks leven en het psychisch welzijn van volwassenen met autisme te onderzoeken. In totaal hebben 1044 volwassenen (613 met autisme) uit verschillende landen (België, Nederland, Verenigd Koninkrijk) de vragenlijst ingevuld.

Mentale gezondheid en veranderde routines
Ongeveer driekwart van de deelnemers met én zonder autisme rapporteerde een stijging in angst en depressie gerelateerde symptomen als gevolg van de pandemie. De stijging in angst- en depressiesymptomen en de impact daarvan op het dagelijks leven was echter groter bij volwassenen met autisme. Deze grotere stijging is zorgwekkend te noemen, aangezien mensen met autisme gewoonlijk al meer angst- en depressiesymptomen rapporteren, en zij normaal gezien al moeite hebben om toegang te krijgen tot zorg. Daarnaast is een aanzienlijk deel van de volwassenen met autisme (gedeeltelijk of helemaal) de begeleiding die zij normaal ontvingen (tijdelijk) kwijtgeraakt vanwege overbelasting van het zorgsysteem. Verder kwam naar voren dat volwassenen met autisme in vergelijking met volwassenen zonder autisme zich tijdens de pandemie meer zorgen maken over hun eigen veiligheid, hun huisdieren, hun werk, en het verkrijgen van medicatie en eten. De zorg rond het verkrijgen van eten lijkt gelinkt te zijn aan het verreweg meest genoemde stress-gerelateerde onderwerp onder volwassenen met autisme: boodschappen doen. Boodschappen doen werd beschreven als stressvol door met name de verstoring in routines. Denk bijvoorbeeld aan de rij waarin men moest staan om naar binnen te mogen, en de social distancing-regel die bijvoorbeeld frustratie oproept wanneer niet iedereen zich eraan houdt.

Verlies van sociaal contact ook moeilijk voor volwassenen met autisme
De pandemie had gemiddeld genomen een grotere invloed op het sociale leven van volwassenen zonder autisme en bijgevolg voelden zij zich door de pandemie meer sociaal geïsoleerd dan voorheen dan volwassenen met autisme. Deze resultaten kunnen wellicht worden verklaard door eerder onderzoek dat aantoont dat volwassenen met autisme gewoonlijk al meer te maken hebben met eenzaamheid en sociaal isolement dan volwassenen zonder autisme, waardoor de verandering in hun sociale leven als gevolg van de pandemie minder uitgesproken is. Want ook voor volwassenen met autisme bleek het kwijtraken van de toegang tot hun (kleinere) sociale vangnet in deze stressvolle tijd een grote last. Eén van de meest genoemde moeilijkheden was namelijk voor zowel volwassenen zonder als met autisme het verlies van sociaal contact.

Verlies van dagelijkse routines veroorzaakt stress
Gemiddeld genomen ervaren volwassenen met autisme meer stress door het veranderen van hun dagelijkse routines als gevolg van de pandemie dan volwassenen zonder autisme. In een open vraag die naging welke pandemie-gerelateerde veranderingen het moeilijkst waren, werd duidelijk dat het hierbij ook gaat om angst voor de veranderingen die in de toekomst zullen plaatsvinden zodra we langzaam weer de overgang naar het ‘normale leven’ maken. Momenteel bevinden we ons, zeven maanden na het onderzoek, in die ‘toekomst’, en nu de maatregelen na een versoepeling weer verscherpt zijn, kunnen we niet anders dan ons met een ongerust hart afvragen hoe het nu gaat met de mensen die onze vragenlijst destijds hebben ingevuld. De overgang naar het ‘normale leven’, dat al zoveel angst opriep, blijkt immers niet rechtlijnig te zijn.

Buddies en solidariteit
De impact van de pandemie op onze routines en ons sociale leven, en dus ook op die van volwassenen met autisme, is onvermijdelijk. Gewaarborgde toegang tot zorg die zich onder meer focust op bijvoorbeeld het onderhouden van een sociaal netwerk en het creëren van alternatieve routines, zou de klap echter mogelijk kunnen verzachten. Bij het aanbieden van ondersteuning op afstand dient men bij voorkeur verschillende communicatiemedia aan te bieden, aangezien sommige volwassenen met autisme angst ervaren bij (video)bellen en liever via chat of e-mail zouden communiceren. De stress die volwassenen met autisme ervaren bij het boodschappen doen zou verlicht kunnen worden door bijvoorbeeld een buddy-systeem te introduceren, waarbij een ander boodschappen doet voor de volwassene met autisme, of door autisme-vriendelijke winkeltijden te introduceren. Tot slot is het ook belangrijk om stil te staan bij de pandemie-gerelateerde veranderingen die als positief zijn ervaren. Van deze positieve ervaringen zouden we namelijk kunnen leren om zo de wereld een beetje autismevriendelijker te maken, ook na de pandemie. Zo bleek dat mensen met autisme de verminderde sensorische en sociale overbelasting tijdens de pandemie waarderen. Buiten is het op het moment bijvoorbeeld een stuk rustiger, en mensen staan niet meer onverwachts voor je deur. Ook benoemden ze dat mensen zonder autisme nu ook eens hebben kunnen ervaren hoe het is om jezelf voor je eigen welzijn sociaal te moeten afsluiten – iets wat veel mensen met autisme vóór de pandemie soms ook noodgedwongen moesten doen om tot rust te komen en niet overprikkeld te raken. Deze ervaring zou kunnen zorgen voor meer begrip en sociale solidariteit, en laten we dit nu net hard nodig hebben in deze tijd.

Auteurs
Danna Oomen, dr. Annabel Nijhof en prof. dr. Roeljan Wiersema zijn als onderzoekers verbonden aan de onderzoeksgroep EXPLORA (Experimenteel Psychologisch Onderzoek Rond Autisme), Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschapen, Universiteit Gent.

Pre-print
Deze blogpost is gebaseerd op een pre-print manuscript. Dat is een eerste versie van een manuscript dat nog geen ‘peer-review’ heeft ondergaan. De volledige pre-print vind je hier

Referenties

  1. Cao W, Fang Z, Hou G, Han M, Xu X, Dong J, et al. The psychological impact of the COVID-19 epidemic on college students in China. Psychiatry Res. 2020 May 1;287.
  2. Cooke JE, Eirich R, Racine N, Madigan S. Prevalence of posttraumatic and general psychological stress during COVID-19: A rapid review and meta-analysis. Vol. 292, Psychiatry Research. Elsevier Ireland Ltd; 2020. p. 113347.
  3. Gonçalves AP, Zuanazzi AC, Salvador AP, Jaloto A, Pianowski G, Carvalho L de F. Preliminary findings on the associations between mental health indicators and social isolation during the COVID-19 pandemic. Arch Psychiatry Psychother. 2020 Jun 1;22(2):10–9.
  4. Smith L, Jacob L, Yakkundi A, McDermott D, Armstrong NC, Barnett Y, et al. Correlates of symptoms of anxiety and depression and mental wellbeing associated with COVID-19: a cross-sectional study of UK-based respondents. Psychiatry Res. 2020 Sep 1;291:113138.
  5. Tull MT, Edmonds KA, Scamaldo KM, Richmond JR, Rose JP, Gratz KL. Psychological Outcomes Associated with Stay-at-Home Orders and the Perceived Impact of COVID-19 on Daily Life. Psychiatry Res. 2020 Jul 1;289.
  6. Wang C, Pan R, Wan X, Tan Y, Xu L, Ho CS, et al. Immediate psychological responses and associated factors during the initial stage of the 2019 coronavirus disease (COVID-19) epidemic among the general population in China. Int J Environ Res Public Health. 2020 Mar 1;17(5).
  7. Zhang SX, Wang Y, Rauch A, Wei F. Unprecedented disruption of lives and work: Health, distress and life satisfaction of working adults in China one month into the COVID-19 outbreak. Psychiatry Res. 2020 Jun 1;288:112958.
  8. Gillott A, Standen PJ. Levels of anxiety and sources of stress in adults with autism. J Intellect Disabil. 2007 Dec;11(4):359–70.
  9. Robertson AE, Stanfield AC, Watt J, Barry F, Day M, Cormack M, et al. The experience and impact of anxiety in autistic adults: A thematic analysis. Res Autism Spectr Disord. 2018 Feb 1;46:8–18.
  10. Kirsch AC, Huebner ARS, Mehta SQ, Howie FR, Weaver AL, Myers SM, et al. Association of Comorbid Mood and Anxiety Disorders with Autism Spectrum Disorder. JAMA Pediatr. 2020 Jan 1;174(1):63–70.
  11. Lever AG, Geurts HM. Psychiatric Co-occurring Symptoms and Disorders in Young, Middle-Aged, and Older Adults with Autism Spectrum Disorder. J Autism Dev Disord. 2016 Jun 1;46(6):1916–30.
  12. Camm-Crosbie L, Bradley L, Shaw R, Baron-Cohen S, Cassidy S. ‘People like me don’t get support’: Autistic adults’ experiences of support and treatment for mental health difficulties, self-injury and suicidality. Autism. 2019 Aug 1;23(6):1431–41.
  13. Maddox BB, Gaus VL. Community Mental Health Services for Autistic Adults: Good News and Bad News. Autism in Adulthood. 2019 Mar 11;1(1):15–9.
  14. Orsmond GI, Shattuck PT, Cooper BP, Sterzing PR, Anderson KA. Social participation among young adults with an autism spectrum disorder. J Autism Dev Disord. 2013 Nov;43(11):2710–9.
  15. van Asselt-Goverts AE, Embregts PJCM, Hendriks AHC, Wegman KM, Teunisse JP. Do Social Networks Differ? Comparison of the Social Networks of People with Intellectual Disabilities, People with Autism Spectrum Disorders and Other People Living in the Community. J Autism Dev Disord. 2015 May 1;45(5):1191–203.
 

What are you looking at? Je ogen verraden je kaarten bij gokken.

De gokindustrie is de dag van vandaag niet meer weg te denken uit onze leefwereld. We kennen allemaal het legendarische gokparadijs in Las Vegas, we worden online en op tv rond de oren geslagen met advertenties voor goksites, en wie speelt er nu niet eens graag een potje poker met vrienden. Er zijn daarnaast ook prestigieuze toernooien, die qua glimmer en glamour soms niet moeten onderdoen voor de gemiddelde film award uitreiking. Onze nationale modestylist Jani Kazaltzis poogde zelfs onlangs nog (tevergeefs) zo’n toernooi op zijn naam te schrijven.

Psychologisch onderzoek naar gokken besteedde tot nu toe meestal aandacht aan de pathologisch kant van deze zaak (gokverslaving), maar er is nu ook een wetenschappelijke studie die het gedrag van gokkers tijdens het spelen bestudeerde.

Continue Reading

 

Littekens op de ziel: Een breder perspectief op trauma

Het taboe dat lange tijd rustte op psychisch trauma is gedurende de afgelopen drie decennia gesmolten als sneeuw voor de zon. Hoewel het nu de meest evidente zaak ter wereld lijkt, is men slechts zeer moeizaam tot het besef gekomen dat verschrikkelijke gebeurtenissen littekens achterlaten op de ziel, en kunnen leiden tot ernstige en persisterende psychische problemen. Een belangrijke factor in de erkenning van deze realiteit was de inclusie van de Post-Traumatische Stress Stoornis (PTSS) in de derde editie van het toonaangevende psychiatrische handboek DSM in 1980. Het PTSS-model van trauma benadrukte voor het eerst dat de externe gebeurtenis, en dus niet een vooraf bestaande persoonlijke factor, de primaire oorzaak is van traumatische pathologie (1). Daardoor werden de mensen die zich met dergelijke klachten aanmelden niet langer bekeken met de achterdocht en verdachtmaking die voorheen zo kenmerkend was bij de behandeling van deze fenomenen (2). De komst van PTSS heeft bovendien een belangrijke stimulans gegeven aan het wetenschappelijke onderzoek rond trauma.

Er slechter aan toe na psychologische hulp?

De diagnose van PTSS biedt clinici concrete handvatten om hulp te bieden in contexten van trauma. Sinds halfweg de jaren 1980 is ook de humanitaire hulpverlening meer en meer gericht op de psychische gevolgen van rampen en gewelddadige conflicten (3). Het verbaast niemand meer dat bij dergelijke humanitaire crisissen naast artsen en verplegers ook psychologen en sociaal werkers worden overgevlogen om daar, ter plaatse, een soort “psychologische eerste hulp” te bieden. In de confrontatie met dit werk is men echter op de beperkingen gebotst van een visie op trauma die uitsluitend uitgaat van een medisch-psychiatrische bril. Mensen die interventies kregen aangeboden zoals debriefing, waarbij men de slachtoffers zo snel mogelijk laat spreken over de schokkende gebeurtenis, waren er tegen de verwachtingen in soms slechter aan toe dan de mensen die geen hulp hadden gekregen (4). Ook het wetenschappelijke onderzoek rond PTSS heeft een aantal bevindingen geproduceerd die, ironisch genoeg, de basisassumpties van dit model ondergraven (5).

Dat brengt ons in een lastig parket: wat we weten over trauma voelt als heel intuïtief en vanzelfsprekend aan, maar wordt niet steeds bevestigd in empirisch onderzoek of in de klinische praktijk. Dergelijke paradoxale bevindingen maken het noodzakelijk dat traumaonderzoekers hun eigen onuitgesproken veronderstellingen expliciteren, en hun modellen aanpassen om deze bevreemde bevindingen een plaats te geven. Dat raakt dikwijls een gevoelige snaar: veel hulpverleners en traumaslachtoffers vrezen dat een discussie over de validiteit van de PTSS-diagnose ons terug kan leiden naar de valkuilen van het verleden (stigmatisering, beschuldiging en verwerping van de traumapatiënt).

Trauma komt veel vaker voor dan we denken

In het huidige PTSS-model van trauma zitten een aantal foute assumpties. Zo blijkt de centrale veronderstelling rond het ontstaansmechanisme van traumatische pathologie niet te stroken met de observaties uit grootschalige studies. Men ging er bijvoorbeeld van uit dat traumatische gebeurtenissen zeer uitzonderlijk waren, terwijl achteraf bleek dat ruim 90% van de populatie vroeg of laat zo’n gebeurtenis meemaakt, zelfs in een westerse context. Ook ging men er van uit dat de blootstelling aan zo’n gebeurtenis op onmiddellijke of quasi-automatische wijze zou lijden tot traumatische pathologie, maar men observeerde dat slechts een minderheid van de blootgestelde mensen daadwerkelijk langdurige problemen ontwikkelde (6). Op de één of andere manier moeten persoonlijke factoren dus een rol spelen, aangezien niet iedereen een trauma ontwikkelde na soortgelijke ervaringen. Een hele resem aan beschermende en risicofactoren werden geïdentificeerd, maar men botste vooral op het onvermogen om te voorspellen wie op welk soort gebeurtenis een trauma zou ontwikkelen (7).

Teveel aandacht voor het individu

Een ander punt van kritiek is dat het huidige biomedische model van trauma de problemen van mensen decontextualiseert en individualiseert. Vanuit een medisch-psychiatrische aanpak ligt het voor de hand om er van uit te gaan dat de gevolgen van een verschrikkelijke gebeurtenis zich in het hoofd en het lichaam van het getroffen individu inschrijven. Om deze te behandelen, moeten we ons dan ook richten op dat individu. Dergelijke strategieën zouden evenwel niet adequaat zijn om collectieve trauma’s het hoofd te bieden (zoals in de context van natuurrampen, burgeroorlog, genocide, etc.) (8). Aansluitend slaagt men er moeilijk in om de rol van de sociale, politieke of economische context in rekening te brengen, zowel voor wat betreft het ontstaan als het herstel van trauma. Sommige critici beweren dat, in de nasleep van collectief trauma, de nadruk op het psychisch welbevinden van het individu meer collectieve vormen van actie in de weg staat. Men vreest met andere woorden dat de nadruk op een individualistisch traumamodel leidt tot een verwaarlozing van meer politiek gerichte acties, zoals pogingen om de sociopolitieke of economische contexten van waaruit trauma ontstaat te wijzigen (9).

Kort samengevat: de biomedische aanpak van trauma opent enkele concrete sporen om mensen te helpen, maar gaat tegelijk voorbij aan belangrijke andere dimensies van dit complexe probleem. Zo is er een grote noodzaak om uit te werken hoe we subjectieve en contextuele dimensies kunnen verrekenen in klinische interventies. Om dit te bereiken, is conceptueel of theoretisch onderzoek noodzakelijk. Het vormt immers de basis van waaruit men meer concrete acties op het terrein kan vormgeven.

Vanuit dergelijk onderzoek wint het idee aan kracht dat herstel van (collectieve) trauma’s ook sociopolitieke veranderingen vraagt. Een voorbeeld kan dit beter tastbaar maken: in Ecuador werd de bevolking door de eigen overheid gedurende decennia geterroriseerd. Onschuldige burgers verdwenen plots, werden beroofd van hun vrijheid en gemarteld, of zelfs geëxecuteerd zonder proces. Al deze wandaden werden systematisch ontkend en zorgvuldig verborgen gehouden door de regering. Hoewel de toestand sterk verbeterd is met de verkiezing van Rafael Correa Delgado in 2007, heerst er nog steeds een klimaat van angst en stilzwijgen. Dit staat een herstel van de ondergane trauma’s in de weg (10). Onderzoek toont aan dat processen op een collectief niveau (de graduele erkenning van het door de staat georganiseerde geweld en de begane misdaden; de politieke hervormingen die worden doorgevoerd om hier paal en perk aan te stellen; het aansprakelijk houden en bestraffen van hooggeplaatste betrokkenen) samengaan met verbeteringen in het psychisch welzijn van de slachtoffers en hun herstelproces bevorderen. Het is met andere woorden mede doorheen wijzigingen in de sociopolitieke context dat men in het reine kan komen met een traumatisch verleden. Dit is slechts één van de vele, soms complexe manieren waarop individueel herstel en sociale processen intrinsiek met elkaar verweven zijn.

Auteur

Gregory Bistoen is klinisch psycholoog en onderzoeker aan de Universiteit Gent. In zijn werk vertrekt hij vanuit een aantal problemen met de klassieke, psychiatrische benadering van trauma. Hij tracht hierop een alternatief perspectief te bieden aan de hand van uiteenlopende bronnen uit de filosofie, de psychoanalyse en de politieke theorie. Daarnaast werkt hij tevens als klinisch psycholoog in een privépraktijk.

Lees meer in de publicatie van deze auteur die eind februari verschijnt bij Palgrave Macmillan “Trauma, Ethics and the Political beyond PTSD: The Dislocations of the Real”.

Referenties

  1. McFarlane, A., & de Girolamo, G. (2007). ‘The Nature of Traumatic Stressors and the Epidemiology of Posttraumatic Reactions’ in B. van der Kolk, A. McFarlane, & L. Weisaeth (eds) Traumatic Stress: The Effects of Overwhelming Experience on Mnd, Body and Society (New York: The Guilford Press), 129-154.
  2. Young, A. (1995). The Harmony of Illusions: Inventing Post-Traumatic Stress Disorder (Princeton: Princeton University Press).
  3. Pupavac, V. (2004). ‘Psychosocial Interventions and the demoralization of humanitarianism’, Journal of Biosocial Science, 36(4), 491-504.
  4. Rose, S., Bisson, J., Churchill, R., & Wessely, S. (2002). ‘Psychological Debriefing for Preventing Post Traumatic Stress Disorder (PTSD)’, Cochrane Database of Systematic Reviews, 2. Art. No.: CD000560.
  5. Rosen, G. M., & Lilienfeld, S. O. (2008). ‘Posttraumatic Stress Disorder: An Empirical Evaluation of Core Assumptions’, Clinical Psychology Review, 28, 837-68.
  6. Kilpatrick, D. G., Resnick, H. S., Freedy, J. R., Pelcovitz, D., Resick, P. A., Roth, S., & et al. (1998). ‘The Posttraumatic Stress Disorder Field Trial: Evaluation of the PTSD construct – Criteria A through E’ in T. A. Widiger, A. J. Frances, H. A. Pincus, R. Ross, M. First, R. Ross, M. Kline (eds) DSM-IV sourcebook, vol.4 (Washington, D.C.: American Psychiatric Press), pp. 803-44.
  7. Ozer, E. J., Best, S. R., Lipsey, T. L., & Weiss, D. S. (2003). ‘Predictors of Posttraumatic Stress Disorder and Symptoms in Adults: A Meta-Analysis’, Psychological Bulletin, 129, 54-73.
  8. Bracken, P. J. (2002). Trauma, Culture, Meaning and Philosophy (London & Philadelphia: Whurr Publishers).
  9. Craps, S. (2010). ‘Wor(l)ds of Grief: Traumatic Memory and Literary Witnessing in Cross-Cultural Perspective’, Textual Practice, 24(1), 51-68.
  10. Donoso G. (Forthcoming 2017). “Survival Stories of Political Trauma. The Subjective Implications of Social Recognition in Ecuador” in Adlam J. et al, Jessica Kingsley Publishers (JKP) Eds, Violent States: Individual to International Creative States: Overcoming Violence.
 

Leiders hebben meer stress, toch?

Je hoort het soms: hoe hoger men zich bevindt in de organisatiehiërarchie, hoe meer stress men ervaart. Maar is dat ook zo? In deze blogpost bespreken we onderzoek dat aantoont dat dit niet zo is: leiderschap blijkt immers geassocieerd met lagere, in plaats van hogere, stressniveaus.

Leiders: hogere vereisten, maar ook meer controle

Je zou twee perspectieven kunnen innemen om de relatie tussen leiderschap en stress te begrijpen. Langs de ene kant worden de jobvereisten vaak hoger wanneer men klimt in de hiërarchie. Men krijgt meer verantwoordelijkheid, ervaart hogere tijdsdruk, moet meer uren werken, enz. Langs de andere kant ervaren leidinggevenden ook meer controle. Ze kunnen zelf bepalen waaraan gewerkt wordt, wie wat doet, hoe ze bepaalde projecten aanpakken, enz. Deze controle kan een belangrijke buffer vormen tegen stress.

2 studies nemen stress onder de loep

De deelnemers aan dit onderzoek waren werknemers die een opleiding volgden aan Harvard. Ze kwamen uit de publieke sector (overheidspersoneel en militairen). Om na te gaan of men een leidinggevende positie had, moesten deelnemers aangeven of ze al dan niet verantwoordelijk waren voor het managen van andere medewerkers.

In de eerste studie werden bij leidinggevenden, in vergelijking met niet-leidinggevenden, lagere cortisolniveaus (stresshormoon) en lagere angstniveaus gemeten. In de tweede studie werd ook gekeken naar het hiërarchisch niveau (de rang) van de leidinggevenden. In deze studie bleek dat leidinggevenden in een hogere posities lagere cortisol- en angstniveaus vertoonden dan leidinggevenden in lagere posities. Deze relatie werd bovendien significant verklaard door verschillen in het gevoel van controle: leidinggevenden in hogere posities ervoeren een groter gevoel van controle en dit verklaarde hun lagere stressniveau.

Conclusie: leiders en stress

In tegenstelling tot wat velen denken, is leiderschap geassocieerd met lagere stressniveaus. dit verschil blijkt te verklaren door een groter gevoel van controle.

Referentie

  • Sherman, G. D., Lee, J. J., Cuddy, A. J. C., Renshon, J., Oveis, C., Gross, J. J., & Lerner, J. S. (2012). Leadership is associated with lower levels of stress, Proceedings of the National Academy of Sciences, 109 (44), p. 17903–17907.

Meer lezen?

Auteur

Michiel Crommelinck behaalde zijn doctoraat in de bedrijfspsychologie aan de UGent, is mede-oprichter van de Gentse Alumni Psychologie en initiatiefnemer van Mensenkennis.be, en werkt als Innovation Partner bij HR-dienstverlener Securex.

 

Hoe meer seks, hoe gelukkiger?

Wat we al wisten: er bestaat een positieve correlatie tussen de frequentie waarmee je seks hebt en je geluksgevoel. Hoe meer seks, hoe contenter, voor beide geslachten en over verschillende culturen heen. Wat we nog niet wisten: hoe zit dat verband precies in elkaar? Want hoewel sommigen misschien denken in dit wetenschappelijke feit hét argument te hebben gevonden dat ze zochten, wil dit niet noodzakelijk zeggen dat een verhoging van de seksfrequentie ook meer geluk in de hand werkt. Daarvoor zou je eigenlijk koppels moeten verzamelen, onderzoeken hoeveel keer ze nu seks hebben en hoe gelukkig ze zijn, hen dan verplichten meer seks te hebben en na een tijdje opnieuw hun geluk te meten. Pas als men dan ook echt gelukkiger is, kan je (met relatieve zekerheid) zeggen dat het komt omdat hun seksfrequentie werd verhoogd. En dat is precies hoe dit onderzoek is aangepakt.

For science!

Enkele koppels die zo altruïstisch waren hun seksleven ten dienste van de wetenschap te stellen, werden verzameld en in 2 groepen verdeeld: een controlegroep (bestaande uit 28 koppels) en een groep die gevraagd werd dubbel zoveel seks als normaal te hebben, hoe laag of hoog die frequentie ook lag (35 koppels, die allen minstens 1 keer per maand maar maximum 3 keer per week seks hadden voorafgaand aan het experiment). De controlegroep kreeg geen specifieke instructies en deden dus gewoon verder zoals ze bezig waren. Dit experiment duurde 90 dagen, en alle participanten werd gevraagd om elke ochtend een korte online survey in te vullen. De resultaten spraken de verwachtingen volledig tegen: de experimentele groep werd minder gelukkig naarmate het experiment vorderde.

Not quantity but quality?

Wat weten we nu meer? Wanneer je koppels oplegt om dubbel zoveel seks te hebben als normaal, worden ze daar niet gelukkiger van, zelfs integendeel. Wil dat zeggen dat er dus geen causaal verband is? Niet noodzakelijk. De opgelegde verdubbeling zorgde er namelijk voor dat de kwaliteit van de seks afnam, en men ook niet meer verlangde naar seks. Ook in voorgaand onderzoek leek kwaliteit van de seks vaak verweven met het geluksgevoel. Wie weet is die kwaliteit dus wel de ongekende causale schakel: als twee mensen goede seks hebben, zijn ze geneigd meer seks te hebben en worden ze daar gelukkiger van. We kunnen dit nu niet met zekerheid zeggen, maar het is een plausibele verklaring. Je zou dit experiment opnieuw moeten opzetten, maar in plaats van seksfrequentie, sekskwaliteit moeten kunnen verdubbelen. Meteen een pak moeilijker om te bereiken (wat Goedele Liekens er ook van mag zeggen) en zeker ook moeilijker om objectief vast te stellen: wanneer is seks significant verbeterd (voor beide partners)?

Andere verklaringen

Ook kunnen we ervanuit gaan dat koppels toegroeien naar een seksfrequentie waar ze samen zo gelukkig mogelijk van worden. Elke manipulatie van die ‘optimale frequentie’, maakt hen dus per definitie minder gelukkig. Daarbovenop is het vaak het geval dat de seksfrequentie afneemt wanneer koppels langer samenzijn en een hogere seksfrequentie dus ook vaker gepaard gaat met de gelukzalige gevoelens die een prille verliefdheid met zich meebrengt. Puur de seksfrequentie verhogen zou dan ook geen invloed hebben op het geluksgevoel, omdat het precies die verliefdheid is die daarvoor zorgt. Ook die valt (helaas) moeilijk te beïnvloeden. Uit het onderzoek kwam trouwens ook naar voor dat koppels die in de experimentele conditie zaten de volledige 3 maanden slechter gezind waren dan de controlegroep. Getrouwd zijn was hier een buffer voor, maar opnieuw: zijn zij die getrouwd zijn langer beter gezind, of zijn mensen die lang goed gezind blijven vaker getrouwd?

Conclusie

De vaststelling dat mensen die vaker seks hebben, meestal ook gelukkiger zijn, is correct. Dit wil niet zeggen dat mensen meer seks doen hebben, hen gelukkiger zal maken. Investeren in elkaar en de vlinders zoveel mogelijk in tact houden heeft waarschijnlijk meer effect op je geluksniveau – en op je seksleven. Dat, of aan de juiste studies deelnemen.

Auteur: Karen De Visch

Karen De Visch is bedrijfspsychologe en werkt als research consultant bij Profacts. Op twitter vind je haar als @DeVisKar en ze is ook de drijvende kracht achter de @GAPugent tweets.

Referentie

  • Loewenstein, G., Krishnamurti, T., Kopsic, J. & McDonald, D (2015). Does increased sexual frequency enhance happiness? Journal of Economic Behavior & Organization, 206-218.
  • Blanchflower, D., sward, A. (2004). Money, sex and happiness: an empirical study.
 

Morgen solliciteren. Help, ik lijd aan extreme testangst.

Het is jou wellicht ook al overkomen. Sollicitatiestress. Je voelt de spanning, je slaapt niet goed die nacht, je piekert en je zweet wat meer dan anders. Volkomen normaal. Voor sommigen is solliciteren en getest worden echter een ware nachtmerrie. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen met extreme testangst niet evenveel kansen zouden hebben om hun vaardigheden te tonen, wat kan leiden tot inaccurate voorspellingen. Maar ook voor organisaties die een testangstige sollicitant (ten onrechte) afwijzen, kan het uitmonden in een nachtmerrie…

Angstgevoelens versus angstgedachten

Testangst manifesteert zich als een combinatie van fysiologische, gedragsmatige, en cognitieve reacties die ontstaan in testsituaties. Het is een subjectieve emotionele en cognitieve toestand voor of tijdens een evaluatie-moment (bv. een examen doen, het afleggen van een IQ-test, een sollicitatie, …), waarbij iemand hevige angst ervaart voor de test zelf, voor het falen en voor de eventuele negatieve gevolgen van het falen. Onderzoek heeft  uitgewezen dat testangst zowel een affectieve als een cognitieve component heeft.

De affectieve, emotionele, fysiologische component (“tension”) heeft te maken met spanningssymptomen, zoals hartkloppingen, zweten (“angstzweet”), duizeligheid, misselijkheid en beven.

De cognitieve component (“worry”) omvat negatieve gedachten over falen (“ik zal het niet kunnen”, “ik ben slecht aan het presteren”). Deze component zou verder bestaan uit zelf-gerefereerde cognities, namelijk vrezen voor het negatief oordeel van zichzelf (“ik zal me dom voelen”), versus ander-gerefereerde cognities (“de anderen zullen me dom vinden”). Vooral deze laatste zouden leiden tot slechtere testprestaties.

Beide componenten zijn natuurlijk sterk aan elkaar gerelateerd en kunnen elkaar ook wederzijds versterken. De negatieve gedachten zorgen ervoor dat men hartkloppingen krijgt en het feit dat men zich bewust is van die hartkloppingen en erover nadenkt, leidt op zijn beurt tot meer spanningssymptomen.

Testangst tijdens een sollicitatieproces: inaccurate voorspellingen

‘Test anxiety’ is al een oud onderzoeksonderwerp. In de jaren  ‘80 en ‘90 was al vaak aangetoond – vooral in een onderwijscontext – dat testangst een negatief effect had op testprestaties. De laatste 10 jaar pas werd testangst ook onderzocht in de context van sollicitaties, ook een setting waar er toch wel veel op het spel staat (‘high-stakes situaties’).

Vroeger ging binnen het domein van selectie de aandacht vooral naar de validiteit van selectie-instrumenten (interviews, cognitieve testen, assessment oefeningen): voorspellen deze instrumenten toekomstige jobprestaties? Gelukkig is er nu ook aandacht naar andere elementen zoals reacties van sollicitanten op die instrumenten (“Vinden sollicitanten het eerlijke en/of jobrelevante instrumenten?”) en mogelijke bias (“Leiden bepaalde instrumenten tot het benadelen van bepaalde groepen sollicitanten?”). Bias kan ertoe leiden dat bepaalde groepen minder goed scoren op een test, terwijl ze wel in de job goed zouden presteren. Veel aandacht ging echter naar bias op basis van demografische factoren zoals geslacht en ras en minder naar bias op basis van psychologische factoren. Ondertussen heeft onderzoek uitgewezen dat mensen met extreme testangst niet evenveel kansen zouden hebben om hun vaardigheden te tonen, wat kan leiden tot inaccurate voorspellingen.

Reden: Testangst zorgt voor cognitieve verstoring

Vanuit het ‘interferentie-perspectief’ stelt men dat zorgelijke gedachten, de preoccupatie om de storende fysiologische reacties de baas te kunnen (bv. proberen om de ademhaling onder controle te krijgen) ertoe leiden dat er geen aandacht meer gegeven kan worden aan de inhoud van de test. Men kan zich helemaal niet meer concentreren. Mensen met extreme testangst kunnen bijvoorbeeld aan niets anders meer denken dan aan het feit dat ze beter moeten nadenken, dat ze moeten stoppen met ‘flippen’, dat ze volledig aan het afgaan zijn, …

Schade voor de organisatie: testangst kan leiden tot negatieve reclame of indienen van een klacht        

De gevolgen voor de sollicitant zijn evident: zeer bekwame maar zeer testangstige sollicitanten worden fout ingeschat en worden ten onrechte afgewezen. Als kers op de taart: bij een volgende sollicitatie kan anticipatie-angst alles nog erger maken. “Ik zal me weer angstig voelen, ik zal weeral ‘flippen’ en falen.”

Maar ook als organisatie kan je hieronder lijden. Niet alleen heb je eventueel een talentvolle kandidaat afgewezen, onderzoek toont ook dat sollicitanten die testangst ervaren vaak het gevoel hebben minder vriendelijk en respectvol behandeld te zijn geweest (‘interpersoonlijke onrechtvaardigheid’), daardoor negatieve percepties ervaren over de organisatie, negatieve reacties uiten over de organisatie tegenover anderen, geen producten meer kopen van die organisatie en/of eerder geneigd zijn een klacht in te dienen wegens onrechtvaardige behandeling.

Testen in thuisomgeving een oplossing?

De laatste jaren is ‘Unproctored Internet Testing’ volop in opmars. Testen (ook cognitieve testen) worden vanop afstand, online, afgenomen, zodat de sollicitant thuis de test kan invullen waar en wanneer hij wil. Niet alleen heeft dit tal van efficiëntievoordelen en leidt het tot een positief imago, ook zou het de angst bij sollicitanten kunnen reduceren. Ze voelen zich thuis meer op hun gemak, meer ‘relax’. Omwille van veiligheidsredenen worden dan echter vaak verificatietesten afgenomen, waarbij sollicitanten nogmaals een deel van de test of een evenwaardige korte versie moeten afleggen in de organisatie zelf. Maar leidt dit niet tot nog meer angst? Niet alleen de angst om beduidend slechter te scoren op de verificatietest , maar ook de angst om gezien te worden als een mogelijke fraudeur (“ze zullen denken dat iemand anders de test thuis heeft ingevuld”).

Dan maar een ‘kalmeerpilleke’ nemen? Hmm, je zal je misschien rustiger voelen, maar tranquilizers leiden tot vermoeidheid, geheugenproblemen, verminderde concentratie, en … ook tot slechtere prestaties.

Ben jij zo iemand die lijdt aan extreme vormen van testangst? Dan ben je waarschijnlijk gebaat bij cognitieve gedragstherapie. Weet ook dat men meestal niet enkel op basis van testen een uitspraak zal doen over je geschiktheid. Uit het interview zal dan wellicht blijken dat je meer in je mars hebt dan dat de testen doen uitschijnen.

Referenties

  • Bonaccio, S., Reeve, C.L., & Winford, E.C. (2012). Test anxiety on cognitive ability test can result in differential predictive validity of academic performance. Personality & Individual differences, 52, 497-502.
  • Proost, K. (2008). Fearing the evaluative context of personnel selection: How bad can it get? Doctoraatsproefschrift.

Auteur

Helga Peeters is doctor in de Psychologie en sinds 2011 als docent en onderzoeker verbonden aan de opleiding Toegepaste Psychologie van Howest. Ze doceert onder andere Rekrutering & Selectie en Arbeids- en Organisatiepsychologie. Haar onderzoeksinteresses situeren zich ook in het domein van Rekrutering & Selectie (innovatieve selectiemethoden, reacties van sollicitanten, …).

Ze behaalde in 2006 haar doctoraat aan de vakgroep Personeelsbeleid, Arbeids- en Organisatiepsychologie van UGent. Haar doctoraatsonderzoek handelde over situationele testen, situationele en gedragsgerichte interviews en de effecten van faking en impression management.

Tussen 2006 en 2011 werkte ze als HR Research Expert bij Securex, waar ze vooral onderzoek deed naar werknemerstevredenheid, -motivatie, leiderschap en personeelsverloop.

 

Seksuele minderheden en stigma: masters of impression management?

Onszelf beter voordoen dan we zijn, we doen het allemaal. Er is geen beter bewaard publiek geheim dat tegelijkertijd zo natuurlijk is aan onszelf. Ettelijke liters inkt vloeiden reeds over de mogelijke nefaste invloeden van gepolijste facebookprofielen die ons een werkelijkheid voorspiegelen die eigenlijk niet bestaat: perfecte levens waar we altijd knap zijn, uitbundig lachen, fancy restaurants bezoeken en de mooiste vakantiekiekjes presenteren.

In de wetenschappelijke literatuur heeft men het over “Impression management” waarvan we de origine reeds in 1959 terugvinden bij de Canadese socioloog Erving Goffman (1959). In zijn boek “The Presentation of Self in Everyday Life” benadrukt hij de rol van zelfpresentatie als een manier van het individu om zichzelf te plaatsen binnen de sociale orde en sociale interacties te faciliteren. In een gesprek met een ander, passen we ons uiterlijk en manieren aan aan de context. De samenleving is immers niet homogeen. We moeten ons adapteren aan verschillende sociale contexten.

Impression management kan in het bijzonder voor gestigmatiseerde groepen een aantal voordelen opleveren. Wanneer je je minderheidskenmerk kan verbergen, levert dat misschien voordelen op in specifieke situaties zoals op een sollicitatiegesprek. Dat is natuurlijk nogal moeilijk als je een Marokkaanse jongen bent of als je een fysieke en zichtbare handicap hebt. Voor holebi’s behoort het verbergen van hun seksuele oriëntatie wel tot de mogelijkheden. Dat heeft zo zijn voor- en nadelen.

Coming out en zichtbaarheidsmanagement

We zijn ondertussen allemaal wel vertrouwd met het concept “coming out”: het kenbaar maken van een homo- of biseksuele oriëntatie aan de buitenwereld.  Het concept heeft echter zijn beperkingen. Ten eerste lijkt het alsof een coming out een éénmalig gegeven is: na de publieke bekentenis is iedereen voor eeuwig en altijd ingelicht over je seksuele oriëntatie. Dat is natuurlijk niet het geval. Telkens wanneer je nieuwe mensen ontmoet of toetreedt tot nieuwe sociale kringen (een nieuwe job, opleiding, op reis,…) moeten holebi’s opnieuw voor zichzelf de keuze maken om al dan niet zichzelf te outen. Daarnaast wordt coming out vaak begrepen als een doelbewuste actie: in een gesprek maakt men duidelijk dat men holebi is. Ook dat is niet altijd het geval. Er zijn immers heel wat impliciete, onbewuste of symbolische manieren om jezelf als holebi kenbaar te maken. Denk maar aan het dragen van het (destijds in Antwerpen veel besproken) regenboog T-shirt achter het loket. Ook het stellen van gender-nonconform gedrag (zich als jongen “verwijfd” of als meisje erg mannelijk gedragen) kan een manier zijn om zichzelf kenbaar te maken. Het wordt in ieder geval ook door anderen zo herkend: verwijfde jongens worden vaak gepercipieerd als homo, mannelijke vrouwen als lesbienne. Een homotiener getuigt in een diepte-interview: “Bij mij valt dat nogal hard op hé (lacht). Bijvoorbeeld hier, mijn handtas. Die is wel voor mannen, maar toch. (lacht). Dat is wel gemakkelijk dat ’t opvalt. Dan moet ik het niet zeggen hé, dan weten ze ’t ineens.”  Het cliché is hier dan ook geen verwijt maar net een dankbaar instrument.

Om aan de beperkingen van het concept “coming out” tegemoet te komen, gebruiken we vandaag eerder het concept zichtbaarheidsmanagement: het continue proces waarbij holebi’s zorgvuldige beslissingen maken over het al dan niet zichtbaar maken van hun seksuele oriëntatie in een verscheidenheid van sociale situaties. Omgaan met deze openheid kan dan samengaan met het (minder) ervaren van mentale stress voortvloeiend uit het ervaren van stigma. Holebi’s doen het immers niet zo goed op vlak van mentaal welbevinden en dat geldt in het bijzonder voor holebi-jongeren: ze scoren hoog op het ervaren van depressieve gevoelens en worstelen vaker dan heterojongeren met zelfmoordgedachten. Daarbij zijn ze ook vaak geneigd om zelf negatief te denken over homo- en biseksualiteit (i.e. geïnternaliseerde homonegativiteit): ze schamen zich erover of zien vooral de negatieve kanten ervan in. Sinds de start van de moderne holebi-emancipatiebeweging aan het eind van vorige eeuw, is coming out altijd gedefinieerd als een belangrijke mijlpaal in het leven van holebi’s. Hoe meer open, hoe meer met zichzelf in het reine en hoe gelukkiger. Maar is dat ook zo? Meer open zijn kan immers ook leiden tot meer ervaringen van discriminatie en vooroordelen. Wat zijn de voor- en nadelen die samengaan met openheid? Dat hebben we onderzocht.

Meer discriminatie, minder openheid, meer stress

2378 holebi’s vulden een uitgebreide vragenlijst in. We gingen daarbij in het bijzonder na of er een verband was tussen zichtbaarheidsmanagement (al dan niet open zijn in een diversiteit aan situaties) en het ervaren van mentale stress. Dit bleek in sterke mate het geval: minder openheid ging samen met meer geïnternaliseerde homonegativiteit. Meer discriminatie ervaren ging samen met minder openheid. Dat laatste ging dan weer samen met meer mentale stress. Deze relaties vonden we zowel bij homo- en biseksuele mannen als bij lesbische en biseksuele vrouwen terug. Lesbische en biseksuele vrouwen rapporteerden wel meer dan mannen reacties op gender-nonconform gedrag (i.e. dat ze zich te mannelijk gedragen) en hadden ook meer mentale stress.

De manier waarop holebi’s zichzelf presenteren aan de buitenwereld doet er dus wel degelijk toe. Het kan zelfs een manier zijn om met minderheidsstress om te gaan: discriminatie vermijden door jezelf onzichtbaar te maken maar daarvoor wel een hoge tol betalen: het ervaren van meer mentale spanningen. Het toont ook de veerkracht aan van individuen om op een actieve manier met hun sociale wereld om te gaan. Bepaalde gedragingen, symbolen, kledingsstijl,… kunnen actief ingezet word om een duidelijk signaal te geven aan de buitenwereld en om interne spanningen te kanaliseren. Het is dus niet altijd een “doen alsof” maar eerder het spelen van een bepaalde rol en daarmee zelf actief vorm geven aan sociale interacties. Holebi’s zijn dus niet uitsluitend slachtoffers van de heersende stereotiepen, soms zetten ze die ook gewoon naar hun hand.

Referenties

  • Dewaele, A., Van Houtte, M., Cox, N., & Vincke, J. (2013). From Coming Out to Visibility Management—A New Perspective on Coping With Minority Stressors in LGB Youth in Flanders. Journal of homosexuality, 60(5), 685-710.
  • Dewaele, A., Van Houtte, M., & Vincke, J. (2014). Visibility and Coping with Minority Stress: A Gender-Specific Analysis Among Lesbians, Gay Men, and Bisexuals in Flanders. Archives of sexual behavior, 43(8), 1601-1614.
  • Erving, G. (1959). The presentation of self in everyday life. Garden City, NY: Anchor.

Auteur: Alexis Dewaele

Alexis Dewaele behaalde een master in de psychologie en een doctoraat in de sociologie. Gedurende acht jaar werkte hij voor het Steunpunt Gelijkekansenbeleid (Universiteit Antwerpen – Universiteit Hasselt) waar hij onderzoek deed naar de maatschappelijke context van seksuele minderheden in Vlaanderen. Momenteel werkt hij als coördinator van PSYNC, het consortium klinische psychologie van de Universiteit Gent. Zijn meest centrale onderzoeksthema’s zijn (seksuele) identiteit, sociale netwerken, minderheidsstress, mentaal welbevinden en seksuele gezondheid.

 

Workplace pets: dieren in huis, waarom niet op het werk.

Het idee dat dieren op het werk goed zijn voor de productiviteit is waarschijnlijk contraintuitief voor de meeste mensen. Dieren houden zich niet in stilte bezig tot je even een pauze neemt, maar lopen rond, maken lawaai, vragen aandacht, willen eten, willen een knuffel, moeten op tijd en stond uitgelaten worden en dergelijke meer. Als er al een effect zou zijn van dieren op het werk, dan lijkt het dus eerder afleidend te zullen werken dan ons productiever te maken. Hoe zou je je nog deftig kunnen concentreren op je werk?

Het lijkt erop dat een aantal bedrijven hier toch anders over denken. Bij Google bijvoorbeeld mogen werknemers hun huisdieren meenemen naar het werk, mits ze enkele basisregels in acht nemen: opruimen wat huisdier in kwestie achterlaat en attent zijn voor collega’s met een allergie. Ben & Jerry’s is een hondvriendelijke werkplaats. Werknemers mogen zonder problemen hun hond meebrengen, net zoals bij Amazon. Daar moeten werknemers eerst hun hond ‘inschrijven’ als workplace pet en ervoor zorgen dat hij alle nodige vaccinaties heeft gekregen. Eens op de werkvloer moet de hond wel altijd aan de leiband worden gehouden, tenzij hij in een kantoor is met een gesloten deur. In een onderzoek bij Amerikanen van 18 jaar of ouder van The American Pet Products Manufacturers Association gaf 20% aan dat ze van hun werkgever hun huisdieren mochten meenemen naar het werk. Sowieso is er jaarlijks een “bring your pet to work”-day. Zes op 10 Amerikanen geeft verder aan dat ze bereid zijn meer uren te presteren, als ze hun hond mochten meenemen naar het werk.

Voordelen

Het lijkt er dus op dat er toch enkele voordelen moeten zijn aan het meebrengen van kat, hond of konijn naar het werk. Dat is inderdaad het geval. Er is ook geen enkele wet die het verbiedt. We zetten de voordelen even op een rijtje.

Stress is in de beste bedrijven aanwezig, er moeten deadlines en KPI’s gehaald worden en je moet klanten, collega’s en bazen plezieren. Een dier in de buurt kan opbeurend werken en hernieuwt je energie. Naast de mentale effecten, hebben (werk)dieren ook een positieve invloed op onze fysieke gezondheid: zelfs naar een goudvis kijken kan een buffer zijn tegen symptomen van depressie en onderzoek geeft verder aan dat interageren met een dier je bloeddruk doet dalen.

Maar daar blijft het niet bij:

  • Dieren zijn een uitstekende manier om het ijs te breken bij klanten, leveranciers en zelfs tussen collega’s. Onderzoek van de University of Central Michigan wijst uit dat de cohesie van een team en de betrouwbaarheid van de teamleden verbetert als er een hond in de buurt is.
  • Op tijd en stond pauze nemen is belangrijk voor creativiteit, focus en productiviteit. Met een dier in de buurt breng je je pauze ook ‘beter’ door, je maakt bijvoorbeeld een kleine wandeling of bent tenminste eventjes helemaal met iets anders bezig.
  • De werkomgeving ziet er gezelliger en cooler uit met een rondwandelende hond of kat, voor sollicitanten springt dit bijvoorbeeld meteen in het oog.

Zoals niet iedereen een dier in huis zou nemen, wil niet iedereen een dier op het werk, om over allergieën nog maar te zwijgen. Ook klanten worden mogelijks afgeschrikt door de workplace pets, hoe schattig ze ook mogen zijn. Desalnietemin lijkt het erop dat een dier op het werk een aantal positieve effecten met zich meebrengt, maar er moet natuurlijk altijd rekening gehouden worden met de specifieke context.

Auteur: Yora Vandenhaute

Yora Vandenhaute is Grafisch Vormgever en werkt als Research Assistant bij Profacts.