Browse Tag: experiment

Piekeren is misschien toch niet zo onschuldig?

Depressie is een stemmingsstoornis die wereldwijd meer dan 300 miljoen individuen treft en dit aantal lijkt zorgwekkend te blijven stijgen. Op 10 jaar tijd is de prevalentie van depressie namelijk toegenomen met meer dan 18 %.

Eenmaal mensen een eerste depressie hebben meegemaakt, verhoogt dit bovendien de kans op een nieuwe.

Men is erdoor gevoeliger geworden voor negatieve gebeurtenissen. Kleine stresserende gebeurtenissen zijn vaak al voldoende om een nieuwe depressie te activeren. Continue Reading

 

Ons feilbare denken: nudgen in de zon

In het boek Ons feilbare denken komt Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman met een overtuigende bundeling van wetenschappelijk onderzoek naar onze denksystemen en beslissingsfouten. Al snel kom je tot het inzicht dat rationaliteit eerder een illusie is dan realiteit en dat beslissingen nooit volledig rationeel zijn. Een typisch voorbeeld is dat wanneer men probeert de kans in te schatten op een vliegtuigcrash, die vele malen hoger ingeschat wordt als er toevallig die week een crash op het nieuws was of als je net Air Crash Investigation keek, terwijl er statistisch gezien niets veranderd is. Continue Reading

 

Wat kan ouders helpen met een kind dat pijn heeft?

Pijn beschouwen we vaak als een strikt persoonlijke ervaring, maar dat is het eigenlijk zelden. Pijn trekt immers, bijvoorbeeld door een pijnlijke grimas, de aandacht van anderen wiens reactie, op zijn beurt, een invloed kan hebben op hoe wij zelf omgaan met pijn. Onderzoek suggereert dat emoties die ontstaan bij het zien van een ander in pijn centraal zijn in het begrijpen van hoe wij zorg dragen voor elkaar.

Ouders beschermen, soms zelfs te veel

Het zien van een ander in pijn motiveert ons om pijn bij de ander onder controle te proberen houden. Dat is natuurlijk ook zo wanneer het over je eigen kind gaat. Als reactie op het zien van je kind in pijn gaan ouders de pijn zoveel mogelijk proberen te beperken door bijvoorbeeld deelname aan mogelijks risicovolle pijnuitlokkende activiteiten te ontmoedigen. Bij acute pijn, zijn deze reacties zinvol omdat ze het kind kunnen beschermen. Echter, bij chronische pijn, wanneer ontsnappen aan de pijn vaak onmogelijk is, zijn deze reacties eerder negatief omdat ze het kind waardevolle dagelijkse activiteiten ontnemen. Daardoor kunnen de pijnproblemen zelfs nog verergeren. Ouders kunnen hun kind vaak beter helpen wanneer ze hun eigen emoties onder controle houden. In labo-onderzoek aan de Universiteit Gent gingen onderzoekers na hoe de aandacht van ouders, het onder controle houden van emoties en pijncontrolerend gedrag samengaan. De studie werd gepubliceerd in het gerenommeerde vakblad ‘Pain’.

Het experiment: de koudwatertaak

Tijdens het experiment moest het kind een ‘koudwatertaak’ uitvoeren. Onderzoekers vragen het kind om zijn of haar hand onder te dompelen in een box gevuld met zeer koud water waardoor een pijnlijke sensatie ontstaat. Voor hun kind de koudwatertaak moest uitvoeren, kregen de ouders een ‘kijktaak’ als opdracht. Tijdens deze taak kregen de ouders op een computerscherm fotoparen te zien, telkens met een kind met een pijnlijk gezicht en één met een neutraal gezicht. Eén groep ouders kreeg de instructie om weg te kijken van het pijnlijke gezicht, de andere groep diende er net de aandacht op te vestigen.

Ouders met en zonder angst hebben andere noden

Voor en na de kijktaak werd onder andere hartslag en variatie in hartslag gemeten. Deze kunnen immers een teken zijn van verhoogde stress. Na de kijktaak observeerde de ouder zijn of haar eigen kind die deelnam aan de koudwatertaak. De onderzoekers gingen ook na of de ouders pogingen deden om de pijn van het kind te controleren. De verwachtingen van het onderzoek werden grotendeels bevestigd: ouders die als opdracht kregen om naar het pijnlijke gezicht te kijken, piekerden meer en voelden zich meer betrokken wanneer hun eigen kind de koudwatertaak moest uitvoeren. Maar er was ook een verschil al naargelang ouders nog voor het experiment meer of minder angstig waren: laag angstige ouders die de opdracht kregen naar het pijnlijke gezicht te kijken hadden meer vrees en poogden meer de pijn van hun kind onder controle te krijgen. Wanneer hoog angstige ouders de opdracht kregen om hun aandacht weg te richten van pijn, gingen ze hun emoties net minder onder controle proberen te houden en meer pijncontrolerend gedrag stellen.

One size does not fit all!

Wanneer ouders geconfronteerd worden met hun kind dat pijn heeft dan is het onder controle houden van emoties belangrijk. Maar hoe dat precies verloopt is dus anders voor angstige of minder angstige ouders. Voor weinig angstige ouders lijkt het goed te zijn om de aandacht weg te houden van de pijn, voor angstige ouders is het net beter om te focussen op de pijn. Ouders zijn dan ook gebaat bij hulp op maat van hun specifieke behoeften.

Meer informatie over deze studie: klik hier om het artikel te downloaden.

Referenties

  • Caes, L., Vervoort, T., Eccleston, C., & Goubert, L. (2012). Parents who catastrophize about their child’s pain prioritize attempts to control pain. Pain, 153, 1695-1701.
  • Schoth, D.E., Georgallis, T., & Liossi, C. (2013). Attentional bias modification in people with chronic pain: a proof of concept study. Cognitive Behaviour Therapy, 42, 233-243.
  • Vervoort, T., Trost, Z., Sutterlin S., Caes, L., & Moors, A. (2014a). The emotion regulatory function of parent attention to child pain and associated implications for parental pain control behaviour. Pain,155, 1453-1463.

Auteur: Prof. Dr. Tine Vervoort

Prof. Tine Vervoort werkt binnen de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent waar ze onderzoek verricht naar onder andere pijn bij kinderen. In 2014 kreeg ze de prestigieuze ‘IASP Ulf Lindblom Young Investigator Award’.

 

Hebben perfectionisten meer kans om een eetstoornis te ontwikkelen?

Perfectionisme en eetstoornissen

Heel wat onderzoek heeft zich gericht op de vraag of perfectionisme het risico op eetstoornispathologie verhoogt. Het gros van deze studies toonde aan dat dit het geval is: wie perfectionistisch is, heeft meer kans om een eetstoornis te ontwikkelen. Er bestaat dus een relatie tussen perfectionisme en eetstoornissen. Dit wil echter niet zeggen dat iedereen die perfectionistisch is zeker te kampen zal krijgen met een eetstoornis gedurende zijn of haar leven. Dit hangt bijvoorbeeld af van het soort perfectionisme waarover we spreken.

“The cruelest thing a man can do to a woman is to portray her as perfection” (D.H. Lawrence)

Enkele studies uitgelicht

Onderzoek waarin men patiënten die een eetstoornis hebben of ooit hebben gehad vergelijkt met gezonde individuen, toont aan dat deze eerste groep (ex-)patiënten veel hogere scores heeft op zowel prestatiegericht (i.e., het stellen van hoge standaarden) als zelfkritisch perfectionisme (i.e., zelfkritische attitude en twijfels wanneer standaarden niet bereikt worden) (Bardone-Cone et al., 2007).

Adolescenten die zowel hoge standaarden stellen als zelfkritisch zijn, hebben meer kans op eetstoornissymptomen dan adolescenten die enkel zelfkritisch zijn. Adolescenten die enkel hoge standaarden stellen, of die helemaal niet perfectionistisch zijn ervoeren de minste eetstoornissymptomen (Boone, Soenens, Braet, & Goossens, 2010).

Longitudinaal onderzoek bij gezonde jongeren toonde aan dat zowel prestatiegericht perfectionisme als zelfkritisch perfectionisme een risico vormt om 2 jaar later toenames in lichaamsontevredenheid en eetbuien (i.e. ongecontroleerd grote hoeveelheden voedsel eten) te ervaren (Boone, Soenens, & Braet, 2011).

Deze studies tonen dus aan dat er een consistente link is tussen perfectionisme en eetstoornissen, en suggereert dat perfectionisme een risicofactor is voor de ontwikkeling van eetstoornissymptomen. Om echt causale uitspraken over de rol van perfectionisme te kunnen doen is het echter nodig om perfectionisme experimenteel te manipuleren. Maar kan dit wel, een persoonlijkheidskenmerk manipuleren?

Wat gebeurt er als we perfectionisme proberen experimenteel te manipuleren?

Binnen een recente studie maakten we gebruik van een experimenteel opzet waarbij vrouwelijke universiteitsstudenten random werden toegewezen aan 2 condities: in de ene conditie werd studenten gevraagd om gedurende de loop van 1 dag hoge standaarden na te streven (= perfectionistische conditie); in de andere conditie werd studenten gevraagd om een relaxte dag te hebben en zo weinig mogelijk inspanningen te doen (= niet-perfectionistische conditie).

Wat bleek nu na deze dag? Studenten die gedurende 1 dag hoge standaarden hadden gesteld bleken niet alleen hogere standaarden gesteld te hebben vergeleken met de studenten uit de niet-perfectionistische conditie, maar bleken ook meer zelfkritisch te zijn geweest. Dit toont aan dat beide perfectionisme componenten zeer sterk verweven zijn aan elkaar. Op dagen waarop mensen de lat hoog leggen lijken ze spontaan geneigd om ook strenger te zijn voor zichzelf en meer zelfkritiek aan de dag te leggen. Ten tweede vonden we dat die studenten die hoge standaarden hadden nagestreefd ook meer lijngedrag (bv. dieet volgen) en eetbuien hadden gehad tijdens de dag vergeleken met studenten die lage standaarden hadden nagestreefd.

 

 

Deze bevinding bevestigt dat perfectionisme een causale risicofactor is voor zowel lijngedrag als eetbuien.

Is perfectionisme eigenlijk een vastgeroest en stabiel persoonlijkheidskenmerk?

Dit experimenteel onderzoek was ook interessant omdat we zagen dat we perfectionisme konden induceren bij al onze studenten. Zelfs die studenten die op voorhand rapporteerden niet perfectionistisch te zijn konden ertoe gebracht worden om hoge standaarden te stellen in de dag en zij ervoeren bovendien ook meer eetstoornissymptomen in die dag. Dit lijkt aan te geven dat er mogelijks wel een perfectionist schuilt in ieder van ons, die onder bepaalde omstandigheden geactiveerd kan worden. Maar, en dit is dan weer hoopgevend, het omgekeerde bleek ook waar te zijn: zelfs die studenten die aangaven dat ze in het dagelijkse leven vrij perfectionistisch zijn, konden ertoe aangezet worden om gedurende één dag lage standaarden na te streven. Dit wijst er dus op dat perfectionisme geen vastgeroeste en onveranderbare eigenschap is.

De bevinding dat perfectionisme gereduceerd kan worden is hoopvol voor preventie- en misschien zelfs interventieprogramma’s voor eetstoornissen. Inderdaad, gezien perfectionisme een causale risicofactor is voor eetstoornissen, kan het belangrijk zijn om perfectionisme aan te pakken, om zo eetstoornissen te voorkomen of genezen.

Referenties

  • Bardone-Cone, A. M., Wonderlich, S. A., Frost, R. O., Bulik, C. M., Mitchell, J. E., Uppala, S., & Simonich, H. (2007). Perfectionism and eating disorders: Current status and future directions. Clinical Psychology Review, 27, 384-405.
  • Boone, L., Soenens, B., & Braet, C. (2011). Perfectionism, body dissatisfaction, and bulimic symptoms: The intervening role of perceived pressure to be thin and thin ideal internalization. Journal of Social and Clinical Psychology, 30, 1043-1068.
  • Boone, L., Soenens, B., Braet, C., & Goossens, L. (2010). An empirical typology of perfectionism in early-to-mid adolescents and its relation with eating disorder symptoms. Behaviour Research and Therapy, 48, 686-691.
  • Boone, L., Soenens, B., Vansteenkiste, M., & Braet, C. (2012). Is there a perfectionist in each of us? An experimental study on perfectionism and eating disorder symptoms. Appetite, 59, 531-540.

Auteur: Liesbet Boone

Dr. Liesbet Boone is klinisch psycholoog en momenteel als postdoctoraal onderzoeker verbonden aan de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust zich voornamelijk op perfectionisme en eetstoornissen bij adolesenten. In haar doctoraatswerk (2012) vond ze in diverse studies evidentie voor het feit dat perfectionisme zeer nauw verweven is met eetstoornissymptomen. Bovendien vond ze via longitudinaal en experimenteel onderzoek dat perfectionisme de ontwikkeling van eetstoornissymptomen voorspelt. Ze is tevens als klinisch psycholoog werkzaam in het Universitair Psychologisch Centrum Kind en Adolescent waar zij adolescenten met eetstoornissen en geassocieerde problematieken begeleidt.