Alles komt in orde.
Meer moet dat vandaag niet zijn: alles komt in orde.

Auteur: Maarten Van Praet
Maarten Van Praet is bedrijfspsycholoog en huiscartoonist van Mensenkennis.be. Hij werkt momenteel als analyst & marketing consultant bij Synthetron.
Meer moet dat vandaag niet zijn: alles komt in orde.

Auteur: Maarten Van Praet
Maarten Van Praet is bedrijfspsycholoog en huiscartoonist van Mensenkennis.be. Hij werkt momenteel als analyst & marketing consultant bij Synthetron.
Mijn werkgever gaat er prat op te innoveren in haar HR-beleid en maakt dan ook al enkele jaren actieve promotie van flex-werk. Eén van de implicaties van flex-werk is dat je elke morgen je werkdag start aan een proper en leeg bureau, de zogenaamde clean desk. Opgeruimd staat netjes. Toch?
Bij mezelf verandert zo’n clean desk vaak al na enkele uurtjes in een heel ander schouwspel: papieren nota’s in het rond, m’n pc-kabels hopeloos in elkaar vernesteld, koffie- en waterbekertjes in acuut omstootgevaar, hier en daar een kleine snack, en het overige bureaumateriaal waar het nog een plaatsje kan vinden. It can get messy sometimes, in m’n kleine cocon.
Onlangs stelde een HR-professional me de vraag: ‘Is de aanwezigheid van een clean desk-policy nu echt zoveel beter dan het ontbreken ervan?’. Ik botste al snel op enkele interessante onderzoeksresultaten die ik je graag laat ontdekken in een korte quiz. De opdracht: verbind de werkomgeving (ordelijk versus wanordelijk) met het type gedrag dat zo’n werkomgeving doorgaans uitlokt. Wat denk jij? Welk gedrag past bij welk bureau?
Mensen die werken in een ordelijk bureau
Mensen die werken in een wanordelijk bureau
Wat blijkt?
Orde en wanorde blijken verschillende mindsets te activeren die allebei nuttig kunnen zijn. Terwijl orde vooral traditionele en conventionele mindsets activeert, leidt wanorde eerder tot onconventionele mindsets. Aan de hand van verschillende studies werd dan ook aangetoond dat ordelijke omgevingen mensen er toe aanzetten om gezonder te eten, meer geld te geven aan liefdadigheid, en in te gaan op meer conventionele reclameboodschappen. Werkomgevingen die eerder wanordelijk waren, bleken mensen aan te zetten om creatievere ideeën te bedenken en in te gaan op reclameboodschappen die vooral nieuwheid benadrukken.
Van wanordelijk naar gepersonaliseerd
Een van de meest creatieve bureauomgevingen die ik reeds tegenkwam is die van Pixar. Daar krijgen medewerkers volledige vrijheid hoe ze hun bureau organiseren en decoreren. Zie bijvoorbeeld onderstaande foto van een medewerker die zijn bureau helemaal als een huisje heeft ingericht, inclusief kroonluchter en basketbalring.
Hoewel ik rond gepersonaliseerde bureaus geen specifiek onderzoek vond – het is dan ook een vrij specifieke context – is er wel onderzoek naar personalisatie en de impact op iemands identiteit. In een interessante studie, door onderzoekers van Wharton en London Business School, werd gevonden dat het zelf kunnen kiezen van je jobtitel een impact heeft op je ‘rolidentiteit’, wat zoveel wil zeggen als hoe je jezelf ziet in je job. Door een verandering te weeg te brengen in hoe medewerkers naar hun eigen job kijken, bleek dat het zelf kunnen kiezen van een jobtitel emotionele uitputting op het werk kan verminderen.
Verder onderzoek naar rolidentiteit heeft dan weer aangetoond dat wanneer je vindt dat je in een rol werkt waarin creativiteit belangrijk is, dat je ook meer creativiteit zult vertonen. Een volgende stap in deze redenering zou kunnen zijn dat wanneer we medewerkers hun eigen bureau laten personaliseren op een creatieve manier, dat dit hun rolidentiteit kan veranderen (meer aandacht voor creativiteit in hun rol), en dat die creatieve rolidentiteit dan weer een positieve impact zal hebben op de creatieve uitspattingen van de medewerker. Bij Pixar lijkt dit alvast te werken. Misschien een leuk ideetje voor toekomstig onderzoek?
Conclusie
Zelf zit ik in een job waar creativiteit en innovatie elke dag centraal staan. Mijn natuurlijke neiging om m’n bureau wanordelijk te ‘organiseren’, blijkt dus eigenlijk vrij functioneel te zijn. Voor mij dus liever geen clean desk. Daarentegen zou ik eerder eens nadenken om m’n bureau volledig te gaan personaliseren. Laat de ideeën maar vloeien…
Auteur
Michiel Crommelinck behaalde zijn doctoraat in de bedrijfspsychologie aan de UGent, is mede-oprichter van de Gentse Alumni Psychologie en initiatiefnemer van Mensenkennis.be, en werkt als Innovation Partner bij HR-dienstverlener Securex.
U kent ze wel: de boeken over brain training. Ze vullen de boekenrekken in Fnac, ze slingeren rond op het salontafeltje van uw oma of opa, en bedrijven die de spelletjes bedenken verdienen er miljoenen mee. Brain training op google: bijna 28 miljoen zoeksresultaten. Maar werkt het nu echt, om je brein te trainen?
Deze vraag werd recent onderzocht in een zeer degelijke en grote studie, waaraan meer dan 7000 vijftigplussers deelnamen. De proefpersonen werden gevraagd om online, en zo vaak ze wilden, regelmatig een aantal denkspelletjes te doen. Men moest telkens minstens 10 min spelen, en minstens 5 keer per week. De proefpersonen werden zonder dat ze dat wisten willekeurig toegewezen aan één van drie condities: er waren mensen die spelletjes voorgeschoteld kregen waarin redeneren en probleemoplossend denken getraind werden. Daarin moesten mensen bijvoorbeeld een aantal gewichtjes op een weegschaal balanceren zodat ze in evenwicht stond. In de tweede conditie kregen mensen spelletjes waarin het geheugen en aandacht getraind werd. In de derde conditie werd aan mensen gevraagd om op internet wat informatie op te zoeken. Deze laatste conditie was de controleconditie: men verwachtte dat deze taakjes geen effect zou hebben op het brein, maar het is belangrijk om in onderzoek zo’n conditie op te nemen als vergelijkingsbasis, omdat mensen die deelnemen aan onderzoek sowieso typisch hun best willen doen en alles beter gaan doen.
Na een aantal weken, na drie maanden en na 6 maanden ging men dan testen of de proefpersonen beter presteerden op een heel aantal criteria, in vergelijking met hun prestatie voor het onderzoek. Men onderzocht functioneren van het geheugen, redeneren, het beoordelen van grammaticale zinnen, maar ook hoe cognitief zelfstandig de ouderen waren in het dagelijkse leven: doen ze zelf hun was, beheren ze hun bankzaken, staan ze in voor hun eigen transport, etc. Deze zaken zijn belangrijk omdat men weet dat vijftigplussers gaandeweg slechter gaan presteren op dit soort zaken, en wie het snelst achteruitgaat vaak later vroeger Alzheimer dementie krijgt.
De resultaten waren zeer positief: de zestigplussers die deelnamen aan de eerste twee condities mét breintraining scoorden (niet na 6 weken, maar wel na drie maanden) maar liefst 15% beter op het zelfstandig uitvoeren van alledaagse activiteiten, in vergelijking met de controlegroep die alleen wat opzoekwerk op internet deed. Iedereen die ouder was dan vijftig scoorde 30% beter op de redeneertests en 19% beter op nieuwe woorden leren. Ook het korte termijn geheugen en grammatica werkten beter.
Brain training werkt dus. Maar enkel bij ouderen. Eerder onderzoek had uitgewezen dat het trainen van cognitieve vaardigheden bij gezonde volwassenen weinig effect heeft. Men stelt hier typisch vast dat mensen beter worden, maar enkel in die specifieke taken die ze trainen. Er is geen veralgemening van de positieve effecten naar andere taken, of naar het dagelijkse leven. Dat blijkt nu dus wél het geval te zijn voor ouderen. Gezien cognitieve vaardigheden in deze groep sowieso achteruit gaan, heeft breintraining daar wél effect.
U weet dus welk kerstcadeau te kopen voor uw oma of opa. Maar besteed er ook niet teveel geld aan: er is geen onderzoek dat aantoont dat de (dure) commerciële producten béter werken dan alledaagse oefeningen zoals sudoku’s of kruiswoordraadsels. Bezig blijven, da’s het voornaamste!
Referenties
Wat betekent adoptie? Wat maakt het leven als geadopteerde mooi of juist moeilijk? Is steun op zijn plaats en zo ja, welke? Prof. Michel Vandenbroeck en Prof. Ann Buysse van de Universiteit Gent interviewden 30 (jong)volwassen geadopteerden in kleine groepen. De deelnemers kwamen uit diverse herkomstlanden. Ze groeiden op met broers en zussen die biologische kinderen van hun ouders waren of ook geadopteerd waren. Sommigen hadden een goede relatie met hun ouders, anderen niet. De onderzoekers beluisterden de gesprekken, noteerden alle meningen en analyseerden hun diepere betekenis. Het onderzoek toont de verscheidenheid aan meningen en niet of een mening meer of minder voorkomt of typisch is voor adoptie.
De buitenwereld verwacht dankbaarheid
Verschil is evenzeer aanwezig als herkenning. Voor sommigen is het leven (soms) pijnlijk en is hulp moeilijk. Voor anderen is adoptie gewoonweg niet relevant. Adoptie gaat samen met positieve en negatieve gevoelens, vaak op hetzelfde moment. Geadopteerden zijn bijvoorbeeld blij met het leven hier en ook nieuwsgierig naar hoe het had kunnen zijn in het gezin van herkomst. Vaak zijn gevoelens niet te begrijpen en vooral niet uit te leggen. Zo verwacht de buitenwereld bijvoorbeeld dankbaarheid. Dat vinden geadopteerden moeilijk want zij hebben niet voor adoptie gekozen. Dat deden hun ouders. Zij zouden dankbaar kunnen zijn. Tegelijk willen ze niet ondankbaar zijn.
“Alsof je elke keer als je uit een auto stapt dankbaar zou moeten zijn dat je weer ontsnapt bent aan een verkeersongeluk”
Ook professionelen missen expertise en empathie
Uit de verhalen blijkt veel onwetendheid en stereotypering in onze samenleving. Geadopteerden voelen dit dagdagelijks. Er is bijvoorbeeld de nooit aflatende nieuwsgierigheid van de buitenwereld, de steeds terugkerende vraag waarom ze werden afgestaan. Of ze worden behandeld als Chinees, zwarte of Filipijnse, met bijbehorende stereotypen. Ze worden aangesproken in het Engels, gezien als lui of net hardwerkend of geassocieerd met prostitutie. Ook professionelen missen soms de nodige empathie, gevoeligheid en begrip voor adoptie. Dat is extra pijnlijk.
Ik ben geen stereotiepe Aziaat!
Geadopteerden passen zich dan maar aan de buitenwereld aan. Ze beantwoorden vragen en blijven beleefd. Ze nemen bijvoorbeeld geen foto’s in het openbaar om niet door te gaan voor een stereotiepe Aziaat. Of ze reageren met een kwinkslag. Dat maakt geadopteerden tegelijk sterk en kwetsbaar. Ze zijn bijvoorbeeld flexibel en kunnen sociale situaties goed inschatten. Maar ze hebben ook problemen met vertrouwen. Ze hebben weinig grenzen of trekken net een muur op rondom hen.
“Ik spreek geen chinees en eet ook niet graag chinees. Ik ben geadopteerd”
Naar een begripvolle en begrijpende samenleving!
Adoptie is zowel normaal als bijzonder. Het behoort tot de diversiteit van onze samenleving. Een goed geïnformeerde samenleving zonder stereotype denkbeelden zou het leven voor geadopteerden aanzienlijk makkelijker maken. Adoptiegevoelige hulp- en dienstverlening kan problemen beter aanpakken. Het steunpunt adoptie kan best op beide punten inzetten.
Auteurs
Prof. Michel Vandenbroeck & Prof. Ann Buysse werken beide aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Gent.
__________
Als reactie op dit artikel kregen wij volgende mail binnen:
Onze steden worden jonger en tegelijk ook super-divers. In een kinderdagverblijf of een kleuterklas waar tien jaar geleden twee of drie talen gesproken werden, hoor je er vandaag tientallen. In Brussel worden volgens de laatste telling 102 talen gesproken. In die context van verjonging en diversifiëring rijzen vragen over gelijke kansen, sociale steun en sociale cohesie. Dit is een van de vele thema’s die aan bod komen op een studiemiddag over preventieve gezinsondersteuning op 9 oktober aan de Universiteit Gent. Prof. Vandenbroeck zal er de essentiële rol beklemtonen van voorschoolse voorzieningen (kinderopvang en kleuterschool) met betrekking tot gelijke kansen (dat is wat ze voor kinderen kunnen betekenen), sociale steun (dat is wat ze ouders kunnen bieden) en sociale cohesie (en dat is essentieel voor de samenleving). Allen spelen een rol bij opvoeding.
Kwaliteitsvolle kinderopvang draagt bij tot gelijke kansen
Er is heel wat onderzoek dat toont dat als jonge kinderen voldoende gebruik maken van voorschoolse voorzieningen (kinderopvang en kleuterschool), dit positieve gevolgen heeft voor alle domeinen van hun ontwikkeling en dat die positieve gevolgen tot ver in het secundair onderwijs zichtbaar blijven. Op die manier dragen kinderopvang en kleuterschool in grote mate bij tot gelijke kansen van bij de start. Die positieve effecten mogen we echter alleen verwachten als die kinderopvang en kleuterschool van goede kwaliteit zijn. Slechte kwaliteit doet meer kwaad dan goed, omdat het voor langdurige stress zorgt en dat maakt dan weer dat er al te veel en al te lang stresshormonen in de hersenen worden vrijgemaakt. Een zeer belangrijke onderzoeksvraag is dus: wat is goede kwaliteit? Dat is geen makkelijke vraag omdat we nu eenmaal niet zo gauw kinderen in verschillende klasjes kunnen stoppen waarvan we van de ene verwachten dat ze goed is en de andere slecht om dan te zien wat er gebeurt. Toch leveren overzichten van langdurige studies in vele landen een redelijk helder zicht op wat minimale kwaliteit en wat hoge kwaliteit is.
Kwaliteitsvol betekent aandacht voor zorg, respect voor eigenheid en diversiteit
Het gaat er steeds om dat kinderen zowel emotioneel als educatief ondersteund worden. Emotioneel betekent dat er voldoende zorg is: zorg voor het lichaam, maar ook individuele aandacht, gehoord worden, inspelen op soms kleine reacties, vragen, noden en behoeften, respect voor de eigenheid van elk kind, inclusief bijvoorbeeld respect voor de moedertaal. Educatief betekent dat men en omgeving aanbiedt waarin kinderen rijke ervaringen opdoen op vele vlaken: in de omgang met anderen, in hun lichamelijke ontplooiing, in communicatie, in denken, enz. Dat vraagt een gevarieerde materiële omgeving, maar wellicht nog meer een aandachtige opvoeder die signalen van het kind oppikt en die uitbreidt. En onderzoek toont duidelijk dat hier een aantal voorwaarden voor zijn. Een van de belangrijkste is de kwalificatie van de opvoeders en de kansen die zij krijgen om met collega’s, leidinggevenden of coaches te reflecteren op hun belangrijke werk. Verder leren we uit internationaal onderzoek dat kinderen het best gedijen in gemengde groepen, waar een diversiteit van kinderen samen zitten, waar een pedagogiek ontwikkeld is om met die diversiteit om te gaan: een pedagogiek die zowel verschil als gelijkenis expliciteert en valoriseert. En dat biedt net goede kansen voor de voorzieningen in de stad.
Kleuteronderwijs mag niet enkel focussen op ontwikkelingsnormen
Toch zien we dat er in Vlaanderen nog ruimte voor verbetering is. Bijna alle kinderen vanaf een jaar of vier gaan naar de kleuterschool en onderzoek toont dat we de positieve effecten van de kleuterschool mogen verwachten vanaf een halftijdse aanwezigheid. In vergelijking met de meeste andere landen doen we het op dat vlak dus bijzonder goed. Lopend onderzoek toont evenwel dat we nog wat stappen te zetten hebben in de integratie van zorg en educatie. De nadruk in de kleuterschool ligt erg op het leren en dat wordt nog vaak beschouwd als het behalen van een aantal ontwikkelingsnormen. De aandacht voor zorg lijkt daarbij ondergeschikt te raken. Zo zien we niet altijd hoe je tijdens de zindelijkheidstraining ook educatief bezig kan zijn. Of dat het middagmaal een belangrijke emotionele waarde kan hebben. Die ondergeschiktheid van zorg maakt dat kinderen die wat meer zorg nodig hebben, minder aan hun trekken komen en het risico lopen te ‘blokkeren’ tijdens de educatieve activiteiten en dus minder baat te hebben bij de kleuterschool. De integratie van zorg en educatie is noodzakelijk om elk kind maximale kansen te geven. Ook op het vlak van meertalige ervaringen bieden hebben we nog een weg te gaan.
Vlaamse kinderopvang is te weinig toegankelijk voor kansarme gezinnen
In die andere voorschoolse voorziening, de kinderopvang, heeft men een lange traditie van zorg en heeft men ook heel wat know-how opgebouwd over het samenwerken met erg diverse ouders. Daar zien we echter dat het educatieve soms wat ondergesneeuwd raakt. Het zwakke punt van de Vlaamse kinderopvang is het nog steeds ongelijke gebruik: kinderen uit armere gezinnen en uit gezinnen met een migratie-achtergrond hebben nog altijd maar half zo veel kansen om een goede en betaalbare plek te vinden dan hun middenklasse leeftijdsgenootjes.
Isolement belemmert het vinden van steun
Sociale steun is wellicht de meest universele vorm van opvoedingsondersteuning. Terwijl de ene ouder heel wat heeft aan een deskundig advies, is dat net iets wat de andere bijzonder onzeker maakt. Maar sociale steun is iets wat iedereen als zinvol ervaart: ouders gaan nu eenmaal veel vlugger bij vrienden, familie en kennissen te raad wanneer ze zich zorgen maken of vragen stellen over de opvoeding. En dat is ook goed. Onderzoek toont dat sociale steun bijzonder waardevol is en dat dit niet perse onder gelijkgestemden hoeft te gebeuren. Recent onderzoek toonde echter dat wie grote persoonlijke netwerken heeft, die netwerken nog uitbreidt als hij of zij kinderopvang gebruikt. Maar wie meer geïsoleerd is, breidt zijn sociale steun niet uit in de kinderopvang.
Elkaar ontmoeten: meer dan nostalgie
Sociale cohesie is dan weer wat een stad (of een samenleving) leefbaar maakt. Het gaat om een minimum aan samenhang die iedereen het gevoel geeft erbij te horen. Het betekent uiteraard niet dat we allemaal beste vrienden moeten worden. Het gaat ook niet om nostalgie naar een mythisch en dorps verleden “langs het tuinpad van mijn vader”. Ook (en misschien vooral) “lichte” ontmoetingen maken een stad leefbaar. Er zijn niet zo veel plaatsen waar mensen van diverse origines en verschillende komaf elkaar nog ontmoeten. Ja, er is natuurlijk het Aldi warenhuis. Maar daar kunnen we moeilijk beleid over voeren. We weten ook dat kinderen al lang voor de schoolleeftijd vooroordelen ontwikkelen. Het is dus van essentieel belang dat we een beleid ontwikkelen op die weinige plaatsen waar jonge kinderen (en hun ouders) elkaar ontmoeten. Ook daar spelen kinderopvang en kleuterscholen dus een sleutelrol. Op sommige plaatsen zien we dat mensen elkaar ook echt ontmoeten, terwijl we dat op andere plaatsen niet zien.
Auteur
Professor Michel Vandenbroeck is hoofddocent Gezinspedagogiek aan de Vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek van de Universiteit Gent. Momenteel leidt hij, samen met Prof. Ferre Laevers van de KU Leuven het MeMoQ onderzoek naar de pedagogische kwaliteit van de Vlaamse kinderopvang, in opdracht van Kind en Gezin. Samen met prof. Piet Van Avermaet (Steunpunt Diversiteit en leren) leidt hij een onderzoek naar de leerkansen van kansarme kinderen bij het begin van de kleuterschool. Hij is promotor van verschillende doctoraatsstudies, waaronder een naar de rol die voorzieningen voor jonge kinderen spelen bij sociale steun en sociale cohesie in contexten van stedelijke diversiteit.
Prof. Vandenbroeck geeft op 9 oktober een lezing aan de UGent op een studiemiddag over preventieve gezinsondersteuning: lees meer
Referenties
Meer lezen?
Het kleine meisje dat graag bij haar mama in bed wil slapen, de tiener die gilt omdat ze een spin gezien heeft, de adolescent die niet naar school wil omdat hij een belangrijke presentatie moet geven… Herkenbaar?
Alle jongeren ervaren weleens angst. Is dat echter een probleem? En zo ja, kunnen we daar iets aan doen?
Angst bij jongeren
Angst is op zich een adaptieve en nuttige reactie, het zorgt ervoor dat je alert ben voor mogelijke gevaren. Dit maakt dat je op tijd en gepast kan reageren indien nodig. Angst kan echter ook dermate groot zijn dat het voor problemen zorgt in het dagelijkse leven. Onderzoek in Nederland toont aan dat tot 28% van de jongeren te kampen krijgen met een angststoornis (Ormel et al., 2014). Dit is niet alleen erg veel, voorgaand onderzoek vertelt ons helaas ook dat deze jongeren een 2 tot 3 keer meer kans hebben om als volwassene terug emotionele problemen te ervaren (Pine et al., 1998). Dit maakt het erg belangrijk om onderzoek te doen naar de mechanismen die een rol kunnen spelen bij angst bij jongeren en naar beloftevolle interventies.
Angst in de hersenen
In de hersenen bevindt zich een angstnetwerk dat actief wordt bij het ervaren van een bedreiging. Een heel belangrijke hersenregio hierin is de amygdala. Dit gebied is eigenlijk onze angstthermometer en gaat sterk reageren op gevaarlijke situaties. De amygdala is verbonden met hypothalamus die (met behulp van adrenaline en cortisol) een hele reeks van lichamelijke reacties opstart. Zo kan angst ervoor zorgen dat je begint te zweten, je hart sneller gaat kloppen, je hersenen meer bloed krijgen, etc. Hierbij is het echter belangrijk om te weten dat de amygdala geen onderscheid kan maken tussen feit en fictie. Dit maakt dat als je denkt dat je in gevaar bent, je lichaam ook zo gaat reageren! Dit maakt dat gedachten, interpretaties en herinneringen dus ook angst kunnen uitlokken.
Emotieregulatie
Het feit dat gedachten onze gevoelens kunnen veranderen, kunnen we echter ook in ons voordeel gebruiken! Een ander belangrijk deel van de hersenen, de prefrontale cortex, is onder meer verantwoordelijk voor cognitieve controle processen zoals emotieregulatie: het reguleren of trachten te veranderen van onze gevoelens. Er zijn erg veel verschillende emotieregulatiestrategieën die mensen gebruiken in een poging controle te krijgen over hun gevoelens (bijv. Ochsner, Silvers & Buhle, 2012). Hoewel het afhankelijk is van de situatie of een bepaalde strategie voordelig dan wel nadelig is, worden sommige strategieën in het algemeen toch als adaptiever gezien dan anderen. Een voorbeeld van een maladaptieve strategie is supressie, waarbij je gevoelens of de uiterlijke tekenen ervan gaat onderdrukken. Een voorbeeld van een adaptieve strategie is cognitieve herinterpretatie. Bij deze strategie ga je met behulp van gedachten je gevoelens proberen te controleren. Wanneer je bijvoorbeeld erg bang bent van een spin, kan het behulpzaam zijn om te denken dat jij vele malen groter bent dan de spin en dat de spin waarschijnlijk ook bang is van jou. Bij sociale angst, zoals het spreken voor een klas, kan het bijvoorbeeld helpen om te denken dat je goed voorbereid bent en je leerstof goed kent.
Baas over eigen gevoel!
Het herkennen van en goed omgaan met gevoelens kan een waardevol deel van therapie zijn. Nele De Witte heeft dan ook in samenwerking met haar promotor en copromotor een werkboekje ontwikkeld dat gericht is op omgaan met gevoelens. In dit boekje wordt er stil gestaan bij de ervaring van gevoelens, de wisselwerking tussen gevoelens en gedachten en hoe gedachten gebruikt kunnen worden om gevoelens te veranderen. Momenteel wordt er onderzocht of jongeren met verhoogde angst via dit boekje cognitieve herinterpretatie kunnen aanleren. Daarnaast gaat men ook kijken of de jongeren bij het gebruiken van deze strategie erin slagen hun lichamelijke reactie (hartslag, zweetproductie, etc.) bij negatieve afbeeldingen onder controle kunnen krijgen.
Auteur
Nele De Witte is als doctorandus, onder supervisie van prof. dr. Sven Mueller en Prof. Dr. Caroline Braet, verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Deze vakgroep is een onderdeel van PSYNC, het consortium klinische psychologie.
Referenties
De wens om kinderen te krijgen is een fundamentele menselijke behoefte en een erg kostbare wens in verschillende culturen. Voor heel wat koppels kan de kinderwens echter niet vervuld worden zonder medische hulp. Het gebruik van donormateriaal – spermacellen of eicellen van een derde partij – kan voor sommige onder hen soelaas bieden.
Onderzoek over donorgezinnen
Internationaal onderzoek toont aan dat voor 9 tot 15% van de koppels in vruchtbare leeftijd, vruchtbaarheidsproblemen de weg naar het ouderschap bemoeilijken. Niet alleen voor heterokoppels, maar ook voor lesbische- en transgender koppels kan donormateriaal een oplossing bieden. Omdat in een donorgezin de gezinsleden niet volledig genetisch verwant zijn met elkaar, zet deze gezinsvorm onze traditionele definitie van ‘het gezin’ als ‘een systeem gevormd door genetisch verwanten’ verder op de helling.
Onderzoekers besteden heel wat aandacht aan het welzijn van donorgezinnen en het psychosociaal functioneren van de kinderen die in deze gezinnen opgroeien. Hoewel deze studies ons goed cijfermateriaal verschaffen, weten we weinig over de rol van de donor, de beleving van de gezinscommunicatie en de betekenis van genetische en niet-genetische banden voor de verschillende gezinsleden. Om hier meer inzicht in te verkrijgen, namen we in onze studie diepte-interviews af bij ouders en hun kinderen, die via donormateriaal verwekt werden (zowel heteroseksuele als lesbische ouders, zowel eicel- als spermadonatie).
Een alternatieve weg naar een ‘normaal’ gezin?
Uit onze interviews bleek dat voor vele ouders het vormen van een donorgezin een onbekend en nieuw terrein was. Terwijl ze dit alternatieve pad bewandelden, hadden de ouders één doel voor ogen: het vormen van een ‘normaal’ gezin met sterke gezinsbanden. De donor werd over het algemeen ‘vergeten’ en ‘weggedacht’, vooral door de heteroseksuele gezinnen die het genetische verwante gezinsideaal trachtten na te streven. Voor hen was het essentieel om de rol van de donor in het gezin te minimaliseren. Lesbische koppels waren minder gehecht aan het ideaalbeeld van een genetisch verwant gezin. Zij werden meer op de proef gesteld door het ontbreken van een vaderfiguur omdat men er in onze samenleving vaak van uit gaat dat een kind behoefte heeft aan een moeder én een vader.
Nagenoeg alle koppels beschouwden de donor initieel als een technisch hulpmiddel, maar dit veranderde van zodra het gezin gevormd was en bepaalde eigenschappen van de kinderen de link met de donor in herinnering brachten. Het ging vooral om de talenten, hobby’s of voorkeuren, die de kinderen ontwikkelden en die men niet herkende in het eigen gezin, waardoor men meer en meer nadacht over de donor als een persoon en geen instrument. Zou de donor ook goed zijn in wiskunde? Zou de donor ook een spleetje tussen de tanden hebben? Zou de donor ook zo muzikaal zijn?
Tot slot hadden partners soms verschillende visies op de donor en het belang van genetische banden. Sommige partners waren nieuwsgierig en wilden meer weten en vertellen over de donor, terwijl anderen dit hoofdstuk net wilden afsluiten. De betekenis en de rol van de donor werd onderhandeld en vaak geminimaliseerd, met het oog op het versterken van de positie van de niet-genetische ouder. Zo werd de donor vaak gezien als een bedreiging voor de niet-genetische ouder, louter en alleen door de aanwezigheid van de genetische link met de kinderen. Ouders bleken constant de balans te maken tussen het belang van deze genetische en sociale banden. Ze minimaliseerden de relevantie van de genetische band en tegelijkertijd was het gemis van deze band vaak een betekenisvolle verlieservaring voor de niet-genetische ouder.
Gezinnen in de toekomst?
Met onze huidige reproductieve technologieën maken we gezinsvorming mogelijk zonder volledige genetische verwantschap. Tegelijkertijd hechten sommige mensen net heel veel belang aan deze genetische constellatie. Ook in onze samenleving zien we een trend waarbij steeds meer aandacht gaat naar genetische informatie (vb. het opsporen van genetische afwijkingen via de Niet-Invasieve Prenatale test). Ons onderzoek biedt alvast enkele concrete aandachtspunten wat betreft de beleving van donorgezinnen. Zo benadrukken vele ouders dat zij beschouwd willen worden als een normaal gezin, waarbij de donor slechts een noodzakelijke tussenstap was in hun transitie naar ouderschap en verder geen aandacht behoeft. Anderzijds stellen we vast dat er ook een vraag is om het taboe rond donorconceptie te verbreken en openheid over het donorschap te promoten. Zijn we vooruitstrevend wanneer we binnenkort mogelijk maken dat donoren identificeerbaar zijn en donorgezinnen samen met hun kinderen informatie opzoeken of contact leggen met de donor? Of zijn we net vooruitstrevend door het belang dat gehecht wordt aan genetische banden in vraag te durven stellen? Stuk voor stuk moeilijke vragen die we in de toekomst zullen trachten te beantwoorden.
Auteur
Elia Wyverkens is klinisch psycholoog en seksuoloog en behaalde haar doctoraat in de psychologie. Ze deed onderzoek naar de beleving van donorconceptie aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent, onder supervisie van prof. dr. Ann Buysse (zie ook www.parenthood.ugent.be). Deze vakgroep is een onderdeel van PSYNC, het consortium klinische psychologie.
Deze week doen we het eens omgekeerd. Huiscartoonist Maarten geeft een teaser voor de volgende blogpost! Binnenkort hier te lezen.

Auteur: Maarten Van Praet
Maarten Van Praet is bedrijfspsycholoog en huiscartoonist van Mensenkennis.be. Hij werkt momenteel als analyst & marketing consultant bij Synthetron.
Voor wie eraan denkt een geluksmanager in dienst te nemen: doe het vooral niet, schrijft Frederik Anseel. Te veel focus op geluk houdt de illusie van de maakbaarheid ervan in stand, en maakt uiteindelijk ongelukkig. (Verscheen eerder op destandaard.be)
Een chief happiness officer. Mijn god, waar halen ze het? Europese bedrijven zouden steeds vaker zo’n ‘cho’ of geluksmanager in dienst hebben die geluk op de werkvloer moet verspreiden (DS 5 augustus). Vroeger moest een personeelsdirecteur erop toezien dat tevreden werknemers in goede omstandigheden hun werk konden doen. Maar de laatste vijftien jaar is tevreden niet langer voldoende. Personeelsdirecteurs zijn al lang humanresourcesmanagers geworden. Ze moeten garanderen dat alle medewerkers geëngageerd of bevlogen zijn – lees: supergemotiveerd. Hoe je dat als bedrijf moet klaarspelen? Een legertje consultants staat klaar om je daarbij te helpen. Tegen een fikse beloning natuurlijk.
Maar ook dat volstaat niet meer. Mensen moeten nu zelfs gelukkig zijn op het werk. Kolfje naar de hand van een geluksmanager? Misleidend idee. Vijf redenen waarom je vooral géén chief happiness officer in je organisatie wil.
1. Een te sterke focus op geluk nastreven maakt mensen net ongelukkig. Studies tonen aan dat mensen die als doelstelling krijgen hun geluk te verhogen, zich eenzamer en ongelukkiger voelen. Een van de redenen is dat dat je afleidt van je werk en je te veel richt op de diepte en intensiteit van je gevoelens: ‘Maakt dit werk me wel gelukkig? Zou ik niet beter een andere job zoeken?’ Mensen kunnen heel slecht voorspellen wat hen gelukkig maakt. Als je maar lang genoeg aan iemand vraagt of hij wel gelukkig is, barst hij vroeg of laat in tranen uit.
2. We overschatten de maakbaarheid van geluk. Zowat 50 procent van je geluksgevoel is erfelijk bepaald. Wijlen Luc Devos gebruikte graag de oneliner ‘Geluk is iets voor vrouwen en kinderen’ om de vraag te ontwijken of hij wel gelukkig was. Sommige mensen hebben nu eenmaal genetisch meer aanleg voor geluk dan anderen. De impact van je werk op je algemeen geluksniveau is beperkt. Mensen werken keihard om die ene promotie binnen te halen omdat ze geloven dat alles dan anders wordt. Niet dus. Zodra de promotie binnen is, verandert er gewoon heel weinig. We overschatten de impact van veranderende omstandigheden op ons geluksniveau. Al snel valt je geluksgevoel weer op het oude niveau.
3. Geluk is een bijproduct van zinvolle activiteiten. Er is een boomingindustrie ontstaan die mensen geluk verkoopt. Een lezinkje hier, een boekje daar, een app op je smartphone en klaar. De geluksmanager laat zich snel verleiden tot leukigheden als een koffiehoek waar je kunt tafelvoetballen of dartsen. Dat levert misschien catchy krantenkoppen op, maar zo werkt het niet. Geluk uit zich wellicht pas in de terugblik op een aaneenschakeling van bereikte doelstellingen, zinvolle bezigheden, een verschil maken voor anderen. Het effect van goede prestaties op jobtevredenheid (dus de omgekeerde richting) blijkt even groot als het effect van jobtevredenheid op goede prestaties.
4. Het onderliggende idee van de gelukstrend is een klassieker: a happy worker is a productive worker. Maar dat is een gevaarlijk hellend vlak. De paternalistische bekommernis om het geluk van de werknemer wordt onuitgesproken al snel een bekommernis om de productiviteit van het bedrijf. ‘Gelukkige werknemers zijn een derde productiever’, werd een Harvard-studie geciteerd in deze krant. Het welzijn van werknemers en economisch succes van een bedrijf kunnen inderdaad mooi hand in hand gaan. Maar hier verwordt het sturen van menselijke emoties een instrument om economische doelstellingen te bereiken. Hoe oprecht is de bekommernis om welzijn? Zolang het slechts een aantal cosmetische gimmicks betreft, gaan bedrijven graag met de nieuwste hype mee. Maar als er geherstructureerd moet worden of jobs herbekeken, toont het bedrijf dan ook nog dat het geluk van zijn medewerkers prioritair is?
5. Mensen hebben het recht om ongelukkig te zijn. Als geluk eenvoudig maakbaar is én de verantwoordelijkheid van een chief happiness officer, dan wordt het wel vervelend als jij niet gelukkig bent. ‘Zeg, waarom ben jij niet gelukkig? Je moet zelf ook wel je best doen natuurlijk.’ Klinkt absurd? Allerminst. In tal van bedrijven worden managers nu geëvalueerd op basis van de geluksscore van hun medewerkers. Als blijkt dat de medewerkers in jouw team gemiddeld een score van 65 procent rapporteren op de tevredenheidsenquête, krijg je als manager een bonus. Nog even en een overijverige manager begint alle ongelukkige medewerkers te ontslaan.
HR-verantwoordelijken laten zich best niet tot overmoed verleiden door geluksprofeten. Iedereen gelukkig op het werk? Laat medewerkers zijn wie ze zijn. Als ze echt gepassioneerd zijn door hun werk, leuk voor hen. Maar het is geen verplichting. Goed personeelsbeleid is meer dan enkele leuke gimmicks. Een authentieke en systematische focus op gezond en zinvol werk waarin mensen zich gewaardeerd voelen, ook als het wat minder gaat: dat is wat telt. Als er dan toch nieuwe functies gecreëerd worden, pleit ik voor een chief people officer. Als bedrijf de mens echt centraal stellen, het kan perfect samengaan met economisch succes.
Auteur: Frederik Anseel.
Frederik Anseel is voorzitter van de vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie aan de UGent en hoofd van de onderzoeksgroep VIGOR. Te vinden op twitter als @fanseel of op www.fanseel.be
Referenties
Je hoort het soms: hoe hoger men zich bevindt in de organisatiehiërarchie, hoe meer stress men ervaart. Maar is dat ook zo? In deze blogpost bespreken we onderzoek dat aantoont dat dit niet zo is: leiderschap blijkt immers geassocieerd met lagere, in plaats van hogere, stressniveaus.
Leiders: hogere vereisten, maar ook meer controle
Je zou twee perspectieven kunnen innemen om de relatie tussen leiderschap en stress te begrijpen. Langs de ene kant worden de jobvereisten vaak hoger wanneer men klimt in de hiërarchie. Men krijgt meer verantwoordelijkheid, ervaart hogere tijdsdruk, moet meer uren werken, enz. Langs de andere kant ervaren leidinggevenden ook meer controle. Ze kunnen zelf bepalen waaraan gewerkt wordt, wie wat doet, hoe ze bepaalde projecten aanpakken, enz. Deze controle kan een belangrijke buffer vormen tegen stress.
2 studies nemen stress onder de loep
De deelnemers aan dit onderzoek waren werknemers die een opleiding volgden aan Harvard. Ze kwamen uit de publieke sector (overheidspersoneel en militairen). Om na te gaan of men een leidinggevende positie had, moesten deelnemers aangeven of ze al dan niet verantwoordelijk waren voor het managen van andere medewerkers.
In de eerste studie werden bij leidinggevenden, in vergelijking met niet-leidinggevenden, lagere cortisolniveaus (stresshormoon) en lagere angstniveaus gemeten. In de tweede studie werd ook gekeken naar het hiërarchisch niveau (de rang) van de leidinggevenden. In deze studie bleek dat leidinggevenden in een hogere posities lagere cortisol- en angstniveaus vertoonden dan leidinggevenden in lagere posities. Deze relatie werd bovendien significant verklaard door verschillen in het gevoel van controle: leidinggevenden in hogere posities ervoeren een groter gevoel van controle en dit verklaarde hun lagere stressniveau.
Conclusie: leiders en stress
In tegenstelling tot wat velen denken, is leiderschap geassocieerd met lagere stressniveaus. dit verschil blijkt te verklaren door een groter gevoel van controle.
Referentie
Meer lezen?
Auteur
Michiel Crommelinck behaalde zijn doctoraat in de bedrijfspsychologie aan de UGent, is mede-oprichter van de Gentse Alumni Psychologie en initiatiefnemer van Mensenkennis.be, en werkt als Innovation Partner bij HR-dienstverlener Securex.