Browse Category: Klinische psychologie

Waarom hebben mensen seks?

Is het nu echt nodig om daar een onderzoeksproject aan te wijten? Het lijkt toch evident. Om zich voort te planten, om  seksuele spanning te ontladen of omdat het leuk is toch? De variëteit aan seksueel gedrag doet echter vermoeden dat seksuele motivatie meer divers en complex is. Om zicht te krijgen op de redenen waarom wij Vlamingen seks hebben en dit in verband te brengen met  seksueel gedrag en seksuele beleving, hebben de studenten seksuologie van de Universiteit Gent een grootschalig online onderzoek opgezet. Iedereen die seksueel actief is en 30 minuten tijd wil uittrekken, kan de vragenlijst invullen op www.waaromseks.be. Deelnemen kan t/m 31 maart 2014.

Seksuele beleving

Bevolkingsonderzoek naar seksualiteit richt zich doorgaans op gedragsvariabelen met als voornaamste focus cijfers mbt seksuele frequentie, seksuele praktijken en prevalentie van seksuele problemen. Hoeveel keer we ‘het’ moeten doen om normaal te zijn is veelvuldig onderzocht. De studie van seksueel gedrag biedt echter weinig inzicht in de seksuele beleving van mensen en het is die beleving die het seksueel welzijn en uiteindelijk de kwaliteit van leven determineert.  Wat zegt het ons dat een koppel gemiddeld tweemaal per week seks heeft?  Als deze frequentie primair gedreven wordt vanuit onzekerheid of andere negatieve motieven kan dit meer nefast zijn voor de seksualiteitsbeleving dan een koppel dat eenmaal per maand seks heeft vanuit gevarieerde, positieve motieven. Om seksueel gedrag en diens verhouding tot seksuele beleving beter te begrijpen, is het dus belangrijk om de proximale determinanten van gedrag te bestuderen, namelijk seksuele motieven.

Ondanks het wezenlijke belang, is onderzoek naar seksuele motivatie lange tijd onderbelicht geweest. Om deze lacune in de literatuur op te vangen, hebben Amerikaanse onderzoekers in 2007 aan 444 psychologie-studenten gevraagd om alle mogelijke motieven op te lijsten waarmee zij of anderen seks hebben (Meston & Buss, 2007). Uit deze rondvraag kwamen 237 motieven naar voren die de onderzoekers onderverdeeld hebben in 4 hoofdcategorieën, namelijk (1) fysieke redenen (stress reductie, plezier, fysieke begeerte, ervaringen opzoeken), (2) doelgericht (middelen bekomen, sociale status, wraak, utilitarisme), (3) emotionele redenen (liefde, commitment en expressie), en (4) onzekerheid (ego-boost, plicht/druk, partner niet verliezen). Na exclusie van overlappende en weinig voorkomende motieven, kwamen zij tot een vragenlijst van 139 motieven die gevalideerd werd in later onderzoek. Hoewel mannen doorgaans meer gericht zijn op fysieke motieven en vrouwen meer vrijen vanuit emotionele en relatie-motieven, bleek uit dit Amerikaans onderzoek dat niet minder dan 8 motieven uit de top 10 van de mannen ook in die van de vrouwen staan. Dit is een opvallend resultaat dat ons aanmoedigt om niet alleen te focussen op gender-verschillen, maar ook meer aandacht te hebben voor de overlap tussen mannen en vrouwen.

Een belangrijke meerwaarde van de YSEX vragenlijst is dat dit instrument toelaat om de variëteit aan motieven alsook de frequentie waarmee mensen vrijen vanuit een bepaald motief te inventariseren. Beide parameters zijn belangrijk om seksueel gedrag en seksuele beleving te begrijpen. We kunnen immers stellen dat de variëteit aan motieven en de flexibiliteit waarmee mensen de betekenis van seks kunnen onderhandelen en mee laten variëren met leeftijd of levensgebeurtenissen, belangrijke voorspellers zijn van seksuele tevredenheid.

Seksuele beleving in verschillende doelgroepen

Flexibiliteit mbt seksualiteit en seksuele motivatie blijken een belangrijk thema te zijn wanneer mensen geconfronteerd worden met een ingrijpende ziekte zoals Multiple Sclerose (MS) en kanker. Verschillende lichaamsfuncties, waaronder de seksuele functies, vallen uit en ook de behandeling kan interfereren met het seksueel functioneren. Hoewel we weten dat seks een belangrijke rol kan blijven vervullen in het omgaan met en het verder-leven na de ziekte, is er weinig onderzoek naar de seksualiteitsbeleving, en zeker niet naar de seksuele motieven, van mensen met kanker en MS. Naast een algemene bevraging van de gemiddelde Vlaming, willen we ons ook specifiek richten op een aantal doelgroepen die tot op heden weinig bevraagd zijn in seksualiteitsonderzoek: mensen met MS en kanker, en ook mensen met obesitas, mensen met een (subklinisch) seksueel probleem, transgenders, jongeren en senioren. Op basis van de resultaten van dit onderzoek hopen wij tot een beter begrip te komen van de link tussen seksueel gedrag en seksuele beleving in de algemene populatie, alsook concrete aangrijpingspunten om seksualiteit bespreekbaar te maken bij deze specifieke doelgroepen.

Referentie

  • Meston, C.M., & Buss, D.M. (2007). Why humans have sex. Archives of Sexual Behavior, 36, 477-507

Auteur: Marieke DeWitte

Marieke Dewitte is postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent, vakgroep Experimenteel, Klinische en Gezondheidspsychologie en Assistant Professor aan de Universiteit Maastricht, vakgroep Clinical Psychological Science. Na het afronden van haar opleiding seksuologie in Amsterdam (2010) werkt ze als seksuoloog in het Centrum voor Seksuologie en Genderproblemen in het Universitair Ziekenhuis Gent en sinds 2012 coördineert ze de PEV opleiding seksuologie aan de universiteit Gent.

 

Komieken hebben psychotische persoonlijkheidstrekken.

Het eeuwenoude geloof dat waanzin en creativiteit nauw aan elkaar verbonden zijn blijft de publieke verbeelding in zijn greep houden. In recente jaren is het idee echter ook het onderwerp geworden van wetenschappelijk onderzoek waar, naast de traditionele associaties tussen “psychose en kunst” of “psychose en wetenschap”, nu ook het verband tussen “psychose en humor” de aandacht krijgt. Zo kunnen we lezen in een recent onderzoeksartikel dat “een ongewone persoonlijkheidsstructuur de sleutel zou kunnen zijn om anderen te doen lachen”.

Humor en psychose

Dit beweren wetenschappers nadat uit onderzoek was gebleken dat komieken significant hoger scoren op “psychotische persoonlijkheidstrekken” dan hun minder grappige medemensen. Deze onderzoeksbevinding staat centraal in een studie die recent werd gepubliceerd in The British Journal of Psychiatry waarbij onderzoekers 523 komieken rekruteerden en hen een vragenlijst voorlegden die de aanwezigheid van dergelijke “psychotische trekken” diende na te gaan in een gezonde populatie. De persoonlijkheidstrekken waarvan sprake betreffen ondermeer “ongewone ervaringen”, zoals het geloof in telepathie en paranormale gebeurtenissen, “cognitieve desorganisatie”, zoals moeilijkheden in het focussen van gedachten, “introverte anhedonie”, ofwel een verminderende mogelijkheid tot het beleven van sociaal of lichamelijk genot, en tenslotte de neiging tot het stellen van “impulsief en antisociaal gedrag”. De onderzoekers vonden dat komieken significant hoger scoren op al deze 4 persoonlijkheidstrekken wanneer vergeleken met de algemene populatie. Meest opvallend volgens de onderzoekers waren de hoge scores op “impulsieve non-conformiteit” en “introverte persoonlijkheidstrekken”.

Humor als vorm van zelfmedicatie

“De creatieve elementen die nodig lijken voor het produceren van humor zijn opvallend gelijkaardig aan de cognitieve stijl die kenmerkend is voor mensen met een psychose – zowel schizofrenie als bipolaire stoornis” stelt Gordon Claridge van het departement van experimentele psychologie van de Universiteit van Oxford die de studie leidde. “Hoewel een schizofrene psychotische stoornis zelf nadelig kan zijn voor humor, is een beperkte aanwezigheid van psychotische trekken mogelijk bevorderend om ongewone of verrassende zaken met elkaar in verband te brengen of om “out of the box” te denken” laat Claridge voorts weten. Komieken zouden aldus een ietwat teruggetrokken, introverte persoonlijkheid hebben wat ervoor zorgt dat ze niet meteen gericht zijn op het bevestigen van sociale verwachtingen. Zo beschouwd is komedie dan ook de perfecte uitlaatklep om dit non-conformisme te ventileren – “humor als een vorm van zelfmedicatie” aldus Claridge. Paul Jenkins, het hoofd van de stichting “Rethinking Mental Illness” – een organisatie die zich inzet voor het doorbreken van de stereotypieën en stigma’s die met psychiatrische stoornissen zijn verbonden – reageerde echter reeds met enig voorbehoud op deze resultaten in The Guardian: “dit zijn op zich interessante bevindingen, maar we moeten niettemin opletten voor het “waanzinnig creatief genie – stereotype”. Mentale stoornissen zoals schizofrenie kunnen iedereen overkomen, of men nu creatief is of niet” waarschuwt Jenkins. Of deze laatste controverse ook wetenschappelijk onderzoek zal doen ontstaan naar het verband tussen “komische wetenschap en politieke correctheid” zal nog moeten blijken.

Referentie

  • Ando, V., Claridge, G., & Clark, K. (2014). Psychotic Traits in Comedians. The British Journal of Psychiatry, 204(20).

Auteur: Jasper Feyaerts

Jasper Feyaerts is als doctoraatsassistent verbonden aan de Vakgroep Psychoanalyse & Raadplegingspsychologie. Zijn voornaamste interessegebied is het thema van subjectiviteit en hoe dit verschijnt in zowel psychoanalytisch, fenomenologisch als neuro-cognitief onderzoek. Daarnaast doet hij ook empirisch onderzoek naar de subjectieve ervaring van psychose in samenwerking met psychiatrische centra en patiënten.

 

Wat heeft Kristien Hemmerechts te vertellen over Michelle Martin?

Toen ik las dat Kristien Hemmerechts een boek klaar had over Michelle Martin was mijn interesse meteen gewekt. De schrijfster is meter van Te Gek, het project dat zich inzet om psychiatrische problemen uit de taboesfeer te halen en, zo scheen het me toe, ideaal geplaatst om in de geest te kruipen van een vrouw waar niemand zich mee identificeert. Vroeger werden mensen met een psychiatrische problematiek beschouwd als bezetenen: wezens wiens ziel door de duivel is aangetast. Vandaag is dit gelukkig anders, maar zijn misdadigers de duivels waar onze maatschappij op neerkijkt. Liefst van al verbannen we hen naar een plek waar ze, ver weg van ons, mogen branden in het vuur van onze verontwaardiging.

Te Gek is een goed initiatief omdat het stereotiepen in vraag stelt en toont dat personen met psychiatrische problemen even menselijk zijn dan elk van ons. Op sommige momenten is hun psychisch lijden verpletterend en raken ze er op hun eentje niet meer uit, maar voor de rest worstelen ze met dezelfde demonen als ieder van ons. Sigmund Freud was degene die dit voor het eerst onderkende: door zijn eigen dromen te bestuderen kwam hij tot de conclusie dat zijn zielenroerselen niet fundamenteel anders waren die van zijn patiënten. Zelfs de psychopathologische mechanismen die hij in de kliniek observeerde herkende hij in een lichtere vorm ook bij zichzelf. Vandaar zijn besluit dat de grens tussen normaliteit en abnormaliteit bijzonder vaag is.

Ten aanzien misdadigers ligt het psychologisch veel moeilijker om niet in stereotiepen te denken. Bij snelheidsduivels lukt dat – ondanks de vele slachtoffers – misschien nog wel, maar met de daden van Dutroux en diens kompanen belanden we in een ander verhaal. De gruwel en de systematiek van hun acties stoten ons tegen de borst. Ze verwerkelijken datgene dat we normaliter zelfs onder de vorm van fictie nauwelijks verdragen. Allemaal boeiende materie voor een roman die subtiel de grenzen van onze neiging tot stereotypering verkent. Ware het niet dat ik bij het lezen van De vrouw die de honden eten gaf vooral werd overvallen door een gevoel van slaap.

Kristien Hemmerechts start het boek nochtans veel belovend met een citaat van de Duits-Amerikaanse filosofe Hannah Arendt. Arendt verdiepte zich in de motieven en redeneringen van misdadigers als Adolf Eichmann. Eichmann was in de tweede wereldoorlog een van hoofdverantwoordelijken voor de uitroeiingen binnen concentratiekampen. Ontelbare joden en andere gehate bevolkingsgroepen die niet pasten binnen het derde rijk joeg hij de dood in. Arendt stelde vast dat Eichmann verrassend banaal was. Waar ze verwachtte een gestoord onmens aan te treffen, ontmoette Hannah Arendt een technocraat die een goed inzicht had in menselijke verhoudingen; een man die stelde dat hij zijn plicht deed en er naar streefde om gestelde doelstellingen zo efficiënt als mogelijk te realiseren. Met wat fantasie zou men inderdaad een link kunnen zien tussen Eichmann en Michelle Martin: twee volgelingen die zich op het moment van hun daden opvallend weinig lieten leiden door ethische overwegingen.

Inderdaad, de psychologische grens tussen misdadigheid en normaliteit is minder strikt dan menigeen zou wensen. Zo toonden psychologen als Stanley Milgram met een reeks sociaal-psychologische experimenten in de jaren zestig reeds aan dat uitzinnige gehoorzaamheid geen uitzonderlijke fenomeen is. Onder het mom dat hij het effect van straf op leerprocessen bestudeerde, liet Milgram proefpersonen een elektroshock toedienen aan een onwillige leerling. In werkelijkheid was de leerling een acteur die niet echt stroomstoten toegediend kreeg. Wel reageerde hij net alsof de elektroshocks echt waren. Milgram stelde vast dat de meerderheid van de proefpersonen zich opvallend inschikkelijk opstelde wanneer de proefleider instructies gaf om de leerling extreem hoge stroomstoten toe te dienen. Ondanks het gejammer van de acteur gaven de meeste deelnemers dodelijke schokken tot 450 volt. Over de psychologie van extreme volgzaamheid is het laatste woord nog niet gezegd. Blijkbaar zijn we meer vatbaar voor misdadige suggestie dan we graag toegeven. Echter, wie graag inzicht zou krijgen in subjectieve effecten van misdadige gehoorzaamheid en zou willen weten hoe iemand die zich liet meeslepen nadien terugkijkt op de eigen daden, kan zich dit boek beter naast zich neer leggen.

Desalniettemin wil ik het nog even even over de inhoud hebben. De vrouw die de honden eten gaf is een monoloog die ons binnenleidt in de gedachten van Odette, alias Michelle Martin. Het hoofdpersonage blikt er terug op haar relatie met Dutroux, familieverhoudingen, moederschap en de misdaden van haarzelf en van anderen. De schrijfster slaagt er evenwel niet in om van haar hoofdpersonage – ‘de meest gehate vrouw van België’, zo leren we – een mens te maken. Het boek biedt geen overtuigend portret maar leest daarentegen als een aaneenschakeling van platitudes. Hemmerechts maakt van Martin een zwakke vrouw die slechts aan het juk van haar depressieve moeder kon ontsnappen door de ‘gratis pute’ van Dutroux te worden. De schrijfster serveert daarbij een aantal gortige details, maar overtuigen doet ze nooit. Geen mens maar een onmens, zo lijkt de boodschap te zijn. Toen Dutroux in de gevangenis zat gaf Odette de honden wel te eten, maar de jonge meisjes in de kelder liet ze doodgaan. Meer nog, om vervroegd vrij te komen papt ze aan met de nonnen, heeft ze gesprekken met een psychotherapeute en vervoegde ze het katholieke geloof: allemaal oppervlakkige vleugjes mensachtig gedrag die de vermeende beestachtigheid van Michelle Martin verhullen.

Tijdens het lezen van het vroeg ik me meermaals af waar Hemmerechts eigenlijk naar toe wil met deze oppervlakkige karakterschets, die stylistisch trouwens niet al te best in elkaar steekt: Nog meer morele verontwaardiging creëren over Michelle Martin? Bewijzen dat iemand als Martin alle haat verdient die ze over zich heen krijgt? Suggereren dat misdadigers toch echt wel een ander soort mensen vormen? Allemaal vragen die me vrij snel tot de conclusie brachten dat de schrijfster haar kostbare tijd beter anders had besteed. Hemmerechts maakt van de misdaad een taboe. Door Michelle Martin te verbeestelijken speelt ze in op de aversie van de lezer, maar sluit ze de deur voor meer diepgaande vragen over hoe een mens zich kan verhouden tot zijn misdaden. Gelukkig kunnen we binnen dit genre teruggrijpen naar betere werken, zoals als De maagd Marino van Yves Petry, die tonen dat het inderdaad anders kan.

Referentie

  • Milgram, S. (1963). Behavioral Study of Obedience. The Journal of Abnormal and Social Psychology, 67(4), 371-378.

Auteur

Stijn Vanheule is klinisch psycholoog en psychoanalyticus (persoonlijke blog). Hij is als hoofddocent verbonden aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van Universiteit Gent. Recent publiceerde hij het boek ‘Psychose anders bekeken ­ Over het werk van Jacques Lacan’.  Hij heeft bijzondere interesse in methoden en fundamenten voor klinische psychodiagnostiek.

 

Depressie en emotionele herinneringen: Het is maar hoe je het bekijkt.

Aandacht, interpretatie en geheugen vormen bouwstenen van de menselijke denk- en gevoelswereld. Afhankelijk van welke aspecten we uit de omgeving opmerken, welke betekenissen we hieraan geven en wat we ons vervolgens herinneren, ervaren we verschillende gedachten en andere emoties. Stel je voor, je bevindt je in een sollicitatiegesprek voor een felbegeerde baan. Terwijl je op vragen van de jury antwoordt, merk je dat het ene jurylid glimlacht en knikkend luistert en een ander jurylid fronsend naar achteren leunt met gekruiste armen. Afhankelijk van waar je aandacht naartoe wordt getrokken zal je andere betekenissen of interpretaties als aannemelijk beschouwen. Indien aandacht zich selectief richt op het glimlachende jurylid zullen interpretaties als “ik maak een goede indruk en heb kans op de baan” waarschijnlijk zijn, terwijl interpretaties als “ik maak er helemaal niets van en kan het wel vergeten” eerder geloofwaardig zullen zijn wanneer aandacht zich selectief richt op het fronsende jurylid. De ervaren emoties zullen in beide gevallen zeer verschillend zijn. Alsook hoe de ervaring van het sollicitatiegesprek in het geheugen zal worden opgeslagen en later herinnerd zal worden als een positieve dan wel een negatieve gebeurtenis. Dit eenvoudig voorbeeld illustreert dat aandacht, interpretatie en geheugen nauw gerelateerd zijn aan allerlei emoties. Hoe deze denkprocessen gerelateerd zijn aan het emotionele welbevinden, zoals depressieve gevoelens, werd ook uitvoerig wetenschappelijk onderzocht.

Negatieve vertekeningen

Onderzoek heeft aangetoond dat aandacht, interpretatie en geheugenprocessen van groot belang zijn bij het begrijpen van het ontstaan, voortbestaan en heroptreden van depressiesymptomen. Studies hebben uitgewezen dat bij personen in een depressieve gemoedstoestand er zich negatieve vertekeningen voordoen in deze denkprocessen. Concreet wil dit zeggen dat personen die kampen met depressieve gevoelens moeilijkheden ervaren bij het loskoppelen van hun aandacht voor negatieve aspecten uit de omgeving (vb.: het fronsende jurylid uit het voorbeeld zal meer aandacht trekken, eerder dan het instemmende jurylid), ambigue of dubbelzinnige situaties op een negatieve wijze interpreteren (vb. door de houding van het fronsende en niet het instemmende jurylid te betrekken op de eigen prestatie), en zich meer negatieve dan positieve gebeurtenissen herinneren (vb.: tijdens het sollicitatiegesprek kan men zich een vorige faalervaring en geen succeservaring herinneren waardoor men de moed nog meer verliest). Dergelijke negatief vertekende denkprocessen verlopen doorgaans betrekkelijk automatisch en kunnen toekomstige depressieve episodes voorspellen.

Ondanks een sleutelrol voor deze processen bij het begrijpen van depressie, bevinden de wetenschappelijke inzichten over interacties tussen deze denkprocessen zich nog in een vroeg stadium. Vandaar dat we zijn nagegaan hoe aandachtsprocessen interpretatie beïnvloeden en hoe deze vervolgens een impact hebben op wat personen met verhoogde depressiesymptomen zich herinneren.

Ik ben een geboren…

Deelnemers voerden een computertaak uit waarbij ze vervormde zinnen (vb.: ben verliezer ik geboren winnaar een) hervormen naar goed lopende zinnen door het positieve of negatieve woord weg te laten. Deze hervormde oplossing kan telkens leiden tot een positieve (vb.: ik ben een geboren winnaar) of een negatieve (vb.: ik ben een geboren verliezer) betekenis. Telkens rapporteren deelnemers de eerste oplossing die in gedachten opkomt wat een maat voor interpretatie oplevert. Om emotionele vertekeningen in de aandacht te meten werden oogbewegingen geregistreerd tijdens het uitvoeren van de interpretatietaak. Na de taak werden de deelnemers gevraagd om zich zoveel mogelijk betekenissen te herinneren die men gevormd heeft. Dit geeft zicht op geheugenvertekeningen.

Analyse toonde aan dat de manier waarop iemand aandacht naar emotionele woorden richt, de aard van de interpretaties voorspelde. Personen die vaker hun aandacht richtten naar negatieve woorden (vb.: verliezer) rapporteerden meer negatieve interpretaties (vb.: ik ben een geboren verliezer). Meer negatieve herinneringen werden gerapporteerd naarmate iemand langer keek naar negatieve woorden en men eerder meer negatieve betekenissen verkoos. Omgekeerd, positieve vertekeningen in aandacht en interpretatie voorspelden meer positieve herinneringen.

Vicieuze cirkel

In lijn met voorgaand onderzoek, werd gevonden dat dergelijke negatieve vertekeningen in aandacht, interpretatie en geheugenprocessen gerelateerd zijn aan een verhoogde mate van depressiesymptomen. Hoe ernstiger de depressiesymptomen, hoe meer de denkprocessen op een negatieve manier vertekend zijn. Dit zorgt er dus voor dat positieve signalen in het dagelijkse leven minder worden opgepikt – wat aan depressieve personen de indruk kan geven dat ze er niet zijn – en dat dubbelzinnige signalen veelal negatief worden geïnterpreteerd en zo ook worden herinnerd. Dit kan depressieve gevoelens in stand houden, waardoor de cirkel rond is. Zoals gezegd gebeurt dit vrijwel automatisch en is het niet eenvoudig om deze negatieve ingesteldheid te doorbreken, die daarbovenop in de ogen van de depressieve persoon continu bevestigd wordt (“zie je wel…”).

Op heden werden veelbelovende methoden – de cognitieve bias modificatie methoden – ontwikkeld om de negatieve vertekeningen in deze denkprocessen bij te sturen. Het verfijnen deze methodieken vormt een boeiende uitdaging voor de hedendaagse klinische wetenschap.

Referenties

  • Everaert, J., Duyck, W., & Koster, E. H. W. (2013). Attention, interpretation, and memory biases in subclinical depression: A proof-of-principle test of the combined cognitive biases hypothesis. Emotion.
  • Everaert, J., Koster, E. H. W., & Derakshan, N. (2012). The combined cognitive bias hypothesis in depression. Clinical Psychology Review, 32(5), 413-424. doi: 10.1016/j.cpr.2012.04.003
  • Koster, E. H. W., Everaert, J., Bruyneel, L., & Onraedt, T. (2013). Cognitieve training bij depressie: Een stand van zaken. Directieve Therapie, 33, 136-150.

Auteur: Jonas Everaert

Jonas Everaert is als assisterend academisch personeel verbonden aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van Universiteit Gent en doet doctoraatsonderzoek naar interacties tussen aandacht, interpretatie en geheugenprocessen in depressie (promotor: prof. dr. Ernst Koster).

 

BDSM in Vlaanderen: meer dan vijftig tinten.

Alomtegenwoordig maar nog steeds miskend

Tegenwoordig sijpelt extreme seks ons leven binnen via allerhande media, als ware het niets speciaals. Expliciet naakt, seksspeeltjes, handboeien en mensen aan de leiband worden niet enkel tentoongespreid in hardcore pornografie maar zelfs in videoclips van onder andere Rammstein, Rihanna en Britney Spears. Het wereldwijde succes van het drieluik Vijftig tinten grijs, donkerder en vrij bewijst dat heel wat mensen nieuwsgierig zijn naar dat tikje meer en geïntrigeerd zijn door bdsm (bondage & discipline, dominantie & submissie, sadisme & masochisme).

Er zijn mensen die bdsm vooral lichamelijk beleven en het sadomasochisme vooropstellen. Anderen houden dan weer van het psychologische spel, waarbij onder andere vernedering, controleverlies, het uitvoeren van opdrachten en het verschil in verhouding centraal staan. Bdsm kan voor iemand ook louter draaien om het artistieke aspect aan bijvoorbeeld bondage of fetisjisme. Vaak blijkt het een combinatie of uitbreiding te zijn van al het voorgaande, en dit van lichte tot extremere niveaus.

“Sadisme en masochisme hebben een speciale plaats in de perversies, omdat het contrast van activiteit en passiviteit dat aan hun basis ligt tot de universele trekken behoort van seksualiteit.” (Freud, 1920)

De combinatie van genot en pijn is niets nieuws. In het oude Egypte werden reeds vormen van bdsm beoefend, en ook de Kama Sutra ziet de inductie van pijn als een aanvaardbare manier om extra seksuele prikkels te veroorzaken. De nagels sporadisch in iemands rug planten, bijten op allerhande plekken en een occasionele klets op de poep lijken deel uit te maken van de conventionele seksuele verhouding. Desondanks wordt de bdsm-minnende medemens door de Diagnostic and Statistical Manual of kortweg de DSM-5 (APA, 2013) wetenschappelijk gecategoriseerd onder de noemer ‘parafiel’, een zogezegd minder stigmatiserende versie van het woord ‘pervert’. In realiteit zijn bdsm’ers mensen wiens seksualiteitsbeleving afwijkt van de norm, maar daarom zijn zij niet de zonderlinge lustmoordenaars in lederen pakjes die komen opdraven in allerlei misdaadseries. Binnen de psychoanalyse worden seksueel deviante fantasieën en gedragingen dan weer losgekoppeld van een perverse structuur. Het hebben van bijzondere seksuele verlangens of het stellen van pervers gedrag, betekent dus niet dat iemand sowieso een pervert is.

Wat betekent bdsm voor de beoefenaars ervan in Vlaanderen? Zijn zij de perverten waarvoor zij aangezien worden? Om een antwoord op deze vragen te krijgen, deed ik twee jaar een kwalitatief exploratief onderzoek.

Van opwinding over vertrouwen tot geborgenheid en liefde

Beoefenaars situeren zich op een continuüm van kinky seks over lidmaatschap van een vereniging tot een 24/7-levensstijl, en komen uit alle lagen van de bevolking. Elke bdsm’er is immers iemands kind, (groot)ouder, buurman, collega, kassajuf in de plaatselijke supermarkt, enzovoort. Clichébeelden die aan het woord ‘bdsm’ gekoppeld worden zoals verwerpelijke orgieën en folteringen in groezelige kelders, slaan nergens op. Op een openbaar bdsm-feestje zie je amper seksuele handelingen en zowel onderdanigen, switches als dominanten geven naast opwinding vooral vertrouwen, respect, openheid, geborgenheid, veiligheid, vrijheid, geluk, en liefde aan als kernaspecten van wat bdsm voor hen betekent. Bdsm’ers vertrouwen de ander vaak écht hun leven toe.

Compulsiviteit en habituatie als recept voor extremiteiten?

Dat fysieke pijniging fijn bevonden wordt, valt neurologisch te verklaren. De gebieden in de hersenen die pijn en plezier beoordelen, hebben immers een soortgelijke werking. Ook klassieke conditionering helpt om de combinatie pijn-genot als lustvol te ervaren. Pijnbeleving wordt langzaam opgebouwd en de sadist of dominant zal daarbij een arsenaal aan seksueel prikkelende attributen aanwenden, gaande van zwepen en tepelklemmen tot vibrators. Masochisten of onderdanigen kunnen in een bdsm-spel streven naar het bereiken van subspace, een soort trance waarbij men genot en absolute rust ervaart in plaats van pure kwelling.

Bdsm’ers kunnen hun driften net zoals andere mensen beheersen en een spel uitstellen tot het daarvoor geschikte moment aanbreekt. Slechts een minderheid respondenten voelt bdsm aan als iets compulsiefs dat móét gebeuren om opgewonden te geraken. Dit zijn de mensen voor wie bdsm sterk aanleunt tegen een psychische problematiek waarbij de verlangens in periodes een negatieve weerslag hebben op hun persoonlijk, sociaal en/of beroepsmatig functioneren. Maar zelfs bij deze groep is er zelden sprake van een vooropgesteld scenario. Het niet weten wat je te wachten staat, is net een van de aspecten aan bdsm die respondenten als lustvol ervaren.

Ook in een bdsm-relatie kan er sleur komen. Hoewel er – zeker wat de pijnbeleving betreft – ontegensprekelijk habituatie optreedt en grenzen continu verlegd worden, betekent dit niet dat bdsm’ers steeds extremer hoeven te gaan om eenzelfde niveau van bevrediging te bereiken. Men zet soms ook stapjes terug en gebruikt nieuwe technieken die door het verrassende effect eveneens weten te plezieren. Extremer spelen hangt niet noodzakelijk samen met leeftijd, maar eerder met de mate waarin iemand op zoek is naar kicks, sadomasochistische gevoelens koestert en beschikt over een partner die mee wil in dat verhaal. Echte buitensporigheden worden in het verenigingsleven sowieso niet getolereerd.

Fetisjisme: ‘Your kink is not my kink, and your kink is pretty fucked up’

Fetisjisme heeft betrekking op veel meer dan opgewonden geraken van objecten. Denk aan een specifieke situatie, een type persoon, een handeling, geluid, geur of gevoel: sowieso bestaat er iemand die daar een fetisj voor heeft. Men wil het fetisjobject zelf aanraken, likken, ruiken, strelen of gebruikt zien worden door iemand anders. Verschillende fetisjen kunnen met elkaar samenhangen. Een meesteres in hoge laarzen lijkt nog groter, vrouwelijker en onbereikbaarder voor de onderdanige. Wanneer zij die laarzen vervolgens gebruikt om ermee op het geslachtsdeel te gaan staan in het kader van CBT ofte cock & ball torture, wordt het gewenste machtsverschil tussen beiden nog meer benadrukt.  Bij veel fetisjen speelt de esthetiek van objecten een grote rol. Mensen hebben een fetisj voor specifieke soorten neuzen, schoenen, voeten, latex, enzovoort. We kunnen niet zozeer spreken van ‘mooie’ objecten. Iemand kan zich namelijk net aangetrokken voelen tot datgene wat anderen lelijk of beangstigend vinden, zoals geamputeerde ledematen of het besmeurd worden met uitwerpselen. Onder het motto ‘Your kink is not my kink, but your kink is ok’ wordt binnen de bdsm-wereld zo goed als alles op zijn minst bespreekbaar geacht. Wat minder vaak voorkomende fetisjen betreft, lijkt de uitspraak ‘Your kink is not my kink, and your kink is pretty fucked up’ helaas eerder van toepassing te zijn. Zelfs binnen de bdsm-wereld blijven taboes bestaan.

Bdsm als een geaardheid?

Je kunt iemand de technieken leren om bdsm te beoefenen, maar je kunt niemand leren om ervan te houden. Een man stelde droog dat hij zijn vrouw anders wel al lang een spoedcursus had gegeven. Er is niet zoiets als een ‘oorzaak’ die kan verklaren waarom men van bdsm houdt. De gedachtegang dat iemand een traumatische jeugd gehad moet hebben om seksualiteit zo te beleven, valt zeker niet te veralgemenen naar deze steekproef respondenten.

Fantasiespelen als cowboy en indiaantje of politie en boef, de blinkende hoge sandalen van de juf, een stripverhaal met als thema slavernij of een schooluitstap naar het Gravensteen in Gent: de eerste herinnering aan bdsm-gevoelens blijkt vaak getriggerd te zijn door beelden, situaties of personen in de kindertijd, en is niet zelden eveneens de eerste seksuele herinnering van respondenten. Bdsm’ers rapporteerden dat lustvolle gevoel terug op te zoeken als puber of volwassene.

Bdsm lijkt voor velen niet enkel iets wat zij doen, maar eveneens een deel van hun zijn. Liefhebbers ervaren deze gevoelens als een inherent deel van hun identiteit. Meer dan de helft van de respondenten voelt het zelfs aan als een geaardheid. Zoals een hetero houdt van een partner van het andere geslacht, houdt een onderdanige dan van een partner die dominant is. Benoemt men bdsm als een geaardheid bij een gebrek aan een andere gepaste term? Binnen de bdsm-wereld is hierover weinig consensus.

Keerzijden aan bdsm

“Ik wil mensen pijn doen. Betekent dit dat ik een tweede Dutroux zal worden?”, “Hoe vertel ik mijn vrouw dat ik verlang naar pijn?”, “Waarom word ik niet opgewonden van liefdevolle seks?”, “Hoe ver kan ik nog gaan voordat het gevaarlijk wordt?”, “Ben ik psychisch ziek, abnormaal?”

De psychische klachten die gelinkt kunnen worden aan iemands bdsm-voorkeur, hebben voornamelijk te maken met het proces van de ontdekking en aanvaarding van de bdsm-gevoelens en -gedachten, alsook met vragen over de absolute grens van de bdsm-gedragingen die kunnen neigen naar een verslaving, en ten slotte met de afkeuring van bdsm door de omgeving. Zelfs binnen het gezondheidssysteem zouden er nog mythes heersen met betrekking tot bdsm. Ook in Vlaanderen worden mensen soms meteen doorverwezen bij het uitspreken van hun bdsm-voorkeur. Maar waar kan je heen met vragen rond afwijkende gedragingen, gevoelens en geaardheden als zelfs psychologen of huisartsen deze onderwerpen liever vermijden?

Men is zich in Vlaanderen niet alleen bewust van de geestelijke en lichamelijke gevolgen, maar ook van de sociale en zelfs juridische risico’s van bdsm-beoefening. Respondenten verloren bijvoorbeeld al hun kinderen in een echtscheiding, hun job, of werden omwille van hun bdsm-voorkeur naar de psychiater gestuurd met de bedoeling zich te laten omvormen tot het ‘heteronormatieve’ model. De oorsprong van de algemene negatieve opvattingen over bdsm ligt bij een aantal factoren, waarvan religie, feminisme, de media, de wetgeving en de categoriale manier van diagnosticeren de voornaamste blijven. Onderzoek suggereert nochtans dat aan bdsm doen niet noodzakelijk een uitdrukking is van een onderliggende psychopathologie. Bdsm heeft ook niets te maken met geweldpleging. Het aspect vrijwilligheid is voor bdsm’ers van cruciaal belang, net zoals het op de hoogte zijn van de risico’s die beide partijen nemen. Alles wat gebeurt, moet verantwoord en veilig voorbereid zijn. Mensen die aan geweldpleging doen, houden geen rekening met de ander. Maar hoe bewijs je na een relatiebreuk dat de blauwe plekken op het lichaam van je ex niets te maken hebben met intrafamiliaal geweld? En hoe leg je als bdsm’er aan de politie uit waarom je een tas vol zwepen en touw hebt staan in je kofferbak?

Conclusie

Er is weinig evidentie om te besluiten dat bdsm’ers doorgaans een perverse structuur hebben. Er bestaat echter geen twijfel over dat er veel perverse trekken zitten in bdsm’ers hun interacties met elkaar en naar derden toe. Niettegenstaande respondenten aangeven dat bdsm hun leven verrijkt, wordt het anno 2013 nog steeds ten onrechte beschimpt, juridisch afgestraft en gepathologiseerd. Wordt bdsm zoals het door de beoefenaars daarvan beleefd wordt, verward met de ziektebeelden die in de categoriale manier van diagnosticeren terug te vinden zijn? Het is daarom belangrijk dat degenen die deze diagnoses toekennen op de hoogte zijn van wat bdsm inhoudt voor de beoefenaars ervan. Mensen van wie de seksuele verlangens afwijken van het heteronormatieve model, blijven anders de klinische diagnoses krijgen die het idee dat leeft bij de grote massa beïnvloeden. En dat beïnvloedt op zijn beurt weer de wetenschap. Zou het kunnen dat niet de wetenschappelijke evidentie, maar de publieke opinie de hoofdreden is waarom bdsm-gerelateerde parafilieën nog steeds weinig genuanceerd vermeld staan in de DSM-5? Onderzoek naar de perceptie van buitenstaanders – en in het bijzonder hulpverleners – lijkt zinvol, zowel voor bdsm’end Vlaanderen als voor hen die bdsm’ers door een gebrek aan correcte informatie nog steeds als vreemde perverten beschouwen.

Bronnen

  • Federoff, J. P. (2008). Sadism, sadomasochism, sex, and violence. The Canadian Journal of Psychiatry, 53 (10), 637-646.
  • Newmahr, S. (2010). Rethinking kink: sadomasochism as serious leisure. Qualitative Sociology, 33, 313-331.
  • Taylor, G. W., Ussher, J. M. (2001). Making sense of S&M: a discourse analytic account. Sexualities, 4, 293-314.
  • Weinberg, S., Williams, C. J, Moser, C. (1984). The social constituents of sadomasochism. Social Problems, 31 (4), 379-389.
  • Yost, M. R. (2010). Development and validation of the attitudes about sadomasochism scale. Journal of Sex Research, 47 (1), 79-91.

Download hier de volledige Masterproef ‘Meer dan vijftig tinten. Een exploratieve studie naar bdsm in Vlaanderen.’

Auteur: Jantien Seeuws

Jantien Seeuws studeerde af als master in de klinische psychologie met een exploratieve studie over bdsm in Vlaanderen, en dit aan de Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de UGent. Sinds 2012 is ze werkzaam bij Gerechtelijk Opgelegde Hulpverlening in het CAW Regio Brugge. Aan de HUB geeft ze als gastdocent het vak Psychopathologie. Ze wil zich graag verder verdiepen in alternatieve vormen van seksualiteitsbeleving en de forensische psychologie.

 

Leven met chronische pijn

Balanceren tussen aanvaarden en zoeken naar oplossingen

Naar schatting een persoon op twaalf krijgt in zijn/haar leven te maken met chronische pijn. Dit maakt chronische pijn niet enkel een veelvoorkomend gezondheidsprobleem, het heeft vaak ook een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit. Patiënten rapporteren dat hun pijn een negatieve invloed heeft op hun dagdagelijks functioneren en het bereiken van doelen. Ook emotionele problemen ten gevolge van pijn, zoals angst en depressie, zijn niet ongewoon. Het is dan ook niet verwonderlijk dat velen pogingen zullen ondernemen om een oplossing te vinden voor hun pijn.

Het zoeken naar een oplossing voor pijn

Patiënten blijken vaak gemotiveerd een oplossing te vinden voor hun pijn en doen hierbij beroep op het medisch hulpverlenerscircuit. Tot op heden bestaat er echter nog geen mirakelmiddel of – therapie die chronische pijn definitief kan doen verlichten. Het gevaar bestaat dan dat patiënten blijven hangen in niet-succesvolle pogingen om hun pijn op te lossen. Bij deze patiënten wordt het zoeken naar een oplossing voor pijn het probleem, en niet meer het antwoord. Paradoxaal, niet?

Maar toch, onderzoek heeft aangetoond dat het vasthouden aan verwoede pogingen om pijn op te lossen kan bijdragen tot meer emotionele ontreddering en meer hinder. Er zijn zelfs aanwijzingen dat sommige patiënten meer geneigd zijn tot het nemen van medische risico’s, zoals overgebruik van pijnstillers, met aantoonbare negatieve effecten op de lange termijn. Wanneer er geen onmiddellijke oplossing bestaat voor de pijn, is aanvaarden een betere optie. Laat hier geen onduidelijkheid over bestaan: dit is niet synoniem met opgeven. Aanvaarding van chronische pijn wordt eerder omschreven als de bereidheid om met pijn te leven, en het zich engageren in andere doelen die waardevol en bevredigend zijn, ondanks de pijn. Verschillende studies wijzen op de positieve effecten van aanvaarding: het zou verband houden met een beter emotioneel, fysiek en sociaal functioneren, minder gebruik van gezondheidszorg en medicatie, en een betere werkstatus.

We zouden kunnen verwachten dat zij die gedreven zijn om een oplossing te vinden voor hun pijn een groter belang hechten aan het doel om pijn te verminderen of te controleren, ten koste van andere waardevolle doelen. Het aanvaarden van chronische pijn zou dan eerder verband houden met een meer bevredigend nastreven van doelen in het leven, los van de pijn. Een recente studie richtte zich dan ook op het ontrafelen van doelstreven bij chronische pijnlijders.

Een studie naar doelen bij chronische pijnlijders

In het voorjaar van 2011 werd in samenwerking met de Vlaamse Pijnliga, een koepelorganisatie van zelfhulpgroepen voor hen die chronische pijn ervaren, een oproep voor de studie verspreid onder een grote groep van Vlaamse chronische pijnlijders. 73 mensen met chronische pijn namen uiteindelijk deel aan de studie, en er werd van hen een interview afgenomen omtrent de doelen die ze momenteel nastreefden in hun leven. Hiernaast werd de groep ook bevraagd naar de ervaren intensiteit van hun pijn, hun wijze van omgaan met de pijn (de mate waarin ze trachtten te zoeken naar een oplossing voor de pijn of eerder aanvaardend stonden ten opzichte van hun pijn), de mate waarin ze de ervaring van pijn als bedreigend inschatten en hierover piekerden, alsook naar emotionele problemen (angst en depressie).

Doelen blootgelegd

Uit het interview met de groep van chronische pijnlijders bleek het volgende:

  • Het aantal gerapporteerde doelen dat de groep aangaf momenteel na te streven, varieerde sterk (van 3 tot maar liefst 12 doelen). Ook was er substantiële variatie merkbaar in het type doelen dat werd gerapporteerd, met doelen die betrekking hebben op het nastreven van (intieme) relaties, werk en opleiding, ontspanning, en fysiek en mentaal welbevinden als koplopers.
  • 41% van de ondervraagde chronische pijnlijders gaf spontaan aan dat het streven naar een oplossing voor of controle over pijn (zoals pijnmedicatie innemen of artsen opzoeken) voor hen een doel was dat ze momenteel nastreefden. Na bevraging gaf iedereen van de ondervraagden aan dat ze dit doel in hoge mate belangrijk achtten.
  • In vergelijking met niet-pijn doelen wordt het doel om pijn op te lossen of te controleren over het algemeen aanzien als moeilijker en meer stresserend om te bereiken. Hiernaast vraagt het nastreven van dit pijndoel ook een grotere tijdsinvestering.
  • Een aantal van de ondervraagden gaf aan dat het nastreven van een oplossing voor of controle over pijn voor hen een noodzakelijke voorwaarde was alvorens ze andere doelen konden bereiken.

Gevaar: leven “on hold” zetten

Bij een aantal chronische pijnlijders lijkt het nastreven van een oplossing voor of controle over pijn een wel erg belangrijke plaats in te nemen. Meer nog, het wordt soms gezien als een essentiële stap alvorens men verder kan leven. De groep van patiënten bij wie dit het geval was, gaf ook aan meer te piekeren over de pijn, stond minder aanvaardend ten opzichte van de pijn, en rapporteerde meer depressieve symptomen. Het gevaar bestaat er dus in dat chronische pijnlijders hun leven “on hold” zetten door hun zoektocht naar pijnverlichting, zonder enig perspectief op verbetering.

Conclusie

Het krampachtig nastreven van een oplossing voor of controle over pijn kan het bereiken van andere doelen in de weg staan. Is het nastreven van pijnverlichting of – controle dan een te vermijden optie? Wij argumenteren van niet. Wellicht is het leven met pijn best te vergelijken met het balanceren op een slappe koord. Het nastreven van een oplossing voor of controle over pijn lijkt voornamelijk onevenwicht te creëren wanneer dit het meest centrale doel wordt, ten koste van andere dingen in het leven. Het tijdelijk loslaten van dit doel en zich richten op andere waardevolle doelen kan dan belangrijk zijn in het terug herstellen van de balans. Dit is een kunst en vergt wellicht jarenlange inspanning…

Referenties

  • Lauwerier, E., Paemeleire, K., Van Damme, S., Goubert, L., & Crombez, G. (2011). Medication use in patients with migraine and medication-overuse headache: the role of problem solving and attitudes about pain medication. Pain, 152, 1334-1339.
  • Lauwerier, E., Van Damme, S., Goubert, L., Paemeleire, K., Devulder, J., & Crombez, G. (2012). To control or not? A motivational perspective on coping with pain. Acta Neurologica Belgica, 112, 3-7.
  • Van Damme, S., Crombez, G., & Eccleston, C. (2008). Coping with pain: A motivational perspective. Pain, 139, 1-4.

Auteur: Emelien Lauwerier

Emelien Lauwerier is sinds oktober 2007 werkzaam als assistent aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Gent. Ze maakt deel uit van het ‘Health Psychology Lab’ en haar onderzoek focust zich op hoe men omgaat met chronische pijn, en wat de impact hiervan is op kwaliteit van leven. Haar doctoraatsthesis (2013) spitste zich toe op het empirisch valideren van de idee dat patiënten kunnen komen vast te zitten in ineffectieve pogingen om het probleem van chronische pijn op te lossen. Ze onderzocht ook de validiteit van metingen naar probleem oplossen en acceptatie binnen de context van chronische pijn.

 

Nood aan ondersteuning voor studenten met dyslexie in het hoger onderwijs

Internationale en nationale cijfers tonen aan dat steeds meer studenten met dyslexie een studie in het hoger onderwijs aanvatten. Bij dyslexie is er sprake van een aanhoudend probleem met lezen en/of spelling,  waardoor het niet ondenkbaar is dat het hebben van deze stoornis een invloed zou kunnen hebben tijdens studies in het hoger onderwijs. Naast deze lees- en of schrijfproblemen worden in de literatuur ook bijkomstige problemen gerapporteerd bij adolescenten met dyslexie.

Om na te gaan hoe het gesteld is met de lees-, en spellingvaardigheden van deze studenten in het hoger onderwijs en wat de resterende geassocieerde problemen zijn, werd in het academiejaar 2009-2010 een groot onderzoek opgestart. Hiervoor werd een omvangrijke groep eerste bachelorstudenten gerekruteerd, waaronder 100 studenten met dyslexie en 100 zonder dyslexie. Er werd ook gekeken naar hoe deze studenten presteren in het hoger onderwijs in vergelijking met hun medestudenten.

Aanhoudende lees- en spellingsproblemen op woordniveau

Een van de belangrijkste bevindingen is dat de lees- en/of spellingproblemen die individuen met dyslexie ondervinden bij het aanleren van deze vaardigheden blijvend zijn. Zelfs in deze selecte groep van studenten die doorstuderen zien we klinische scores op heel wat lees- en schrijftaken. De problemen lijken meer uitgesproken te zijn bij spellingtaken dan bij leestaken. Wat lezen betreft, hebben ze meer problemen met tempo dan met  accuraatheid. Voor beide vaardigheden kunnen de problemen reeds op woordniveau gedetecteerd worden. Verder lijkt de stoornis niet meer uitgesproken te zijn in het Engels. Als een tekst niet alleen schriftelijk wordt aangeboden, maar ook luidop wordt voorgelezen, ondervinden de studenten minder hinder van hun leesproblemen dan verwacht. Hun tekstbegrip is dan vergelijkbaar met dat van studenten zonder dyslexie.

Geen verschillen in vloeiende intelligentie

Studenten met  dyslexie verschillen niet van hun medestudenten op vlak van probleemoplossend en logisch denken en redeneervermogen, wat ook wel wordt samengevat in de term vloeiende intelligentie. Op taken die een beroep doen op het ophalen van woorden uit het lange termijn geheugen zien we wel verschillen tussen de groepen. Als dusdanig hebben de studenten met dyslexie wel een lagere gekristalliseerde intelligentie wat niet verrassend is aangezien dyslexie in eerste instantie een taalstoornis is.

Andere geassocieerde problemen

Wat in de literatuur wordt beschreven, vinden we ook in onze studie terug. Naast de sterk aanwezige lees- en/of spellingproblemen zien we problemen met heel wat andere vaardigheden taken zoals fonologische taken, hoofdrekenen en algemene verwerkingssnelheid. Daar komen ook de reeds eerder vermelde problemen met het ophalen van verbale informatie uit het geheugen bij.

Ander leertraject voor studenten met dyslexie

In vergelijking met hun medestudenten vallen meer studenten met dyslexie uit in het eerste en tweede jaar hoger onderwijs, wat niet wil zeggen dat ze ook effectief stoppen met studeren. De meerderheid van deze studenten (87.5%) kiest in het daaropvolgend jaar voor een andere bachelor opleiding. Bij diegenen die bij hun eerste keuze blijven, valt op dat minder studenten met dyslexie erin slagen deze bachelor studies af te ronden op drie jaar tijd. Hoewel hun slaagkansen na drie jaar kleiner zijn, hebben studenten met dyslexie wel een reële kans op het behalen van een bachelor diploma. Factoren die van groot belang zijn voor een vlot leertraject zijn onder meer goede studievaardigheden en gebruik maken van aangereikte onderwijs- en examenfaciliteiten. Ook persoonlijkheid gebonden factoren spelen een belangrijke rol hierin.

Praktische implicaties

In eerste instantie biedt dit onderzoek een wetenschappelijke verantwoording voor de faciliteiten die worden aangereikt door de instellingen voor hoger onderwijs aan studenten met een geldig dyslexieattest. Gezien de aanhoudende problemen met lezen en spelling kan het gebruik van een spellingcorrector, eventuele spraaksoftware en woordvoorspellingssoftware aangewezen zijn bij essays en zelfs bij het maken van examens. Ook het aanreiken van meer tijd voor het afronden van een examen is zinvol, gezien de nadelen die deze studenten ondervinden onder tijdsdruk. Het gebruik van een zakrekenmachine kan fouten voorkomen bij vakken waar hoofdrekenen geen expliciet leerdoel is.

Als we de slaagkansen van deze groep in het hoger onderwijs wensen te verhogen, tonen de resultaten in eerste instantie aan dat deze groep baat zou hebben bij hulp in het ontwikkelen van efficiëntere studievaardigheden.  Hoewel we uit het onderzoek niet kunnen opmaken wat de oorzaak van de relatief grotere uitval in de eerste jaren hoger onderwijs is, lijken deze studenten toch ook meer moeite te hebben met de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs. Meer begeleiding bij deze transitie bijvoorbeeld in de vorm van meer hulp bij de studiekeuze lijkt aangewezen.  Vervolgens zijn er in de huidige situatie nog steeds studenten met dyslexie die geen gebruik maken van de faciliteiten waar ze recht op hebben. Dit onderzoek kan hen misschien motiveren om deze alsnog op te nemen.

Sensibilisering rond dyslexie aan de UGent

Sensibilisering van zowel docenten als studenten met dyslexie is van belang om de bewustwording te verhogen van de extra uitdagingen waar deze studenten voor staan in het hoger onderwijs. De Cel Diversiteit en Gender van de Universiteit Gent ontwikkelde een sensibiliseringscampagne rond studeren met dyslexie in het hoger onderwijs. Het resultaat is een boeiende documentaire met getuigenissen en wetenschappelijke informatie. De belangrijkste inzichten zijn ook opgenomen in een informatiebrochure. Dit alles is te raadplegen op www.dyslexie.ugent.be.

Auteurs

Maaike Callens, logopediste van opleiding, is doctoraatsstudente in de Experimentele psychologie aan de Universiteit Gent (FPPW). Tijdens haar doctoraat verdiept ze zich in de problematiek van studeren met dyslexie in het hoger onderwijs met als doel bij te dragen tot de algemene sensibilisering en optimalisering van begeleiding voor deze studenten. Verder doet ze ook experimenteel onderzoek naar problemen bij deelprocessen van visuele woordherkenning als mogelijke oorzaken van dyslexie.

Dr. Wim Tops is neurolinguïst en behaalde in 2012 zijn doctoraat in de Psychologie aan de Universiteit Gent. Zijn doctoraat handelt over diagnostiek, schrijfvaardigheden en metacognitie bij studenten met dyslexie in het hoger onderwijs. Momenteel is hij werkzaam bij Expertisecentrum Code als onderzoeksleider van het team gedrags- en ontwikkelingsstoornissen en doet hij onderzoek naar jongvolwassenen met een autismespectrumstoornis.

 

Is jouw pijn wel echt?

Pijn is een interpersoonlijke ervaring

Pijn is de voornaamste gezondheidsklacht waarvoor mensen medische hulp zoeken. Zowel acute als chronische pijn (i.e., wanneer de pijn langer aanhoudt dan 3 maanden) gaat niet enkel samen met de pijnsymptomen op zich, maar ook met aanzienlijke belemmeringen in het dagelijkse leven. Pijn is evenwel geen individuele ervaring: pijn wordt door het individu met pijn geuit door middel van (non-)verbaal pijngedrag, en dit gedrag wordt waargenomen door anderen die, op hun beurt, een inschatting van de pijn maken.

Inschatten van andermans pijn

De inschattingen die mensen maken van andermans pijn zijn van groot belang. We kunnen immers veronderstellen dat deze inschattingen aan de basis liggen van heel wat cruciale beslissingen met betrekking tot de behandeling van pijn, bv. de keuze van behandeling, het voorschrijven van medicatie, en het plaatsen van een patiënt op de wachtlijst. De afwezigheid van medische evidentie voor de pijn is een cruciale factor die een invloed heeft op de pijninschattingen die mensen maken van andermans pijn.

Pijn zonder medische evidentie of fysiek letsel

Heel wat patiënten kampen met pijn die momenteel niet of nog niet goed medisch begrepen is. Denk bij voorbeeld aan chronische lage rugpijn waarbij de pijn vaak geen signaal meer is voor onderliggende lichamelijke weefselschade. Een ander voorbeeld is fibromyalgie, een pijnstoornis waarvan de medische oorzaak tot op vandaag nog onvoldoende gekend is.

Onderzoek: pijninschattingen met/zonder medische evidentie voor pijn

Twee recente studies onderzochten de invloed van de afwezigheid van medische evidentie voor de pijn op de inschattingen die observatoren maakten van de pijn van patiënten. De observatoren waren hulpverleners en mensen uit de algemene populatie. In deze studies kregen de observatoren informatie omtrent de aanwezigheid (bijvoorbeeld: een geknelde zenuw of artrose) of de afwezigheid van medische evidentie voor de pijn. Deze informatie ging gepaard met een foto van een patiënt en werd gevolgd door een videofragment waarin de patiënt een bepaalde, mogelijks pijnlijke beweging uitvoerde. In deze videofragmenten werd niet enkel de gezichtsexpressie van pijn in beeld gebracht; het hele lichaam (en daarbij horende pijngedragingen) werd getoond.

De resultaten

Wanneer er geen medische evidentie voor de pijn van de patiënt was:

  • Schreven de mensen uit de algemene populatie, maar ook de hulpverleners, minder pijn toe aan de patiënten
  • Rapporteerden de mensen uit de algemene populatie, maar ook de hulpverleners, minder sympathie te voelen voor de patiënten
  • Rapporteerden de mensen uit de algemene populatie minder bereid te zijn de patiënt te helpen met dagelijkse activiteiten
  • Dachten de hulpverleners dat pijnmedicatie minder effectief zou zijn
  • Gaven de hulpverleners aan zich minder effectief te voelen in het helpen van de patiënten
  • Geloofden zowel mensen uit de algemene populatie als hulpverleners meer in het veinzen van de pijn in vergelijking met wanneer er wel medische evidentie voor de pijn was

Conclusie

Patiënten met pijn die (nog) niet medisch begrepen is, vormen een kwetsbare patiëntengroep. De onderzoeksresultaten doen vermoeden dat patiënten met “medisch onverklaarde” pijn kwetsbaar zijn voor stigmatiserende reacties van anderen, zoals bijvoorbeeld sociale uitsluiting.

Referenties

  • De Ruddere, L., Goubert, L., Vervoort, T., Prkachin, K., & Crombez, G. (2012). We discount the pain of others when pain has no medical explanation. Journal of Pain, 13, 1198-1205.
  • De Ruddere, L., Goubert, L., Stevens, M.A.L., Deveugele, M., Craig, K., & Crombez, G. (submitted). Health care professional reactions to patient pain: Impact of knowledge about medical evidence and psychosocial influences.
  • Hadjistavropoulos, T., Craig, K.D., Duck, S., Cano, A., Goubert, L., Jackson, P.L., … Fitzgerald, T.D. (2011). A biopsychosocial formulation of pain communication. Psychological Bulletin, 137, 910-939.

Auteur: Lies De Ruddere

Lies De Ruddere is als onderzoekster verbonden aan de Universiteit Gent, faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie. Haar onderzoek focust zich op de interpersoonlijke context van pijn, meer specifiek op de inschattingen die mensen maken van andermans pijn. Haar doctoraatsthesis (2013) toonde aan dat het voor mensen met pijn niet vanzelfsprekend is om geloofd te worden door anderen. De huidige onderzoeksfocus van Lies De Ruddere betreft de rol van sociale uitsluiting op het welbevinden van mensen met pijn waarvoor er (nog) geen medische verklaring is.

 

Stalking! Enkel iets voor gestoorde mensen?

Waar denkt u in eerste instantie aan als u het begrip ‘stalking’ hoort? Heel waarschijnlijk aan een gestoord iemand die een ‘celebrity’ (zoals Brad Pitt of Madonna) of bekende Vlaming (zoals Koen Wauters) obsessioneel achtervolgt en lastig valt? Niet abnormaal, want dat is het plaatje dat doorgaans door de media onder de aandacht van het brede publiek is gebracht.

Onderzoek naar stalking brengt een ander verhaal

  1. Uit verschillende studies blijkt dat niet beroemdheden maar wel ex-partners de meest vatbare groep personen zijn voor het ervaren van ernstige vormen van stalking en ruimere vormen van ‘ongewenst intrusief gedrag’. Ongewenst intrusief gedrag verwijst naar een breed continuüm van gedragingen die als doel hebben een romantische relatie te (her)installeren en kunnen variëren van mild intrusief gedrag tot ernstig intrusief, beangstigend stalkingsgedrag.
  2. Het beeld dat stalkers criminelen of gestoorde mensen zijn blijkt niet volledig te kloppen. In die optiek hanteren een groeiend aantal onderzoekers een alternatief perspectief, namelijk vanuit de relatie en context, ter verklaring van ernstige vormen van stalking en ruimere vormen van ongewenst intrusief gedrag.

Een studie bij Vlaamse ex-partners

Gegeven het feit dat stalking het vaakst optreedt bij voormalige geliefden, werd recent bij een Vlaamse groep ex-partners onderzocht in welke mate intrusieve gedragingen nu bij hen voorkomen én of het optreden van deze gedragingen ook verklaard kan worden door karakteristieken van de vroegere partnerrelatie en de scheidingssituatie.

Tussen maart 2008 en maart 2009 werden in verschillende rechtbanken in Vlaanderen ex-partners gerekruteerd in het kader van het Interdisciplinair Project voor de Optimalisatie van Scheidingstrajecten (het zogenaamde ‘IPOS-onderzoek’). Dit project, dat een samenwerking betrof tussen de UGent en KULeuven, slaagde erin een representatieve steekproef van ongeveer 2000 gescheiden volwassenen samen te stellen. Zo’n 400 tal onder hen werden specifiek bevraagd met betrekking tot het stellen van een ruime set intrusieve gedragingen ten aanzien van hun ex-geliefde. Tevens werd er geïnformeerd naar enkele scheidingskenmerken (wie de scheiding initieerde en de mate waarin men de scheiding emotioneel kon verwerken) en enkele karakteristieken van de verbroken relatie (de gepercipieerde mate van conflict in de relatie, kwaliteit van alternatieven voor de relatie, tevredenheid met de relatie, investeringen in de relatie, en angstige hechting in de relatie voor de scheiding).

Intrusief gedrag in 37% van de gevallen

En substantiële groep ex-partners (37%) rapporteerde minstens 1 intrusieve gedraging te hebben gesteld tegenover zijn/haar ex-geliefde sinds de relatiebreuk. Het aantal gestelde gedragingen varieerde sterk (van 0 tot maar liefst 68 gedragingen), maar gemiddeld gezien werden deze gedragingen in relatief beperkte mate gesteld (gemiddeld 2 à 3 gedragingen). Tot slot, bleken (gelukkig maar!) meer milde gedragingen zoals de ex-partner in de gaten houden, de ex-partner controleren, en het overdreven uiten van zijn/haar liefde jegens de ex-partner populairder te zijn dan meer ernstige bedreigende en agressieve stalkingsgedragingen.

Wat verklaart hoezeer men de ex-partner achternazit?

De mate waarin men de ex-partner lastigviel, hing weldegelijk samen met de onderzochte scheidings- en relatiekarakteristieken.

  1. Meer conflictueuze relaties en een moeilijkere emotionele verwerking van de relatiebreuk leiden tot het stellen van meer intrusieve gedragingen na scheiding.
  2. Personen die geloofden minder alternatieven te hebben voor de relatie bleken meer intrusieve gedragingen te stellen indien ze ‘gedumpt’ waren door hun ex-partner of de relatiebreuk emotioneel moeilijk konden verkroppen.
  3. ‘Gedumpte’ ex-partners schenen harder te vechten voor hun relatie indien ze meer in de relatie investeerden, meer tevreden waren met de relatie en meer angstig gehecht waren in de voorbije relatie (d.w.z., schrik hadden om door de partner verlaten te worden). Mensen die minder relatiealternatieven percipieerden, meer tevreden waren met de relatie, er meer in investeerden en meer angstig gehecht waren, stelden daarentegen niet meer intrusief gedrag indien ze de scheiding zelf wilden. Hoezeer men dus ook betrokken was op de relatie, dit zorgde niet voor meer, maar eerder voor minder intrusies bij zij die zelf wensten te breken met de relatie.

Conclusie

Is stalking nu enkel iets voor gestoorde mensen? Klopt het stereotype beeld van de gestoorde stalker die beroemdheden lastig valt? Volgens ons niet. Stalking blijkt voornamelijk een zaak te zijn van ex-partners bij wie het stellen van ongewenste, intrusieve gedragingen een enigszins ‘normaal’ gegeven blijkt te zijn. Doorgaans vallen ex-partners elkaar in milde mate lastig, niettegenstaande dat de variatie waarmee dat gebeurt groot is. De gradatie waarmee ex-partners elkaar blijven lastig vallen, wordt bovendien niet alleen verklaard door ziekelijke persoonseigenschappen van de pleger maar ook door ‘normale’ scheidings- en relatiekenmerken.

Referenties

  • Cupach, W. R., & Spitzberg, B. H. (2004). The dark side of relationship pursuit. From attraction to obsession and stalking. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.
  • De Smet, O., Loeys, T., & Buysse, A. (2012). Post-breakup unwanted pursuit: A refined analysis of the role of romantic relationship characteristics. Journal of Family Violence, 27, 437–452. doi:10.1007/s10896-012-9437-1

Auteur: Olivia De Smet

Olivia De Smet is sinds januari 2007 werkzaam als assistent aan de vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie aan de Universiteit Gent. Ze maakt deel uit van het UGent FamilyLab en doet in het kader van haar doctoraatswerk onderzoek naar ongewenst intrusief gedrag bij ex-partners. Binnenkort (25 juni 2013) vindt de openbare verdediging van haar proefschrift plaats.

 

Tien tips om zelf stress aan te pakken

Wereldwijd ervaren mensen meer en meer stress, ook in Vlaanderen. Op zich is stress hebben geen probleem: een zeker niveau van stress is onvermijdelijk en kan je zelfs helpen om optimaal te presteren. Langdurige, chronische stress die blijft aanslepen, kan echter wel kwaad. In zo’n situatie heb je een sterk verhoogde kans op verschillende fysieke aandoeningen, zoals hartklachten en beroertes, en ook op psychische problemen zoals depressieve klachten.

Draagkracht vs. draaglast

Word je dus langdurig met stress geconfronteerd, dan is het hoog tijd om daar wat aan te doen. Maar voor we stress aanpakken, is het natuurlijk belangrijk om te begrijpen wat het precies is. Wat is stress nu eigenlijk? Vaak wordt de vergelijking met een weegschaal gemaakt met aan de ene zijde draagkracht en aan de andere zijde draaglast. Er is sprake van stress wanneer de weegschaal uit balans is en draaglast en draagkracht niet meer in evenwicht zijn. De oplossing om stress aan te pakken, is dan ook tweeledig. We kunnen enerzijds de draaglast verlichten en anderzijds onze draagkracht verhogen.

Aan de slag

Hier zomaar mee aanvangen, ligt natuurlijk niet voor de hand. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat initiatieven zoals cursussen stressbeheersing (psycho-educatie) populair zijn bij het brede publiek. In zo’n cursus volgen mensen in groep een aantal lessen om met hun stress om te leren gaan. Dit helpt om stapsgewijs inzicht te verwerven in het eigen stressniveau, de patronen die stress bij jou veroorzaken en de vaardigheden die je best bijspijkert om stress aan te pakken. Cursussen stressbeheersing blijken zeker op korte termijn effectief in het reduceren van stressklachten. Op lange termijn is er ook al positieve evidentie, al is die iets minder sterk.

In deze blogpost lijsten we tien technieken op uit een psycho-educatieve cursus die werd ontwikkeld door dr. Jim White. Deze technieken zijn vrij eenvoudig toepasbaar en kunnen je helpen in het omgaan met stress. Ze zullen natuurlijk niet miraculeus je stress doen verdwijnen en dienen zeker ook niet als alternatief voor professionele begeleiding of hulp. Niettemin zijn het technieken en gedachten die je mogelijk wel kunnen helpen om beter om te gaan met dagdagelijkse stress. Probeer ze dus gerust even uit en zie of ze voor jou werken.

Tien tips om stress aan te pakken

1. Pak problemen meteen aan

Krop je gevoelens niet op. Ze zullen zich alleen maar opstapelen tot je als het ware ontploft. Stellen er zich problemen, bijvoorbeeld op het werk, pak ze dan ook meteen aan.

2. Doe het rustig aan

Ga niet te gejaagd door het leven. Probeer rustiger te eten, wandelen, autorijden, … Als je vandaag niet gedaan krijgt wat je wou doen, is dat geen onoverkomelijk probleem. Morgen is er nog een dag.

3. Een ding tegelijk

Stel je iemand voor die aan het werk is terwijl hij krampachtig een telefoon tussen het schouderblad en het oor klemt, met de ene hand notities neemt en met de andere hand door papieren bladert. Tegelijkertijd probeert hij ook nog even snel te lunchen. Deze persoon is zich overduidelijk aan het overbelasten. De boodschap is dan ook simpel: probeert niet te veel ballen tegelijk in de lucht te jongleren.

4. Splits problemen op

Als je met een groot probleem wordt geconfronteerd en je weet niet hoe eraan te beginnen, probeer die op te splitsen in kleine, meer haalbare delen. Pak elk deel vervolgens een voor een aan.

5. Maak relaxatie een onderdeel van je leven

Voorzie elke dag wat tijd enkel voor jezelf. Maak een wandeling, telefoneer met een vriend of een vriendin, werk wat in de tuin, lees een boek, neem een bad, kijk een film of je favoriete serie, luister naar muziek…

6. Stel prioriteiten

Leef je een hectisch leven, dan is het belangrijk om te bepalen wat er eerst moet gebeuren en wat kan wachten. Zet je taken in een volgorde: nummer 1 moet eerst gebeuren, na de middag volgt nummer 2 … en nummer 10 kan wachten tot het einde van de week. Trek tijd uit om je lijst wel regelmatig bij te werken.

7. Doe het ergste eerst

Als je een takenlijst hebt, doe dan als eerste wat je het minst graag doet. Eens dat achter de rug is, zullen de andere taken beter haalbaar lijken. Stel je die taak echter uit, kan deze in je hoofd blijven spoken en na verloop van tijd veel erger lijken dan ze eigenlijk is. Hou dit dan ook in je achterhoofd als je prioriteiten stelt.

8. Andermans schoenen

Als je een probleem hebt, probeer je dan in te beelden hoe je zelf zou reageren, moest een vriend(in) naar jou komen met dit probleem. Welk advies zou je geven? Kan dat advies jou ook helpen?

9. Wees geen superman of –vrouw

Probeer je altijd alles te doen? Kan je elk probleem aan? Ben je altijd de beste? Waarom? Je huis en je job zullen er nog altijd zijn, ook als jij er niet meer bent. (H)erken je sterktepunten en leer leven met je fouten. Probeer zeker niet perfect te zijn, niemand is dat.

10. Neem anderen in vertrouwen

Zoek mensen op die je kan vertrouwen en laat hen weten hoe je je voelt. Zij zien misschien oplossing voor je problemen waar je zelf nog niet aan hebt gedacht. Zelfs als dat niet zo is, dan heb je toch even je hart gelucht. Dit kan je helpen om je minder geïsoleerd te voelen.

Referenties

  • ISW Limits (2006). Stressbeheersing. Leuven: ISW Limits.
  • Van Daele, T., Hermans, D., Van Audenhove, C., & Van den Bergh, O. (2012). Stress prevention through psycho-education: a meta-analytic review. Health Education & Behavior, 39(4), 474-485.
  • White, J. (2000). Treating anxiety and stress: a group psycho-educational approach using brief CBT. Chichester: Wiley.

Auteur: Tom Van Daele

Tom Van Daele (persoonlijke website) is als psycholoog en wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Daar doet hij onderzoek naar de effectiviteit van stressbeheersingscursussen en de mogelijkheden van e-mental health voor de eerste lijn in Vlaanderen.