Browse Tag: taal

Waarom je accent bepaalt hoe geloofwaardig je klinkt

Is taal neutraal?

Wist je dat het oog van een struisvogel groter is dan zijn hersenen? Of misschien een betere
vraag: geloof je dat? En waardoor wordt dit beïnvloed? Eventueel ben je sneller overtuigd
wanneer het een vertrouwde vriend is die de boodschap brengt, of wanneer dit wordt
verteld tijdens een lezing over vogelachtigen. Of… laat je je oordeel afhangen van hoe de
boodschapper klinkt?

Verrassend of niet, het speelt (on)bewust mee: het accent van een spreker heeft impact op
hoe geloofwaardig we hen vinden.

De onbewuste sturing van een accent

In onze multiculturele samenleving worden we regelmatig blootgesteld aan mensen met
verschillende achtergronden en accenten. Voor velen van ons lijkt dat vanzelfsprekend, maar onderzoek toont aan dat een accent nog altijd verrassend veel invloed kan hebben op hoe we iemand beoordelen. Onderzoekers Lev-Ari en Keysar (2010) toonden in een Engelstalige context al aan dat mensen met een buitenlands accent als minder geloofwaardig worden ervaren, zelfs wanneer ze exact dezelfde tekst voorlezen als moedertaalsprekers.

Maar kunnen we dit alles generaliseren naar een Belgische context? Om op deze vraag een
antwoord te formuleren, ging ik aan de slag met de accenten die ons hier vaak aan de oren
komen.

De proef op de som

Voor mijn masterproef onderzocht ik hoe Vlamingen de geloofwaardigheid beoordelen van
sprekers met een Belgisch-Nederlands, Frans of Noord-Nederlands accent. In totaal
luisterden meer dan 200 Vlaamse deelnemers naar trivia-stellingen zoals “Een giraffe kan
langer zonder water dan een kameel.” of “Een aardbei heeft ongeveer 100 zaden.”,
uitgesproken door sprekers met de drie verschillende accenten.

Na elke uitspraak gaven deelnemers aan hoe geloofwaardig ze de spreker vonden. Ze
beoordeelden de spreker ook op drie dimensies: superioriteit (bijvoorbeeld intelligentie,
status), integriteit (bijvoorbeeld vriendelijkheid, eerlijkheid) en dynamiek (bijvoorbeeld
zelfvertrouwen, vlotheid).

Franstalige sprekers scoren lager… en Nederlanders beter?

De resultaten? Franstalige sprekers werden gemiddeld als minder geloofwaardig beoordeeld dan moedertaalsprekers. Ook op het vlak van superioriteit en dynamiek scoorden ze lager. Deze resultaten sluiten aan bij eerder onderzoek in andere landen, waar sprekers met een niet-inheems accent systematisch als minder betrouwbaar worden ingeschat. De verklaring hiervoor ligt deels in verwerkingsmoeilijkheden: een vreemd accent vergt meer mentale inspanning, wat (onbewust) vertaald wordt als “minder geloofwaardig”.

Maar dat is niet het volledige verhaal…

Opmerkelijk was namelijk dat sprekers met een Noord-Nederlands accent niet negatiever
beoordeeld werden. Integendeel, ze scoorden zelfs hoger op bepaalde dimensies zoals
integriteit en dynamiek.

Waarom zien we zulke verschillen? Dat kan te maken hebben met stereotypen die we vaak (onbewust) over anderen hebben. Over Franstaligen bestaan in Vlaanderen hardnekkige vooroordelen: dat ze passief zouden zijn, minder hard werken, of arrogant overkomen. Zulke ideeën hebben, al dan niet bewust, invloed op onze beoordeling. Bij Nederlanders is dat complexer. We zien hen misschien als direct of luid, maar ook als vlot, open en efficiënt. Dat kan verklaren waarom hun accent soms zelfs positiever beoordeeld wordt dan ons eigen Belgische Nederlands.

Intelligent of arrogant?

Om beter te begrijpen hoe accenten ons oordeel beïnvloeden, onderzocht ik ook welke eigenschappen het sterkst samenhangen met geloofwaardigheid. Daaruit bleek dat vooral de dimensie superioriteit doorslaggevend was: wie als slim, deskundig en capabel werd gezien, werd ook geloofwaardiger bevonden. Warmte of vlotheid (integriteit en dynamiek) speelden een veel kleinere rol. Maar let op: dit verband was niet hetzelfde voor alle accenten. Voor Franstalige sprekers kan meer dynamiek (zoals zelfverzekerd spreken) soms zelfs tot een lagere score op geloofwaardigheid leiden. Wat bij de ene spreker als krachtig overkomt, wordt bij een ander als arrogant ervaren.

Van oordeel tot impact

Deze bevindingen lijken misschien onschuldig, maar potentiële gevolgen zijn dat niet. Een accent bepaalt blijkbaar niet alleen of we iemand sympathiek vinden, maar ook of we hen geloofwaardig, bekwaam of betrouwbaar vinden. Dat kan in de praktijk grote gevolgen hebben: stel je een sollicitant met een Frans accent voor die even bekwaam is als zijn Nederlandstalige collega, maar toch minder geloofwaardig wordt gevonden door zijn accent. Dit kan voor hem of haar een serieus nadeel betekenen, ook al is dit gevoel niet gestoeld op competenties. In zo’n situatie kunnen onze impliciete vooroordelen een cruciale en zelfs nefaste impact hebben op belangrijke beslissingen die de koers van iemands leven mede richting geven.

Bewustwording is key

Belangrijk: het gaat hier niet per se om bewuste discriminatie. Niemand zegt bewust: “Ik vertrouw je niet omdat je een accent hebt.” Maar juist om die reden is het zo verraderlijk. We denken rationeel te oordelen, terwijl onder andere onbewuste stereotypen ons finale oordeel kleuren. Net daarom is het zo belangrijk om deze processen bloot te leggen. Pas als we ons bewust worden van onze eigen vooroordelen, kunnen we leren hoe we ze bij kunnen sturen. Werkgevers, maar ook andere beroepen met impact, zoals leraren en hulpverleners, zouden er baat bij hebben om hun eigen (onbewuste) voorkeuren vaker kritisch in vraag te stellen. Zo creëren we ruimte voor nuance, empathie en eerlijkheid.

Auteur

Sarah De Meyer studeerde in 2025 af in de bedrijfspsychologie en personeelsbeleid aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. Ze won de Mensenkennis trofee, een prijs ter bevordering van wetenschapspopularisering in de opleiding psychologie aan de Universiteit Gent.

Referenties

  • Acheme, D. E., & Cionea, I. A. (2022). “Oh, I like Your Accent”: Perceptions and Evaluations of Standard and Non-standard Accented English Speakers. Communication Reports, 35(2), 92–105. https://doi.org/10.1080/08934215.2022.2037679
  • Aspeslagh, R., Boen, F., Dekker, H., Linssen, H., Pepermans, R., Vanbeselaere, N., & Yzerbyt, V. (2000). BELGIË EN NEDERLAND IN BEELD [Article]. Nederlands Instituut Voor Internationale Betrekkingen. https://www.researchgate.net/publication/242469763
  • Baillien, M. S. B. (2020). Perceptie van België door jonge Walen (NLM1 en ALM1) en Vlamingen (FLM1) in 2020: stereotypen, identiteitsgevoel, nationalisme en toekomstbeeld [MA thesis, Université de Liège]. http://hdl.handle.net/2268.2/9439
  • Boduch-Grabka, K., & Lev-Ari, S. (2021). Exposing Individuals to Foreign Accent Increases their Trust in What Nonnative Speakers Say. Cognitive science, 45(11), e13064. https://doi.org/10.1111/cogs.13064
  • Dragojević, M., & Giles, H. (2016). I don’t like you because you’re hard to understand: The role of processing fluency in the language attitudes process. Human Communication Research, 42(3), 396–420. https://doi.org/10.1111/hcre.12079
  • Dragojević, M. (2017). Language attitudes. Oxford Research Encyclopedia of Communication. https://doi.org/10.1093/acrefore/9780190228613.013.437
  • Dragojević, M., Giles, H., Beck, A., & Tatum, N. T. (2017). The fluency principle: Why foreign accent strength negatively biases language attitudes. Communication Monographs, 84(3), 385–405. https://doi.org/10.1080/03637751.2017.1322213
  • Dragojević, M. (2019). Extending the fluency principle: Factors that increase listeners’ processing fluency positively bias their language attitudes. Communication Monographs, 87(2), 158–178. https://doi.org/10.1080/03637751.2019.1663543
  • Dragojević, M., & Goatley-Soan, S. (2020). Americans’ attitudes toward foreign accents: evaluative hierarchies and underlying processes. Journal of Multilingual and Multicultural Development, 43(2), 167–181. https://doi.org/10.1080/01434632.2020.1735402
  • Foucart, A., & Hartsuiker, R. J. (2021). Are foreign-accented speakers that ‘incredible’? The impact of the speaker’s indexical properties on sentence processing. Neuropsychologia, 158, 107902. https://doi.org/10.1016/j.neuropsychologia.2021.107902
  • Iheduru-Anderson, K. (2020). Accent bias: A barrier to Black African‐born nurses seeking managerial and faculty positions in the United States. Nursing Inquiry, 27(4). https://doi.org/10.1111/nin.12355
  • Lev‐Ari, S., & Keysar, B. (2010). Why don’t we believe non-native speakers? The influence of accent on credibility. Journal of Experimental Social Psychology, 46(6), 1093–1096. https://doi.org/10.1016/j.jesp.2010.05.025
  • Lybaert, C., & Delarue, S. (2017). Stereotypes and attitudes in a pluricentric language area : the case of Belgian Dutch. In G. Stickel (Ed.), Stereotypes and linguistic prejudices in Europe : contributions to the EFNIL conference 2016 in Warsaw (pp. 175–186). Budapest, Hungary: Hungarian Academy of Sciences. Research Institute for Linguistics.
  • Lybaert, C., Van Hoof, S., & Plevoets, K. (2024). Students’ attitudes towards an instructor’s foreign accent and non-standard language variety. Nordic Journal of Linguistics, 1–27. https://doi.org/10.1017/s033258652400009x
  • McCroskey, J. C., & Teven, J. J. (1999). Goodwill: A reexamination of the construct and its measurement. Communication Monographs, 66(1), 90–103. https://doi.org/10.1080/03637759909376464
  • Meuleman, B., Abts, K., & Meeusen, C. (2017). Walloons as general or specific others? A comparison of anti-Walloon and anti-immigrant attitudes in Flanders. Psychologica Belgica, 57(1), 55–70. https://doi.org/10.5334/pb.336
  • Pérez-Ramón, R. (2024). Discrimination of Degrees of Foreign Accent across Different Speakers. Languages, 9(3), 72. https://doi.org/10.3390/languages9030072
  • Spence, J. L., Hornsey, M. J., Stephenson, E. M., & Imuta, K. (2022). Is your accent right for the job? A Meta-Analysis on Accent Bias in Hiring Decisions. Personality and Social Psychology Bulletin, 50(3), 371–386. https://doi.org/10.1177/01461672221130595
  • Statbel. (2023a, June 8). Herkomst. Retrieved April 27,2024, from https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/structuur-van-de- bevolking/herkomst#news
  • Statbel. (2023b, June 8). Migraties. Retrieved April 27, 2024, from https://statbel.fgov.be/nl/themas/bevolking/loop-van-de- bevolking/migraties#news
  • Stolier, R. M., & Freeman, J. B. (2016). The neuroscience of social vision. In Elsevier eBooks (pp. 139–157). https://doi.org/10.1016/b978-0-12-800935-2.00007-5
  • Tsurutani, C. (2012). Evaluation of speakers with foreign-accented speech in Japan: the effect of accent produced by English native speakers. Journal of Multilingual and Multicultural Development, 33(6), 589–603. https://doi.org/10.1080/01434632.2012.697465
  • Van Puyvelde, M., Van Hoof, S., Lybaert, C., & Plevoets, K. (2023). Examining accent bias towards Turkish speakers of Dutch. Dutch Journal of Applied Linguistics, 12. https://doi.org/10.51751/dujal12841
  • What Languages do People Speak in Belgium? (2024). World Population Review. Retrieved April 26, 2024, from https://worldpopulationreview.com/countries/belgium/language
  • World Economic Forum. (2022, April 14). Global migration. Retrieved April 27, 2024, from https://www.weforum.org/agenda/2020/01/iom-global-migration-report- international-migrants-2020/#:~:text=1%20There%20are%20an%20estimated%20272%20million%20international,India%3B%20the%20United%20States%20is%20the%20prima ry%20destination.
 

Op het kruispunt tussen taal en geheugen: vreemde talen als een poort naar valse herinneringen

Wanneer we denken aan geheugenonderzoek, wordt dit vaak gelinkt aan vergetelheid en de beangstigende gevolgen van neurodegeneratieve aandoeningen zoals Alzheimer en dementie. Maar geheugenonderzoek omvat meer dan alleen de studie van datgene wat we vergeten. Een groot deel van dit onderzoek richt zich op wat en hoe we ons precies dingen herinneren. Opmerkelijk is dat ons geheugen niet werkt als een simpel opnameapparaat, maar eerder functioneert als een Wikipedia-pagina die voortdurend wordt bewerkt door onszelf en anderen.


De invloed van taal op herinneringsvervalsing
Een fascinerende piste binnen het geheugenonderzoek is de observatie van herinneringsvervalsing. Onze herinneringen zijn geen directe weerspiegeling van de werkelijkheid, maar eerder een reconstructie van wat er zich eerder afspeelde. Na verloop van tijd zal ons brein onbewust ontbrekende elementen invullen om zo een coherente, gereconstrueerde herinnering naar voor te kunnen schuiven. Onze herinneringen zijn bijgevolg constructies, onderhevig aan tal van invloeden zoals suggestie, misinformatie en taal. Een beroemd experiment van Loftus en Palmer onderzocht het effect van bepaald taalgebruik op de ontwikkeling van valse herinneringen. De deelnemers keken naar video’s van auto-ongelukken en werden later ondervraagd over de gebeurtenissen. De vraag hoe snel de auto’s reden toen ze “botsten” leidde tot hogere inschattingen van de snelheid vergeleken met wanneer andere woorden zoals “aangereden”, “geraakt” of “getroffen” werden gebruikt. Bovendien waren diegenen die “gebotst”’ te horen kregen meer geneigd om een week later aan te geven dat ze gebroken glas hadden gezien, ook al was dat niet het geval in de video. Deze bevindingen suggereren dat ons geheugen niet immuun is voor de invloed van taal.


Ons geheugen speelt een prominente rol in het ophalen van woorden en hun betekenissen, en is cruciaal voor ons dagelijks functioneren en communicatie met anderen. Echter, dit proces is niet altijd feilloos. Het McDermott en Roediger- paradigma, ook bekend als het DRM-paradigma, is een geheugentaak waarbij deelnemers een lijst van conceptueel gerelateerde woorden moeten onthouden (bijvoorbeeld droom, kussen, nacht, rust, enzovoort), die allemaal gelinkt zijn aan één specifiek doelwoord (in dit geval slaap). Nadien worden de deelnemers gevraagd om zich zoveel mogelijk woorden te herinneren, waarbij het opvalt dat deelnemers vaak ten onrechte het woord “slaap” onthouden als zijnde gepresenteerd. Met andere woorden, ze hebben een valse herinnering aan het woord.


Synoniemen als instrument voor geheugenonderzoek
Eerder onderzoek heeft reeds aangetoond dat individuen vatbaarder zijn voor valse herinneringen in hun dominante taal in vergelijking met hun niet-dominante taal. Opvallend is ook dat dit verschil afneemt wanneer individuen vergelijkbare vaardigheidsniveaus in beide talen bezitten. In onze zoektocht naar een manier om na te gaan hoe mensen details onthouden in verschillende taalcontexten, kwamen we op het idee om synoniemen te gebruiken. Hoewel synoniemen verschillen in uitspraak en schrijfwijze, zijn ze vaak sterk verbonden in ons geheugen vanwege hun vergelijkbare betekenis. Deze eigenschap van synoniemen maakt ze geschikt voor onderzoek naar de invloed van taal op geheugenprocessen, met name om na te gaan of mensen gevoeliger zijn voor herinneringsvervalsing in hun moedertaal of in een tweede taal waarin ze minder vaardig zijn.


Betere herkenning in een tweede taal dan in onze moedertaal
Om deze vraag te beantwoorden, kregen deelnemers die tweetalig waren in het Spaans en Engels de opdracht om zowel Spaanse als Engelse woorden te onthouden. Vervolgens moesten ze in een herkenningstaak aangeven of ze de woorden eerder hadden gezien of niet. In deze herkenningsfase werden synoniemen toegevoegd om de deelnemers te verwarren en te testen of ze deze correct konden identificeren als niet eerder gezien. In eerste instantie onthulden de resultaten een betere herkenning voor Engelse woorden dan voor die in hun moedertaal, Spaans. Bovendien bleek dat we meer geneigd zijn om aan te geven dat we een woord eerder hebben gezien in onze moedertaal, terwijl we eigenlijk een synoniem gepresenteerd kregen. Met andere woorden, in onze moedertaal zijn onze herinneringen van de woorden minder gedetailleerd, wat ons vatbaarder maakt voor valse herinneringen. We vullen de gaten in ons geheugen op met informatie die ons waarschijnlijk lijkt, zoals het idee dat we dat woord al eerder hadden gezien tijdens het experiment, terwijl dit eigenlijk niet zo is.
Fouten maken is menselijk


De huidige bevindingen roepen interessante vragen op en wijzen op het belang van verder onderzoek naar de complexe samenwerking tussen taal en geheugen. Door dieper in te gaan op hoe taal invloed heeft op ons geheugen, kunnen we beter begrijpen hoe we informatie verwerken, opslaan en ophalen in verschillende taalomgevingen. Net zoals bij een Wikipedia-pagina, kan er voor ons geheugen geen garantie gegeven worden over de volledige betrouwbaarheid van herinneringen. Maar ondanks dat onze hersenen ons soms voor de gek houden, maken deze denkfouten ons simpelweg menselijk.

Auteur
Rachel Lemaitre studeert dit jaar af als theoretisch-experimenteel psycholoog aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen (UGent). Ze ontving de Best Internship Award voor het onderzoek dat ze uitvoerde tijdens haar stage.


Bronnen
Loftus, E. (2013, June). How reliable is your memory? [Video]. ted.com. Retrieved March 5, 2024, from https://www.ted.com/talks/elizabeth_loftus_how_reliable_is_your_memory?utm_campaign=tedspread&utm_medium=referral&utm_source=tedcomshare
Roediger, H. L., & McDermott, K. B. (1995). Creating false memories: Remembering words not presented in lists. Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory and Cognition, 21(4), 803–814. https://doi.org/10.1037/0278-7393.21.4.803
Suarez, M., & Beato, M. S. (2021). The Role of Language Proficiency in False Memory: A mini review. Frontiers in Psychology, 12. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2021.659434

 

Worden studenten met een migratieachtergrond extra benadeeld door de verengelsing van ons hoger onderwijs?

Engels in het hoger onderwijs: het is een onderwerp dat de laatste jaren voor een levendig debat zorgde in de maatschappij. Sommige academici zien alleen maar voordelen, maar voor anderen is het een ware nachtmerrie.


Een van de argumenten die tegenstanders blijven opwerpen in het debat is de groeiende sociale ongelijkheid tussen autochtone studenten en studenten met een migratieachtergrond. Door het gebruik van Engels zou de moeilijkheidsgraad van ons onderwijs namelijk toenemen en zou ook de drempel om door te stromen naar het hoger onderwijs verhogen. Deze consequenties hebben volgens sommige academici hoofdzakelijk een impact op studenten met een migratieachtergrond. Als gevolg zou de sociale gelijkheid dus in het gedrang komen. Maar waarom zouden deze veranderingen enkel deze specifieke groep treffen? De verklaring die sommige tegenstanders hiervoor geven stelt dat autochtone studenten Engels meestal als tweede taal hebben, terwijl het voor studenten met een migratie achtergrond vaak hun derde of zelfs vierde taal is. Met andere woorden, deze academici gaan ervan uit dat mensen hun tweede taal beter beheersen dan hun derde taal. Het is echter opvallend dat ze deze opinie bijna nooit onderbouwen met onderzoeksgegevens. We kunnen ons dan ook de vraag stellen “houdt dit argument wel steek?”.


Effect Engels op studeerprestatie autochtone studenten

Sommige onderzoekers hebben in het kader van dit debat enkele studies gewijd aan de impact van Engels in het hoger onderwijs. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek van Vander Beken en Brysbaert (2018). Deze onderzoekers bestudeerden het effect van Engels als tweede taal op de studeerprestaties van autochtone studenten. Uit de resultaten bleek dat er geen taaleffect is bij examens met meerkeuze vragen, maar wel bij het beantwoorden van open vragen. Met andere woorden, autochtone studenten behalen een hogere score op open vragen na het studeren in het Nederlands in vergelijking met het Engels. Jammer genoeg beperken deze studies zich tot het bestuderen van het effect van Engels op de studeerprestaties van autochtone studenten. In onze studie besteden we echter ook aandacht aan studenten met een migratieachtergrond.


Engels lijkt niet moeilijker voor de migratiegroep
Aan de hand van dit onderzoek wilden we de potentiële negatieve impact van Engels nagaan op de studeerprestaties van studenten met een migratieachtergrond. We vergeleken de resultaten van een groep studenten met een migratieachtergrond (migratiegroep) met die van een groep autochtone studenten (controlegroep). De studenten in de migratiegroep hadden een andere moedertaal dan Nederlands en Engels en spraken deze talen ook niet thuis. Naast Turks, de moedertaal van ongeveer 30% van de deelnemers, waren Pools en Frans de meest voorkomende moedertalen bij de proefpersonen. De groep omvatte zowel eerste als tweede en derde generatie migranten. De studenten in de controlegroep hadden allemaal Nederlands als moedertaal. Tijdens het experiment studeerden de proefpersonen een tekst in het Nederlands of Engels. Na deze studeerfase boden we een distractortaak aan waarna er een testfase was. In de testfase vroegen we de proefpersonen om zoveel mogelijk informatie die ze zich herinnerden uit de tekst te noteren. De deelnemers aan de studie doorliepen deze sequentie voor beide talen. De resultaten geven we weer in Figuur 1.

Uit de resultaten bleek dat, net zoals in de studie van Vander Beken en Brysbaert (2018), de controlegroep een hogere score behaalde op de Nederlandse test in vergelijking met de Engelse test. Voor de migratiegroep is er een bijna significant verschil gevonden tussen beide talen. Naast deze analyses op groepsniveau, keken we ook naar de resultaten op niveau van taal. Deze analyse zorgde voor enkele onverwachte resultaten. Voor Nederlands vonden we namelijk een significant verschil tussen de migratiegroep en controlegroep, maar verassend genoeg bleek er voor Engels geen significant verschil te zijn tussen beide groepen. Met andere woorden, de migratiegroep scoorde significant lager dan de controlegroep, maar enkel op de Nederlandse test. Verder vonden we geen interactie effect tussen groep en taal, wat erop wijst dat Engels niet moeilijker lijkt voor de migratiegroep dan voor de controlegroep.


Nederlands hanteren als onderwijstaal zorgt voor meer ongelijkheid
Concluderend kunnen we stellen dat onze studie geen evidentie biedt voor de stelling dat studeren in het Engels moeilijker is voor studenten met een migratieachtergrond dan voor autochtone studenten. Het argument dat Engels voor meer ongelijkheid zorgt lijkt dus niet op te gaan. Integendeel, het is niet Engels, maar Nederlands dat lijkt te zorgen voor een grotere ongelijkheid. Toekomstig onderzoek dient dus meer aandacht te besteden aan wat daar precies de oorzaken van zijn.

Auteur

Sarah Slabbaert studeerde af als experimenteel psychologe aan de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen (UGent). Ze won de Best Intership Award op basis van haar wetenschappelijke verdienste en sterke wetenschapscommunicatie.

Referenties

Bardoel, F. (2017, July 12). Verengelsing slecht voor de emancipatie lagere klassen. Univers. https://universonline.nl/nieuws/2017/07/12/verengelsing-slecht-voor-de-emancipatie-lagere-klassen/

D’hamers, E. (2018, September). Is meer Engels in het hoger onderwijs wel een goed idee? Knack. https://www.knack.be/nieuws/belgie/is-meer-engels-in-het-hoger-onderwijs-wel-een-goedidee/article-opinion-825297.html

De Moor, A. (2017). Is de verengelsing van onze maatschappij een veelkoppig monster ? Science Guide, 1–6.

Laureys, G. (2019). Niet tegen Engels, wel voor Nederlands. Vrt Taal. https://vrttaal.net/nieuws/opinie-niet-tegen-engels-wel-voor-nederlands

Maes, H., Van Besien, D., Duchateau, G., Laureys, G., De Moor, A., Storme, M., Becue, P., Roukens, J., Fleerackers, F., Coninx, I., Ponette, E., Daelemans, B., De Haes, D., De Waele, W., & De Wit, W. (2020). “Het is onaanvaardbaar dat er nog maar gedacht kan worden aan het verder verengelsen van het onderwijs.” Knack. https://www.knack.be/nieuws/belgie/het-is-onaanvaardbaar-dat-er-nog-maar-gedacht-kan-worden-aan-het-verder-verengelsen-van-het-onderwijs/article-opinion-1572193.html

Raad Hoger Onderwijs. (2017). Advies taalbeleid in het Vlaamse hoger onderwijs.
Roose, P. (2017). Engelstalig hoger onderwijs is asociaal. Doorbraak.be. https://doorbraak.be/engelstalig-hoger-onderwijs/

Van Besien, D., Duchateau, G., Laureys, G., De Moor, A., Storme, M., Becue, P., Debrabandere, P.,Roukens, J., Fleerackers, F., Ponette, E., De Waele, W., De Wit, W., Coninx, I., Devreese, J.,Maes, H., Roosens, H., & Debruyne, G. (2020). Verengelsing hoger onderwijs is slecht idee. Doorbraak.Be. https://doorbraak.be/verengelsing-slecht-idee/

Vander Beken, H., & Brysbaert, M. (2018). Studying texts in a second language: The importance of test type. Bilingualism, 21(5), 1062–1074. https://doi.org/10.1017/S1366728917000189

 

Waarom leren kinderen vlotter een nieuwe taal dan volwassenen?

Hoewel zich uitdrukken in taal heel evident lijkt, is het verwerven van taal best een uitdagend opdracht. Denk maar eens aan een nieuwe taal leren. Het is goed mogelijk dat je nog steeds twijfelt over de subjonctives van être – Bescherelle ten spijt. Laat staan dat je incognito een baguette bij de lokale bakker bestelt. Quand les poules auront des dents. Tenzij je jong geleerd bent. Dan gaat het precies vanzelf – of althans zónder traceerbaar accent.
Kinderen zijn meer succesvol in het leren van taal dan volwassenen. Dit geldt zowel voor het leren van de moedertaal als het leren van een tweede taal. Een sprekend voorbeeld is de casus van Victor de l’Aveyron, het wolfskind dat opgroeide zonder taal en daarna nooit meer in staat was een moedertaal te verwerven. In 1967 definieerde Eric Lenneberg een “kritische” periode waarin je taal kan leren. Deze periode eindigt op het moment dat de taalfuncties in de (linker)hersenen zijn verankerd, met name rond de puberteit. Later werd dit genuanceerd, voornamelijk wat betreft het leren van een tweede taal. Volwassenen zijn nog steeds in staat om een nieuwe taal te leren, al het gaat niet meer zo vanzelf en zelden tot op moedertaalniveau. Men spreekt over een sensitieve periode voor taalverwerving die verdwijnt rond de puberteit.

Dit lijkt contra-intuïtief. Volwassenen blinken uit op tal van cognitieve vaardigheden. Ze hebben een grotere aandachtspanne, meer capaciteit in het geheugen en een complexer redeneervermogen dan kinderen. En toch leren ze taal niet zo vlot zoals kinderen dat doen. Dit paradox werd in 2005 door het tijdschrift Science uitgeroepen tot één van de belangrijkste maar nog steeds onopgeloste vragen in de wetenschappen. Meer dan tien jaar later zijn wetenschappers nog steeds op zoek naar antwoorden.

Een taal leren dat doe je niet zomaar. Of net wel?
In 1996 ontdekten Amerikaanse wetenschappers dat baby’s van amper 8 maanden oud in staat zijn om woorden te isoleren uit een continue stroom van spraakklanken enkel en alleen door te luisteren [1]. Hun brein pikt onbewust statistische regelmatigheden op die verstopt zitten in onze taal. In iedere taal komen bepaalde elementen (klanken, woorden, etc.) relatief vaak in combinatie voor. Een kind dat leert dat “grote”, en niet “degro” of “tehond” in “de grote hond” een apart woord is, heeft te maken met overgangswaarschijnlijkheden tussen de verschillende lettergrepen: de syllaben “gro” en “te” komen veel vaker samen voor dan “de” en “gro”. Bovendien zullen woorden in het Nederlands nooit eindigen met de klank ‘h’ en dus waarschijnlijk het begin van het volgend woord aanduiden [ook wel fonotactische regels genoemd]. Een kind ziet ook net vaker een grote hond dan een poes of een kleine hond wanneer deze klanken aangeboden worden. Soortgelijke statistiek kan ook gebruikt worden om grammaticaregels te leren. Bijvoorbeeld, de overgangswaarschijnlijkheid tussen een enkelvoudig onderwerp en -t (vb., hij loopt, zij fietst) is hoog en dus leert het kind dat het niet “broer loop” of “ik fietst” is. Steeds meer en recenter onderzoek laat zien dat statistisch leren een fundamenteel basismechanisme is in het jong brein dat helpt bij het leren van taal en andere vaardigheden zoals sport of muziek.

Hoe zit het dan als we ouder worden?
Ons vermogen tot statistisch leren verdwijnt niet met ouder worden. In tegendeel. We maken nog steeds onbewust gebruik van statistische regelmatigheden in onze omgeving om iets te bij te leren – denk bijvoorbeeld aan conditionering. Wat wel verandert is onze ervaring, de plasticiteit van ons brein en ons cognitief vermogen [2].
Hoe vertrouwder men wordt met de statistiek binnen één taalsysteem, hoe moeilijker het wordt om zich aan te passen aan de statistiek van een ander taalsysteem. Ervaring is een mes dat snijdt aan twee kanten. Door het oppikken van statistische regelmatigheden winnen we kennis in de ene taal maar ontnemen we tegelijk ons vermogen tot aanpassen aan de andere taal – zeker als deze taal er andere fonotactische of grammaticale regels op nahoudt. Dit kan echter niet verklaren waarom er ook een kritische periode lijkt te bestaan voor het leren van een eerste taal.

Tijdens het leren worden synaptische verbindingen gevormd tussen neuronen. De meeste neuronen worden aangemaakt voor het tweede levensjaar. Deze sterven geleidelijk af met ouder worden. Een jonger brein is hierdoor plastischer en daardoor ook beter uitgerust om taal te leren. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat kinderen sneller herstellen van traumatische schade aan de linkerhersenhelft (betrokken bij taalverwerving) dan volwassenen. Echter, verlies aan plasticiteit kan niet verklaren waarom volwassenen slechter worden in het leren van taal maar net beter in het leren van andere cognitieve vaardigheden.
Hoe ouder, hoe intelligenter – althans, het is maar hoe je het bekijkt. Door de groei van de prefrontale cortex, de voorste delen van het brein, krijgen volwassenen een beter cognitief vermogen. Deze groei start in de pubertijd en ontwikkelt zich verder tot en met het 25e levensjaar. Hierdoor leren volwassenen taal niet meer uitsluitend op een onbewuste manier, maar door actief en expliciet op zoek te gaan naar het onderliggend regelsysteem. Ze zoeken het te ver en zien door de bomen het bos niet meer. Of ze slaan te veel informatie tegelijk op en vergeten daarom sneller en slagen zaken door elkaar. Onderzoek met volwassenen toont bijvoorbeeld aan dat het brein sneller statistische regelmatigheden oppikt en minder snel vergeet wanneer men afgeleid is of wanneer de prefrontale activiteit onderdrukt wordt aan de hand van slaapmedicatie (benzodiazepines) en/of transcraniële magnetische stimulatie [3]. Less is more.

Wat nu?
In de loop der jaren zijn er al heel wat educatieve methoden gebaseerd op bovenstaande inzichten. Denk bijvoorbeeld aan de stijgende populariteit van immersie-scholen waar taal niet wordt onderwezen maar aangeboden (d.i., zo natuurlijk mogelijk) – en liefst zo vroeg mogelijk [4]. Er zitten echter nog steeds haken en ogen aan het wetenschappelijk debat rond sensitiviteit in taalverwerving. Er blijken ook verschillende sensitieve periodes te zijn voor verschillende aspecten van taal (fonologie, morfologie, syntax…) en sommige aspecten van taal hebben wel voordeel van expliciete onderwijsvormen (vb. onregelmatige vervoegingen, semantiek). Individuele verschillen in persoonlijkheid, motivatie, aanleg alsook sociale factoren spelen ook een rol.

Referenties
[1] Saffran, J. R., Aslin, R. N., & Newport, E. L. (1996). Statistical learning by 8-month-old infants. Science, 274(5294), 1926-1928.
[2] Thiessen, E.D., Girard, S. & Erickson, L.C. (2016). Statistical learning and the critical period: how a continuous learning mechanism can give rise to discontinuous learning. Cognitive science, 7:276-288.
[3] Smalle, E.H.M., Panouillères, M., Szmalec, A., & Möttönen, R. (2017). Language learning in the adult brain: Disrupting the dorsolateral prefrontal cortex facilitates word-form learning. Scientific Reports, 7: 13966.
[4] Simonis, M, Van der Linden, L, Galand, B, Hiligsmann, P, & Szmalec, A (2019). Executive control performance and foreign-language proficiency associated with immersion education in French-speaking Belgium. Bilingualism: Language and Cognition, 1-16.